Terwijl een kleene hoop--

Die voorstelling der in het water dartelende krijgslieden, die

onder dat bedrijf door den vijand verrast worden, kan B. voor den

geest gestaan hebben uit een voorval, dat plaats had gedurende de

burgeroorlogen van Florence, en door het penseel van Michel-Angelo

is vereeuwigd.

IVe Zang, vs. 262, bl. 60, rl. 4 v. b.

(De vorst) wint--de steilte van den boord.

D.i. bereikt. B. had deze keurige aanwending van het w. w. "winnen" bij

Vondel opgemerkt, en vestigt er de aandacht op in zijne Aanmerkingen

op Huydecopers Proeve, bl. 2.

IVe Zang, vs. 264, bl. 60, rl. 6 v. b.

Maar een steen, die 't hoofd hem dacht te kneuzen, enz.

Segol, als later blijken moest, wordt hier beschermd door een

bovenaardsche macht: dit wordt uitdrukkelijk gezegd Z. V, vs. 269,

bij een dergelijk geval.

IVe Zang, vs. 284, bl. 60, rl. 10 v. o.

De boogpijl vliegt hem (den vijand) na met moorden en ontzielen.

Dit schijnt eene tautologie; maar ik meen dat "moorden" hier kan

opgevat worden als "doodelijk wonden".

IVe Zang, vs. 289, volgg. bl. 60, rl. 5 v. o.

--Een aantal lijken dekt

Den grond, waarheen hij ziet, enz.

De indruk hier gemaakt door het vinden en aanschouwen van het

noodlottig slagveld herinnert de schoone beschrijving van het

wedervinden van Varus' legerkamp, in den Germanicus van mevr. Van

Winter (Ve Boek) aan Tacitus ontleend:

"Hier rijst van allen kant voor de oogen des soldaats

Een schrikkelijk tooneel", enz.

IVe Zang, vs. 371, bl. 63, rl. 7 v. b.

De rust is voor 't gemeen, dat niet dan d' arm kan roeren;

Geen vorsten, die 't bevel van rijk of leger voeren.

Ook deze gedachte is aan Homerus (II. IIe B. vs. 24, 25) ontleend. Maar

de weemoedige wijze, waarop zij hier door den Vorst zelven wordt

uitgesproken en het geheele tooneel voeren de kleur der Ossianische

poëzy.

IVe Zang, vs. 395, bl. 63, rl. 10 v. o.

Ik zag Mechujaël mijn grootvaâr in zijn grijsheid.

Segol, die hier spreekt, had reeds "vier eeuwen de legerknots met

roem" gevoerd (vs. 481) en behoorde, als kleinzoon van Mechujaël tot

het zesde geslacht van Adam onder de Kaïnieten (zie Gen. IV, vs. 17,

volgg.) Hetgeen bevestigt, wat door ons opgeteekend is omtrent den

tijd waarin de dichter zijn handeling plaatst.

IVe Zang, vs. 404, bl. 63, rl. 2 v. o.

--Van uit een hooger orden.

Ik meen dat B. hier "orden" genomen heeft als het grondwoord van het

w. w. "ordenen"; zooals van "baak bake, baken" komt "bakenen".

IVe Zang, vs. 458, bl. 65, rl. 15 v. b.

En sticht het Godlijk rijk, vol waarheid, deugd, en plicht.

D. C. valt hier zijn grooten meester hard, omdat hij in het Godsrijk

nog spreekt van "deugd" en vooral van "plicht". Valt tegen dit

oordeel niet iets in te brengen? Blijft in dat Rijk niet het recht

van God bestaan op de aanbidding zijner schepselen? en blijft het

niet hun deugd, lost zij zich daarin niet op, hieraan met vreugde te

voldoen en dus een "plicht" te vervullen, die aan het goddelijk recht

beantwoordt? Maar in het Godsrijk is die plichtsvervulling volmaakt,

omdat zij alleen uit liefde en uit niets anders voortvloeit, en daarom

volstrekt vrij is.

IVe Zang, vs. 493, bl. 66, rl. 15 v. b.

En helder licht straalde uit zijn boezem op hem af.

B. had, meen ik, geschreven: "Een helder licht".

IVe Zang, vs. 521 bl. 67, rl. 5 v. b.

Verheug uw volken met uw aanblik weêr, en straal

Ons gunstig toe.

Ook hier vindt men een herinnering van een der oden van Horatius (IV

Boek 5e Ode), waar hij, in naam van 't Romeinsche volk, Augustus om

een spoedige terugkomst bidt, (naar de vertaling van P. van Winter):

"Keer in den zetel van 't gebied,

o Goedertieren vorst, keer naar belofte weder;

Daal als een lentedag die al het land verblijdt:

Het dankbaar volk bemint u teder,

U, die hun dag, hun zonlicht zijt."

Ve Zang, vs. 35, bl. 72, rl. 4 v. b.

Het hoofd hangt moedloos op de schouder.

