5 orden omvat, die, zoowel wat uiterlijk als wat levenswijs betreft,
zeer sterk uiteenloopen. Het kenmerk, dat alle evenwel gemeen hebben en
op grond waarvan Reichenow hen bij elkander voegde, heeft aan deze
groep den naam gegeven. Het is de z.g. washuid, die zoowel roofvogels
als hoenders aan hun snavel hebben. Bij roofvogels vooral is deze sterk
ontwikkeld, bij hoenders in verhouding minder.
Behalve door deze washuid onderscheiden de Cutinares zich van de
Steltloopers en Zwemvogels door pooten, die tot den enkel, soms zelfs
nog lager, met veeren bedekt zijn en door het ontbreken van
zwemvliezen.
Tot de eerste orde in deze groep, de DESERTICOLAE of STEPPENHOENDERS,
behoort het STEPPENHOEN (SYRRHAPTES PARADOXUS) (No. 40). Deze, op
duiven gelijkende vogels behooren thuis op de Steppen bij de Kirgizen,
de Russen, de Chineezen en de Mongolen. Dat zij karakteristiek zijn in
die omgeving, blijkt wel uit ’t feit, dat ieder dezer volken hen een
naam gaf. De Mongolen noemen hen „Njüstergrün”, een nabootsing van hun
schreeuw tijdens het vliegen.
In ’t midden van Maart verschijnen zij voor ’t eerst weer op de
steppen, na een winterséjour in Zuidelijker streken. In de vroege
morgenuren trekken zij er op uit, om te drinken aan die weinige
plaatsen in de steppen, waar zoet water is. Van alle kanten komen de
vogels aangevlogen tot deze morgenreünie. Met luide groeten over en
weer van de reeds aanwezige en de nog komende, scharen zij rond het
water om hun dorst te lesschen. Al heel gauw vliegen zij dan weer
verder, naar de van ’t zout wit-glinsterende plekken, waar de zeekraal
groeit. Als zij zich ook daar verzadigd voelen, gaan zij in een
heerlijk dolce far niente zonnebaden nemen. Zij hebben dan ook hun
voornaamste dagtaak verricht en kunnen zich rustig op ’t heetst van den
dag te slapen leggen. Als kippen bedden zij zich in ’t warme zand een
ondiep kuiltje, waarin zij zich dan behagelijk met wijd-uitstaande
veeren liggen te koesteren. Hunne kleur komt zoo overeen met die van ’t
zand, dat zij er niet van te onderscheiden zijn. Zoolang zij zich stil
houden, natuurlijk. Een enkele keer slechts, wanneer een roofvogel hen
nadert, wordt de slaperige stilte verbroken. Luid schreeuwend vliegt
dan een troepje op en over de geheele steppe breidt zich hun onrust
uit. Van alle kanten en met ongeloofelijke snelheid komen zij
aangevlogen, de lucht vervullend met hun roep. Tot, plotseling zij het
vliegen staken, zij zich weer bedden in ’t zand en de steppe weer
dommelt in de warmte van den blakenden zon.
Een enkele maal, zooals in de jaren 1860, 1863, 1888, 1889 en 1908,
komt een invasie van deze steppenhoenders ’t Noorden in. Zij worden dan
in alle duinstreken van Holland en Duitschland aangetroffen en blijven
daar een paar seizoenen. Iedereen doet moeite hen te behouden. Doch te
vergeefsch. Even ongemotiveerd als hun komst scheen, is ook hun
vertrek. Zij verdwijnen weer om op ’t onverwachts weer te verschijnen.
Misschien worden zij binnenkort weer gesignaleerd en zullen we hen met
eigen oogen kunnen waarnemen. Dan zullen we ons verlustigen aan hun
snelle en fraaie vlucht, waarvan Gätke, die hen eens in Helgoland
waarnam, vertelt dat zij zelfs in snelheid den edelvalk overtreffen.
§ 2. De TINAMOE, of INAMBOE (RHYNCHOTUS RUFESCENS) (No. 41), een na
familielid van het steppenhoen is de eenige vertegenwoordiger van de
tweede orde, die der CRYPTURI of KORTSTAARTHOENDERS in deze vierde
groep, die we hier bespreken zullen. Zij leven in de Pampa’s van
Zuid-Amerika en vervullen daar zoo ongeveer de plaats, die bij ons door
patrijs en kwartel wordt ingenomen, n.l. die van het meest geliefde
wild. Waarom zij dan ook ijverig gejaagd worden. Zelfs de jaguar, het
groote, katachtige roofdier van Zuid-Amerika versmaadt hen niet.
Gewoonlijk jagen zulke groote roofdieren op edeler wild als herten en
andere hoefdieren. Het vleesch van de tinamoe schijnt evenwel van eene
dusdanige voortreffelijkheid, dat zelfs de Koning der
Zuid-Amerikaansche roofdieren, zich niet gering acht er op te jagen.
Ondanks de intensieve jacht, die door mensch en dier op deze vogel
gemaakt wordt, vermindert hij niet in aantal. De soort schijnt over een
onuitputtelijke hoeveelheid levenskracht te beschikken. Deze uit zich
hier in het leggen van een groot aantal eieren. De groote
nakomelingschap, die daarvan het gevolg is, behoedt de soort voor
uitsterven ondanks de bestaansmoeilijkheden, waarmee de vogels te
kampen hebben.
Een dergelijk evenwicht tusschen het vernietigen van individuen aan de
eene kant, en het voortbrengen van hen aan de andere kant noemt men een
„biologisch evenwicht”. Overal kan men hiervan voorbeelden vinden.
Soorten, die het erg moeilijk hebben in den strijd om het bestaan,
omdat door allerlei omstandigheden hun individuen-aantal verminderd
wordt, trachten zich het voortbestaan te verzekeren, door een
buitengewone productie van nakomelingen. Want, teelt een soort zich
moeilijk voort en duurt het lang totdat de dieren volwassen zijn, dan
is de ondergang zeker wanneer er veel individuen ten gronde gaan. Dit
is dan ook de reden van het uitsterven van veel diersoorten. Helaas
draagt de mensch door z’n zonderlinge neiging tot dooden er het zijne
toe bij, om het evenwicht in de natuur te verstoren. Want er is tijdens
’t bevolken der wereld vergeten rekening te houden met de geniale
moordwerktuigen, die door ’t menschelijk brein uitgedacht zijn. Zooals
het evenwel altijd gaat met de wolf, die in een kwaad gerucht staat,
krijgt de mensch ook wel eens onverdiend de schuld van het uitsterven
van een diersoort. Dat was dan in den loop der dingen en zou zonder z’n
inmenging ook gebeurd zijn.
§ 3. Van de RASORES of HOENDERACHTIGEN, die de derde orde in de groep
der Huidsnaveligen vormen, is een groot aantal om de fraaiheid van hun
veeren bij de menschen zeer gezocht. Zij vormen dan ook het sieraad van
menige buitenplaats. Iedere boer, die zichzelf respecteert en graag
door het tentoonspreiden van schoone zwier wil laten weten dat z’n
„spul” in orde is, heeft op z’n erf tenminste een kalkoen. Vaker
evenwel zal men er een paar pauwen vinden. Heeft hij werkelijk
liefhebberij in gevogelte, dan kan men zeker zijn dat de zilver- en
goudfaisanten, de parelhoenders en allerlei bizarre kippenrassen niet
zullen ontbreken. Hoenders zijn reeds zeer, zeer lang geleden in de
smaak der menschen gevallen om de fijnheid van hun vleesch en het genot
van hunne eieren.
Van geen der hoenders worden de laatsten misschien zoo hoog geschat als
van ’t HAMERHOEN (MEGACEPHALUM MALEO) (No. 42), dat op Celebes en
enkele der omliggende eilandjes leeft. Op andere naburige eilandjes
ontbreken de vogels geheel. Een merkwaardig verschijnsel in de
biologie! Een van de vele, die hoe eenvoudig ze zijn wanneer men ze als
feit alleen beschouwd, een wereld van perspectieven opent, zoodra ze in
verband met andere dingen gebracht worden.
