Doch hoort me, en offert thands geen mindren Hemelmachten,
Geen stargevonkel, doof voor menschelijke klachten;
Maar 't Wezen dat omhoog op al wat is gebiedt:
Hem eere onze outerdienst! De luchtgoôn achte ik niet.
en waar hij dus spreekt: [42]
--ijdle spoken,
Vergaan zy die voortaan op uwe altaren rooken!
Heeft nu, bij liet ontwerpen van het beeld van den weldoener des
menschdoms op aarde, en des bestrijders der hemeltergende Reuzen,
de persoon van Prometheus Bilderdijk voor den geest gestaan,
zooals ik meen, dat verschillende samenloopende trekken aanwijzen;
dan is het geen wonder, dat hij daarbij ook gedacht heeft aan eene
bijzonderheid dezen mythologischen persoon betreffend, die wel van
Eschylus niet vermeld, maar zoo algemeen bekend is, dat men nauwelijks
aan Prometheus denken kan, zonder zich deze te herinneren, ik bedoel
de fabel, die wij reeds bij Hesiodus, in de Werken en Dagen, [43]
vinden, volgens welke de weldaden door Prometheus aan de menschen
bewezen, verijdeld werden door de tusschenkomst eener vrouw, die de
goden, om hem te verschalken, met allerlei gaven en bekoorlijkheden
begiftigd hadden. Deze vrouw, deze Pandora, zag, indien ik mij niet
bedrieg, B. in Zilfa; en hij had haar zoodanig karakter gegeven, dat
zij eenmaal, in de hand van hoogere wezens, het noodlottige werktuig
kon worden om Segol ten val te brengen, en wat hij voor de menschen
deed onvruchtbaar te maken tot hun behoud. De eerste schakels dezer
keten zijn, om zoo te spreken, gesmeed in het bestaande gedeelte van
het gedicht, het bezit van Zilfa wordt Segol ontnomen, en hij ontvangt
een onvolledig en afgebroken bericht, dat zij uit de verwoesting,
die haar verblijf getroffen heeft, "gered is". [44] Is mijn vermoeden
gegrond; heeft het gezag der Paradijsgeesten, als van goden, de woede
der Reuzen, op welke wijze dan ook, beteugeld, en Zilfa, als eene
Iphigenia, aan het offerfeest door hen bereid onttrokken, om in haar
een middel machtig te worden ter omzetting van het hart van Segol,
wanneer zij het noodig zullen oordeelen; dan is het ook eene dankbare
verdichting, dat het in de macht dier bovenmenschelijke wezens lag,
Zilfa tot het uitoefenen van dien invloed door bijzondere gaven
bekwaam te maken. Hiertoe moest het karakter van Zilfa medewerken, en
zooals wij zeiden, de sporen der zwakheid, die haar en haar echtgenoot
noodlottig zullen zijn, zijn reeds duidelijk aanwezig in hetgeen wij
van het gedicht bezitten. Die zwakheid moest Segol de aanleiding worden
tot het begaan van een enkelen, zijn groot karakter niet onwaardigen
en niet onvergeeflijken misstap, maar van de ontzettendste en de
verst grijpende gevolgen. Voorbeduidsels dezer rampen vinden wij
in de droomgezichten, die, op onderscheidene plaatsen van den Epos,
aan de beide echtgenooten voorkomen. Het een en ander verdient eene
nadere beschouwing.
Het karakter dezer twee personen en hunne verhouding tot elkander
heeft de dichter zeer duidelijk uit doen komen in hun gesprek, door
hem in den IIIen Zang [45] geplaatst. Segol, tot het koningschap
der Aarde verheven, vat dadelijk het voornemen op om de Reuzen in
de bergachtig noordwaarts gelegen streek van Arbal, van waar zij
hun uitvallen op de nog door de Kaïnieten bezeten landen doen,
te gaan bestrijden. Maar de zorgen die hem als koning en veldheer
bezig houden, doen hem zijn echtgenoot Zilfa niet vergeten, aan wie,
schoon hij haar bijzijn aan zijn gewichtige plichten op kan offeren,
hij eenig en op het teederst gehecht is. Hij vreest dat, indien hij
haar in het meer zuidwaarts gelegen Bethur, zijn vaderlijk gebied,
achterlaat, zij aan een dier onverhoedsche aanvallen des erfvijands
bloot zal staan, als reeds in vroeger tijd dit landschap getroffen
hebben: hij wil haar dus in een verafgelegen burcht, in de landpalen
van Seth, in veiligheid doen brengen. Op het vernemen van dit besluit
wordt Zilfa, verre van zijne zorgzame liefde te erkennen, door eene
jaloersche achterdocht aangegrepen, meenende dat hij haar van de
hand wijst, omdat zijn liefde tot haar verflauwd is; en zij gaat
zoo verre in hare veronderstelling, dat zij zich bereid verklaart,
liever dan zijn bijzijn te missen, het huwelijksbed met de haar,
als zij waant, voorgetrokken echtgenoot te deelen. Segol stelt haar
met waardigheid en teederheid gerust, maar laat zich niet van zijn
voornemen afbrengen, en eindigt met als koning te gebieden wat hij
tot haar welzijn beslist heeft, en waarin zij, alles behalven tevreden
berust. Dit gesprek, dat, vooral in de persoon van Zilfa, juist niet
uitblinkt door een hoog epischen toon, zou noodeloos den gang van het
verhaal storen, indien hier niet de kiem gelegd was der gebeurtenissen,
die zich uit de jaloerschheid van Zilfa en de vurige liefde van haar
gemaal tot haar, onder den invloed der in dit gedicht handelende
bovenmenschelijke wezens, moesten ontwikkelen. Maar wij moeten, eer
wij die gebeurtenissen in hare voorbeduidsels aangekondigd zien, nog
een oogenblik bij deze zeer samengestelde epische machine stilstaan.
Wanneer wij onze aandacht vestigen op het ons in dezen Epos
voorgestelde Geestendom, dan vinden wij: vooreerst den minnaar van
Elpine, den in het apocryfe boek van Henoch, door Bilderdijk in
zijn voorrede aangehaald, [46] als aanvoerder der Paradijsgeesten
genoemden Séméïxas (of Semeaza), die in zijn hart zwanger gaat van
het nog niet aan zijne broeders medegedeelde denkbeeld, van Eden,
aan het hoofd der Reuzen, met geweld te herwinnen:--vervolgens,
de Paradijsgeesten zelven, die, uit wrevel om hun verbanning uit
Eden en uit vrees voor het behoud van de uit hun gesproten Reuzen,
voor het meerendeel zich niet ongenegen toonen om, ter bestrijding
der tegen het gebied der Reuzen opgestane Kaïnieten, met de Hel in
bondgenootschap te treden, terwijl sommigen nog weifelen, en alleen de
zachtzinnige Fuäl dit denkbeeld volstrekt verwerpt en verafschuwt; [47]
en eindelijk de Helsche Geesten, van welke, zoover het gedicht loopt,
nog slechts een voorpost, door Satan op aarde uitgezet, ons vertoond
wordt, en onder wie een zekere tweespalt heerscht: daar sommigen bloot
door moord en verwoesting de verdelging van het menschelijk geslacht
beoogen, terwijl anderen, en de meest door hun opperhoofd geachten,
door list dit verderfelijk doel zekerder meenen te bereiken. [48]
En nu mogen wij hieruit opmaken, dat wanneer eenmaal, door den loop
der gebeurtenissen gedrongen, de Paradijsgeesten zich tot verdediging
der meer en meer bedreigde Reuzen nauwer aan die Duivelen aansluiten,
het middel door hen beraamd, om Segol tot het belang der Reuzen over
te halen, uit zal loopen op het verderf der Reuzen zelven en van heel
het menschelijk geslacht.
Zoo ontdekt men met eenige waarschijnlijkheid de beteekenis
der voorbeduidsels, die in den loop van het gedicht, de beide
echtgenooten treffen. Zilfa, [49] in de beslissende nacht, die de ten
troon verheffing van haar gemaal voorafgaat, ziet eerst halfwakend,
"in mijmering verzonken," woede en moord" die haar bedreigen. Het is
de aanval der Reuzen op haar verblijf te Bethur. Daarna, zich zelf
"voor 't outer keelen". Dit is het offerfeest der overwinnende Reuzen,
waarin zij zelve voor het outer ten offer bestemd zal zijn. Eindelijk
"den donder die haar Ega 't hoofd verplet": het is de wraak der
op de sterren en in de lucht heerschende [50] Paradijsgeesten, om
de nederlaag van hun Reuzenkroost op Segol verbolgen. Maar in een
"droom" vervallen, dringt haar gezicht in de verdere toekomst. Zij
ziet zich met haar echtgenoot in een woestijn verlaten; het bloed van
den door monsters aangegrimden en mishandelden Segol op haar kleven,
en zich zelve met hem in de ontzettendste natuurtooneelen, waarin
men duidelijk den zondvloed erkent, omkomen.
Ook Segol ontvangt zoodanige waarschuwende teekenen. [51] Eerst, naar
't voorkomt, als werktuig bedoeld door den listigste der Hellegeesten
(Sadrach), die in de gedaante van zijn voorvader Hanoch hem verschijnt,
en in zijn slaap aanspoort om, na den val van zijn broeder Argostan,
naar de opperheerschappij der Aarde te staan, slaagt hij in dit
voornemen. Hij wordt door het volk gekozen, met een snoer (let
wel!) aan de altaren der valsche goden ontleend gewijd; en beschouwt
zich daarna als regeerend door den wil des volks, en, als dien wil
vertegenwoordigend, tot aller gehoorzaamheid gerechtigd. [52] Maar
zoodra hij onder zijn oorlogsbedrijven, in een kommervolle nacht,
door het hooren van een offerzang van Seth, schoon hem die door zijn
bloedverwant Regol, een onverschilligen wereldling, wordt voorgedragen,
kennis ontvangt van den eenigen waren God, voelt hij zich gedrongen
om dien God alleen alle oppermacht op Aarde toe te kennen, en den
dienst der Luchtgoden, die hij even als zijn broeder altijd met weêrzin
heeft aangezien, te verwerpen. [53] Ook hem wordt het dan in een droom
vergund een blik in de toekomst te slaan. [54] Het beeld van Hanoch
verschijnt hem opnieuw; niet met de trekken der afgeleefdheid door den
Duivel aangenomen, maar als der onsterfelijkheid deelachtig, stralende
van heerlijkheid, en hem den zegen des Hemels op zijne bekeering met
opgeheven handen verkondigend;--maar dit licht wordt onderschept, door
"een nachtzwerm van gevogelt", die de verleidingen van booze machten
voorstelt, waardoor zijn ziel weder verduisterd zal worden; en hierop
eindelijk volgt de voorstelling der wroeging en der mishandeling,
die uit dien val voort moet vloeien, door slangenbeten verbeeld,
die zijn hart pijnigen,--"dat steeds aangroeit onder 't leed":--met
kennelijk terugzicht op de foltering van Prometheus.