B. in de "Verklarende Geslachtlijst" verkiest voor het woord "schouder"

het m. g. en naar de afleiding die hij er van geeft, en zijn stelsel

daarop toepassende, kon men wel geen ander geslacht aan dit woord

toekennen. Doch het schijnt dat, op deze plaats van zijn Epos, B. het

woord "schouder" genomen heeft als een van die afgekorte meervouden

als er in sommige spreekwijzen onzer taal aanwezig zijn, en waartoe

betrekking heeft de belangrijke aanteekening van Huydecoper, in zijn

Proeve van Taal- en Dichtkunde, op het VIe Boek der Herscheppingen

vs. 799, op welke plaats van den grooten taalgeleerde B. doelt in zijn

"Geslachtlijst" op het woord "schouder". Dat hier sprake kan zijn

van het meervoud is denkbaar, wanneer men zich het verslappende hoofd

voorstelt van d' een op d' anderen schouder zinkend en neêrhangend;

hetgeen Virgilius heeft uitgedrukt met het woord "utroque," Aen. V,

vs. 469.

Ve Zang, vs. 80, bl. 73, rl. 14 v. b.

"Dit (het vaderland) moog verloren gaan, de menschlijkheid houdt

stand".

Ik meen dat men lezen moet: "houd' stand".

Ve Zang, vs. 125, bl. 74, rl. 15 v. o.

--"In der vossen holen

De dood die hen vervolgt voor 't oogenblik ontscholen".

Kan de mensch schuilen in een vossenhol? Ik meen dat B. schreef,

of bedoelde te schrijven: "der losschen holen".

Ve Zang, vs. 162 volg., bl. 75, rl. 16 v. o.

--Reuzentelg, die opgeroeid in 't strijden,

Reeds driewerf Beth-urs burg verbrand hadt en vergruisd.

Nu voor den derden keer, bij die overrompeling vermeld in den vorigen

zang vs. 570, volgg. De twee vroegere vermeesteringen of althans

verwoestingen van het dal van Hemath, waarin Beth-ur lag, vermeldt

de dichter in zijn verhaal in den eersten zang, vs. 264, en 291;

en het was bij een dezer invallen dat Elpine, als kind, in handen

der Reuzen was gevallen (Z. II, vs. 290). De vraag, in welk der

vijf historische tijdvakken, die in het zooeven gemeld verhaal des

dichters onderscheiden kunnen worden, die roof op Elpine gepleegd,

naar de bedoeling des dichters, voorviel, schijnt niet gemakkelijk

ter beantwoording. Heeft de dichter deze gebeurtenis in zijne

gedachte geplaatst op het einde van het 3e tijdvak, d. i. der eerste

overheersching der Reuzen, toen hun rot, als hij zingt: (Z. I, vs. 278)

--"met moed en kunst bestreên,

Week naar den hooger grond, als in zijn schansen, heen";

of wel in het begin van het 5e, toen, ofschoon het niet gezegd

wordt, het in den aard der zaak ligt, dat de Reuzen, bij de tweede

vermeestering vaan het oostelijk deel der Aarde en hunne vestiging

tot aan de Nilho, waarbij van den roof van "vrouwen, kinders, vee"

(vs. 285) gewaagd wordt, het aan de andere zijde van die rivier

gelegen Beth-ur, het verblijf van Elpine's ouders, in een strooptocht

hebben geplunderd? Neemt men dit laatste aan, dan is het een zeer

natuurlijke bezorgdheid in Segol, die hem Beth-ur als eene onveilige

verblijfplaats voor Zilfa doet beschouwen; en deze wordt ook door de

uitkomst bevestigd; (IIIe Z. vs. 630 en IVe Z. vs. 573). Daarbij komt,

dat na de eerste overheersching der Reuzen een tijdvak van vrede van

50 jaren verloopen is (I. 280) en ook tot de bevestiging van het tweede

rijk der Reuzen eenige tijd als noodig is aan te nemen; en zoo schijnt

men in de eerste veronderstelling het tijdstip van de geboorte van

Elpine wel wat verre achteruit te schuiven. De levensperken echter

van het menschelijk geslacht, zooals het toen volgens de bijbelsche

oorkonde was, in aanmerking genomen, is een leeftijd, als dan aan

Elpine wordt toegesehreven, nog jeugdig; ofschoon men het dan als eene

voorzichtigheid in den dichter prijzen moet, dat hij het getal harer

jaren niet gespeld en ons daardoor den zonderlingen indruk gespaard

heeft, dien Hoogvliet, in Abraham, op ons maakt, wanneer hij Sara

dus sprekende invoert:

"Zou dan dit schijnschoon nogh zoo groot een onheil baren,

In mijnen ouderdom van vijf en zestigh jaren?"

Ik hel dus meer over tot het denkbeeld, om de kindsheid van Elpine in

het meer verwijderd tijdperk te plaatsen, en meen dat de vermelding

van "den hooger grond" (I. 278.) waar toen de Reuzen op terugtrokken,

in verband staat met de redding van Elpine uit hunne handen, door haar

pleegvader Methusalah; daar het als aannemelijk kan beschouwd worden,

dat het aartsvaderlijk gezin van Noach, met Methusalah, zich reeds

toen op die hooge en eenzame bergstreek ophield.

Ve Zang, vs. 171, bl. 75, rl. 7 v. o.

Ontzinden! is 't de pijl, of is 't de zwakke hand?

Niet de pijl--zegt de aanvoerder--is uw vijand, tegen wien gij te

strijden hebt; maar de hand die haar afzendt, en deze is "zwak" en

ontleent alleen haar macht aan den afstand; vernietig dien door een

snellen aanval, en zij vermag niets meer.

Ve Zang, vs. 223, bl. 77, rl. 6, v. b.

"Den veewolf".

Een vreemdsoortig samengesteld woord, om een wolf aan te duiden,

die voornamelijk voor het vee te duchten is.

Ve Zang, vs. 246, bl. 77, rl. 12 v. o.

(De Koning) knarstandt van de spijt, als duizend ijzren harren

Op grendels, rood verroest, en in hun ring verwrikt,

Zoo klinkt het door de lucht, en heel het heir verschrikt.

D. C. schrijft het hier beschreven geluid toe aan de booze geesten:

verg. zijn aant. op vs. 335. Er is echter van een onmiddellijk nabij

zijn dier wezens niet gesproken: zooals b. v. in den IIen Z. vs. 504;

en zoo, op zichzelf genomen, schijnen deze woorden ter tekennengeving

van zoodanige bedoeling des dichters niet genoegzaam. Ik meende dat

wij hier te doen hadden met eene dier hyperbolische vergelijkingen

als soms bij de epische dichters voorkomen, en dat de geheele plaats

op het knarstanden des Konings moet worden toegepast.

Ve Zang, vs. 350, bl. 80, rl. 15 v. b.

--Tot nieuwe krijgsbedrijven

Gesterkt, wat wacht mijn hoop van zulk een heldenstoet.

Men moet de woorden "Tot nieuwe krijgsbedrijven gesterkt" voegen

bij het woord "heldenstoet", als las men: van zulk een heldenstoet,

als hij tot nieuwe krijgsbedrijven gesterkt zal zijn, wat mag ik

daarvan verwachten.

Ve Zang, vs. 409, bl. 82, rl. 5 v. b.

Wen een onzichtbre hand zich in de zijne kleefde,

Hem opvoerde, en met hem den ethersfeer doorzweefde,

En Segol, Segol, riep!

Deze plaats moest anders worden uitgegeven om de bedoeling des dichters

uit te drukken. Na het woord "doorzweefde" moest een sterker leesteeken

staan. Van daar begon een nieuwe zinsnede, en het onderwerp dat het

laatste werkwoord "riep" vorderde, was nog niet geschreven, toen de

pen aan den onsterfelijken zanger ontzonk.

Het ontwerp van Bilderdijks epos.

Toen Bilderdijk er toe kwam om de vijf eerste zangen van zijn

voor altijd onvoltooid gebleven heldendicht uit te geven, werd dit

merkwaardig en geheel eenig gewrocht der nederlandsche poëzy over

't algemeen met koelheid ontvangen. De dichter, als blijkt uit zijne

voorrede, had zich niet anders voorgesteld van een publiek, dat van

alle werken van kunst en van smaak vooral verlangt, zonder inspanning

op eene aangename wijze bezig gehouden te worden. Zij echter die

door hun studiën en de richting van hun geest in staat waren het

meesterwerk te genieten, stonden verbaasd over de stoutheid van het

ontwerp en den reusachtigen greep, die in de gekozene stof gedaan was;

en aan hunne bewondering paarde zich een gevoel van weemoed over de

afgesneden hoop, dat een zoo verheven kunstgewrocht ooit zou worden

voltooid. Het was natuurlijk dat de verbeelding van sommigen van hen

niet kon blijven staan aan de grens waar de dichter, door grievende

rampen getroffen, moedeloos was neêrgezonken, maar hem zocht vooruit

te streven in de nevelen van dat onbekende gedeelte der baan, waar

zijn vlucht zich verder in bewegen moest; ja, zoo ver te komen, dat

zij, al ware het in een enkelen omtrek, het geheel kon overzien dat

hij zich had voorgesteld in het leven te roepen. Indien er iemand

in staat scheen dit doel nabij te komen, dat de dichter met zekere

achterhoudendheid als onbereikbaar gemaakt had, het was zeker zijn

voortreffelijke leerling en vriend, Da Costa. En inderdaad, deze

hield zich met de oplossing van het vraagstuk bezig, en in de zeer

verdienstelijke uitgave afzonderlijk door hem bewerkt van Bilderdijks

Epos [4] vindt men (bladz. 371 volgg.) eene verhandeling, waar het

"Ontwerp des Geheels", naar het gevoelen van den schrijver, voor den

lezer onthuld wordt. Aan zeer bevoegde rechters voldeed dit werk

van D.C., en zij deelden in de door hem uitgesproken overtuiging,

dat hij het geheim des ontslapen dichters had geraden. Mijn ontzag

voor deze goedkeuring en mijne oprechte bewondering voor het groot

en eerbiedwaardig genie van D.C. beletten mij niet, hier onbewimpeld

als mijn gevoelen uit te spreken, dat Bilderdijks ontwerp anders

dan het naar die gissing wordt voorgesteld, moet geweest zijn: ja,

dat zijn leerling, in de voornaamste trekken, die hij daarvan meende

te hergeven, heeft misgetast.

