Had lang aan 't eenzaam noord aan 't steigren van 't gebergt,
De berggeit op de kruin des standmuurs nageklommen.
Het, is moeielijk te zeggen, wat de dichter, met het woord "standmuur"
gemeend heeft. Da Costa legt het uit: "steil opgaande hoogte"; zooals
hij zich in zijn briefwisseling met mr. Groen van Prinsterer, bl. 89,
uitdrukt: "staande muur--natuurlijke muur, die een rots formeert
tegen of boven den afgrond". Ik twijfel of deze beteekenis in het
woord kan liggen, en of de meening des dichters dus genoegzaam ware
uitgedrukt. Geene uitlegging die voldoet schijnt hier mogelijk. Ik
meen dat B. geschreven had of bedoelde te schrijven: "strandmuur":
d. i. "de rotsketen die als een steile muur het strand afsluit";
waarop dan zeer goed het volgend vers slaat: "En onder zich den storm
in d' afgrond hooren grommen". Bilderdijk heeft zoodanige omgeving
"'t klippig strandgebergt" genoemd, in de Kathloda, bl. 185 kr.,
en een weinig verder, in dit zelfde gedicht, die zelfde natuurlijke
omwalling van het eiland, waarvan sprake is, aangeduid met de woorden:
"Ithormaas strandring." (bl. 188; kr.)
Ie Zang, vs 280, bl. 8, rl 6 v. o.
De grond herbouwde zich.
Ik geef 't in bedenken, of de dichter, in plaats van het nederduitsch:
"Men herbouwde den grond", niet een gallicisme gebruikt heeft. Het
fransch zegt: "ces fruits se mangent en hiver".--"Les lois se font pour
être obéïes". Het Nederduitsch gebruikt hier men of worden, wanneer
er sprake is van eene werking die niet van het onderwerp zelf uitgaat,
als b. v. wanneer men zeide "de grond bekleedt zich weêr met groen".
Ie Zang, vs 291, bl. 9, rl 6 v. b.
En Hemath stond omringd, van 't heuvlig land der beken,
Tot daar m' in 't neevlig west de dagtoorts zag verbleeken.
Met "omringd" drukt de dichter uit wat men, meer gewoon, zou noemen
"omcingeld," met het denkbeeld van onveiligheid.
Het schijnt niet overbodig, bij het aanhalen van deze plaats te doen
opmerken, hoe B., zelfs in epische taal, geen bezwaar maakt de elisie
te gebruiken bij het woord men; daar tegenwoordig sommige critici
dit als een niet toe te laten vrijheid beschouwen. Deze uitspraak
heeft geen grond en is door geen onzer voornaamste dichters in acht
genomen. Reeds Vondel schreef, in Palamedes: (vs 520 v.L.)
--ook heeft m' er in betrokken
Het kerkelijk geschil.
en (vs 758 v.L.)
--was met een brief belaên
Die m' uit zijn boezem trok.--
en in Hippolytus, vs 637,
daer m' in verdwaelt.
Zoo Oudaan, aangehaald in het Woordenboek der N.T., op het woord
"aftintelen" en op het woord "onderdelven", Zoo Feitama, Telem. IVe
Boek, bl. 83 l. r.
--en nooit vermag m' er een
Dan jeugdig, hagelwit, en vlekloos aan te voeren
en wederom in het Ve Boek, bl. 99, rl 9 v. o.
Zoo Bilderdijk, Fingal IIe Zang:
Nog strijdt m' een korten wijl.
en in den IVen Zang: