Men ziet hier herhaaldelijk B. het wederk. v. n. gebruiken, waar,
in onze proza althans, elkander vereischt wordt.
IIIe Zang, vs 36, volgg. bl. 36, rl 14 v. b.
--De afgrond zag met onuitspreekbre smarten
Den vreê herrezen; maar 't vooruitgezicht getroost,
Voorspelt zy uit dien vreê 't verderf van Adams kroost.
Het verdient opmerking, hoe hier B. op het woord "Afgrond" het
vrouwelijk voornaamw. toepast, niet uit verzinning, zooals genoegzaam
blijkt uit den IVen Zang, vs 325; noch door gedachteverwisseling
met het woord "Hel"; maar omdat in het nederduitsch, daar waar de
persoonsverbeelding de woorden als belichaamt, zij bij voorkeur als
vrouwelijk verschijnen.
IIIe Zang, vs 37, bl. 36, rl 15, v. b.
--Maar 't vooruitgezicht getroost,
Voorspelt zy uit dien vreê 't verderf van Adams kroost.
De Hel, ofschoon voor het oogenblik gekweld door het denkbeeld van
vrede, neemt het aan, althans wat hare meer verziende leden aangaat:
in "'t vooruitgezicht getroost" op de gevolgen van dien vrede, als
kunnende deze leiden tot een meer algemeen verderf over het menschdom
te brengen dan uit den ontvlamden burgerkrijg te wachten was.
IIIe Zang, vs 53, bl. 36, rl 9 v. o.
--We ontmoeten u als lot- en lotgenoot.
Eigenaardige spreekwijze, om te kennen te geven; "als deelgenooten
van uw lot, zooals gij het van het onze zijt."
IIIe Zang, vs 95, bl. 37 rl 4 v. o.
't Is afgrond, waar de spijt een hel in 't hart doet branden.
De "Spijt" is hier het juiste woord om den gekrenkten trots over het,
verbanningsvonnis uit te drukken. Maar de laatste verzen dier rede
zijn eens duivels, niet van een verbannen Paradijsgeest, en doen te
kort aan het onderscheid, dat in de schildering dier verschillende
wezens moest bestaan.
IIIe Zang, vs. 255, bl. 42, rl 5 v. b.