Ja, 't was mijn afscheidskus, 'k verlaat u dierbre sponde

Dit voorgevoel door onzen dichter Zilfa in den mond gelegd, als waren

hare kussen, die zij in haar droefheid aan het huwelijksbed gebracht

had, een afscheid geweest, is aan de grieksche treurspeldichters

ontleend, bij wie gehuwde vrouwen, op het uiterst van haar leven, een

hartstochtelijk afscheid van het echtelijk bed nemen. Zoo Jocaste en

Deïanira bij Sofocles, zoo Alcestis bij Euripides, die daarin door

Virgilius, in de beschrijving der laatste oogenblikken van Dido,

gevolgd zijn.

IIIe Zang, vs. 592, bl. 51, rl. 12 v. b.

O Segol! om dit vocht dat ge aan mijn oog ontspringen,

Mijn boezem baden ziet.--

Ook hier zijn woorden van Dido (En. IV, 514): Per ego has lacrimas,

dextramque tuam te, Per connubia nostra.--Maar Dido had wel wat andere

reden tot klagen dan Zilfa, en daarom is haar gevoelsuitstorting

hoogst aandoenlijk, en deze is het volstrekt niet. Ik moet hier

de vraag stellen: hoe kon onze groote dichter die uitstorting van

vrouwelijke zwakheid hier plaatsen, zoo dit karakter niet bestemd

was tot een schakel in de reeks der gebeurtenissen van zijn gedicht.

IIIe Zang, vs. 600, bl. 51, rl. 17 v. o.

'k Zal sterven aan uw zij, en met u oorelogen.--

B. heeft dezelfde ontboezeming in den mond gelegd van Machteld van

Velzen, in Floris V:

"'k Zal voor u in 't gevecht quarreel noch speerschot duchten,

Ik draag u 't krijgsrondas, ik draag u 't wapen na,

En hoede u met mijn borst."

IIIe Zang, vs. 654, bl. 53, rl. 2 v. b.

Het schrikgedierte alleen--gaat om.

Dat is, sluipt rond in stilte. Verg. IVe Z. vs. 361. Het woord heeft

iets geheimzinnigs; vandaar dat het in sommige onzer gewestelijke

streken gebruikt wordt van iemand, van wien het bijgeloof vermoedt

dat zijn ziel geen rust heeft en 's nachts op aarde omwaart. Welke

beteekenis in het Woordenboek der N.T., niet is opgegeven. Het woord

"zweeft" slaat zoowel op de over den grond rondgaande roofdieren,

als op het gevogelt dat in het volgende vers vermeld wordt; dat hier

aannemelijk is om het onhoorbare der beweging, zoowel van tred als

van vlucht van dit nachtgespuis.

IVe Zang, vs. 71, bl. 55, rl. 7 v. b.

De slachting noopt de vlucht.

De naamwoorden moeten hier eigenlijk met kapitale letters staan. Geheel

in den stijl van het klassieke heldendicht stelt B. de toestanden en

hartstochten die zich op het slagveld ontwikkelen als personen voor:

zoo Homerus, II. IVe Boek, vs. 440, volgg. en Virgilius, En. IX,

vs. 719.

IVe Zang, vs. 230, volgg. bl. 59, rl. 10 v. b.

De ondergang der Eerste Wareld · 第 24 / 27 题