Deze groote vogels, die aan een kale ronde knobbel op hun kop, hun naam
te danken hebben, brengen het grootste gedeelte van hun leven door in
het dichte oerbosch. Slechts in den broedtijd, als het wijfje een ei
moet leggen, verlaten zij dit en vertoonen zij zich op de open vlakte
van het strand. Hier graaft zij zich een groot, rond gat in de aarde,
woelt de bodem er van met haar pooten wat los en legt er haar ei in,
dat zij zorgvuldig met zand toedekt. Dan verdwijnt zij weer in het
bosch en komt pas na 13 dagen terug, om haar tweede ei te leggen. Te
broeden hoeft zij niet, dat doet de zon voor haar, want in de kuilen is
de temperatuur geregelt 44.4° C., eenige graden meer dan de omgeving.
’t Jong, dat volgroeit ter wereld komt, is geheel in staat om voor zich
zelf te zorgen en loopt dan ook direct het bosch in.
De pasgelegde eieren nu, zijn een zeer geliefde lekkernij. Een van de
Radja’s is er zoo dol op, dat hij zich zelf het monopolie van ’t garen
heeft verschaft. Bij de legplaats zijn wachten aangesteld, die dieven
den toegang tot het strand beletten. Hij doet dus precies als paus
Clemens VII, die het champignons plukken verbood, opdat hij ze allemaal
door z’n dienaren kon laten rapen en niemand hem één enkele van deze
paddestoelen ontnemen zou.
De KWARTELKONING (CREX CREX) (No. 43) geniet het voorrecht, den
menschen onverschillig te zijn. De eenigen, die belang in hem stellen
zijn de natuurvrienden. De belangstelling van dit onschadelijke
menschensoort is des te grooter, daar de vogel zich zelden laat zien
doch zich daarentegen voortdurend laat hooren. Vooral in den nacht, is
z’n rasperige stem geen oogenblik stil. Wie er z’n bed voor uitkomt en
tracht met eenen lantaarn de vogel te vinden, kan zich na lang zoeken,
wel weer mopperend onder de dekens begeven want onze kwartelkoning
verstaat het spelletje van „Je hoort me wel, maar je ziet me niet”, als
geen ander. Je weet dat hij ergens in een bepaald stuk van het weiland
zit, maar waar? Nu eens hoor je hem links, dan rechts, dan voor, dan
achter je en nooit zie je één enkele beweging in de hooge grashalmen,
die je aan kan duiden, waar of hij loopt. Dit komt omdat de vogel zich
gangen in het gras heeft gemaakt, waar hij nu met een verbazende
snelheid doorheen kan loopen zonder zich door bewegingen in de halmen
te verraden. Als het gras gemaaid wordt, trekt hij zich terug in ’t
koren. Zoodra dit geoogst wordt en hij dus weer z’n dekking kwijt is,
zoekt hij deze in ’t kreupelbosch. Lang blijft hij daar niet, want eind
Augustus trekken de kwartelkoningen naar het Zuiden.
De naam „kwartelkoning” danken zij aan ’t volksgeloof dat zij de
kwartels op de trek vergezellen en aanvoeren. Daar de trektijden van
kwartel en kwartelkoning evenwel veel uiteenloopen, is het niet goed te
begrijpen, waaraan dit geloof z’n oorsprong te danken heeft.
Van de wilde inlandsche hoenderen, zijn de patrijs, de faisant en het
korhoen, standvogels in ons land, d.w.z. zij blijven in den winter in
de streek, waar zij gebroed hebben.
De PATRIJS (PERDIX PERDIX) (No. 44), die over geheel Europa verbreid
is, is een zeer geliefd wild. Hij leeft het liefst op velden, die in de
buurt van bosschen liggen daar hij steeds kreupelhout zoekt om zich te
verbergen. Deze eigenschap brengt hem ook vaak op velden, die door
dichte heggen van elkaar gescheiden zijn.
Gewoonlijk worden patrijsjes gemakkelijk over het hoofd gezien, daar
ook zij uitnemend de kunst verstaan zich neer te drukken op den bodem
en zich doodstil te houden. De grauwe kleur van hun veeren maakt hen
dan zeer moeilijk te vinden. Dit stilhouden is een van de grootste
wijsheden die de instincten aan de dieren meegeven. Alles wat beweegt,
valt veel meer op dan dat wat zich stilhoudt. Het is de raad, die
William Long in z’n boekje „School of the woods”, zoo aardig weergeeft
met de woorden: Whatever you do, keep quiet. (Zie Hoofdstuk III, pag.
42).
Patrijzen vliegen vrij slecht; het vermoeit hen tenminste gauw. Loopen
daarentegen doen zij prachtig en buitengewoon snel. Zwemmen kunnen zij
ook, hoe vreemd het ook mag lijken. In den winter leven zij te samen in
kleine troepjes. Maar in Februari, als de dooi komt, scheiden zij zich
twee aan twee van de troep af. In Mei hebben zij evenwel pas eieren,
die de hen met de grootste zorg bebroedt, en niet verlaat dan in de
uiterste noodzakelijkheid. Na 26 dagen als de jongen uitkomen, heeft
zij haast geen veeren meer over.
Patrijzen worden wel eens trekkend waargenomen. Men vermoedt evenwel,
dat het een ander soort is, dan de bij ons inheemsche.
Van de faisanten, die zooveel bijdragen tot de fraaiheid van de
hoenderhof, is Azië het eigenlijke vaderland. De allermooiste ervan is
de diamantfaisant, die ook wel LADY AMHERST FAZANT genoemd wordt
(CHRYSOLOPHUS AMHERSTIÆ) (No. 45), omdat Lady Amherst de eerste was,
die hem importeerde. Hij komt voor in het bergland van Oost-Thibet, in
dezelfde streken waar de goudfaisant wordt aangetroffen. Met dit
verschil evenwel, dat de goudfaisant beneden op de bergen voorkomt,
terwijl de diamantfaisant 2 à 3000 M. hoog leeft.
Onze bosch- of wilde faisant is niet van nature inheemsch, doch
verwilderd.
In Engelsch Indië, Ceylon en onze Oost leeft in het wild de PAUW (PAVO
CRISTATA) (No. 46), die de bosschen van het tropische bergland als
woonplaats boven de vlakten verkiest. Thayer, die zulke merkwaardige en
artistieke opvattingen heeft over de kleuren der dieren, meent dat het
prachtig schitterend blauwgroen van z’n veeren, het dier onzichtbaar
zou maken tegen den achtergrond van het schitterend groene bosch,
waaraan licht- en schaduwplekken een zelfde soort patroon geven als de
oogen van een pauwestaart. Het klinkt vreemd en onaannemelijk voor
ieder, die het dier nooit in z’n natuurlijke omgeving zag. Maar toch
geraakt de meest sceptische mensch onder invloed van deze suggestieve
verbeelding.
Waarom ook niet? We hebben reeds zooveel voorbeelden gezien, van
kleuren, die door hunne overeenkomst met de omgeving, de dieren
onzichtbaar schenen te maken. We hebben gezien hoe het schijnbaar
opvallende wit aan de borst van een vogel, dat zoo scherp afstak tegen
den donkeren of grauwen bovenkant, zoo voortreffelijk dienst deed om de
vogel te vervlakken en z’n reliëf weg te nemen. We hebben gezien hoe
snippen, patrijzen en roerdompen zich verborgen door hun kleed, dat in
overeenstemming met de bruine tinten van hun omgeving gekleurd is.
Waarom zou nu ’t fonkelend goud en groen, met de diep-blauwe vlekken
van een pauwestaart niet op ’t grillig spel van zon en schaduw op ’t
loover van ’t bosch kunnen lijken. Waarom niet?
Een groot bezwaar voor Thayers fantastische opvatting lijkt me hier
evenwel, dat van alle andere dieren, die in dezelfde omgeving als de
pauw wonen, er geen een is, die zich camoufleert als hij. Een bezwaar,
dat voor alle andere reeds genoemde voorbeelden niet geldt. Want in de
steppe bijv. valt het duidelijk op, dat alle verschillende dieren,
zoowel vogels als zoogdieren, die er leven, zich volgens een zelfde
manier verbergen.
Bij de Hindoes geldt de pauw voor een heilig dier, dat nooit door hen
gedood wordt. Bij hunne tempels komen zij in groote massa’s in half
verwilderden of tammen toestand voor. Zij worden er geregeld door de
priesters gevoed. Deze heiligheid danken zij aan ’t geloof dat Indra,
de God der Hindoes, toen hij door een vijand achtervolgd werd, de
gestalte van een pauw had aangenomen.
De pauw, zooals wij hem kennen, verschilt niet aanzienlijk met den
wilde. Hij is alleen wat meer verzorgd van uiterlijk, wat men op de
gebruikelijke manier, door teeltkeus heeft bereikt.
Slapen doet een pauw altijd in eenen boom. En wie gesteld is op de
mooie gouden veertjes, die z’n hals kleeden of op de prachtig
staalblauwe, die aan z’n borst zitten, moet ze onder de slaapplaats
gaan zoeken. Ze vallen, als alle veeren, in de ruitijd uit en de vogel
verliest de meeste er van als hij z’n toilet maakt en dit doet hij bij
voorkeur op z’n slaapboom.
De stem van de pauw is buitengewoon leelijk en lijkt veel op die van
eene kat, die geweldig hard miaauwt.
Hoe mooi de blauwe pauw ook is, als hij in z’n fonkelende blauw
groen-gouden pracht te pronken staat, een witte pauw is haast nog
mooier. Die is als een wonder van ragfijn kantwerk. Het slanke fijne
lijfje draagt de ranke hals met het uiterst fijne gekroonde kopje. De
wijd uitgespreide staart, als een waaier door feeën gemaakt, vormt er
de achtergrond voor. Vol onbewuste coquetterie staat hij in ’t
zonnetje, tot hij op eens z’n staart toeklapt en met eene rauwe
schreeuw op eenen tak springt. Als de sluier van eene bruid hangt de
blanke veerenpracht nu in losse luchtigheid naar beneden.
Van de Noord-Amerikaansche hoenders is de KALKOEN (MELEAGRIS GALLOPAVO)
(No. 47) in cultuur genomen. Oorspronkelijk inheemsch in geheel
Noord-Amerika is hij in de dicht bevolkte staten uitgeroeid en komt hij
tegenwoordig nog maar alleen in afgelegen staten, als Indiana,
Arkansas, Kentucky en Ohio in ’t wild voor. Daar leven zij in groote
hoeveelheden. Wanneer zij in eene streek geen voedsel meer vinden,
trekken zij met z’n allen weg naar eene voor hen voordeeliger plaats.
Hun trekken is zeer onregelmatig en treedt niet zooals bij andere
vogels op vaste tijden op. Het heeft meer overeenkomst met het trekken
van Nomaden volken. Zoolang eene streek voedsel voor hen heeft, blijven
zij. Zoodra evenwel de voorraden uitgeput zijn of als het seizoen
minder aangenaam wordt, trekken zij weg. Als echte zigeuners blijven
zij op ééne plaats, zoolang het hen er goed smaakt. Gaan zij eenmaal
weg, dan vereenigen de mannetjes zich en trekken vooruit. De vrouwtjes
volgen op eenige afstand met de jongeren. Brengt de tocht hen voor eene
rivier of stroom, dan aarzelen zij. Want hoewel zij vliegen kunnen,
schijnen zij een tegenzin in deze beweging te hebben. Zij trekken langs
de rivier tot zij aan eene hoogen oeverkant komen. Dan wordt er halt
gehouden en schijnt er beraadslaagd te worden. Eindelijk is er één die
het waagt en de anderen volgen hem op de hielen. Een enkele keer
bereikt een jong de overkant niet. Hij redt zich zelf zwemmend en komt
er met een nat pak en den schrik af.
Tot Februari leven zij in kleine troepjes. In deze maand gaan de
vrouwtjes zich afzonderen en zoeken eene eigen slaapplaats. Zij roepen
en lokken van daaruit de mannetjes tot zich. Komen er meerdere
mannetjes op de lokroep van ’t zelfde wijfje af, dan geeft dit
aanleiding tot hevige gevechten tusschen de hanen. Zij blazen zich op
en worden heel rood van drift, „zoo rood als een kalkoensche haan” en
zij vechten zoo hevig met elkaar, dat het vaak voor een van hen met den
dood eindigt. En, daar iedere haan er meerdere hennen op nahoudt, is er
nog al eens strijd te leveren.
Tot in April leggen de vrouwtjes hare 10–15 eieren in een nest, dat zij
voor den haan zorgvuldig verborgen houden. Moeten zij tijdens het
broeden of gedurende den legtijd het nest verlaten, dan dekken zij het
zorgvuldig toe. Voor de kuikens hebben zij niet meer zooveel zorgen.
Want deze loopen dadelijk en vliegen al reeds na twee weken.
Het BANKIVAHOEN (GALLUS GALLUS) (No. 48), dat in Indië en de Maleische
eilanden voorkomt, is de stamvader van onze kippen. Zij leven in de
bosschen en vertoonen zich slechts zelden. Alle verschillende vormen
van kippen, die wij kennen, zijn in den loop der tijden uit het
Bankivahoen ontstaan. En ’t is al zeer lang dat de mensch hen als
huisdier aannam; reeds de Kelten hebben hen gehad, want 600 jaar voor
Christus zijn zij al naar Europa gebracht.
Wie nu op een hoendertentoonstelling al deze verschillende vormen ziet
van krielkipjes, Bramapoetra, Cochinchina, tot de kemphanen toe, kan
haast niet gelooven dat alle uit dat ééne wilde hoen van Indië,
ontstaan zouden zijn.
’t PARELHOEN (NUMIDA MELEAGRIS) (No. 49) moet als stamvorm van het
parelhoen, dat tegenwoordig als huisdier gehouden wordt, beschouwd
worden. Z’n eigenlijk vaderland is Afrika. Het houdt zich bij voorkeur
op in rotsachtige, rijkbegroeide streken, waar het zich in het dichte
onderbosch of in het hooge gras gemakkelijk verbergen kan. In Amerika
komt het verwilderd voor en daar is het in sommige streken tot een ware
landplaag geworden. In Afrika, waar het zeer vele vijanden heeft is er
weer een natuurlijk evenwicht tusschen de hoeveelheid eieren, die
geproduceerd worden en de hoeveelheid dieren, die als slachtoffer
vallen van leeuwen en andere katachtige roofdieren die de volwassen
vogel jagen; van sluipkatten, die de eieren en de jongen eten, ja zelfs
van slangen. Waar dan ook deze natuurlijke vijanden ontbreken en de
vogel zich ongestoord voortplanten kan, vermenigvuldigen zij zich met
een dergelijke snelheid, dat men bijv. in West-Indië al het mogelijke
doet om hun aantal binnen de perken te houden. Er wordt zooveel
mogelijk jacht op hen gemaakt, maar gemakkelijk gaat het dooden van
deze vogels niet. Zij zitten zoo dik in de veeren, dat een geweerskogel
hen niet kan dooden en men wel genoodzaakt is met honden op hen te
jagen.
De vogels zijn sierlijke hoenders met glanzend zwarte veeren vol
grappige, witte spikkels. Volgens sage zouden dit tranen zijn, want de
parelhoenders zelf zijn zusters van de Meleagris, die na den dood van
hunnen geliefden broer, zoo ontroostbaar waren en zoo vreeselijk
schreiden, dat zij in zwarte vogels werden veranderd. Hunne tranen
bleven evenwel als witte vlekjes op de zwarte veeren achter.
Het witte hoen van Californië, de CALIFORNISCHE KWARTEL (CALLIPEPLA
CALIFORNICA) is in dat land zeer algemeen. ’s Winters vindt men het in
zwermen van 1000 en meer. Het graaft zich dan gangen onder den sneeuw
en leeft daar, als zooveel dieren in deze sneeuwlanden heerlijk warm.
’s Zomers vindt men het overal waar water en boomen aangetroffen
worden.
In Californië is het een standvogel daar er in dat vruchtbare land wel
altijd iets voor hem te vinden is dat van z’n gading is, want z’n
voedsel bestaat uit vruchten, knollen, zaden en dergelijke plantaardige
producten.
Men heeft geprobeerd deze aardige vogels in Europa in te voeren. In
1852 zijn proeven er van in Frankrijk en Duitschland genomen. Het is
jammer dat ze mislukt zijn, want met eenig overleg en een weinig goede
zorgen, zou men deze vogel wel inheemsch kunnen maken in streken, waar
de faisanten het kunnen uithouden.
De merkwaardige korhoenders van onze heide en de Duitsche „Auerhahn”
sluiten zich bij de typische hoenders aan.
§ 4. De orde der DUIVEN (GYRANTES), is duidelijk van die der Hoenders
te onderscheiden. Vooral hun snavel, die recht en dun is en slechts aan
de punten met hoorn bekleed is levert een duidelijk verschilpunt. De
rest van dezen snavel wordt door de voor de heele vierde groep
kenmerkende washuid gevormd. De pooten onderscheiden zich vooral door
’t kortere loopbeen, waardoor de geheele romp der vogels zooveel
dichter bij den grond staat, dan die der hoenders.
Een van de merkwaardigste duiven was de Dodo of Dronthe, die op ’t
eiland St. Mauritius leefde en in de 17de eeuw helaas door de
zeevaarders is uitgeroeid.
Een dergelijk beperkt zijn tot een bepaald gebied is ook een
eigenaardigheid van de grootste der duiven, de KROONDUIF (GOURA
CORONATA) (No. 51), die 65 c.M. lang is. Deze komt voor op Nieuw-Guinea
en een paar van de omliggende eilandjes. Verder zijn zij nergens op de
wereld te vinden. Soorten, die op een dergelijke manier plaatselijk te
vinden zijn, zooals ook de dodo op Mauritius of het hamerhoen op
Celebes, noemt men endemisch. Vanuit Nieuw-Guinea wordt deze kroonduif
nog al eens naar Java en de Soendaeilanden gebracht en vandaar nog al
eens naar Holland gezonden, zoodat een kroonduif in onze Hollandsche
dierentuin geen zeldzaamheid is.
Tot het begin der 19de eeuw was in Noord-Amerika de trekduif,
Ectopistes migratorius zeer algemeen. Plotseling evenwel verminderde
het aantal van deze duiven merkbaar en na eenige jaren werd er geen
enkele meer gezien. Het trekken van deze vogels gebeurde met zulke
hoeveelheden tegelijk en was zoo’n opvallend verschijnsel, dat het
plotseling verdwijnen groot opzien wekte. Men meende eerst aan een
ziekte of andere natuurlijke oorzaak dit verdwijnen te moeten
toeschrijven, doch ’t is gebleken, dat de vogels tijdens hun trek in
zulke ongehoorde hoeveelheden gevangen werden, dat de mensch hier zeer
zeker als eenige oorzaak van ’t verdwijnen verantwoordelijk moest
worden gesteld.
Gelukkig evenwel zijn zij de laatste paar jaren weer hier en daar in
Amerika gesignaleerd geworden en zal het aantal zich misschien
langzamerhand weer herstellen.
Onze huisduiven stammen af van de ROTSDUIF (COLUMBA LIVIA) (No. 52). In
Noord-Europa komt hij als trekvogel voor op verschillende eilandjes van
de Schotsche kust en op de Faeröer-eilanden. In Zuid-Europa is het een
standvogel, men vindt hem evenwel op de rotsachtige kusten van Italië,
Spanje en Frankrijk. Verder Zuidelijk vindt men hem in geheel
Noord-Afrika, Klein-Azië, Palestina en Perzië.
Daar deze vogel nooit in boomen nestelt, maar steeds donkere plekjes
voor z’n nest uitzoekt, gebeurt het wel dat zij in de huizen der
menschen gaan bouwen. Misschien is dit de aanleiding geweest om de
vogels in cultuur te nemen. In ieder geval is dit zeer lang geleden
gebeurd, want 3000 jaar v. Christus had men reeds tamme duiven in
Egypte.
In Azië werden zij zeer gewaardeerd, daar men hen als gasten der Goden
beschouwde.
Ook bij ons is de duif zeer gezien. Een werkelijke mode om de duiven te
teelen is het zelfs in de vorige eeuw geweest. Overal, maar vooral in
Engeland had men toen duivenclubs, die zich bezighielden met het
aanbrengen van verbeteringen in deze vogelsoort. De leden van deze
duivenclubs letten bij hun teelen meestal op één kenmerk en waren
steeds gespitst op ’t zien van een of andere afwijking. Trad deze op,
dan trachtten zij die door teeltkeus en kruising te verscherpen, en
hierdoor verkregen zij de meest uiteenloopende rassen. Wij kennen ze nu
nog: pauwstaart, krobduif, enz. enz. Al deze monstervormen wijzen op ’t
succes van hunne arbeid. Darwin, de groote bioloog, die in ’t midden
der vorige eeuw z’n beroemd boek over „’t Ontstaan der soorten” uitgaf,
stelde in ’t werk van deze duivenclubs zeer veel belang, wat wel blijkt
uit het feit, dat hij van ieder van die clubs lid was.
Het aardigste resultaat van deze fokkerij is evenwel de postduif. Hier
is de verbetering werkelijk een vooruitgang in meer dan ééne richting.
Want, hoewel de postduif uiterlijk het meest van alle rassen op den
stamvorm lijkt, is hij scherper geteekend, helderder van kleur, grooter
van lichaam, maar vooral veel sneller van vlucht dan de wilde vorm.
Deze duiven hebben vaak goede diensten bewezen met het overbrengen van
berichten. Een postduif heeft n.l. zeer sterk de eigenschap, met
buitengewone zekerheid z’n woonplaats terug te vinden, waar hij ook
heen gebracht mag zijn. Neemt men dus een duif mee op reis en wenscht
men aan de achtergeblevenen z’n behouden aankomst op de plaats van
bestemming mee te deelen, zonder van de moderne communicatiemiddelen
als post, telephoon of telegraaf gebruik te maken, dan heeft men
slechts een briefje tusschen de veeren te stoppen en de duif dan vrij
te laten. In werkelijk ongeloofelijk korten tijd is zoo’n bericht door
eene goede postduif overgebracht. Soms evenwel vergissen de duiven zich
en verdwalen zij, zoodat het dagen duurt, eer zij terechtkomen.
§ 5. De merkwaardige washuid, die ook ROOFVOGELS (RAPTATORES) aan den
snavel hebben, is de reden waarom zij met zulke vreedzame vogels als
hoenders en duiven tot één groep zijn samengebracht.
Zij onderscheiden zich evenwel duidelijk van de andere orden in deze
groep door hunne sterk omgebogen scherpe klauwen en hun kromme scherpe
bovensnavel, die als een haak over den ondersnavel grijpt. Bovendien is
de geheele lichaamsbouw van de vertegenwoordigers dezer orde
krachtiger: zij hebben een breede borst, die een groote
aanhechtingsplaats is voor de vliegspieren en sterke, krachtige pooten,
met korte voet, doch zeer lange teenen, met formidable klauwnagels.
Hunne geheele bouw duidt op snelheid en kracht. Het zijn dan ook deze
eigenschappen, die de mensch telkens weer met bewondering vervullen,
wanneer hij een roofvogel in de kloeke rustige vlucht waarneemt of hem
pijlsnel ziet neerschieten op z’n prooi, of hem aanschouwt als hij voor
ons oog onbewegelijk in de lucht stilstaat. Dit laatste is het zeer
typische „bidden”. Tijdens dit bidden geeft hij z’n oogen goed de kost
en er is geen beweging op ’t veld, die aan z’n oog ontsnapt. En als
deze beweging een dier verraadt waarop hij graag jaagt, dan is deze
vrijwel onherroepelijk verloren en wordt dezen roofvogel ten prooi.
De CONDOR (SARCORHAMPHUS GRYPHUS) (No. 53) is de typische roofvogel van
het Zuid Amerikaansche hooggebergte. Hij vliegt buitengewoon hoog,
hooger dan de hoogste toppen naar men zegt. Volgens sommigen moet hij
wel tot 7000 M. kunnen komen. De meest geliefkoosde hoogte-zône van
dezen vogel schijnt evenwel tusschen de 3000 en 5000 M. te liggen. Het
moet een onvergelijkelijk fraai gezicht zijn, als men eenige van deze
vogels vliegen ziet.
Slechts tijdens de broedtijd zijn de vogels in paren. Later als de
jongen groot zijn, vereenigen zij zich tot gezelschappen. Zij voeden
zich het liefst met aas. Zelf dooden doen zij niet. Wel gebeurt het dat
zij herten zoo lang najagen en vervolgen, tot deze uitgeput
neerstorten. De condor daalt dan op z’n slachtoffer neer en scheurt
hem, na hem de oogen, de ooren en de tong uitgeplukt te hebben, bij de
buik open daar hij de ingewanden het liefst eet en er dus steeds mee
begint.
Is soms een dier op een of andere manier gewond geraakt en kan het zich
niet meer verweeren, dan komen de condors er op af, pikken het vleesch
rond de wond weg, tot zij eindelijk een gat gemaakt hebben, waardoor
zij bij de ingewanden kunnen komen. Het arme dier is dan gauw uit zijn
lijden.
