Ik heb mede alreeds doen opmerken, hoe dat wereldgezag, door het
volk aan Segol toegekend, en geheel uit den boezem des volks uit
vrees voor onderlinge verdelging voortgekomen, met een snoer aan de
altaren der valsche goden ontleend gewijd wordt; en hoe Segol op die
volkskeuze het stelsel grondt, dat door die keuze het gezag van het
volk op hem is overgegaan en thans door hem wordt uitgeoefend; maar
hoe hij later (Z. V, vs. 373, volgg.) het oppergezag aan God alleen
toekent, van wien alleen hij het ontvangen wil, om het op aarde te
doen regeeren, en waarvoor hij eenmaal sterven zal, omdat hij zich
tegen den volkswil verzet.
IIIe Zang, vs. 571, bl. 50, rl. 10 v. o.