Wanneer men nu gissen wil, langs welk eene reeks van gebeurtenissen de
dichter ons tot die uitkomst zou geleid hebben, dan moeten wij eerst
den blik op zijn tijdrekenkunde slaan, om eenigszins te bepalen,
op welk een afstand wij ons nog van den zondvloed bevinden: eene
beschouwing die, naar het mij voorkomt, door Da Costa te veel is uit
het oog verloren. Het blijkt ons dan, dat daar waar de dichter de
naaste wereldgebeurtenissen ophaalt, die het begin der handeling door
hem bezongen zijn voorafgegaan, [55] hij ruim twee eeuwen achteruit
treedt; dat is tot dien Aartsvader onder wien het apocryfe boek
aan Henoch toegeschreven het ontstaan der Reuzen vermeldt. Maar
daar waar de handeling die het eigenlijk onderwerp van het gedicht
uitmaakt, begonnen is [56] wordt gezegd, dat reeds "zes geslachten"
na Adam zijn voorbij gegaan: hiermede worden wij verplaatst onder het
geslacht van Methusalah, die elders [57] als de opvoeder van Elpine
genoemd wordt, en die, volgens de tijdrekenkunde van het O. V., in
het jaar zelf waarin de zondvloed uitbrak, gestorven is. Zoodat men
als waarschijnlijk kan stellen, dat waar de epische handeling begint,
men zich op geen verwijderd tijdstip van de groote omkeering bevindt.
Om dit nog juister te beseffen moet men zich herinneren, dat waar
de dichter op de twee voorgaande eeuwen een blik slaat, hij tot vijf
onderscheidene historische tijdvakken doorloopt, die elk vele jaren
behoefden tot hun afloop. Het 1e, van het verschijnen der Reuzen
op Aarde uit de noordelijke streken, meermalen Arbal genoemd, en
hun allengs zich van daar verheffende macht:--het tweede, van hun
uitval uit die streken, gevolgd van de vermeestering van Hanoch,
de hoofdplaats van het Rijk der Kaïnieten, en van de verwoesting
van het dal van Hemath, de schoone landstreek zich zuidwaarts
uitstrekkende naar Bethur, het vaderlijk verblijf van Segol;--het
3e, van de terugwerking der Kaïnieten tegen deze overweldiging en
van oorlogvoering tegen de Reuzen, tot deze in het Noorden worden
teruggedrongen;--ten 4e, van een vijftigjarigen vrede en van een
vernieuwden voorspoed voor de Kaïnieten, met wie het versmeltend
overschot der met hen in afgoderij vervallen Sethieten zich vereenigd
heeft:--en eindelijk ten 5e, van een nog geduchteren inval der Reuzen:
waardoor Hanoch opnieuw veroverd wordt met het land tot aan de Nilho,
terwijl het aan de andere zijde van dien stroom gelegen dal van Hemath
met Bethur telkens gedreigd en geteisterd wordt door de macht der
Reuzen, die zich nu voor goed in het Oosten gevestigd en Hanoch tot
zetel heeft, eenige beschaving heeft aangenomen, althans het genot
der weelde heeft leeren kennen, en van daar het lot der cijnsbaarheid
aan haar gezag aan de gansche Aarde op wil leggen.
Hier volgen dan de gebeurtenissen waar het eigenlijk onderwerp van
den Epos zich aan vastknoopt, en die men aandachtig in het fragment
volgen moet, zal men zich een juist denkbeeld maken van de voortzetting
van het geheel. Tegen de tyrannieke eischen der Reuzen is het dat
Segols broeder van moederszijde, Argostan, aan het hoofd van een
Kaïnietisch leger zich verzet. Maar hij bezwijkt in een oproer en
onderlinge slachting, onder zijn leger, door zijne oneerbiedigheid
jegens de afgoden, verwekt; en Segol volgt hem op, door het volk
daartoe gekozen, dat zelfvernietiging vreest uit de onderlinge
twisten. De krijgsbedrijven van Segol, tegen Arbel, het broeinest der
Reuzen, gericht, vervullen grootendeels het overige van het epische
fragment. Het behelst zijne eerste overwinningen, door krijgskundig
beleid op blinde kracht en woede behaald; de vreugde over dit voordeel
gestoord door een aanval, achter zijn leger om uit het Zuiden volvoerd,
waardoor Zilfa hem ontroofd wordt; zijn besluit om aan het hoofd van
een gering aantal strijders heimelijk zich naar Bethur te begeven,
dat op die wijze verras is; zijn tocht daarheen en zijn ontmoeting
met de jagers uit het Westen, die zijn dagvaarding als hulptroepen
had opgeroepen; maar waarvan hij de helft, met zijn keurtroep door
de pest aangetast, aan de oevers van den Frath achter moet laten,
terwijl hij met de andere helft stuit op den zegevierenden hoop der
Reuzen, die Bethur geplunderd heeft, maar door hem overwonnen en
verstrooid wordt. Zoo is dan het leger der Kaïnieten, daar waar het
fragment eindigt, op drie plaatsen verspreid: als ten 1e, het gros
van het leger dat in het dal van Hemath is teruggebleven; ten 2e,
de door de pest met de jagers gedeeltelijk aangetaste keurtroep,
die bij den Frath is achtergelaten, en ten 3e een gering gedeelte
van die strijdkrachten, die met de Reuzen, die het Zuiden geplunderd
hebben slaags geweest is. Het is na dien slag, dat Segol, als hij voor
deze zijne krijgsmacht volmondig het oppergezag van den Eenigen God
erkend heeft, voor aller oogen in een meer dan menschelijk voorkomen
verheerlijkt wordt en, waarschijnlijk, tot een hooger aanschouwing
der waarheid hemelwaarts wordt opgenomen; waaruit men mag afleiden,
dat het in de bedoeling des dichters lag, hem na dit gezicht, dat de
onsterfelijke pen niet ten einde toe beschreven heeft, op een ander
tooneel te verplaatsen.