Het onderwerp van dezen Epos, zooals de dichter zelf, in een

brief aan zijn vriend den Hoogleeraar H.W. Tydeman, het uitdrukte,

[5] is eigenlijk "de zondvloed" niet: "doch hetgeen den zondvloed

verwekte." Deze daad die bezongen moest worden, was de aanval door het

menschdom ondernomen ter herovering van Eden, onder voorleiding der

Reuzen, gesproten uit sterfelijke menschendochters en onsterfelijke,

in het Paradijs geteelde, menschenzonen, met bovenaardsche lichamen

omkleede geesten; die, als kinderen van Adam vóór zijn val geteeld,

in Eden achtergebleven waren; doch later, om hun verboden omgang met de

dochters van het gevallen menschenras, insgelijks uit den zaligen hof

verbannen werden, en zich als goden in het luchtruim bewogen. Aan het

hoofd van dien opstand zou men een dier Paradijsgeesten zien treden,

den verleider van Elpine, eene Kaïnietische maagd door Methusalah in

't geloof aan den eenigen waren God opgevoed. Deze haar minnaar moest

zich, als vader van het uit haar te verwachten kroost, aan het belang

der Reuzen verbonden gevoelen; [6] en uit verschillende aanduidingen in

het bestaande fragment aanwezig, blijkt, als door D.C. is opgemerkt,

dat Elpine in bloedverwantschap moest staan tot Segol, het opperhoofd

der Kaïnieten, die, zoover als het dichtstuk loopt, voorkomt als de

gelukkige handhaver des menschdoms, tegen de overmachtige dwingelandij

der Reuzen; die, in dezen kamp kennelijk door God beschermd zich

gezind toont Hem te dienen, en, daar waar het fragment eindigt,

op het punt staat eene goddelijke openbaring te ontvangen.

Nu is het hoofddenkbeeld van D.C. ter aanvulling van het geheel: dat

het kind waarvan Elpine zwanger is bij den aanvang van dezen Epos,

een der voornaamste rollen daarin vervullen moet; dat Elpine zelve,

in het ontwerp des dichters, bestemd was te sterven bij het ter

wereld brengen van dat kind; dat het zou worden opgevoed door Segol,

haar halven broeder van moederszijde, en door Zilfa zijn echtgenoot;

terwijl dit deugdzaam en godvreezend paar, na de volslagen nederlaag

en bijna geheele uitroeiing der Reuzen, onder eene voorspoedige

regeering, vrede en godsvrucht over de geheele Aarde, wier troon

het beklom, zou doen bloeien: dat dit kind evenwel, tot jongeling

opgegroeid, door zijn wraakzuchtigen vader tot de snoodste ondeugd

en tot ondankbaarheid jegens zijn pleegouders zou worden opgeleid,

om Segol van den troon te stooten en het gansche menschdom, met het

inmiddels weder aangegroeide geslacht der Reuzen, in een algemeenen

afval van God te wikkelen en tot den lang beraamden aanval op Eden te

vereenigen; bij welks verdediging Segol, doodelijk gewond, met zijne

echtgenoot, in den inmiddels ter stuiting van den hemeltergenden

aanval uitgebroken zondvloed, om zou komen.

Ik vrees niet van bedilzucht beschuldigd te worden, wanneer ik zeg,

dat er bij mij gewichtige bezwaren tegen dit denkbeeld bestaan,

die het mij onmogelijk maken aan te nemen, dat hiermede het ontwerp

des dichters in zijn voornaamste trekken is teruggegeven.--Ik mis

vooreerst, en in de voornaamste plaats, die eenheid, die, volgens

D.C. zelf [7] overal "maar vooral in zijn Epos het karakter van

Bilderdijks streven, aanleg en geest was." Er zijn hier blijkbaar

twee heldendichten: het eene bezingt de overwinning op de Reuzen door

Segol behaald en zijn verheffing ter wereldmonarchy: het andere zijn

val in verband gebracht met de bestorming van Eden. Dat in het begin,

in eenige verzen, van het voornemen tot dien aanval gerept wordt,

vormt geen band, die de beide onderwerpen tot een geheel vereenigt,

waarvan de behandeling, D.C. erkent het zelf, [8] door "een pauze"

is vaneen gescheiden; omdat dit voornemen zoo lang op den achtergrond

rust, en van geen den minsten invloed is op al de gebeurtenissen,

die het eerste onderwerp tot een besliste uitkomst leiden.

