VIJFDE ZANG.

De krijgshoop nadert vast. Twee Grooten treên hun tegen

En leiden ze op. De steilte eens heuvels opgestegen,

Wacht Segol hen met die ontzachtbre houding af,

Die achtbre lijfsgestalt' by 't hart eens Konings gaf.

Men buigt zich, legt den schat van 't Westen aan zijn voeten,

Roept: "Leven, zege, en heil den Koning dien wy groeten!

Den grooten Aartsmonarch, die voor zijn volken strijdt!

Aan hem behoort onze arm! ons bloed is hem gewijd!"

De Koning wenkt hun toe.--"Treedt nader, wakkre troepen,

Gehoorzaam waar u de eer, de plicht, de glorie roepen!

Ja, dierbaar is me uw hulde, en dierbaar dees uw moed,

Waarmeê ge in 't hoogst des noods 't Heelal ter hulpe spoedt.

Van u wacht de aard haar steun: haar redding uit de banden,

Haar vrijheid hangt aan u. De macht der morgenlanden

Bezwijkt, ten zij uw arm haar schrage, en op haar boôm

't Geweld der Bloeddorst stuite eer ze alles overstroom'.

Welaan, beproeft met my, wat moed en eer vermogen?

Wat, armen, die geen juk, geen laffen boei, gedoogen?

Die pijl, die 't eenzaam West van monsters zuivren mocht,

Vindt hier nog eedler doel in woedender gedrocht.

Ploff', ploffe 't voor u neêr!"--Meer had hy nog gesproken,

Maar 't bruisehend ongeduld, in 't wellend hart aan 't koken,

Beneemt hem d' adem, en de bliksem van 't gezicht

Voleindt de rede met een schittring van zijn licht.

Thands wordt de tocht vervolgd.--De pijlbus omgehangen

Den peesboog in de vuist, en tripplend van verlangen,

Trekt half een duizendtal van Jagers op aan 't hoofd,

En Hemaths bende volgt, maar thands van kracht beroofd.

Ach! 't werkend gift der lucht heeft hart en levensstroomen

Door d' ademtocht verpest, de zenuw ingenomen;

Ontspannen, steunt de spier het wagglend lijf niet meer,

En stelt den wil te loor door 't lammen van zijn veêr.

Het licht bezwaart het oog; het straks nog lieflijk bruizen

Van 't West, het gonzend oor, waarin de golven zuizen.

Het hoofd hangt moedloos op de schouder, en de borst

Klapt angstig onder 't wicht van 't wapen dat men torscht.

De boezem schudt en hijgt, en buik en oogen zwellen.

Een vuurgloed schijnt het hoofd in laaie vlam te stellen

Die tong en mond verdroogt, de dorre keel verschroeit;

En--de aarde ontzinkt den voet of houdt hem vastgeboeid.

De speer ontvalt de hand; het lichaam, zijn gewrichten;

En spraakloos stort men neêr met bleekende aangezichten,

Blijf roerloos, of verkrimpt in pijnen, nooit gevoeld;

En 't is of dood en hel door iedere ader woelt.

Wat zal de Veldheer thands? Hy, die onzichtbre machten

Zijn stout ontwerp weêrstaan, zijn poging ziet verkrachten!

De schaamte, woede, en spijt vermeestert zijn gemoed.

Knarstandend roept hy uit: "Neem, noodlot, neem mijn bloed!

Maar neen, eerst wreken we ons! Ook midden in de flitsen

Is nog, waar toorne en wraak zijn krachten samenhitsen,

De tijger, schoon alleen, schoon doodelijk gewond,

Zijn' vijand schrikbaar in zijn laatste levensstond.

'k Ben tijger, meer dan hy, in 't midden dezer tijgeren,

Verwoesters van 't Heelal. Wat hoeve ik macht van krijgeren?

Dees arm is my genoeg, dees heirbijl in mijn vuist,

En 't vuur dat door mijn borst in stroomen zwavels bruischt!

Mijn vrienden, 't waar vergeefsch, hier aan uw zij' te sterven;

U wreken is mijn plicht, en dan, het licht te derven.

Ja u, mijn gade, en kroon, en 't overstelpt Heelal

Dat nooit in kluisters stort, dan met zijns konings' val!

Vaart wel--en hoede een God--is alles saamgespannen

Tot staving van 't geweld der vloekbaarste aartstyrannen,

Daar leeft er één (mijn hart gevoelt het, dat hy leeft)

Die in mijn boezem spreekt, mijn hart den adem geeft--

Ja, hoede een hooger God, die Goden kan doen beven,

En u en 't zuchtend volk! ik ga voor allen sneven!"

Zoo spreekt hy, werpt een oog door 't flikkren van een traan

Vertederd, op zijn bende, en blijft nu roerloos staan.

Slechts enklen, door de kwaal min hevig aangegrepen,

Staan, om hun Vorst geschaard, van stille smart benepen,

En zweeren, zijn gelei' te volgen in den dood.

"Neen (zegt hy), 'k laat mijn volk niet over aan hun nood.

Hun krankte eischt lafenis en bystand. Hen verlaten

Waar Arbalieten waard, niet, Segols onderzaten!

Neen, scheppe uw blik hun troost by 't aaklig stervensbed.

En luike uw hand hun oog naar de ouderlijke wet!

Of, zoo mijn zuchtend hart een zoeter hoop mag voedsteren....

Maar neen, voldoet Natuur, met lijdenden te koesteren!

Dees plicht moet heilig zijn, ook boven 't Vaderland:

Dit moog verloren gaan, de menschlijkheid houdt stand.

My roept en huwlijksband en koningsplicht te gader,

Vaartwel!"--

Men volgt hem na,--"Uwer volken vader,

(Dus roept men) blijf ons by; wy snellen voor u heen,

Of duld dat onze moed zich met uw vuist vereen'!

Wy kruipen, zoo 't moet zijn, als weerelooze wormen,

Om met ons stervend rif uw borst een wal te vormen,

En smooren, voor uw oog, met wellust, in dat bloed

Dat u geheiligd is, zijn' Koning vlieten moet!

Blijf, Koning, blijf!"--Die stem stijgt vruchtloos naar den hoogen.

Te laat! reeds is hy 't oog en 't hol gegalm ontvlogen!

De helft der weinigen, tot wapendienst in staat,

Beeft echter dat hun arm den dappren vorst verraadt,

En ijlt hem na op 't spoor. Het hart der min vermetenen

Voelt zich door 't streng bevel aan 't krankenleger ketenen,

En, siddrend voor het lot dat hun' Monarch verbeidt,

Smelt als in tranen weg van angst en tederheid.

De Voortocht, middlerwijl, den Vorst vooruit getogen,

Trok Zuidwaart; doch, welhaast door 't heuvlig zand bedrogen,

Verdoolt ze en raakt verward in 't dichte Palmenbosch,

Waar zich de Reus onthoudt, op Beth-urs plondring trotsch.

Hier vindt zy zich, op eens, met overmacht van krachten

Bestookt, eer ze iets vermoedt of vijand kan verwachten.

't Gezicht dier monsters, hoog van lichaam, woest van blik,

Verwekt den jaagrentroep een nooit beproefden schrik.

Hun schorre wapenkreet doorklinkt by 't overvallen

Het woud, en treft hun 't hart als 't hevigst donderknallen.

Zy siddren. Dus bezwijkt de wolfhond, stout van moed,

Wanneer de rosse leeuw op 't daavrend jachtgetoet

Hem opdaagt uit zijn hol met de opgesparde kaken.

Ja, starend zien zy ze aan, als twijflend of zy waken,

En grijpen naauwlijks naar hun wapens; eer geslacht

Dan op verweering van hun eigen lijf bedacht.

Men deinst; men woelt door een; men loopt de dood in de armen,

En vruchtloos kromt de boog, nu machtloos tot beschermen.

De mengling van 't gevecht maakt ijlings 't fel geschut

Hoe vreeslijk in hun vuist, ten wederstand onnut.