De veronderstelling biedt zich aan, dat door deze verplaatsing de
held in aanraking gekomen zou zijn met Noach, naar wiens ontmoeting
hij het verlangen reeds geuit heeft [58]; welke opwelling van Segol
Bilderdijk in zijn voorrede [59] heeft aangeduid, als een voorbereiding
om Noach te doen "optreden." Men moet evenwel dit woord, naar alle
waarschijnlijkheid, niet opvatten in dien zin, alsof de Aartsvader
zelf gemengd zou zijn geraakt in de gebeurtenissen, die de zanger
zich voorstelde te doen hooren. Het blijkt uit de aanwijzing, aan
Segol gedaan [60], der woonplaats van het aartsvaderlijk gezin,
dat het zich niet meer in de gemakkelijk te bereiken landpalen van
Seth, aan de Westkust der Aarde, maar aan den tegenovergestelden
kant, op het hooge gebergte achter de velden van het door de Reuzen
onveilige Arbal bevindt; waar het, van het menschdom afgezonderd,
bijkans vergeten leeft. Men kan zich voorstellen, hoe de Aartsvader,
als later met Abraham geschiedde, om niet in de afgoderij zijner
stamgenooten te vervallen, verre van hen is afgeroepen, onder een
geheel hem vreemde, doch voor hem niet gevaarlijke woestheid: en de
dichter heeft aanleiding gevonden tot die voorstelling in het door
hem vermelde apocryfe boek aan Henoch toegeschreven, waar God den
Aartsengel Uriël tot Noach zendt met den last: "zeg hem in mijnen naam:
verberg u zelven: en maak hem het naderend einde bekend, dat geheel
de aardbodem vergaan zal." [61] Ook valt het niet moeielijk wanneer
men het door den dichter ontworpen kaartje van de, ik mag zeggen,
door hem geschapen eerste wereld inziet, te bevroeden, dat zich op
de N. Oostelijke kust dier wereld de geschikte bosschen bevonden,
op de teekening afgebeeld, die tot den bouw der Arke geschikt waren.
Dit evenwel zij in 't algemeen omtrent het gebruik van dit kaartje
opgemerkt: dat het niet overal, aandachtig beschouwd, met het gedicht
is overeen te brengen; hetzij de dichter onder het bewerken van zijn
plan daarvan afging; hetzij hij het later voor de uitgave van het
fragment ontwierp, toen alle deelen van zijn bestek hem niet even
levendig voor den geest stonden. Want ook dit behoorde tot de redenen,
die hem van het wederopvatten van zijn meesterwerk afschrikten,
ja, die het hem "onmogelijk" maakten, als hij eens den schrijver
dezer regelen betuigde, toen deze, met jeugdige vrijmoedigheid,
zich veroorloofde hem daartoe aan te sporen.
Het was naar diezelfde streken van Arbal dat de dichter de stappen
van Elpine richtte, daar waar zij voor't laatst in het fragment
vermeld wordt. [62] Hij voert haar aldaar, nadat zij haar minnaar
voor eeuwig van zich heeft afgewezen, door "het palmbosch" dat
zich van den Nival noordwaarts tot de "zandvalleien" van Arbal
uitstrekte; en geeft te kennen dat zij in die richting voortging,
door de vermelding der eikenbosschen tot welke zij kwam, die, in
tegenstelling met de palmen, een meer noordelijke streek voor de
verbeelding roepen. En wat was ook natuurlijker, wanneer men eenmaal
vasthoudt dat het aartsvaderlijk gezin zich reeds in Arbal bevond,
dan deze beweging aan Elpine toe te schrijven, met de bedoeling van
zich weder onder de hoede van haar pleegvader Methusalah te begeven,
om in zijn schoot den ontzachlijken vijand van haar rust te vergeten,
die haar verleid had om in zijne liefde te deelen, en bij wien het
denkbeeld rijpte van zich in opstand tegen God te begeven.
Wanneer men in 't oog houdt dat de dichter dus zijn beide hoofdpersonen
naar de streek door het aartsvaderlijk gezin bewoond gelijktijdig
richtte, ligt het voor de hand te veronderstellen, dat zij zich
daar ontmoeten zouden, en dit met een bepaald oogmerk des dichters,
dat ook Da Costa geraden heeft, om hen aldaar bekend te maken met
den band van bloedverwantschap die tusschen hen, naar zijn ontwerp,
bestond. D. C. veronderstelt, [63] dat Elpine als de volle zuster
van Argostan, Segols halven broeder, zou zijn erkend geworden;
maar hetgeen B. zelf heeft te kennen gegeven, doelt op een nauweren
band tusschen Segol zelf en Elpine. Immers Segol was de zoon van
den Vorst van Bethur; [64] en het was uit dit Bethur dat Elpine,
als een kind in de wieg door de Reuzen geroofd, [65] en vermoedelijk
naar Arbal vervoerd was, waar zij, kunnen wij ons voorstellen, door
Methusalah aan hunne handen onttrokken was, met het gezag dat soms
op de meest barbaarsche volken hooge ouderdom met heiligheid van
zeden gepaard uitoefende, waarvan de geschiedenis der invallen der
noordsche volken in het Romeinsche Rijk, als die der middeleeuwen,
merkwaardige voorbeelden heeft opgeteekend.
Men kan zich eenigszins verbeelden hoe Segol, uit die heilige omgeving
op het woelige tooneel der Aarde teruggekeerd, als een Mozes van den
Sinaï, geërgerd als deze zou worden door de afgoderij, en tegen haar
dien kamp zou aanvangen, waartegen de voorzichtige en op dit punt
onverschillige grijsaart Regol hem gewaarschuwd had. [66] Maar ook hoe
zijn hart verdeeld en getrokken zou zijn door de gedachte aan Zilfa,
die hij zou kunnen veronderstellen dat, om hare bekoorlijkheden,
naar Hanoch, thans den hoofdzetel en hofstad van het Reuzenrijk,
vervoerd was. Immers dit Hanoch, "'t omwalde Hanoch" genoemd, [67]
dat de dichter reeds in den aanhef van zijn verhaal dus beschrijft:
(Ie Z. vs. 65, volgg).
Het fiere Hanoch, 't oudst der burchten, stak het hoofd
In 't uiterst Oost omhoog, van d'uchtendgloed gestoofd;
En telde als moederstad, van Land- tot Landgewesten,
Een overtalrijk kroost in meer bekrompen vesten:
die hoofdstad was voor de tweede maal in handen der Reuzen gevallen,
die daar den zetel hunner macht gevestigd hadden en zich de weelde
der Kaïnieten hadden laten welgevallen. Het was aldaar, als de dichter
zingt, [68] dat hun volk
Verslingerde op 't genot der zoetheên van het leven;
Maar machtloos om zich zelv' dat streelend lot te geven:
't Bood vrede, of eer, 't gebood, op naam van vreêverdrag,
Geschenken, cynsbaarheid en Opperstaatsgezag------
Men eischte 't meerendeel van vee en akkergaven,
Ten jaarlijksch schattingrecht; en duizenden van slaven,
En maagden; hemelschoon, met trippelenden voet,
En wulpsch van zangstem, ter ontsteking van het bloed,
Op luitspel afgerecht en dartle schouwgebaren;
En bergen smijdig goud, gezuiverd uit zijne aâren;
Robijn uit Pizons kil en hellen diamant;
En d' eelsten roofschat van het parelvoedend strand.
En reeds "tien stammen" hadden zich aan dien eisch onderworpen.
Het was ook in dit Hanoch dat de dichter voor ons dien vorst
der Reuzen zou hebben doen optreden, wiens naam in het gemelde
boek van den Pseudo-Henoch gespeld wordt; dien Exaël, [69] aan
wien verschillende uitvindingen daar worden toegeschreven: als
in de eerste plaats die tot de verbetering van wapentuigen en het
smeden der metalen betrekking hebben, die, als uit het voorgaande
waarschijnlijk is geworden, de dichter voor het krijgskundig genie
van zijn held gespaard had; maar ook daarenboven die daarmeê strijdige
uitvindsels van verregaande weelde en pracht, die blijkbaar door den
dichter zijn in 't oog gehouden bij den zooeven vermelden eisch van
cijnsbaarheid. En wanneer wij nu hierbij opmerken dat Bilderdijk,
in zijne aanhaling uit het apocryfe boek, ook niet verzuimd heeft
op te teekenen, dat onder dien Exaël "de uitvinding der kunst van
tooveren en onttooveren, der sterrekunst enz." vermeld wordt, dan
valt het in 't oog hoe, in den offerzang der Kaïnieten, [70] de Maan,
met bijzonderen zwier van woorden, als eene Hécaté wordt aangeroepen,
en men vindt grond tot de veronderstelling, dat ook eenige verdichting
aan deze overlevering ontleend den Epos zou versierd hebben.
Na de vooropzetting van deze opmerkingen en veronderstellingen,
wagen wij het, als in een ruwen omtrek, den vermoedelijken inhoud
te doen volgen der zangen, waarin deze Epos zich verder zou hebben
ontwikkeld. Niet, dat wij dit kort-begrip willen beschouwd hebben
als noodzakelijke slotsom uit het voorafgegane op te maken; maar
als de mogelijke, en misschien in sommige deelen waarschijnlijke
gevolgtrekking, door de dichterlijke logica uit deze prémissen
afgeleid.
Slot van den 5en Zang.
Segol wordt, na een kort aanschouwen van de heerlijkheid des
Hemels,--op gelijke wijze als de heilbegeerige Cornelius tot Petrus
(Hand. X : 3, 4, 5.)--tot Noach verwezen, aan wien inmiddels een
hemelbode ter aankondiging van zijn voortreffelijken gast wordt
afgezonden: (ald. vs. 19, 20, 21).
6.
Hij daalt op de aarde neder, nabij hare oosterkust, en komt tot
Noach; ziet den bouw der Arke;--verstaat de beteekenis daarvan
en de aanstaande verdelging des menschdoms, indien het zich niet
bekeert;--immers zijn de laatste jaren die het nog waren toegestaan,
haast ten einde; hij verneemt, dat hij (Segol) tot die bekeering als
laatste proef wordt aangewend, door zijn voorbeeld en vorstelijke
deugden; terwijl hij, als weldoener der menschheid door de uitroeiing
der Reuzen, den grootsten invloed op de menschen kan verwerven. Ter
bereiking van die zege wordt hij met eene natuurkennis verrijkt,
als die Noach bezit, en die hem ten dienste staat, vooreerst als
bouwmeester der Arke, en ten andere als temmer en belezer der dieren,
onder welke hij zich als een Orfeus beweegt.
7.
Afscheid van Noach, en verdere verwijzing naar Methusalah, naar
wiens eenzaam verblijf Segol door Sem geleid wordt. In de stille
dichtoverschaduwde bergstreek, eenigszins verwijderd van de kust en
van Noachs scheepsbouw, loopen de laatste dagen van den Aartsvader
ten einde. Eene vrouw is met hem, die boetvaardig tot zijn schoot
is teruggekeerd, en nu zijn stervenssponde bekleedt; het is Elpine,
van wier nauwe betrekking tot hemzelve Segol hier onderricht wordt,
en wier bescherming hij, als haar broeder, op zich neemt. Hij verneemt
van den stervenden Aartsvader, dat Zilfa hem zal worden teruggegeven;
maar dat in haar hem een zware proef wacht, en dat hij 't menschdom
van den ondergang redden zal, indien hij in die proef volstandig
blijft. In dit profetisch gezicht sterft de Aartsvader.
8.
Wederkomst van Segol tot de hem met angst in het palmbosch verbeidende
troepen, wier tot aanbidding overgaanden eerbied hij met zedigheid
en verwijzing tot het eenig aanbiddenswaardig Wezen beteugelt. Hij
keert met hen terug tot degenen die hij, bij den Frath, door de pest
aangetast heeft achtergelaten; die hij nu, door het onderricht en den
zegen des Aartsvaders met hooger wetenschap en krachten begiftigd, en
door Elpine bijgestaan, in staat is te genezen. Het leger in Hemath
vindt hij in afgodische zegefeesten vervallen. Verontwaardiging en
moedeloosheid, waarin hij getroost en opgebeurd wordt door Elpine,
die hem, als de hoop (Elpis) op al wat hoog en goed is, bijblijft,
terwijl de ontzettendste opstand der bijgeloovige troepen tegen
hem opsteekt.