Ook valt de gerektheid, zooals D.C. zich dien Epos voorstelde, in

het oog. Of de dichter had de dorheid der kroniekschrijvers moeten

aannemen, of aan zijn werk eene uitgebreidheid geven, die niet binnen

de grenzen viel van den klassieken Epos, zooals Bilderdijk zich dien

voorstelde, maar veeleer een dier indische Epopéën nastreefde die

het getal harer verzen bij tienduizenden tellen. Het gedicht zou een

geschiedverhaal behelsd hebben van hetgeen in het laatste tijdperk

vóór den zondvloed op aarde was voorgevallen; geen episch drama had

het voorgesteld: en dit te minder, omdat de trage ontwikkeling der

gebeurtenissen, zich door verschillende levensperioden derzelfde

personen uitstrekkend, er een zekere "slaperigheid"--het woord is

van Bilderdijk--aan zou gegeven hebben.

Een ander hoofdgebrek in dit plan had, dunkt ons, den indruk van

het geheel benadeeld: het gemis van een bevattelijke en het hart

bevredigende théodicé. Immers zou, volgens dat bestek, de deugdzame

koning Segol, die met zijn deugdzame echtgenoot de aarde gelukkig

maakte en tot de kennis van den waren God terugbracht, niet alleen

ten gevolge van den opstand tegen dien God van den troon gestooten

zijn, maar in de algemeene strafoefening door die misdaad verwekt,

niet al de opstandelingen zelven, zijn omgekomen.

Nog minder waarschijnlijkheid toont het bedoeld ontwerp, wanneer

wij het met het program dat Bilderdijk zelf in zijn voorrede [9]

van zijn plan geeft, vergelijken. Wij hooren hem spreken van dit plan

en van "de menigte van Epizodes of byverdichtsels die het insluiten

moest, en wier nauwe aaneenschakeling eerst volmaakt in de geheele

samenvloeiing mag blijken," en van "de algeheele verwikkeling, die

van oogenblik tot oogenblik groeien moet, en hare ontknooping ineens

bereikt, als het oogenblik der verdelging daar is," enz. En nu was

het van D.C. noch van iemand te vergen, dat hij die Epizodes raden

zou, waarvan de personen misschien zelfs nog niet genoemd zijn in

het onafgewerkte gedicht; maar het blijft niet te min waar, dat deze

woorden, vooral de laatste, iets vrij wat ingewikkelders voorspellen,

en iets geschikters om zoovele invlechtingen te ontvangen, dan het

zoo effen en eenvoudig verhaal dat D.C. den dichter toeschrijft.

Maar zelfs strijdt het door D.C. uitgedachte ontwerp in sommige

opzichten met het afgewerkte gedeelte van het gedicht, en met

hetgeen B. er van zegt in zijne voorrede. Zoo kennen wij uit B. den

Paradijsgeest, minnaar van Elpine, als een hartstochtelijk wezen,

dat alleen door overmaat van liefde voor haar en voor het kroost

dat hij van haar wacht, een roekeloos voornemen opvat, waarvan het

uitspreken alleen hem bijna bezwijken doet onder een geheimzinnige

wroeging. [10] Bij D.C. wordt hij een toonbeeld van kwaadaardigheid,

die een boosaardig plan jarenlang kan doen rijpen, om het eindelijk

door dien zoon van zijn geliefde Elpine, die hij daartoe tot een

zedelijk monster vormt, te doen uitvoeren: een plan waarvan niets

blijkt in de bestaande zangen; daar integendeel, op de eenige plaats

waar van dit voornemen tot opstand gesproken wordt, de woorden van

den Paradijsgeest iets geheel anders doen verwachten. [11] Hij zegt

daar tot Elpine, van de Reuzen sprekende:

Het lot der dierbre vrucht, die mij uw schoot belooft,

Verbindt me aan hun belang: Ik stel mij aan hun hoofd:

Hun zal ik en die Gâ, die 'k eeuwig zal beminnen,

Het erfgoed van hunn' stam, het Paradijs herwinnen.

Daarbij komt, dat dit geheele hoofddenkbeeld van D.C. omtrent de rol

door dien zoon van Elpine in het gedicht te vervullen, en van het

afschuwelijk verraad door hem jegens zijne pleegouders te bedrijven,

geheel gebouwd is op de blijkbaar verkeerde opvatting eener plaats

voorkomende in den IIIen zang, vs. 359, volgg. Aldaar wordt, onder

zekere teekenen, die in het leger der Kaïnieten gezien waren, of

althans "geloof" vonden, [12] na andere wonderen ook dit vermeld:

Een slang ontsprong aan 't ei waarop de stroomzwaan broedde;

en D.C. past dit toe op Segol, die het kind van Elpine als een slang

aan zijn boezem zou opkweeken; terwijl het daarentegen, voor die

met aandacht die plaats in haar geheel verband leest, blijkbaar is,

dat de mare dier voorteekenen, wel verre van iets zekers of waars te

beduiden, door "het kroost der List," [13] d.i. de duivelen, onder

het leger verspreid is.