Zij vlieden. Velen, door de reuzenknots verslagen,

Bedekken de aarde met hun lichaam. Meer op jagen

Dan oorlog afgericht, beeft hier de zelfde hand

Die op 't gediert' des velds geen boogpees vruchtloos spant,

En weinig pijlen zelfs, die niet heur doelwit misten;

Ja, 't schijnbre van den strijd is hooploos bloedverkwisten.

Maar ook de vlucht kost bloed door 't onbekende woud,

Daar de angst geen weg herkent, en pad noch voetspoor houdt.

Een derde bleef, ontzield, of in der vossen holen

De dood die hen vervolgt voor 't oogenblik ontscholen;

Het oovrig wint de vlakte, en, van den schrik bekneld,

Vliegt ademloos in 't rond door 't onbegrensde veld.

Thands nadert Segol: ziet zijn voorhoede, en aan 't vluchten.

Wat, Hemel, moet hy meer in zoo veel rampen duchten!

Hy roept. Zijn forsche galm klinkt in de lucht weêrom,

En maakt in 's vluchtlings hart de stem der doodangst stom.

Men staat.--Hy nadert, spaart, in weêrwil van zijn smarten,

De schaamte van 't verwijt aan hun getrotfen harten,

Ontveinst zijn ongeduld, en smoort zijn felle spijt.

"Spitsbroedren (zegt hij), hoe! gij trokt alleen ten strijd?

Gij waandet uwen Vorst te dienen met uw wonden?

Neen, met een ander doel waart gy vooruit gezonden.

Men strijdt niet, waar hy-zelf de heirspits niet gebiedt:

Waar bloed vergeten moet, ontziet hy 't zijne niet!

Getrouwen, 't was te veel; uw hart heeft u bedrogen.

Leert onder zijn gelei' de kunst van 't orelogen.

Die moed, die u bezielt, waarvan gy 't blijk doet zien,

Zal, met hem, wondren doen, als hy u zal gebiên.

Hier is hy: voegt u t' saam: herstelt u; schept vertrouwen!

Maar wacht u, 't oorlogsperk voor louter jacht te houen.

Gehoorzaamheid aan 't Hoofd is wat onwinbaar maakt;

Maar breidellooze drift heeft ijlings uitgeblaakt."

Hy zwijgt, verdeelt hun bende, en voert zijn tochtgenooten

(Ter wederzijde, van den schuttrendrom omsloten)

Naar 't woud, waar uit hun vlucht hem 's vijands macht bewees.

Nu druischen Reus aan Reus, bemoedigd door hun vrees

Met dubble stoutheid, uit dien schuilhoek, meer tot moorden

Dan vechten.--Segol spreekt, en de uitgespannen koorden

Der bogen zenden thands, op 't teeken dat hy gaf,

Met vaster hand dan eerst, de pijlen op hen af

De monsters vallen, en verdunnen steeds in 't naderen,

Gelyk by Najaarsstorm de drooggeworden bladeren

Van ijp- of olmenhaag. Hun stoute ziel bezwijkt,

En de overwinnaar, op zijn beurt verwonnen, wijkt.

De zege schijnt beslist.--Dit kan uw borst niet lijden,

Argebar! Reuzentelg, die opgegroeid in 't strijden,

Reeds driewerf Beth-urs burg verbrand hadt en vergruisd.

Gy zwaait een olmentak in de opgestoken vuist,

En stuit den Arbaliet, gereed den rug te bieden:

"Lafhartigen, houdt stand! Hoe, gy voor Kaïn vlieden?

Gy, door Natuur gevormd tot meesters van 't heelal!

Ja, vliedt, maar door mijn bloed, als u mijn arm ontvall',

Niet eer!--Wat ducht ge?--Een zwerm van hardgespitste rieten!

Jaagt die den schrik in 't hart van moedige Arbalieten?

Ontzinden! Is 't de pijl, of is 't de zwakke hand

Die ze afzendt, die uw kracht ter nederploft in 't zand?

Die, waar ge uw knotsen velt in onbedwingbare armen,

Hun tengre leden voor uw aanval kan beschermen?

