AANTEEKENINGEN OP ENKELE PLAATSEN VAN BILDERDIJKS EPOS.

Ie Zang, vs. 27, volgg, bl. 2, rl 9 v. b.

--En 't Heil der diamanten zalen

Den stervling overbrengt in amethysten schalen.

Da Costa aarzelt, hier iets "gedrongens" te vinden. Ik zou nog verder

durven gaan en beweren, dat die geheele aanroep aan de dichtkunst,

van vs 19 af, te weelderig is, en in dit opzicht ongunstig afsteekt

bij den voorbeeldigen, echt epischen aanhef van het gedicht, vs 1--8.

Ie Zang, vs 36, bl. 2. rl 18 v. b.

----En Godlijk laat beklagen.

B. bedoelt voornamelijk de schoone plaatsen van het Parad. L. III,

150 en 232.

Ie Zang, vs 41, bl. 2, rl 15 v. o.

Waar de aadlaar van het zwerk de wieken druipt.

De aanwending van het w. w. druipt schijnt hier zeer ongemeen; als

bedrijvend genomen, in de beteekenis van "nederwaarts laten zakken";

verwant met het Engelsch: to drop. Zoo, in den IIen Zang, vs. 110,

"hing" voor "liet hangen".

Ie Zang, vs 55, bl. 3, rl 1 v. b.

Aartsvader Adam had, enz.

Het getal wordt hier bepaald der na Adam reeds uitgestorven geslachten,

op het tijdstip waarvan de dichter de gebeurtenissen, vóór de in

zijn Epos bezongen handeling verloopen, begint te verhalen. "Twee

paar" (vier) "rijen neven" (geslachten) waren Adam reeds in 't graf

gevolgd. De omstandigheden uit het verleden dat de dichter hier

ophaalt vielen dus voor onder den vijfden Aartsvader, Jered, die,

volgens de tijdrekenkundigen, (zie Simsoni Chron.) in het jaar 1422

der wereld, overleed, en onder wiens leeftijd het apocryfe boek van

Henoch het ontstaan der Reuzen plaatst: zoodat onze dichter, zonder

de afwijkende tijdrekening van dien schrijver te volgen, en zich aan

die van den hebreeuwschen tekst houdend, het verschijnen der Reuzen

op aarde als reeds vier eeuwen geleden in dit verhaal heeft kunnen

voorstellen (vs 239); verg. de aant. op den IVen Zang vs 395.

Ie Zang, vs 104, bl. 4, rl 10 v. b.

--Een walm van balsemige luchten

Doorwaaiden uit dien hoek.--

De grammatische onregelmatigheid, die wel elders voorkomt, waar het

enk. z. n. eene menigte voorstelt, (verg. Z. IV, vs 531) komt mij

hier hard voor. Ik twijfel of B. niet geschreven had of bedoelde

te schrijven: "Doorwaaide uit dezen hoek"; dat mij ook deftiger en

levendiger (als de onmiddellijke aanwijzing van hetgeen den dichter

voor oogen staat) voorkomt, dan: "uit dien hoek." Wat mij echter doet

aarzelen deze lezing aan te bevelen, is de plaats in den IVen Zang,

vs 632, waar het woord "waterdamp" insgelijks met het w. w. "dalen"

(3e pers. meerv.) wordt in verband gebracht.

Ie Zang, vs 111, bl. 4, rl 17 v. b.

De stam van Kaïn hief, in weinige geslachten, enz.

"Hief", dat is, had zich, binnen weinige geslachten, boven den stam

van Seth verheven; en vandaar volgt de beschrijving van den toestand

zooals die was op het tijdstip waarvan de dichter begint: (vs 55)

eerst met een terugblik op hetgeen was voorafgegaan, tot op vs. 215,

waar het woord "toen" dit tijdstip nader aanduidt. Vandaar af volgen

elkander onafgebroken de onderscheiden vijf historische tijdvakken op,

die in ons hierachter volgend betoog, over het ontwerp des gedichts,

zijn aangewezen.

Ie Zang, vs 157, bl. 5. rl 12 v. o.

--Had aan 't wraakgeschrei der aard

De vloek zijn vaders zich, bij 't misdrijf, niet gepaard.

B. heeft te recht, als uit de variante blijkt, verbeterd: "des

vaders". "Zijns" zou op den "bloedvlek" slaan, waarvan de vermelding

onmiddellijk voorafgaat.

Ie Zang, vs 164, bl. 5, rl 5 v. o.

--In honderden van vesten.

Men denke hier niet aan steden; dat buitensporig zou zijn; maar aan

versterkte plaatsen: castella, castra. Zooals Segol er een beschrijft,

IIIe Zang, vs 555, volgg.

Ie Zang, vs 191, bl. 6, rl 20 v. o.

Dan gaat ze in stroomen bloeds, in bloed en brein, te wed.

Ik twijfel of B. niet geschreven heeft: "in bloedig brein".

Ie Zang, vs 217, bl. 7, rl 8 v. b.

--Ook de almacht hield altaar

Noch offer meer.--

"Hield" staat hier voor "behield", naar een taaleige onzer dichters,

waardoor het meer gebruikelijk préfix van het w.w. wordt weggelaten;

als "minnen" voor "beminnen", en als b. v. vs 111, "hief" voor

"verhief"; en in den IIen Zang, vs 111 "bleekte" voor "verbleekte",

in den IIIen Zang, vs 425, "schikke" voor "beschikke."

Ie Zang, vs 247, volgg. blz. 8, rl 1 v. b.

De ondergang der Eerste Wareld · 第 16 / 27 题