9.
Bijgestaan door de hem trouw geblevenen, die deels zijn verheerlijking
gezien, deels zijn wonderkraeht ondervonden hebben, bedwingt hij de
oproerige afgoderij en doet nu niet meer dat gezag gelden dat alleen
menschen hem toekenden, maar dat hij van God, als van den oorsprong
van alle gezag, om hun heil te stichten, ontvangen heeft. Na de
vernieuwde toezwering hunner trouw, wijst hij hen op het werk dat hun
te verrichten staat: de bevrediging der Aarde, door de uitroeiing van
de goddelooze macht der Reuzen; daartoe moet hun thans hun hoofdzetel,
Hanoch, eer zij van daar met vernieuwden aanval de vruchten der
behaalde overwinningen verijdelen, worden ontrukt, met den roof van
zoovele dierbare panden die zij daarheen gesleept hebben, waaronder
ook zijn geliefde gade in hun ketenen zucht. Voorbereidselen tot dien
tocht:--nieuwe wapenen:--smeding der metalen: temmen van paarden en
elefanten. Wrevel der Paradijsgeesten tegen deze beweging, deels
bedwongen door ontzag voor Segol, in wien zij den gunsteling van
God kennelijk aanschouwen; deels tegengehouden door hun uitstekenden
broeder, Semeaza, (den minnaar van Elpine), die zich nog heimelijk
vleit dat hij, door haar, eenmaal invloed op Segol zal uitoefenen,
wanneer hij haar wederom zal durven smeeken, en zij den ban, dien
zij met zooveel kracht tegen hem heeft uitgesproken (IIe Z. vs. 463,
464,) wederom zal opheffen.
10.
Optocht van het gansche Kaïnietische leger over den Nilho. Vreugde
der Hellegeesten, die op verdelging hun hoop vesten, dat thans
verwoestingen op groote schaal te wachten zijn, terwijl zij die
op list rekenen zich vleien al die menschelijke krachtsinspanning
te verijdelen. Vruchtelooze tegenstand van de macht der Reuzen, nu
door hun vorst Exaël aangevoerd, die noode de weelde zijner hofstad
verlaat om het rebelleerend menschdom te bedwingen. Gevechten,
waarin de door Segol verbeterde wapenen, de aanwending van ruiterij
en van elefanten hem de overwinning helpen verzekeren tegen de anders
verpletterende overmacht der Reuzen, nu niet meer met hun voorhoede en
in stroopbenden, maar met een leger strijdend. Toestand van Semeaza
tusschen de Reuzen, die hij wenscht te beschermen, en Elpine, die
hij niet durft naderen en die hen met Segol bestrijdt. Hij beweegt
zijn broeder en boezemvriend Fuäl, dat hij tot Elpine nadere, en
haar smeeke om hem gehoor te verleenen. Bede daartoe strekkend, vol
ontzag en ootmoedigen aandrang door Fuäl, om Semeaza, voor Elpine
uitgestort. Vergeefs!
11.
Beslissende veldslag, die de Reuzen tot voor de muren van Hanoch
terugslaat. De Paradijsgeesten ontwaren dat Semeaza hen niet
bijstaat. Hoe zou het kunnen, tegen Elpine en haar broeder? Hij
verzaakt de algemeene belangen om het kroost dat hij van Elpine
wacht, en ondertusschen dreigt de volkomen ondergang der Reuzen met
de inneming van Hanoch! Raad der Paradijsgeesten: het wordt tijd,
daar Segol vruchteloos, tegen hoogere Machten aan, bestreden wordt,
hem te winnen, en daartoe den invloed van Zilfa te gebruiken, die,
na de vermeestering van Bethur, als offer voor hen, als voor de goden
bestemd, door henzelven gered, naar Hanoch gevoerd, en in een hunner
tempels aldaar geplaatst is. Teekenen en orakels in dien tempel,
waardoor de Hanochieten worden gewaarschuwd Zilfa aan haar echtgenoot
terug te geven.
12.
Gezantschap uit Hanoch, zeer tegen den zin van Exaël, die op Zilfa
verslingerd is; maar tot vreugd van Ada, de meest begunstigde zijner
Kaïnietische slavinnen, die, schoon van vorstelijke afkomst, thans
op die gunst verzot, door toovermiddelen met de booze geestenwereld
in verband, zijn liefde zoekt te behouden. Verzoek om vrede en
aanbod, in dit geval, van Zilfa terug te geven. Regol, gedurende
de onderhandeling, als gijzelaar tot Zilfa toegelaten, spreekt
met het scepticisme des wereldlings tot haar over Segols liefde,
en over eene vrouw die, altijd in de nabijheid des legers aanwezig,
zich in haar tent aan aller oogen onttrekt. Segol, die in Elpine zijn
goeden engel aan zijn zijde heeft;--die hem als eene Velléda op zijn
heirtocht vergezelt, en ook thans in hem de hoop levendig houdt, dat
God te zijner tijd hem Zilfa zal terug schenken,--Segol blijft tegen
den verleidelijken aanval standvastig. Geen vrede met de vijanden
zijns Gods!
13.