Een anderen strijd vindt men tusschen het ontwerp van D.C. en hetgeen

B. zelf in zijne voorrede [14] zegt: dat men zich niet licht uit dit

voorgedeelte een denkbeeld zal maken "wat gewichtige rol de ongelukkige

Elpine of haar hooge minnaar te vervullen heeft". Hoe toch kon B. de

rol van Elpine gewichtig noemen, indien zij verder in het gedicht

tot niet anders bestemd was, dan om een kind ter wereld te brengen

en in het kraambed te sterven?

Zoo ook wanneer B. t. a. p. het als moeielijk voorstelt, "zich een

denkbeeld te maken van hetgeen hij met Segol en zijne Zilfa voorhad,"

schijnt hem wel iets anders voor den geest gestaan te hebben dan het

doodeenvoudig denkbeeld van Segol, die reeds in dit voorgedeelte als

Koning der Aarde gehuldigd is, op dien troon lang en voorspoedig met

zijn echtgenoot,--die volstrekt geen rol vervult,--te doen regeeren.

Zonder twijfel is Segol de held van dezen Epos, de persoon om wien

alles zich heenwendt. Is er geen hoop dat men het raadsel oplosse dat

B. ons omtrent hem gesteld heeft, dan is het zeker, dat men naar den

inhoud van het geheel vruchteloos zal blijven raden.

Het schijnt dan alleen mogelijk in dien doolhof een draad te vinden,

indien de Oudheid ons een persoon heeft voorgesteld, die voor de

verbeelding des dichters heeft kunnen staan bij de beraming van zijn

werk: zoodat men uit de bijzonderheden aangaande dien persoon ons

bekend, in verband gebracht met de voorbeduidsels in het onvoltooide

gedicht gestrooid, naar de verdere bedoelingen des dichters zou

kunnen gissen.

Bilderdijk noemt zelf de overlevering waaraan hij het voornaamste

denkbeeld van zijn gedicht ontleende, in zijne voorrede: [15] "eene

oude mythologie": hij vergelijkt zijn onderwerp [16] met "de heidensche

fabel der Hemelbestormers": zijne Paradijsgeesten vervullen de plaats

der grieksche mythologische goden. [17] En er zijn plaatsen aan te

wijzen waarin de vindingen des dichters aan de grieksche mythologie

ontleend schijnen;--als b. v. waar de onderlinge slachting in het

kaïnietische leger den broederkrijg voor den geest roept, die het

uit de aarde ontstane volk van Cadmus tot op een gering aantal doet

versmelten. [18] Zoo heeft hij dan zijn gedachte kunnen vestigen op een

belangrijk mythologisch persoon, die ten nauwste met de verdichting

van den reuzenstrijd in verband stond:--op Prometheus:--en nu blijkt

het dat, bij het schrijven van zijn heldendicht, een der schoonste

gedenkstukken der Oudheid, dat dezen persoon ten onderwerp heeft,

hem voor den geest stond, de Prometheus van Eschylus.

Twee plaatsen wilden wij vooral uit dit treurspel aanwijzen, waarvan de

woorden, naar 't schijnt, in de herinnering van onzen dichter levendig

waren bij de bewerking van zijn Epos. De eerste is, waar, in Eschylus,

de Rei der Oceanitische nymfen gewaarschuwd wordt, zich niet roekeloos

met Prometheus in 't verderf dat hem wacht te storten [19]:

Zegt dan nimmer,

Dat u Zeus in een niet voorzienbaar leed

Nedergestort heeft: neen, gij zult dan

Wetens, en niet bij verrassing gevangen,

In 't onontwarbare net des verderfuurs

U verwikklen, verstrikt door uw dwaasheid.

Van deze plaats vindt men een weêrklank terug in het slot der

toespraak, waar onze dichter de dochters van het geslacht van Seth

verwijt, dat zij zich het verderf van den stam van Kaïn eigen maakten:

[20]

En zwoert ge uw God niet af, voor 't minst gy sloot Hem 't Hart,

En blindlings stort gy 't hoofd in 't net dat u verwart.

De andere plaats is die waar Iö verhaalt, hoe zij het eerst tot de

liefde van den god die haar rampzalig maakte, getrokken was: [21]

Gedurig zweefden nachtgezichten om mij heen,

Op 't maagdlijk leger; die, met fluisterende stem,

Dus tot mij spraken: o volzalig maagdelijn!

Hoe blijft ge uw staat bezwaren, daar de heerlijkste echt

U werd beschoren? Immers door een pijl der Lust

Moest Zeus voor u ontgloeien; en der minne juk

Met u vereend te dragen is zijn wensch. Doch gij

Versmaad, o kind! dit hooge huwlijksleger niet;

Maar ga waar Lerna op haar welig grastapeet

De driften weidt uws vaders. Dat uw aanblik daar

Het godlijk oog verblijde dat u smachtend zoekt.

