En naauwlijks heeft m' aan wederzij--

en wederom in den XXen Zang, 15e str. en XXIVe Z. 13e str. in de

Ziekte der Geleerden, Ie Zang bl. 5 rl 8 v.o.

Men--stoot de kiel in flarden

Op de eene of andere plaat die m' overglijden mocht.

ald. bl. 13, rl 8 v.o. en op menige plaats in het Buitenleven, te veel

om aan te halen. Men kan hier nog plaatsen bijvoegen van v. Lennep,

aangeh. in het Woordenboek der N. T. op het woord "onderhoud" en van

Bogaers, aldaar, op het woord "afwenden".

Ie Zang, vs 324, bl. 10, rl 4 v.b.

--Terwijl zy uitkomst baden

Aan Goden, doof voor hun.

De goden, die de Kaïnieten aanroepen, worden niet gezegd "doof" voor

hen te zijn als ijdele spooksels en niet bestaande wezens, zooals

elders wel eens in zoodanig redeverband gemeend wordt; maar in de

bedoeling des dichters zijn de uit het Paradijs verdreven geesten,

die de hemellichten en de lucht tot verblijfplaats gekozen hebben en

zich door de menschen als goden laten aanbidden, "doof" d.i. ongenegen

de beden der Kaïnieten te verhooren, omdat deze strijd voeren tegen

de afkomst dier geesten, tegen de Reuzen. Verg. den IIen Zang, vs

511, volgg.

Ie Zang, vs 333, bl. 10, rl 13 v.b.

En, zucht voor 't vaderland, voor huwlijkskoets en kroost,

Maakt al wat wapen droeg den wissen dood getroost.

Deze plaats is opmerkelijk, om de door D. C. medegedeelde variante,

of liever verbetering des dichters. Hij had, den regel volgende,

in deze opvolging van substantiven, daar de twee laatste zonder

artikel waren, ook het eerste dus gelaten. Later gevoelde hij, dat

het eerste, als een bepaald voorwerp (het vaderland der Kaïnieten) het

lidwoord behoefde; terwijl de twee laatste, als eene in 't afgetrokken

beschouwde algemeenheid voorstellende, zonder lidwoord moesten blijven.

Ie Zang, vs 375, bl. 11, rl 14 v.b.

Wier koude stralen de aard het gift der Akonieten,

Bezwangerd van de dood, in nachtschade uit doen schieten.

Volgens de aanteekening van D. C. zou B. hier gedacht hebben aan de

"solanum" (nigrum), die bij ons "nachtschade" genoemd wordt. Maar dan

zou de dichter geschreven hebben: "en nachtschade"; of liever, hij

had moeten schrijven: "en der nachtschade". Doch het kan zijn dat,

door de vermelding der "akonieten", hem de naam der plant voor den

geest is geroepen, en hij daardoor op het woord gebracht is dat hij

bezigt. Het staat hier niet als geslachtsnaam, maar in de beteekenis

van "schaduw"; als zeide hij: "in de schaduw der nachten."

Ie Zang, vs 394, volgg. bl. 11, rl 5 v.o.

Gelijk ge, o morgenstar, op 't effen hemelspoor,

Den blonden dageraad, of 't heir der vaste starren

Ter heirbaan voorstapt om den slagboom los te sparren.

Min juist wordt, naar mij voorkomt, de Morgenstar gezegd de "vaste

starren" voor te treden op het hemelspoor, daar deze starren juist

met het klimmen van de Morgenstar van den hemel verdwijnen. Ook als

Avondstar kan zij niet beschouwd worden als aan 't hoofd der vaste

starren voorttredend; daar zij dan in 't Westen staat en de andere

starren het eerst in 't Oosten zichtbaar worden.

Ie Zang, vs 462, bl. 13, rl 9 v.o.

Zy heft de handen naar 't vergraauwend blaauw gewelf.

Waar reeds de morgenkim 't gestarnt schijnt op te jagen.