Volgegeten zijn de vogels traag. Zoo traag zelfs, dat zij hun voedsel
weer uit moeten braken als zij genoodzaakt zijn om op te vliegen.
GIEREN (GYPS RÜPPELLI) (No. 54) zijn in Europa slechts in de landen
rond de Middellandsche Zee te vinden. Noordelijker komen zij als regel
niet voor. Hoewel zij wel eens in Duitschland geschoten worden, moeten
zij daar als verdwaalden beschouwd worden. In Zevenburgen en Hongarije
vindt men hen evenwel vrij talrijk. Daar gieren in „kolonies” broeden
en niet zooals de condors zich tijdens de paartijd afzonderen, ziet men
gewoonlijk een aantal van deze vogels te samen, daar zij ook samen het
voedsel zoeken.
Hebben zij ergens een dood beest gevonden dan houwen zij met enkele
slagen van hun forsche snavel een gat in de buik, steken de naakte kop
en de lange naakte hals zoo diep zij kunnen in de buikholte en zoeken
daar de edele organen. Pas als zij er een gevonden hebben, trekken zij
de kop terug, die dan overdekt is met bloed en slijm. ’t Is maar
gelukkig, voor beesten met een dergelijke levenswijs, dat zij geen
veeren aan hun hals en kop hebben. Zij zouden deze nooit van alle vuil
kunnen reinigen en massa’s ongedierten en bacillen een welige
broedplaats bieden.
De kolonies, waarin deze vogels broeden, zijn soms wel 200 nesten rijk.
Deze liggen in rotsholten en overhangende rotsblokken. Ieder paar heeft
slechts één groot ei, dat gemeenschappelijk bebroed wordt. Na een maand
komt het jong, dat er als een onoogelijke klomp wol uitziet, uit het
ei. Het is uiterst hulpeloos en kan eerst na 3 maanden vliegen.
Daar gieren eigenlijk nooit een levend dier aanvallen (of zij moeten
door vreeselijke honger er toe gedreven worden) leven zij in Zuidelijke
streken, die veel kudden van hoefdieren en dergelijke herbergen. In het
Noorden, waar het individuen aantal, dat deze koude streken bevolkt,
zooveel geringer is, zouden zij onmogelijk hunne kost kunnen ophalen.
In de warme landen, zijn gieren, samen met maraboes, tot de zeer
nuttige vogels te rekenen, daar zij als vrijwillige reinigingsdienst
onschatbare diensten verrichten.
Men heeft langen tijd gemeend, dat gieren hun voedsel zouden vinden
door hun reuk. Maar, daar zij vaak op een pas gestorven dier
aangetroffen worden en zij bovendien een reeds eenige dagen gestorven
dier, dat op een verborgen plaats ligt, niet opmerken voordat de raven
er om heen zwermen, neemt men tegenwoordig aan dat gieren hun voedsel
op het gezicht vinden.
Een andere, zeer nuttige roofvogel van Afrika is de SECRETARIS
(SERPENTARIUS SERPENTARIUS) (No. 55), daar deze vogel een slangendooder
bij uitnemendheid is. Zelfs de giftigste slangen eet hij met kop en al
op, zonder dat hij eenig nadeel van het gif ondervindt. Ook schijnen de
tanden hem niet inwendig te verwonden. Toch kan, ondanks al deze
feiten, niet met zekerheid gezegd worden dat de secretaris immuun is
voor slangebeten.
Op het eerste gezicht heeft een secretaris al heel weinig van een
roofvogel. Z’n lange naakte pooten doen hem meer op een steltlooper
lijken. Vliegen doet hij gewoonlijk niet. Meestal ziet men hem met
buitengewone waardigheid door de Afrikaansche velden schrijden. Deze
waardigheid van gang, gevoegd bij het grappig aanzien, dat z’n kop door
eenige uitstekende veertjes krijgt en die wel aan achter het oor
gestoken penhouders doen denken, hebben hem waarschijnlijk de naam
„secretaris” doen krijgen. De waardigheid van dezen vogel wordt nog
grooter, wanneer hij een gevecht gaat leveren. Dan heeft hij z’n
grootst mogelijke voorzichtigheid noodig. Want een gevecht met een
slang van 1 M. is zelfs voor onze secretaris geen kleinigheid. Zoodra
een slang bijt, of bijten wil, draait hij hem de uitgestoken vlerken
toe en laat hem in de veeren happen. Maar gewoonlijk komt de slang
zoover niet, daar de eerste sprong van dezen dapperen vogel hem meestal
reeds tot slachtoffer maakt en de geweldig sterke klauwen van den vogel
hem al in den rug te pakken hebben. Met den staart te beginnen wordt
een slang dan in eenige minuten verslonden.
Behalve de Condor, die zich slechts met doode dieren voedt, leeft er in
de warme streken van Zuid-Amerika, onder meer, de HARPY (THRASAËTUS
HARPYIA) (No. 56) een van de mooiste en grootste roofvogels, die er
bestaan. Hoog op de bergen, waar het kouder is, komt hij niet meer
voor, maar in de bosschen in de buurt van water wordt hij geregeld,
hoewel niet overvloedig, aangetroffen. De Indianen uit die streek jagen
hem voortdurend, omdat zij zijn veeren zeer op prijs stellen. Zij
houden er de vogels zelfs in gevangenschap voor. Hiertoe halen zij de
jongen uit de nesten, die hoog in de boomen gelegen zijn. Zij fokken
deze diertjes dan op en maken hen zeer tam. Twee maal per jaar plukt
men hen alle staart- en vleugelveeren uit. Men versiert er dan de
pijlen mee of zet ze op de veerendos, die aan ’t hoofd van een Indiaan
zoo’n krijgshaftige uitdrukking geven. Zoo hoog geschat zijn deze
harpy-veeren, dat ze als ruilmiddel dienst doen.
De harpy is een buitengewoon sterke vogel. En zooals het meer gaat,
wanneer een dier zich door een of andere eigenschap onderscheidt, wordt
deze door de menschen nog overdreven. Er zijn dan ook allerlei sagen
over z’n kracht in omloop. Zoo zou hij b.v. in staat zijn, om met een
snavelhouw de schedel van een mensch te klieven!!
Met den grootsten der Europeesche roofvogels, de AREND (AQUILA
CHRYSAËTUS) (No. 57) is het in sommige opzichten al net als met de
harpy en alle andere groote vogels. Hunne kracht neemt de verbeelding
van de menschen zoodanig in beslag, dat deze haar weer gaan overdrijven
en grooter maken. Zij kozen den arend daarom als zinnebeeld van kracht
op hunne wapenschilden. Toch schijnt het waar te zijn, volgens sommige
verhalen althans, dat een arend lammeren steelt en wel eens kinderen
rooft. Het behoort echter, dat wordt er dan altijd wel bij verteld, tot
de zeldzaamheden. Met deze vertelsels gaat het als met zoo veel andere
dingen: men moet ze zelf gezien hebben, om ze te gelooven.
Vroeger kwam de arend in Zwitserland veel algemeener voor dan
tegenwoordig. Nu verkiest hij andere hooggebergten en boschrijke
streken van Zuid-Europa en Midden-Azië voor z’n broedplaatsen. Het nest
bouwen zij van vrij dikke takken, die zij van de boomen breken. Zij
laten zich daartoe, met de vleugels aan het lijf gesloten, van uit de
hoogte neervallen en komen met groote vaart neer op een tak, die zij
met de klauwen vast pakken. Tegen het gewicht van den vogel en de vaart
waarmee hij neerkomt, is de tak niet bestand. Hij breekt af en de vogel
neemt hem mee naar ’t nest, dat op de meest ontoegankelijke plaatsen
van de steile rotsen is gelegen. Toch is ook in een gebied, waar de
arenden geregeld broeden, de vogel nooit talrijk te noemen. Dit zal wel
in hoofdzaak komen, doordat zij zoo’n groot jachtgebied noodig hebben
om voldoende voedsel te vinden. Zij jagen geregeld en zeer zorgvuldig
en vliegen daartoe te samen met rustigen majestueuzen vleugelslag
systematisch hun gebied door en er is geen wild, dat hunne
„arendsoogen” ontgaat. Is de buit gevangen, dan eten zij deze
gezamenlijk op. Zoo’n adelaarsmaaltijd is een langzaam en plechtig
feest. Niets herinnert daarbij aan de gulzigheid, die de gieren en
raven aan den dag leggen. Maar van ’t eten zelf laat hij niets over.
Veeren en haren, zoowel als de beenderen worden opgegeten. Na den
maaltijd wordt gedronken en rustig een uurtje of wat aan de
spijsverteering gewijd. De veeren en andere onverteerbare dingen spuwt
de vogel als ballen haar en wol weer uit. Ze schijnen dan hunne dienst
verricht te hebben, daar men meent, dat ze behulpzaam zijn bij het
reinigen der maag.
Een van de allermooiste arenden is de ZEEAREND (HALIAETUS LEUCOGASTER)
(No. 58), die wat veerenpracht betreft, veel gelukkiger bedeeld is dan
de arend der Alpen. Prachtig wit zijn z’n kop en borst, warmbruin z’n
buik en glanzend zwart de veeren van z’n vleugels. „Een waar sieraad
voor de streken waarin hij voorkomt”, zegt Brehm van hem. In
tegenstelling met de andere arenden valt hij nooit kleinere roofvogels
of andere vogels aan. Deze zijn dan ook in ’t geheel niet bang voor
hem. Met een soort rustige goedmoedigheid verdraagt hij zelfs hun
kleine plagerijen. Een enkele keer verjaagt hij wel eens vogels, die
een visch gevangen hebben en ontsteelt hun den buit. Want visschen,
kikvorschen en waterslangen vormen z’n voedsel. Hij vangt hen, door met
kracht diep onder water te duiken.
Zoo majestueus en koninklijk als de arend is in z’n vlucht, wanneer hij
loopen moet, levert hij evenals de albatrossen, de jammerlijke aanblik
op van een stuk uit de spheer gerukt leven. Nergens in Artis is dan ook
zooveel triestheid en dringt de tragedie van gevangen dieren zich zoo
duidelijk aan ons op als bij de hokken der groote roofvogels. De groote
roofdieren, hoe onrustig zij ook hunne drie passen langs de wanden van
hun hok mogen doen, hoe jammerlijk zij ook mogen schijnen, deze meest
geperfectioneerde der dieren, nu zij beroofd zijn van ’t leven waartoe
hunne lichaamsbouw hen zoo geschikt maakt, zij zijn minder jammerlijk
dan deze groote roofvogels. Want, hoewel hunne hokken ruim en groot
zijn, hebben zij nog niet eens de gelegenheid om één slag met hunne
vleugels te doen. Als trieste hoopen ellende zitten zij verslagen op
hunne stokken; een deerniswekkend schouwspel. Met een halven
vleugelslag wippen zij er af, op den grond onhandig en dwaas lijkend.
Een enkele keer treft een zeer trouw Artis-bezoeker het, iets van de
hen zoo eigen felle kracht te zien, die gewoonlijk gedwongen is van
verveling te slapen. Dat is, wanneer een muis of een rat zoo
onvoorzichtig is om door het hok te loopen. Dan ontwaakt eensklaps de
ware geest van den vogel en zoo plotseling, dat men zich nauwelijks
rekenschap kan geven van wat gebeurde, is de rat in de machtige klauwen
van den vogel geklemd en wordt langzaam met zorg naar binnen gewerkt.
Valken, die wel de meest geperfectioneerde der roofvogels te noemen
zijn, stelen nooit de jacht van andere; een vergrijp waaraan zelfs de
arenden zich nog wel eens schuldig maken. Zij leven geheel van wat
eigen kracht, eigen snelheid, eigen zekerheid hen oplevert. Zooals de
katachtige roofdieren de meest volmaakte lichaamsbouw („de meest
geperfectioneerde physiologische machines zijn”, zooals een vriend van
me zegt, die alles wat leeft, beweegt, voelt en denkt, tot materie
terug wil brengen) onder de zoogdieren hebben, zoo zijn de valken de
meest volmaakte der roofvogels. Nergens ziet men zoo’n slanke,
krachtige lichaamsbouw, zulke fraaie vleugels, zoo’n doelmatige staart,
zoo’n kleine gedrongen kop, zoo’n felle snavel, zulke scherpe oogen en
zulke krachtige klauwen.
Nergens vindt men die snelheid en schoonheid van vlucht, die zekerheid
van treffen. Geweldig is de stoot, die zij hun slachtoffer toebrengen.
De hoogstaande valkensoorten zijn zoo snel en zeker in het vangen van
hunne buit, dat zij dit in volle vlucht doen. Geen wonder dan ook, dat
menschen, met zuiverder sportinstincten dan ons tegenwoordig
voetballend en boksend publiek, in verrukking raakten over ’t
schouwspel van een valk, die in de lucht een gevecht leverde met een
veel grooteren vogel, als een reiger bijv. Geen wonder, dat de Edelen
zich geen kosten spaarden om zich een dergelijk genot te verschaffen en
de valkenjacht als de edelste hunner vermaken beschouwden.
Het vangen en africhten van valken voor de jacht was een zeer moeilijk
en zorgvuldig werk. In ons land werd het vroeger op verschillende
plaatsen bedreven. ’t Dorp Valkenswaard dankt er z’n naam aan; daar was
zelfs een school, waar aan de „Valckeniers” het vak geleerd werd.
De herfst was de tijd, waarin de jonge of éénjarige wijfjes gevangen
moesten worden. Oudere kan men tot het africhten niet meer gebruiken,
daar zij nooit goed de dressuur leeren aannemen.
De valkenier bouwt in ’t najaar z’n „tophut” op een plek, in de groote
uitgestrektheid der heidevelden. Dat niet iedere willekeurige plaats
daartoe geschikt is, blijkt wel uit het feit, dat steeds de meest
eenzame en verlaten streken, mits ze in de buurt van een meer gelegen
zijn, ervoor uitgekozen worden.
De „tophut” zelf is een uiterst primitieve schuilplaats, die bestaat
uit een kuil die 2 M. middenlijn en 80 cM. diep is. Zes palen worden nu
in ’t rond geslagen, even schuin naar binnen hellend en heeft van boven
een groot wagenrad te dragen. Als dit wagenrad met plaggen is bedekt
vormt ’t het dak. Tusschen de zes palen worden nu takken gevlochten en
als ten slotte dit netwerk ook onder plaggen is verstopt, lijkt ’t
geheel net op een klein heideheuveltje. Een opening, zoo klein, dat een
volwassen man er slechts in gebukte houding door kan, dient tot ingang.
De kijkgaten zijn eveneens zoo klein mogelijk, maar daar er naar iedere
windrichting één is, kan de valkenier als hij binnen is, toch alles
zien wat buiten op het terrein gebeurt.
In de buurt van deze tophut worden, op ongeveer vijftien M. afstand
ervan, twee heuveltjes gemaakt voor den onmisbaren kleinen helper van
den valkenier, ’t aardige klapekstertje.
Vlak bij deze z.g. „klapeksterheuveltjes” worden op een afstand van
tien M. van elkaar twee dennestammen, van zeven M. lengte, in den grond
geslagen. Aan den top van ieder van deze palen wordt een touw
gespannen, waarvan de uiteinden in de hut van den valkenier uitkomen.
Aan de eene lijn heeft men een looze duif, dat is een houten vogelvorm
met duivevlerken, aan den andere een lokvalk bevestigd. Voor lokvalk
gebruikt men een oude valk, die voor de jacht ongeschikt is gebleken.
Als men met deze beide touwen tegelijk slingert, dan maakt het op een
afstand den indruk, alsof een valk bezig is een duif te achtervolgen.
Rondom de hut worden nu nog 3 slagnetten neergezet, ieder op 300 M.
afstand ervan. Zoo’n slagnet bestaat uit twee helften, waarvan de eene
met pennen in den grond is gestoken, de andere bewegelijk is en van een
dun sterk touw voorzien, dat naar de hut loopt. Midden onder de vaste
helft van dit net is een pen met een oog in den grond geslagen. Van
hieruit loopt weer een lijntje naar de hut, waar het aan de pooten van
een levende duif wordt vastgebonden, die in een klein, met plaggen
bedekt duivenhokje opgesloten is. Door één enkele ruk aan dit lijntje
kan de valkenvanger z’n levende duif te voorschijn brengen en, al naar
gelang hij het touw meer aantrekt, de duif precies onder het slagnet
brengen.