Neen, de afstand is 't alleen, waarvoor gy duchten moet;

Die stelt uw arm te loor, die kost u wonde en bloed.

Dit is hun wapen, dit.--Te naadren, is verpletten.

Snelt, broeders! ons verderf is aarzlen en verletten!

Slechts weinig stappen, en die pijlzwerm heeft gedaan.

De zwakkre strijdt van verr'; de heldenkracht grijpt aan.

Komt, volgt my."--'t Schuim der woede omspat zijn breede kaken

En ruiggekroesden baard: zijn nijpende oogen blaken:

Hy stampt, ziet driewerf om, en vliegt zijn bende voor;

Zy volgt hem, en men streeft den afstand buldrend door.

De Koning, aan het hoofd der zijnen, ziet dit ijlen.

Zy naken, en de wolk der afgeschoten pijlen

Is reeds min moordend: Maar wat zal hy in dees nood,

Met Jaagren zonder moed, van wapenweer ontbloot?

't Is hier dat leger niet, dat op gevelde sprieten

Den reus verwachten kon, de bloem der Kaïnieten!

Te kleen in aantal tot verdubbling van hun rij,

Belemmert zelfs de speer in 't strijden van naby.

Reeds ziet hy, in zijn geest, hun bende doorgebroken,

Omcingeld, en verstrooid, en Arbals bloed gewroken.

Hy peinst een oogenblik. Nu vat hy nieuwen moed,

Hy breidt zijn slagorde uit, en deelt zijn schuttrenstoet

In hoopen, ordent hun, om 's vijands loop te teugelen,

Van af- tot afstand plaats, aan 's legers beide vleugelen,

Met tusschenwijdten in een dubble reeks geschaard,

Die 't middelpunt des heirs voor d' overval bewaart.

Dus sluit zijn kleene macht door 't kunstige verbreeden

Een ruimen veldgrond in, die, met een kreek doorsneden,

Den vijand ophoudt en steeds blootstelt aan de schicht,

Thands uit een halven kring op zijnen drom gericht.

Die--vliegt doldriftig toe; maar, onder 't wondengaderen,

Om 't spillen van zijn bloed steeds meer verhit in 't naderen,

Raakt aan den boord der beek in kreupelhout verward,

En gilt van woede en spijt en ongeduld en smart.

Men overspringt, doorkruipt, doorwaadt, de hinderpalen,

Of baant zich weg door 't nat, met boomen uit te halen

En loof en tak en stam te ploffen in 't moeras,

En kloutert langs die brug, of smoort zich in den plasch.

Een aantal wendt ter zijde, en dreigt met woedend rennen

Het laatste schuttrenrot in eens op 't lijf te schennen.

Maar de eersten vinden zich van allen kant verrast,

En tuimlen langs den grond, by hoopen saamgetast.

Argebar nog streeft door, en, wie er om hem sneven,

Hy wekt den moed in 't hart van al wie overbleven,

En, met een vijftigtal waaraan hy 't voorbeeld gaf,

Rukt op het middenvak van Segols heirfront af.

De Koning geeft bevel. Zijn speerbende, aan het schudden,

Dringt samen, biedt hun spits, gelijk de rundrenkudden

Den veewolf stuiten op der hoornen punt. De spriet

Doorboort Argebar-zelv', en heel zijn drommel vliedt,

En ploft, den rug doorpriemd van pijlen, neêr in 't vluchten.

Maar meerder had het heir aan 't uiterst punt te duchten,

Waar derdhalf-honderd reeds in 't bloed der jaagren baadt,

Wier smaldeel, eens bereikt, geen oogenblik weêrstaat.

Vergeefs had Segols last den plicht hun voorgeschreven,

Te wijken, en den Reus hun slagorde op te geven,

Om in de ruimten van der vleuglen tweede rij

Zich weêr te vormen en te sluiten zij' aan zij'.

Zy stonden: vloden straks; maar, woest uit een geschoten,

Verspreiden zy hunne angst door al hun strijdgenooten.

Geheel die vleugel schokt, en trekt zich thands in een,

En 't wordt een zwakke hoop, wat eerst een leger scheen.