Beleg van Hanoch, eertijds de hoofdzetel der meest beschaafde en
verdorven Kaïnieten, thans van het rijk der Reuzen, die met eenige
beschaving vooral ook de afgoderij hunner thans met hen samenstemmende
verwonnelingen hebben aangenomen. Gruwelen aldaar door hen bedreven,
menschenoffers, anthropofagie, enz. Wanhopige worsteling, waarbij
de Reuzen, tot binnen de muren van Hanoch teruggedrongen, door de
helsche geesten worden bijgestaan met vuurwapenen in de verdediging
der veste. Vruchteloos!--de val der Reuzen met dien van Hanoch is
onvermijdelijk. Een krachtiger aanval moet op het hart van Segol
gedaan door het Edensch geestendom, maar thans door Sardach geraden,
die zelf door Satan geleid wordt. Zilfa zelve zal aan Segol worden
toegezonden; in weerwil van Exaël, wiens dierlijke driften met
de verheven genegenheid van Segol contrasteeren, maar die door de
Paradijsgeesten, als door zijn goden, daartoe gedwongen wordt, met de
ontzettendste teekenen.--Ada, door het geestendom onderricht, deelt
aan Zilfa hare toovermiddelen mede, onder die voorwaarde, dat zij de
blijken van Segols min niet ontvangen zal, eer hij den vrede aan de
Reuzen heeft toegestaan; maar dan ook met belofte, dat zij voor eeuwig
zal zegevieren in zijn hart over die onbekende vrouw, die zijn tent
niet verlaat.--Ondertusschen ontvangen die toovermiddelen een gansch
andere kracht dan Ada die ooit gekend heeft, en zal Zilfa in het kamp
van Segol verschijnen, met meer dan sterfelijke schoonheid toegerust.
14.
Semeaza, die tot nu toe,--door zijn boezemvriend Fuäl in zijn rouw
gesteund,--zich van elk verbond met de Hel heeft vrijgehouden,
aanschouwt dit plan zijner broeders met verontwaardigde
afkeuring.--Maar intusschen, terwijl dit wordt voorbereid, zijn
de maanden van Elpine vervuld, en Semeaza, zoo hij al, in dit
uiterst oogenblik, het verbod van haar te naderen overschrijden wil,
ondervindt dat hij het niet vermag: sinds met den zegen de kus van den
stervenden Methusalah op haar hoofd gedaald, dit met de glanskroon
der verheerlijkte boetvaardigheid voor altijd omgeeft. Zoo ligt hij
dan,--als eene hyene op haar prooi,--te loeren op het kind, dat zij
ter wereld zal brengen, om het aan den invloed der menschen, en vooral
van Segol te onttrekken, die het in haat tegen hem zou opvoeden.--Maar
ziet! terwijl Elpine, in barensnood, op den oever des doods verkeert,
dalen Engelen neder, en dragen haar in Eden met haar kind, waar het
in den schoot van Henoch, even als zij boven den dood verheven, zal
worden opgevoed:--in dat onbereikbaar Eden, waar Semeaza voor eeuwig
uit gebannen is!--Nu kent zijn razernij geen palen meer:--hij stoot
Fuäl van zich af;--en er is niets meer dat hij ontziet.
15.
Exaël is ziedend van haat tegen Segol, als tegen zijn overwinnaar,
die hem van het bezit van Zilfa ontzet. Semeaza verschijnt hem; maakt
hem bekend met het sinds lang onder de menschen vergeten bestaan van
Eden; [71] toont hem, dat indien hij al de takken van het geslacht
van Adam vereenigen kan onder eene gemeenschappelijke onderneming, ter
herovering van dit rijk van weelde en van genot, de val van Segol, die
zich daartegen verzetten zal, zeker is.--Intusschen verschijnt Zilfa
in het legerkamp van Segol, algemeene verbazing en bewondering, als
eene Armida, door haar buitengewoon schoon verwekkend. Zij beschrijft
voor Segol haar wedervaren, en smeekt hem, door de algemeene volksstem
gesteund, vrede te sluiten met den edelmoedigen vijand, die haar, in
stede van haar aan zijn goden op te offeren, aan hem terugschenkt,
terwijl zij zich als door eede verbonden aan hem voorstelt, om in
Hanoch terug te keeren, zoo het verdrag, dat zij op zich genomen
heeft te doen treffen, niet gesloten wordt.
Zoo meent zij die haar onbekende vrouw, die zij als haar mededingster
in het hart van Segol vreest, te overwinnen; die vrouw die zij niet
te zien krijgt; die zij niet zien zal, en van wier bestaan Segol haar
onkundig laat: want omtrent het lot van Elpine is hem door Methusalah
het zwijgen opgelegd.
16.
Segol, nu van zijn goeden engel verstoken, bezwijkt en stemt toe. De
hel treurt om het ophouden des oorlogs--Neen, juicht! zegt Satan in
den helleraad; nu zijn zij allen mijn: hun tweespalt verdierf alleen
hunne lichamen; hun vrede zal hun zielen ten verderve sleepen, en
Semeaza wordt nu mijn bondgenoot.--Inderdaad, terwijl Semeaza wanhopig
om de rotsen van Eden dwaalt, ontmoet hem Satan. Vroeger wilde de
Paradijsgeest, alleen aan 't hoofd der Reuzen en door zijn broeders
bijgestaan, Eden bestormen; de oorlog met de Kaïnieten belette dit;
nu schroomt hij niet tot dit doel de hulp der Hel aan te nemen, die de
samenzwering der vereende afstammelingen van Adam bij zal staan. Satan
onderricht hem, hoe het vuur, dat reeds op geringe schaal gediend heeft
ter verdediging van Hanoch, in vrij wat grooter mate tot vermeestering
van Eden kan worden aangewend, en de rotsen zal nedervellen, om hem
een baan te vormen ter herovering van zijn vaderland, en ter verlossing
van zijn gade en zoon uit de banden van een tyrannische macht.
17.
