"Dier gruwlen" is hier de gebogen (3 e.) n. v., die in de plaats
treedt voor "aan die gruwlen", terwijl het b. v. n. "onbesmet" de
plaats, in dichterlijke taal, inneemt van "onschuldig."
IIe Zang, vs 276, bl. 23, rl 2 v. b.
En de Engel zweeg in 't hart, door 't maagdlijk schoon geroerd.
Deze vorm is virgiliaansch: Excussaque pectore Juno, wordt in de Enéis
(V. 679) gezegd van de booze inblazingen van Juno, die uit het hart
der trojaansche vrouwen geweken waren.
IIe Zang, vs 368, bl. 25, rl 15 v. o.
En dan, dan danke ik 't lot; het heeft mijn ramp volwrocht.
Uitdrukking van uiterste wanhoop aan den Orestes van Racine ontleend:
J'étais né--
Pour être du malhenr un modèle accompli.
Hé bien, je suis content, et mon sort est rempli
Onze groote dichter schatte dit treurspel van Racine, de Andromaque,
zeer hoog, en noemde het mij eenmaal "het juweel van het fransche
tooneel".
IIe Zang, vs 389, bl. 26, rl 6 v. b.
Het kroost der englen zal met dat der stervelingen
Niet wriemlen over de aard.--
Met deze woorden worden niet de Paradijsgeesten bedoeld, als
D. C. meent, maar de Reuzen uit de Paradijsgeesten gesproten; welke
geesten hier door den minnaar van Elpine met trotsche zelfverheffing
"Engelen" genoemd worden: verg. vs. 405, volgg.
IIe Zang, vs 416, bl. 26, rl 6 v. o.
Zijn open oog vertrok.
Men zou "betrok" willen lezen; maar de dichter kan hier eene archaïsme
bedoeld hebben met verwante beteekenis.
IIe Zang, vs 435, bl. 27, rl 14 v. b.
(Een opstand) die misschien
Geheel het menschdom, in dien gruwelbond begrepen
In 't eindeloos verderf onredbaaar mee zal sleepen.
Hier worden de gevolgen van de roekelooze voornemens van haar minnaar
door Elpine voorzien, zooals de dichter die in zijn gedicht meende
te ontwikkelen.
IIe Zang, vs 449, bl. 27, rl 9 v. o.
Neen, de almacht heeft voor ons--uw Eden toegesloten.
Hier op antwoordt, met aandoenlijke tegenstelling, wat in het 458e
vers gelezen wordt:
Dit zal zijn Eden zijn, dit is zijn eeuwig leven.
IIe Zang, vs 455, bl. 27, rl 3 v. o.
Verbeiden wij het uur, dat Gods geheimenis.
Onthult, en in de rij der toekomst zeker is.
Als variante wordt opgegeven: "Onthult, maar in de rij." In de
eerste uitgave staat "Onthuld". Ik vermoed, dat de variante niet goed
gelezen is, en dat de dichter er aan dacht te schrijven, met het oog
op Handel. I, vs 7:
"dat Gods geheimenis,--
Omhuld, maar in de rij der toekomst zeker--is."
IIe Zang, vs 468, bl. 28, rl 11 v. b.
--Aan 't stervend aardsch geslacht.
Deze uitdrukking herinnert het "moriturus" bij Horatius Od. I, 28, 6,
II 3, 4; en het treffend gezegde eener merkwaardige fransche vrouw,
op haar sterfbed: "je ne laisse ici que des mourants."
IIe Zang, vs 475, bl. 28, rl 18 v. b.
De wachter van het licht, heraut der uchtendstond.
Had reeds door Bethurs dal den nieuwen dag verkond.
D. C. denkt hier, in zijne aanteekening, aan den haan, die, naar ons
voorkomt, als verkondiger van het daglicht meer in de idyllische dan in
de epische wereld thuis behoort; en in deze laatste nog veel min gepast
optreedt met een zoo hoogdravende omschrijving. B. bedoelde, naar mij
voorkomt, de morgenster, die als een heraut den zonnewagen voortreedt,
als om zijn komst aan te zeggen. Zie den Ien Zang, vs 394, volgg.
IIe Zang, vs 480, bl. 28 rl 16 v. o.
Elpine voerde in 't hart haar nimmer heelbren grief
Door 't bloeiend palmwoud rond.--
Het rusteloos omdwalen van Elpine, dat, als ik heb doen opmerken,
haar eene overeenkomst geeft met de Iö van Eschylus, en met kracht
beschreven is in den Ien Zang, vs 467, volgg. vond zijn oorsprong, als
de dichter met een enkele uitdrukking doet raden (ald. vs 457) in het
zoeken naar dien bovenmenschelijken minnaar: "die het hart de vlam der
liefde deed gevoelen, en nergens vindbaar is." Zoo was zij zuidwaarts
gedwaald tot de Ur (Ie Z. vs 478 en II, 2); en het was daar dat zij
dien minnaar had weêrgezien. Na hem voor eeuwig te hebben afgewezen,
schijnt zij weder noordwaarts teruggekeerd en zoo gekomen te zijn
in dezelfde streek waar het leger der Kaïnieten onder Argostan zich
had neêrgeslagen. Deze streek met juistheid op het door den dichter
ontworpen kaartje aan te wijzen is niet mogelijk. De vermelding van
"Rigons zoute vlieten," als de plaats waar het leger zich bevindt,
wanneer men dien vliet op de kaart zoekt, komt niet overeen met het
vervolg, en uit de variante "kronkelvlieten", die op vs 485 vermeld
wordt, maak ik op, dat B. wilde gelezen hebben:--"ter rechter zij van
Gihons "kronkelvlieten"". Immers is het ook van die "kronkelstroomen"
dat de dichter hetzelfde leger, na de gebeurtenissen in den IIen en
IIIen Zang beschreven, in den IVen Zang, vs 39, op doet trekken. De
Rigon en zijn zoute bron wordt wel weder gemeld in Z. III vs 482,
maar slechts als het uiterste punt van het door Segols leger te
bezetten landstreek. Moeilijker is met de vermelding van den rechter
oever van den Gihon te vereenigen die van het dal van Nival (vs 482
en 719), dat zich op de kaart aan de overzijde dier rivier bevindt,
die eerst in den IVen Zang, vs 40, wordt overgetrokken; zoodat ook
hier aan eene verzinning des dichters bij het ontwerpen van de kaart
schijnt te moeten worden gedacht.
IIe Zang, vs 601, bl. 31, rl 6 v. o.
Een gruwzaam reuzenrot, verwant aan hemelgeesten.
Argostan toont op deze plaats, en vs 630. volgg., het gerucht aan
te nemen dat aan de Reuzen een verwantschap met hoogere geesten
toeschreef, maar alleen om die geesten, wie ze ook zijn mogen, te
trotseeren. Zijn leger daarentegen verwerpt dit denkbeeld volstrekt;
(zie Ie Z. vs 391, volg.) althans wat hun afkomst aangaat van de
geesten die zij als goden aanbidden. Van daar de tweespalt tusschen
legerhoofd en leger, die met het verslaan van Argostan en de daaruit
voortvloeiende onderlinge slachting onder het leger eindigt.
IIIe Zang. vs 31, 33, bl. 36, rl 9, 11 v. b.