Hier wordt de aanleg van den knoop des gedichts aangekondigd. De
Kaïnieten zullen door de Hel met "list" worden bestreden, daar zij
door getal en schranderheid de Reuzen te sterk zijn. Die list zal hun
Vorst, Segol, tot werktuig kiezen; die eerst, in zijn slaap "bekropen"
zal worden door de eerzucht van naar den hoogsten rang te staan:
(zie vs. 336) die daarna, "misleid" en "bedrogen", tot een verdrag met
de Reuzen zal toetreden, en "vervoerd", door de eerst hem ontroofde,
later teruggegeven Zilfa, het bondgenootschap zal sluiten, door de
Paradijsgeesten tot behoud van hun af komst bedacht, en dat door de
Hel in een gemeenschappelijken opstannd tegen God zal worden verkeerd.
IIIe Zang, vs. 255, bl. 42, rl. 5 v. b.
Bezadigdheid en list zijn veiligst. 'k Ken dat wapen.
Bekruip in vriendenschijn den vijand onder 't slapen;
Mislei; bedrieg; vervoer!
D. C. merkt te recht op, dat deze werkwoorden in geen gebiedende wijs
staan; maar dan moet ook een minder leesteeken na het woord "wapen"
staan, en geen uitroepingsteeken na "vervoer".
IIIe Zang, vs. 267, bl. 42, rl. 17 v. b.
't Belang der hel alleen verbiedt me, uw grootsche daden
Te smoren.--
Welke zijn die groote verdiensten van Sadrach (of Zardach), die de
leider der helsche vergadering, in tegenwoordigheid van de luisterende
Paradijsgeesten, niet openlijk durft uitspreken? De verleiding dier
Geesten zelven door de schoonheid der dochteren van Kaïn.
IIIe Zang, vs. 302, bl. 43, rl. 16 v. b.
't Gruwzaam kroost der list.
De Hellegeesten, gereed de Kaïnieten met list aan te randen,
storten zich op het dal, waar hun leger zich heeft nedergeslagen,
uit. Terwijl hun hoofd, Sadrach het aanstaande legerhoofd, Segol,
met een gewaande geestverschijning nadert, om hem aan te sporen,
dat hij zich tot opperhoofd opwerpe, wordt het leger door allerlei
schrikken (vs. 359-370) ontrust, die het vooreerst tot bijgeloovige
vrees stemmen, maar ook de aanstaande oorlogsgevaren aankondigen,
waarvan de indruk deze moet zijn, dat zij, op zelfbehoud bedacht,
zich aan Segol onderwerpen.
IIIe Zang, vs. 311, bl. 43, rl. 16 v. o.
Zijn schedel nokt en schudt als 't schuddend popellover.
Het komt mij niet onmogelijk voor dat B. hier geschreven heeft of
bedoelde te schrijven: "nokt en schokt". Immers versmaadt hij zulke
klankherhalingen niet; als b.v. in den IVen Zang, vs. 153: "knarst
en barst". De herhaling van hetzelfde woord bij het voorwerp dat men
vergelijkt en bij dat waaraan men de vergelijking ontleent, is niet
zeer aannemelijk; en men hoort, naar de lezing die wij voorsloegen,
nog beter den tred van het nauwlijks gevleeschde geraamte.
IIIe Zang, vs. 322, bl. 43, rl. 5 v. o.
--In Beth-ur had geboôn.
De vermelding van Beth-ur, als ik reeds elders deed opmerken, leidt
tot het vermoeden, dat het in de bedoeling des dichters lag een band
van bloedverwantschap te doen erkennen tusschen Segol en Elpine, mede
eene Kaïnietische (Z. I, vs. 438) en in haar wieg door de Reuzen uit
Beth-ur geroofd. Wat aangaat de betrekking van Segol tot Argostan,
geloof ik dat B. geen ander doel gehad heeft met de vermelding van dit
halve-broederschap der twee Kaïnietische opperhoofden, dan om Segol,
na den dood van Argostan, eene aanleiding te geven van in 't licht te
treden, zonder eenig recht ter opvolging te kunnen doen gelden, zoodat
de vrije volkskeuze bij zijne verheffing in haar zuivere gedaante
bewaard bleef. Zoo is de variante op vs. 454 van dit boek merkwaardig;
waar B. eerst Segol had doen zeggen, sprekende, ten aanhoore van het
leger, tot de strijdakst van Hanoch door Argostan gevoerd:
"'t Geen thands een mindre vuist, maar u het naast omsluit"
waarvoor hij in de plaats stelde:
--"maar Hanoch waard."
IIIe Zang, vs. 447, bl. 47, rl. 16 v. b.