Met vindt hier als den oorsprong van hetgeen onze dichter van Elpine

zingt: [22]

Zy zucht om de onschuld van haar kindschheid: om 't gemis

Van 't geen haar dierbaar bleef, maar onherroeplijk is;

Zucht om 't noodlottig vuur, 't betoovrend van een weelde,

Die eerst in zoeten droom 't onwillig harte streelde;

Daarna door wonderkracht, der menschheid veel te hoog,

Haar overstelpte en dwong, en aan zich zelve onttoog.

Maar de geheele persoon van Iö, de tweede hoofdpersoon in het

treurspel van Eschylus, heeft overeenkomst met die van Elpine;

en dit kan geene bevreemding wekken, wanneer men bedenkt, dat haar

verhouding tot den Paradijsgeest, die haar door zijn min rampzalig

gemaakt heeft, dezelfde is als die van zoo vele sterfelijke vrouwen,

waar de grieksche mythologie van gewaagt, die tegen haar wil door

de goden bemind zijn, en wier toestand zoo aangrijpend door Eschylus

in Iö is voorgesteld. Men vergelijke b.v. de treffende plaats in den

Ien zang, vs. 462, volgg, met plaatsen als deze in Eschylus [23]:

Gij kent de kwaal die mij verteert

En voortdrijft met haar rustelooze prikkels.

Zoo zwichte ik, uitgehongerd door mijn woesten loop,

Helaas! voor d'ongestuimen zin

Die mij vervolgt. Waar zijn op aard'

Rampzaalgen mij gelijk te vinden?

Of waar, nadat in een aanval van woede de wanhopige Iö het tooneel

verlaten heeft. [24] het daarop volgend koorgezang het geluk van den

sterveling die met zijns gelijke paart, bezingt en het lot van door

Zeus bemind te worden afbidt.

Ook die troostende toespraak die Elpine uit het "boomloof" als toewaait

[25], herinnert de vertroostende ontmoeting die Iö te Dodone bejegent:

[26]

Waar 't onbegrijplijk wonder van der eiken taal:

(zoo herinnert haar Prometheus:)

U onverholen als de wijdberoemde Gâ

Heeft toegesproken, die met Zeus gepaard zal zijn.

En de zoo aandoenlijke uitstorting van wanhoop, die wij bij

B. (ald. vs. 501, volgg.) lezen, vinden wij bij Eschylus in

uitdrukkingen als deze [27]:

Uw vlam verteer me, of de aard verzwelge mij;

Of 'k zij een prooi der zeegedrochten.

Verwerp, o God! mijn bede niet.

Te lang reeds heb ik omgedoold;

En 'k zie niet waar 't mij is vergund

Zooveel smart te ontvluchten.

...

[28]Wat wacht ik nog van 't leven? waarom stort ik niet

Mij zelve neder van de steile rots?

Waar, op den grond verpletterd, ik van al mijn wee

Bevrijd zou zijn 't Is beter eens voor al den dood

Te ontmoeten dan dat leed van elken dag.

Men vindt bij de beide in kracht wedijverende dichters wel niet

dezelfde woorden, maar de vlucht der tragische wanhoop in de beide

personen, die zij als onder een voor den sterveling onweerstaanbare

macht bezweken opvoeren, is dezelfde.

Eer ik tot de beschouwing van den persoon van Prometheus overga,

moet ik nog op het verband wijzen, waarin de persoon van Iö, in

het stuk van Eschylus, tot hem staat; omdat, indien de overlevering

juist is die tot mij kwam, een dergelijk verband, dat tusschen Segol

en Elpine bij B. zou bestaan hebben, een treffend bewijs te meer

moest leveren, dat B. het treurspel van Eschylus voor den geest

zweefde. Ik bedoel de voorspelling die in den Prometheus voorkomt,

dat het een der afstammelingen van Iö zijn zou,--namelijk Hercules,

de groote beschermer der menschheid,--die Prometheus eenmaal van zijn

vreeselijke foltering zou verlossen: [29] en nu is mij door iemand,

die het voorrecht genoot van lang en zeer vriendschappelijk met

B. om te gaan, in vroeger jaren medegedeeld, dat Elpine, volgens het

denkbeeld des dichters, bestemd was om met haar vrucht in het Paradijs

aan den dood onttogen te worden, en dat het onsterfelijk wezen door

haar te baren in een zeker verband zou staan tot de menschwording

des Heilands der wereld, of, zooals het mij aannemelijker voorkomt,

tot zijn verzoeningswerk ten opzichte van het menschdom der eerste

wereld, waarop B. reeds doelt in den Ien Zang, vs. 47, volgg. Maar

liever dan hier verder in te treden geef ik toe aan de vrees van,

door een verkeerde opvatting of onjuiste herinnering, iets aan den

oprecht gemoedelijken dichter toe te schrijven, omtrent een punt,

waar hij zelf misschien geschroomd heeft, een al te stouten blik,

dien hij in de geestenwereld geslagen had, vol te houden.

Wanneer men het eerst den persoon van Segol met dien van Prometheus in

vergelijking brengt, dan stuit men op een verschil. Immers is de held

van B. een mensch, de gelukkige bestrijder der Reuzen, die later als

de hoofdaanvoerders der Paradijsbestorming zullen optreden. Prometheus

is van hetzelfde geslacht als de Titanen, die de goden op den Olympus

aanvielen. Maar in Eschylus vinden wij spoedig eene overeenkomst, daar

volgens het verhaal dat Prometheus bij hem doet, [30] de aangevallen

goden, alleen door zijn wijzen raad geleid, de Titanen overmochten

even als, in onzen Epos, de menschen, door de krijgskunst van Segol

voorgegaan, de overmacht der Reuzen gelukkig bestrijden.

Ook staan, in de grieksche mythologie, de Titanen tot de goden in eene

andere verhouding, dan bij B. de Reuzen tot de Paradijsgeesten. De

Titanen zijn zelven goden, en van een ouder en sterker geslacht dan

de goden die onder Zeus regeeren; de Reuzen van B. zijn de afkomst der

Paradijsgeesten, en als zoodanig door hen beschermd en geliefd:--en uit

dit verschil van verhouding ontwikkelt zich de voorname overeenkomst,

die men tusschen Segol en den éschyléïschen Prometheus opmerkt. De

hoofdtrek van Prometheus is, dat hij de weldoener der menschen en

daarom bij de goden gehaat is: [31] zoo is Segol, als de beschermer

der door de Reuzen verdrukte menschheid, haar weldoener, en juist

om die reden aan den haat blootgesteld der Paradijsgeesten [32] In

't vervolg van het gedicht zou Segol nog meer, door zijn weldadigen

invloed en schrandere vonden ter behoeding der menschheid, zijn

overeenkomst met Prometheus hebben getoond. Men herinnert zich dat

B. in zijne voorrede [33] zegt, dat hij "byzondere redenen" gehad

heeft "om de zeldzaamheid van het staal, het nog niet invoeren van het

gebruik des paards, en dergelijken meer, te veronderstellen." Segol

namelijk moest, in den loop van het gedicht, de verbeterde aanwending

en de zuivering der metalen, door middel des vuurs, aan de menschen

leeren, en reeds vindt men een toespeling daarop gemaakt in den

IVen Zang, vs. 323, volgg. Prometheus, als degeen die de menschen

tegen den wil der goden met het vuur begiftigde, wordt bij Eschylus

voorgesteld als de uitvinder aller nuttige kunsten, en ook in 't

bijzonder van de behandeling der metalen [34] Ook door hen in het

temmen der dieren, en in 't bijzonder der paarden, te onderwijzen,

had hij zich verdienstelijk bij hen gemaakt: [35] en zoo zoude ook

deze vond in 't vervolg aan Segol zijn toegeschreven. Immers komt het

natuurlijker voor, dat de menschen hierdoor hun gesteltenis tegenover

de Reuzen zouden hebben verbeterd, dan met D. C. [36] aan te nemen,

dat die reeds overmachtige wezens op paarden "als Centauren" zouden

te voorschijn zijn gekomen;--maar, naar het voorkomt, als wanstaltige

en half belachelijke Centauren; tenzij men ook een reusachtig en aan

hun gestalte geëvenredigd geslacht van paarden zich voorstelle.

Op het eind van den IVen Zang van den Epos, doet de dichter een

gedeelte van Segols leger door de pest aantasten: men doorziet

nog niet, met welk oogmerk. Het kan zijn, dat ook hier Segol, door

goddelijke wijsheid en krachten bijgestaan, moest uitkomen bij de

genezing, en ook in dit opzicht stelt Prometheus, bij Eschylus, zich,

als verdrijver der ziektekwalen der menschen, en dus als hun weldoener

voor. [37]

Maar vooral wordt de overeenkomst treffend, wanneer men zich

herinnert, dat Prometheus bij Eschylus daarom vooral als bij der

goden opperhoofd gehaat en gevreesd wordt voorgesteld, omdat hem

bekend is, wie eenmaal de regeering van Zeus en der zijnen met eene

onweêrstaanbare kracht zal te niet doen, en hij daarom op de macht

van Zeus, als op iets voorbijgaands en kortstondigs, neêrziet [38];

terwijl de Segol van B., na eerst voor de dienst der goden die in de

lucht heerschen, en wier vereering de Paradijsgeesten zich aantrekken,

[39] onverschillig geweest te zijn, die eindelijk veracht, omdat

hij een grooter en machtiger God heeft leeren kennen, voor wien de

gansche wereld bukken moet. Zegt dan Prometheus bij Eschylus: [40]

Gaat, bidt, demoedig smeekend, elk gebieder aan!

Door mij wordt Zeus nog minder dan een niet geacht.

Hij moog zich machtig toonen voor een korten tijd,

Zooveel hij wil: beklijven zal zijn rijksmacht niet.

De ondergang der Eerste Wareld · 第 25 / 27 题