Hier voerde Choch de knots aan 't hoofd der reuzen. Dapper,

Als ginds Argebar was, en in den arm niet slapper,

Stijft hy zijn menigte door 't voorbeeld, en vergruist

Wat nek of schedel biedt aan de opgeheven vuist.

De slagen regenen om 't dichtst op een, en spelen

Door 't om zich spattend brein en open bekkeneelen,

En brijzlen arm en boog in 't rekken van de pees,

By 't menglen van 't gejoel van razerny en vrees.

De Koning ziet de vlucht, de wanorde, en 't verwarren,

En knarstandt van de spijt. Als duizend ijzren harren

Of grendels, rood verroest, en in hun ring verwrikt,

Zoo klinkt het door de lucht, en heel het heir verschrikt.

Hy kent der Reuzen kracht en de onmacht van zijn strijderen,

En hoe zijn zege hangt aan d' afstand en 't verwijderen.

"Wie uwer (roept hy uit), gy, spanners van den boog,

Is zeker van zijn hand en onbedrieglijk oog?

Hy spreke, en trede voor!"--Slechts vijftig mannen treden

De slagorde uit.--"Genoeg! (dus zegt hy) 'k ben te vreden;

Gy, volgt my! 't overschot des legers sta hier pal!"--

Flux spoedt hy aan hun hoofd door 't uitgebreide dal

En valt de reuzen met een pijlzwerm in de lenden.

Geen schicht díe 't doelwit mist. Zy vallen, worst'len, wenden,

Vertrapplen zich, terwijl een tweede bui reeds treft,

En, van den zelfden kant, de derde zich verheft.

Een derde hunner ligt verslagen. Driewerf dertig

Verzaamlen zich, terwijl de meesten meer flaauwhertig

Een vrijburg zoeken in hun bosschen. Maar die hoop

Snelt op den Koning toe, onstuitbaar in zijn loop.

De schutters sidderen. De Koning ziet hen naderen;

Het vuur des ongedulds woelt bruischend door zijne aderen;

En mooglijk dat hy thands, in overmaat van moed,

Zijn bloed gemengeld had aan 't laauwe reuzenbloed,

Zoo niet een sterker macht van uit de hooger kringen

Zijn schedel had bewaakt. De taaie koorden springen

Nog eenmaal los, en wat zich bloot gaf, ligt geveld,

Terwijl de ontzachbre troep als voor het oog versmelt.

Nog naakt zy, en de knots in de opgeheven armen

Wankt over Segols hoofd en wie dat hoofd beschermen.

Hy-zelf ontzet niet, maar de heirbijl in zijn hand

Houwt d'arm die hem bedreigt met eenen slag in 't zand,

En klooft de breede borst aan drie paar forsche reuzen,

Wier hand de boom ontvalt waarmeê zy hersens kneuzen.

Choch nadert, alles beeft. Een pijl doorboort zijn strot.

Hy rukt hem woedende uit; wanneer een tweede schot

Door de eigen hand bestierd, hem plotsling neêr doet zijgen

In 't lillend hart geraakt. Men hoort zijn adem hijgen

En 't borr'len van zijn bloed dat uit zijn wonden welt.

Doch 's Konings keurtroep wordt van rondom fel bekneld;

De boog wordt werkeloos, en oog noch handgreep baten.

Geen jagers eischt dees nood; geoefende soldaten.

Dan, Segol strijdt, en zy, door 't voorbeeld aangespoord,

Bezwijken niet, maar staan, in 't midden van den moord.

Thands wordt de pijl een dolk, in 's schutters vuist gesloten,

Waarmeê zy elk die naakt in buik en boezem stoten.

Men valt, maar wreekt zich-zelv' terwijl men nederstort,

En 't ijzren reuzendom schiet by hun kunst te kort.

De vlugheid (op de jacht geoefend) van hun leden

Wijkt hier de slagen uit, duikt elders naar beneden,

Ontspringt den vijand, of verbijstert hem 't gezicht,

Of lamt hem arm of knie in 't ledend beengewricht.