Da Costa heeft in deze verzen eene aanduiding van den morgen meenen

te vinden, en zich daardoor voor 't vervolg in moeielijkheden

gewikkeld. Het is de avond die beschreven wordt; zooals ook blijkt

uit de variante. De dichter had eerst geschreven: "'t verbleekend

blaauw gewelf". Dit zou den morgen hebben te kennen gegeven: daar met

het rijzen van den dag het donker-blauw van den hemelboog schijnt te

verschieten: hij verbeterde toen, zeer juist voor zijne bedoeling:

"'t vergraauwend". Immers de hemel neemt deze tint aan met het vallen

van den avond, en wel het eerst aan de "morgenkim"; d. i. in 't Oosten;

vanwaar het gestarnte als zoovele opschietende vonken te voorschijn

komt. Op dezen avond door den dichter beschreven volgt (Z. II, vs

1, volgg.) de nacht; en van deze lichtverwisselingen aan den hemel

wordt verder gezegd, (vs 11, volgg.) dat Elpine zoo gevoelloos door

overmaat van smart geworden was, dat zij deze veranderingen zelfs

niet bespeurd had.

Ie Zang, vs 467, bl. 13, rl 4 v. o.

Dan verft een nieuwe storm van woede haar de kaken,

Vliegt op, en wil een, eind aan 't foltrend leven maken.

Ik kan hier een in den tekst te maken verbetering aanwijzen die

authentiek mag genoemd worden. In een exemplaar van de eerste uitgave

van dezen Epos, op den kataloog der boekverzameling van onzen dichter

onder no. 1015 aangeteekend, thands in mijn bezit, had hij eenige

drukfeilen op de eerste bladzijde aangewezen, en onder deze dit 468e

vers dus verbeterd, dat men leze: "Vliegt ze op;" zooals volstrekt

noodzakelijk is; ofschoon deze fout van de eerste uitgave in al de

volgende is overgenomen.

IIe Zang, vs 135, bl. 19, rl 9 v. b.

En zwieren naar 't ons lust, verheven op den stroom

Des ethers, heemlen door, enz.

Zeer juist verbeterde B., in het door mij vermelde exemplaar:

"in den stroom", dat de kracht der zelfbeweging beter doet voelen.

IIe Zang, vs 148, bl. 19, rl 17 v. o.

Maar ach! wat schetse ik u den oorsprong van mijn vlam!

Hoor eerst de strenge wet des hemels.

Zeer opmerkelijk voor den beoefenaar der tekstkritiek is hier deze

verbetering door D. C. aangebracht, daar men in de eerste uitgaven

en in die haar volgden hier las: "Hoor eens": eene uitdrukking van

kinderlijke naïveteit, die in den epischen stijl, en hier op deze

plaats, wel allerminst te pas kwam. En echter was deze fout den dichter

bij het in gereedheid brengen van zijn werk voor de pers, en bij het

overlezen, zooals mij uit het gemelde exemplaar gebleken is, ontsnapt:

want er kan hier geen twijfel zijn, of D. C. herstelde zijne bedoeling.

IIe Zang, vs 165, bl. 20, rl 1 v. b.

't Gejammer bij de dood diens Abels, dien Gods liefde

Ter dood voerde, als hem 't staal zijns woesten broeders griefde.

De herhaling van het woord "dood" stuit hier niet; omdat er iets

treffends ligt in het ophalen van de oorzaak dier vroegtijdige dood,

gelegen in de liefde die God hem betoonde, en die den nijd zijns

broeders wekte. Eer zou ik iets min gepast vinden in het vermelden

van het "staal" dat Abel zou gegriefd hebben, dat mij hier te modern

voorkomt.

IIe Zang, vs 190, bl. 20, rl 11 v. o.

(Ons) was 't broederlijk geslacht allengskens vreemd geworden.

Uit de variante maak ik op, dat de dichter er over gedacht heeft

"allengs meer" te schrijven, misschien daarvan teruggehouden om het

in het volgend vers voorkomend "steeds meer".

IIe Zang, vs 208, bl. 21, rl 8 v. b.

De ondergang der Eerste Wareld · 第 19 / 27 题