Het verdrag wordt getroffen, en draagt zijn noodlottige vrucht
in het zedelijk bederf, dat het leger van Segol aangrijpt door de
verbroedering met de Reuzen en de Hanochieten, en door het voorbeeld
van Hanoch, dien zetel en dit brandpunt der afgoderij. Vruchteloos
tracht hij den stroom te keeren, waarvoor hij de sluis heeft
opengezet. Een groot vredefeest moet gevierd; het is daar dat Exaël,
door Semeaza opgemaakt, verschijnt met het denkbeeld, om deze
verbroedering van het gansche geslacht van Adam in een plechtige
daartoe te beschrijven bijeenkomst te vieren. Hij maakt hier het
bestaan van Eden bekend, als van het gemeenschappelijk afkomstoord:
(zie de kaart) "In de landstreek tusschen den Hiddekel en den
Frath is een onafzienbare vlakte, van waar men in 't verschiet een
hemelhoog gebergte zich in de wolken ziet verliezen: daar is Eden. In
't gezicht des algemeenen vaderlands zal het vereend geslacht zich
eeuwige trouw en broederschap zweren."--Uitbundig gejuich neemt dit
voorstel aan. Segol zelf, ofschoon door teekenen gewaarschuwd en
door de somberste voorgevoelens aangegrepen, meent wat hij misdreef
te zullen herstellen, door aldaar dien broederband te doen sluiten
onder de aanroeping van den waren God.
18.
Gods Engel daalt neder tot Noach, en zegt: bereid u de Arke in te
gaan met uw gezin; het einde is nabij.--Dagvaarding en verschijning
van het gansche menschdom, naar zijn verschillende geslachten, in de
vlakte tusschen den Hiddekel en den Frath.--Plechtigheden; waarbij
Segol zich in de aanbidding van den waren God meer en meer verlaten
gevoelt.--Op het einde en in de algemeene vreugdedronkenschap van het
als 't ware onmetelijk loofhuttenfeest, onthult Exaël zijn bedoeling:
"Eden, de algemeene oorsprong van ons geslacht, is de eigenlijke
plaats waar dit broederfeest volmaakt zal wezen: laten wij ons
daar onverschrokken den weg toe banen; mijne goden gaan ons voor:
uit hun naam spreek ik."--Heldhaftige tegenstand van Segol tegen
den algemeenen afval, die hierop volgt, en hem weldra alleen laat
met zijn weinige getrouwen, die door het zwaard worden uitgeroeid;
en daar men hem om zijn vroegere weldaden niet dooden wil, voert men
hem naar de woestijn aan de overzijde van den Hiddekel, waar het
graf van Adam is en der eerste Aartsvaders, die daar in de stilte
der woestijn en in het gezicht van Eden begraven wilden worden. Daar,
over de rotsen gesleept en aan een rots geketend, blijft hij van elk
verlaten, behalve van Zilfa, die door een afwijzing vol verachting
den haat van Exaël eindelijk ook tegen zich zelve gewekt heeft.
19.
Intusschen is het menschenheir opgebroken om Eden aan te
vallen.--Optocht, met de Reuzen en het afvallige leger van Segol aan
het hoofd, thans door Exaël geleid, voorafgegaan door onweêrswolken,
waarin zijn goden (Semeaza met de Paradijsgeesten) hem den weg wijzen,
en door de onzichtbare Hellemachten voortgedreven. Nadering tot de
steile hemelhooge rotsen van Eden, waarboven, als een noorderlicht, de
weêrschijn blinkt der vlammende zwaarden der Wachtengelen.--Onthulling
van het helsche geheim, aan Exaël medegedeeld, om de ontoegankelijke
rotsen door ontploffing van het inwendige aardsche vuur te
verbrijzelen.--Rustelooze arbeid, ter bereiking van dit misdadig
doel.--Rouw, ontzetting en afgrijzen in den Hemel. De Raad Gods
wordt aan de Hemelingen bekend gemaakt, en de bevelen gegeven tot de
naderende ontknooping.
20.
Schijnbaar welgelukken van den hemeltergenden aanval:--instorten
der rotsen, waarlangs Eden beklommen wordt. Reeds meent Semeaza
meester van Eden en van Elpine te wezen. Onthulling der ontzachlijke
Engelenwachten, waar de Reuzen op aandruischen met vruchtelooze
woede. Nog geduchter, dieper liggende vuren moeten, op aandrijven
der Hel, gebezigd. Laatste schok dier ontstoken onderaardsche vuren
ter omstorting der engelenweeren beproefd, maar waardoor Eden van
de Aarde wordt losgemaakt, (Bild. Luchtreis bl. 48, 49) om als
zelfstandig hemellichaam voortaan zijn loop door het hemelruim te
nemen; terwijl tevens door dien aardschok de vergaderplaats der
onderaardsche oceanen wordt opengebroken; en gelijktijdig, met het
inbreken van dien vloed, de dreigende wolken, die zich sinds lang om
Eden samenpakten, in cataracten op de aanvallers nederstorten. Het
leger wordt het eerst medegesleept, Reuzen, Kaïnieten en Sethieten
onder elkander, en met het overig menschdom verzwolgen, dat nog
in de vlakte, onder de ongebondenheid der afgodische spelen, den
uitslag der onderneming afwacht, en zich door Ada laat paaien,
als kon zij door toovergezangen de dreigende onweêren en stroomen
bezweren. Onder al deze tafereelen van verschrikking heeft nog
een aandoenlijk tooneel plaats: waar Segol, bij het naderen van
den vloed, aan zijn berouwhebbende verleidster vergiffenis schenkt,
zoodat hun vereende zielen ter plaatse varen waar eenmaal de Heiland,
op wien Segol, door Elpine getroost, vertrouwde, zal nederdalen als
hun verlosser:--terwijl daarentegen Semeaza met zijn broeders in de
diepste duisternis geketend wordt; maar waar toch eenmaal de zoon,
dien hij ten verderve wilde sleepen, hem op het aanhoudend gebed van
Elpine, door dienzelfden Heiland afgezonden zal komen stemmen tot
berouw en bekeering; om hem dan te ontboeien en voor zijn Rechter te
brengen, om met Fuäl (Z. III, vs. 143, volgg.) genade te ontvangen.