Als al deze toestellen in orde zijn en goed werken, wordt getracht een
klapekstertje te vangen. Dank zij dit kleine moedige vogeltje met de
scherpe oogen, worden wel tien maal meer valken gevangen dan de
valkenier alleen zou kunnen bemachtigen. Al op een uur gaans, als de
oogen van een mensch nog lang niet in staat zijn een valk waar te
nemen, ziet het klapekstertje deze reeds en waarschuwt hij de valkenier
met z’n gekrijsch. Zelf verbergt het zich dan. Dit was zoo z’n gewoonte
toen hij in vrijheid was en de valkenier heeft hem nu ook op z’n
heuveltje een kuiltje gegraven, waarin ’t kruipen kan. Het weet veel te
goed, dat een valk voor hem geen partij is, om zich mee te meten.
Om een klapekstertje te vangen, maakt de valkenier gebruik van een
andere eigenaardigheid van dit diertje. Het duldt n.l. geen tweede
klapekster in ’t gebied, dat hij als het zijne beschouwt. De valkeniers
hebben dit opgemerkt en maken er op slimme manier gebruik van. Op de
tophut steekt hij een stokje met vogellijm, waarnaast hij een opgezette
klapekster zet. Zoodra ’t vrije vogeltje een vermeende indringer
opmerkt, komt het nieuwsgierig naderbij en springt tijdens z’n studie
van die onbewegelijke soortgenoot eens op het stokje en is door de lijm
gevangen. Voorzichtig neemt de valkenier hem er af en knipt zorgvuldig
6 à 8 slagpennen uit de vleugel van het diertje, waarna het op z’n
klapeksterheuveltje wordt vastgebonden. Later, als de vangst is
afgeloopen, worden deze veeren weer zorgvuldig met fijne zilverdraadjes
aan den vleugel bevestigd. Gekortwiekt als ’t was, zou ’t vogeltje aan
z’n vrijheid niet veel hebben. Nu kan ’t weer vliegen en als met de rui
de veeren er uitvallen en door nieuwe vervangen worden, is er niets
meer dat aan z’n dienst bij den valkenvanger herinnert.
Als nu alles voor de vangst gereed is, heeft de valkenier niets anders
te doen dan in z’n hut te kruipen en daar pijpjes te rooken. ’t
Klapekstertje zal hem wel waarschuwen, wanneer hij z’n zoo listig in
elkaar gezette apparatuur in werking moet stellen.
En schreeuwt dit kittige kleine vogeltje, dan is de tijd van handelen
daar, van snèl handelen zelfs. De lijn met de lokvalk en de looze duif
slingeren zoo natuurlijk mogelijk zoodat deze jacht-vertooning gauw de
opmerkzaamheid van den komenden valk trekt, en deze met ongeloofelijke
snelheid nadert. Valkenvangers schatten deze snelheid van vliegen
tijdens den jacht op één minuut per uur gaans. Geen kleinigheid
voorwaar, want het beteekent een snelheid van 60 × 5 K.M. = 300 K.M.
per uur. De normale vliegsnelheid is 3 min. per uur gaans of 100 K.M.
per uur, wat altijd toch nog een behoorlijk vaartje genoemd kan worden.
Is de aandacht van den valk getrokken en komt deze naderbij, dan wordt
aan de lijn met de levende duif getrokken. Deze fladdert even op, de
valk schiet toe, grijpt hem en laat niet meer los. Zoo worden zij samen
tot onder het slagnet getrokken. Eenmaal daar, dan wordt de bewegelijke
helft vlug over hen gehaald en de valk is gevangen. De lijn wordt
stevig vastgezet, om te voorkomen dat de valk de klep op zou lichten en
voorzien van een linnenzakje, de z.g. „sok”, gaat de valkenier den valk
uit het net halen. Het dier wordt stevig bij de pooten gepakt, waardoor
het zoo goed als niets meer kan doen, de sok wordt hem over de vleugels
geschoven en onder aan de pooten met een leeren riempje vastgemaakt.
Voorloopig wordt hij in de tophut bewaard, ’s avonds pas wordt hij mee
naar huis genomen om getemd te worden. Want eerst als de vogel geheel
tam is, kan er met het africhten begonnen worden.
Het temmen begint met een hongerkuur. Met een leeren kapje op z’n kop,
door leeren riemen, de z.g. „valkenschoenen”, aan een paal bevestigd,
zit de vogel 24 uur zonder voedsel. Dan komt ’s avonds de valkenier,
trekt een sterke leeren handschoen over z’n rechterhand en zet de valk
op z’n vuist. Zoo brengt hij hem in een, slechts door één lamp
spaarzaam verlicht vertrek en gaat zeer rustig met den valk op een
stoel zitten. Alle gerucht en alle schielijke bewegingen laat hij
achterwege. Voorzichtig neemt hij den vogel de kap van den kop en houdt
hem een stukje vleesch voor. In ’t begin is de valk niet aan het eten
te krijgen, maar langzamerhand komt hij meer op z’n gemak en krijgt den
honger de overhand over den angst. Uren achtereen is de valkenier met
hem bezig, want telkens weer moet de vogel z’n vrees overwinnen.
Ongeveer 14 dagen wordt hiermee doorgegaan, dan begint de valk z’n
meester te kennen en naar den avond te verlangen. Want dat zijn de
eenige uren van den dag, waarop hij van de kap bevrijd is en hij te
eten krijgt. In deze 14 dagen leert de vogel ook op de hand van den
meester te springen.
Als de vogels geacht worden genoeg getemd te zijn, begint de eigenlijke
dressuur. Met een lange lijn aan de pooten gebonden wordt hij op eene
hoogte gezet en met vleesch op verren afstand gelokt. Ook als de
valkenier te paard zit, moet de vogel leeren op z’n vuist terug te
komen. Doet hij dit in alle omstandigheden, dan begint het eigenlijke
africhten voor de jacht pas. Dit doet men, door een doode duif in de
lucht te gooien en de valk er op af te laten schieten. Later laat men
kippen door honden opjagen en moet de valk leeren deze te vangen. Kent
hij dit ook, dan is ’t laatste stadium van z’n opvoeding genaderd en
wordt hij op reigers en kraanvogels afgericht. Eerst gebruikt men
hiervoor reigers die men een buis over den snavel heeft gebonden,
anders mocht hij de valk eens te erg verwonden. Zelf wordt deze van een
leeren hulsel voorzien, om hem tegen de beten van den valk te
beveiligen. Ten slotte is het dier volleerd en kan men er mee jagen
gaan.
De gevechten, die de valk dan met de reigers leverde, vervulde de
harten der Edelen met verrukking.
Een wreed vermaak, zegt ge. Misschien. In ieder geval is ’t een stuk
natuurstrijd, dat men nu door het gedresseerd zijn van den valk ten
allen tijde gade kan slaan, terwijl het anders tot de zeldzaamheden in
het leven van een vogelvriend blijft. Een wreed vermaak—misschien. Maar
oneindig edeler toch, dan ’t vermaak in een bokswedstrijd.
Scherp omschreven, zooals wel haast geen andere groep zijn de uilen.
„Roofvogels” in de gewone zin van ’t woord, schijnen zij toch niet van
de gewone roofvogels af te stammen, zelfs niet met deze een
gemeenschappelijken stamvader gehad te hebben. Führinger, een bekend
onderzoeker naar de mogelijke afkomst der vogels, meent op grond van
anatomische kenmerken (eigenaardigheden in skelet, enz.) een
verwantschap met de nachtzwaluwen te moeten aannemen. Reichenow vindt
dat deze theorie niet te bewijzen of te bestrijden valt, daar ’t
bewijsmateriaal ontbreekt en de vogels in geen geval met de
tegenwoordig levende nachtzwaluwen in verband gebracht kunnen worden.
Zij hebben bepaalde eigenschappen, zooals de kortheid van de kootjes
van de vierde teen, de groote klauwnagel aan de tweede teen, de washuid
en de snavelvorm, met de dagroofvogels gemeen. Daarom brengt hij ze bij
deze in ’t systeem.
Dat uilen nachtvogels zijn, is van algemeene bekendheid. Immers daaraan
danken zij het, dat zij werden tot ’t symbool der wijsheid, dat de
Godin Minerva als attribuut was toegevoegd, omdat, evenals een uil ziet
in ’t duister, ziet de wijsheid in ’t donker der problemen. Daar, waar
gewone oogen geen enkelen lichtindruk ontvangen en hopeloos in de
nacht-zwartheid staren, weten zij vormen en feiten te onderscheiden.