Men dringt zich driftig voor den Koning, die in 't strijden

Nu her- dan derwaart vliegt, de dood aan alle zijden

Verdeelt, en overal dat wapen schittren laat,

Dat nergens keerbaar is, maar bliksemslagen slaat.

Nu was 't geen strijden meer van krijgren, geen slagorde,

Maar leeuw- en wolvenmoord in de overvallen horde

Van herders, wie de nood, van allen kant omringd,

Tot weêrstand in de dood, tot moed en wanhoop dwingt.

Met nagels, tand, en vuist, weêrstaat men klaauw en kaken

Van 't grimmig roofgediert' en de uitgerukte staken

Der schaapskooi strekken voor de jachtspriet of voor 't zwaard;

En worstlend stort de leeuw by die hem worgt ter aard.

De Reuzen, in getal verminderd, eerst bespringers,

Zijn thands besprongenen: De knots ontvalt hun vingers,

En treft te langzaam om den stoet die hen bestookt

Te keeren, daar hun 't bloed uit al de poren rookt!

Zy werpen 't wapen weg, en grijpen met de handen

De jagers by de keel, of zetten heete tanden

In 's vijands spieren, dien hun woeste kop rammeit

En neêrploft, dan vertrapt in dolle grimmigheid,

Of woedend opscheurt met gekromde nagelspitsen,

Meer scherp en meer gepunt dan Segols jaagrenflitsen,

Waarvan hun eigen borst de doodkwetsuur ontfangt,

Terwijl 't gedrochtlijk lijf zijn overwonn'ling prangt

En d' adem uitperst of den gorgel breekt.--De Koning-

Alleen, ontzachlijk, staat in schrikbre machtvertooning

Met d' opgeheven bijl in 't midden van een wal

Gesneuvelden, gelijk een hooge ceder, pal.

Iets Godlijks schijnt dit uur als uit zijn oog te stralen!

Zijn fiere boezem wordt verwijd in 't ademhalen:

"Op, Helden (zegt hy)! op! voltooit uw zegepraal!"

Die stem doorklonk het veld, en ('t scheen) een bliksemstraal

Vloog teffens door de lucht. Zy treft den Reus in de ooren

Hy geeft den weêrstand op en acht zich-zelv' verloren,

En, nietig overschot, bedekt met wond en buil,

Ontvliedt hy 't schriktooneel in angstig noodgehuil.

Men volgt, en zet het woud, waarin zy schuilplaats vinden,

In vuur. De vlam stijgt op, by 't bruizen van de winden,

En 't vijandlijk geslacht, verdreven door den brand,

Keert, als vertwijfeld weêr, en zoekt zijn vaderland.

De strijd gaf zege en moed; de moed, vernieuwde krachten.

Men leert den schrikbren stal des Arbaliets verachten,

En 't gantsche leger roept van uit de volle borst:

"Ten vijand! naar den strijd! geleid ons, Wareldvorst!"

De Koning kent den aart van 't bruischend driftvermogen:

Hy vreest den geest des volks, als vlottend zand bewogen,

Dat, naar de wind zich wendt, dan her- dan derwaart drijft,

En weemlende in zijn ko'*k geen zeekren kring beschrijft.

Hy zucht. "Mijn vrienden, neen! (dus spreekt hy) staakt uw schreden;

Uw arm voldeed zijn plicht. Men rust' de moede leden,

En spaar zich voor het heil der wareld, tot de dag

Verkoele, en 't bloed verfrisch', nog kokend van den slag.

Ververscht u in dit oord: het biedt u rijpe olijven,

Met dadel, druif, en vijg. Tot nieuwe krijgsbedrijven

Gesterkt, wat wacht mijn hoop van zulk een heldenstoet,

Die by zijne eerste proef reeds zulk een poging doet!"

Hy zwijgt. Men zet zich neêr in afgeperkte rijen,

Van 't zonlicht afgekeerd. Hy plaatst ter wederzijen

Een drom van schutteren tot wachters. Slechts een deel

Gaârt ooft en lafenis langs 't groenend veldtooneel,

En wisselt telkens af, om op zijn beurt te rusten.

Maar welk een sappig ooft kan Segols hart gelusten,

Zijn smaaktuig streelen? Ach! gespleten van de dorst,

Verhardt gehemelt', tong, by 't gloeien van de borst.

Doch 't is geen boomvrucht, 't zijn geen ruime waterteugen

Die 't koelen, die den brand zijns boezems dempen meugen.

Dat vuur zit dieper. 't Wee om Zilfaas deerlijk lot

Doorvlamt zijn aderen en ronkelt door zijn strot.

Hem walgt van rust en spijs. Hy stapt met wijde schreden

't Verpoozend leger langs. Zijn straffe vuisten kneden

De lucht; zijn adem bruischt; zijn boezem rijst omhoog;

En 't schijnt een stroom van vuur die uitbarst uit zijn oog.

"ô (Roept hy hijgende uit) Gy, eenig hoogst Vermogen!

Gy, zoo Gy beden hoort, ô sla uw heilige oogen

Op Segol--op dit stof dat Segols ziel omkleedt!

Geef kalmte aan 't lijdend hart, dat wegsmelt in zijn leed!

Ach! 'k wilde 's aardrijks kroon, 'k hergeef haar, God der Goden.

U zij ze, en U-alleen, geen' stervling aangeboden!

Geen middelbaar gezag op lucht of firmament!

Maar toon u, sterke God, word Segols hart bekend!"

Hy zwijgt. Een zachte koelte omstroomt zijn moede leden.

Een nevelachtig licht omwemelt hem in 't treden,

Als of een wolk van damp zijn stappen onderving.

Zijn statig voorhoofd bloost, omschenen met een kring

Van stralen, die hun glans om 't rijzig lichaam spreiden,

Dat, vonklende als een vuur, zich thands schijnt uit te breiden,

En 't purper bleeken doet, dat om zijn schouders drijft,

En slingrende in de lucht een golvend welf beschrijft.

Zijn voeten raken thands geen grond, maar opgeheven

Van de aarde, schijnt hy als een hemelgeest te zweven.

Zijn leger siddert, valt op 't aanzicht, en verwacht

Stilzwijgend d' uitslag van een aanblik, zoo vol pracht.

Gy, Dichtkunst, reine Geest des Hemels, my by 't leven

Tot zalfster aller weên, geleide, en schuts, gegeven;

Gy, hangende aan de borst op moederlijken schoot,

My zoeter dan de melk die uit heure aders vloot;

En, trouwe gezellin door ballingschap en plagen;

Mijn wellust tot aan 't eind der my bestemde dagen!

Meld, meld my, geef my in, verkondschap door mijn mond,

Het wonder dat ik zing, zoo Gy 't verklaren kondt.

Maar ja, Gy kunt het, die in hooger kring geboren,

Niet naspoort, maar doorziet; geen onbetrouwbare ooren,

Maar 't eigen zelfgevoel tot waarborg hebt: Ai spreek,

En spiegel in mijn zang (gelijk een heldre beek

De drift der wolken in de rimpling van het water

Met golven naspeelt) wat ons ijdel klankgeklater

Der denkkracht voorstelt: Dek het kleed der heemlen op;

En kleure uw zon heur licht in onzen regendrop!

[1810.]

[In de 3e. Uitgave van het Dichtstuk, onder den titel van BILDERDIJKS

EPOS, leest men nog de volgende regels, gevonden op een strook papier,

met des Dichters hand beschreven en geplaatst in een HS, waarin de

zestien laatste regels tusschen teksthaakjes staan:

Nu hief een wervelwind hem hooger dan de wolken.

Hy zag de drijvende aard en waterblaauwe kolken

Zich wentlen in de verte, en 't scheemrend licht der maan

Bescheen hem van omlaag. Een siddring greep hem aan

Wen een onzichtbre hand zich in de zijne kleefde,

Hem opvoerde, en met hem den ethersfeer doorzweefde,

En Segol, Segol, riep!...

[Noot van den Uitgever.

De ondergang der Eerste Wareld · 第 15 / 27 题