Uilen brengen den dag slapende door in de ruïnes van oude kasteelen, in
holle boomstammen, in oude boerenschuren en in kerktorens. Deze
plaatsen, die door hun duisternis overdag al reeds op de verbeelding
der menschen werken, worden door de vleermuizen en uilen, die elkander
daar gezelschap houden, nog griezeliger en spookachtiger. En als er ’s
avonds leven komt in dit geheimzinnig gespuis, de vleermuizen als
donkere schaduwen door de lucht vliegen, de uil z’n sombere stem laat
hooren, dan verschrikt het diepe lugubere geluid den eenzamen mensch,
die laat nog door de velden loopt. Ons kleinste inlandsche uiltje is ’t
aardige steenuiltje, terwijl de kerkuil misschien wel de algemeenste
is.
De INDISCHE UIL of KETUPA (No. 60) is berucht om die sombere stem. In
de donkere zwaarmoedige omgeving van ’t dichte tropische oerwoud, waar
het licht gedempt groen door het zware loof der bladeren dringt, waar
geheimzinnigheid den angstigen mensch omgeeft en men zich beklemt
gevoelt en gedrukt door die geluidlooze stilte, die men vol van
ongeweten leven voelt, kan plotseling een luid krijschende helsche lach
gehoord worden. Vol boosaardigheid klinkt het, als ’t gelach van een
waanzinnig oud wijf. Een kinderlijke verbeelding gaat aan heksen en
toovenaars denken, de plaats vermijdend waar dat vreeselijke geluid
vandaan schijnt te komen.
De natuuronderzoeker evenwel overwint de beklemming die het vreeselijk
gelach ook op hem heeft gemaakt en loopt in de richting van waar het
geluid gehoord wordt. Hij komt bij een poeltje en daar op een
overhangende tak, strak loerend in ’t water ziet hij de Ketupa, een
prachtige uil. Zij is bezig haar honger te stillen en vangt daartoe
visschen, doch nog liever krabben uit het water. Hoe prachtig is dit
uiltje en met wat een diepe vreugd zal onze natuuronderzoeker haar
bekijken! En vol goedhartigheid beklaagt hij z’n schuwe vriend, die
niet mee gegaan is op zoek naar de oorzaak van ’t vreeselijk geluid,
maar angstig de werkelijkheid heeft ontvlucht. En deze, die wanneer hij
ver genoeg is om ’t vreeselijke gelach niet meer te hooren en z’n angst
heeft overwonnen, droomt door over ’t sprookje van den toovenaar, dat
hij zichzelf vertelde en vermeidt zich in z’n droomen van schoonen
schijn. Zoo ver gaat hij voort op den weg van z’n eigen gedachten, dat
hij ten slotte vol diepe deernis den bioloog beklaagt, die uit is
gegaan om de nuchtere werkelijkheid te zoeken en hèm niet kan volgen in
’t wonderland van z’n droomen.
Of zijn vreugd in z’n droomenland grooter is, dan de blijdschap om de
werkelijke schoonheid van de Ketupa, die de ander met een schok
ontwaarde? Het is moeilijk uit te maken. Want de eene mensch is
gelukkig, diep vol gelukkig met dingen, die een ander onverschillig
zijn. Laat ieder mensch voor zich zelf uitvinden wat hem gelukkig maakt
en daarnaar leven. Maar wij, laten wij voorzichtig zijn en nooit
trachten de illusies van een ander te verstoren.
Dat uilen evenwel gauw op de verbeelding der menschen werken, blijkt
wel uit het bijgeloof, dat ook in onze streken o. a. de RANSUIL (ASIA
OTUS) (No. 61) omgeeft. Een doode uil met uitgespreide vlerken tegen de
schuurdeur gespijkerd, zou bijv. tegen brand beveiligen. En jammer is
’t dat dit bijgeloof heerscht, want de uil is een zeer nuttig dier, die
vele muizen verdelgt. Dat er met deze schadelijke knaagdiertjes wel
eens een nuttig insectenetertje, als ’t spitsmuisje is, in z’n maag
verdwaalt, spreekt haast van zelf, maar dat moet de uil maar niet te
zwaar aangerekend worden, want over ’t geheel is hij meer nuttig dan
schadelijk te noemen.
Uit het leven van een ransuil blijkt, dat uilen niet zoo uitsluitend
nachtdieren zijn als men gewoonlijk wil doen voorkomen. Het is hen
zelfs een levensbehoefte zich te zonnen, zonder zon gaan zij dood, zegt
Brehm. Als het ’s winters te koud wordt, trekken zij dan ook weg, ’t
zonnige zuiden in.
De SNEEUWUIL (NYCTEA NYCTEA) (No. 62) daarentegen is niet zoo bang van
de kou en komt veel noordelijker voor en dan nog wel hoog in de bergen
bovendien. Z’n kleur is voor deze koude omgeving prachtig beschuttend
en wordt nog witter naarmate zij ouder zijn. Het donskleed van de jonge
vogels is geheel grauw-bruin, het echte veerkleed heeft nog een tijd
lang bruine vlekken en de volwassen vogels hebben slechts een enkele
bruine vlek.
Wanneer ’t voedsel ’s winters in de bergen te schraal wordt, komt de
vogel lager, of trekt zij het zuiden in. Daar de lemming haar liefste
voedsel is, volgt zij deze vaak op z’n tochten. Toch voedt zij zich ook
wel met eekhoorntjes en hazen, en wanneer het wild erg schaars is,
berooft zij de vallen, die de jagers uitzetten om pelsdieren te vangen.
Eindelijk is de lang verwachtte dag aangebroken. Helder straalt de zon
uit den blauwen hemel en de kinderen springen juichend hunne bedjes
uit. Zij wekken hunne ouders met: „’t Is goed weer! Vader, Moeder, ’t
is goed weer! Gaan we?” Slaperig nog, wakker geschrokken door ’t
luidruchtige jonge goed, kijkt Vader eerst naar de lucht en dan op z’n
horloge. Vol spanning wordt op ’t antwoord gewacht: „Maak je maar klaar
jongens, met de eerste de beste trein gaan we.” Joelend loopen zij weg
om zich aan te kleeden. „We gaan! Hoera we gaan!”
Vader en Moeder lachen eens tegen elkaar. Zij hebben schik in de vreugd
van hun kroost. ’t Is voor een kind dan ook heerlijk om naar „Artis” te
gaan. Artis, ’t tooverwoord, ’t levend geworden prentenboek. Een tuin
vol met vreemde dieren, met leeuwen en tijgers, olifanten en
nijlpaarden, met adelaars, met papegaaien......!
Geen oogenblik staan de monden stil. En als Moeders lieve oogen geen
scherp toezicht hielden op de aankleederij, zou een enkele in alle
vreugd van ’t uitgangetje nog wel vergeten de tanden te poetsen, het
haar te borstelen of de nagels te schuieren. Wat heeft Moeder ’t nog
druk! De boterhammetjes moeten gemaakt, koekjes en nootjes ingepakt.
Eindelijk dan toch zijn zij in den trein. Onophoudelijk babbelen zij
maar door over de te verwachten wonderbaarlijkheden. Maar als zij ten
slotte voor de ingang staan en Vader de toegangsbewijzen koopen gaat,
worden zij stiller en bedaarder. Nog een oogenblik en dan komt ’t! „Zie
je ginder die papegaaien wel,” fluistert Frank tegen Mirjam. Wat een
mooie kleuren, hè? En wat schreeuwen zij!
Die stilte duurt niet lang. Want eenmaal bij de vogels, kent de pret
geen grenzen meer en hollen zij uitgelaten van den eenen vogel naar den
anderen. Maar diep onder al die pret schuilt een wezenlijke en
levendige belangstelling. Met wat een aandacht staan zij stil en
luisteren zij naar wat de vogels zeggen willen. Maar als zij er ten
slotte een aantreffen, die kan fluiten kent hun bewondering geen
grenzen meer. Vol stille, gespannen aandacht luisteren zij naar de
zachte, fluitende toonen. Zij meenen er een straatdeuntje in te
herkennen. Hoe wonderlijk het ook was, dat de vogels praten konden, het
gefloten liedje spant de kroon.
Hoe leuk nemen zij de koekjes aan met hun poot, hoe handig pellen zij
de nootjes met hun snavel! Zij zien wel, dat die snavel heel anders is
dan van een andere vogel en veel bewegelijker aan de kop verbonden is.
En dan die gekke tong, zoo’n raar dik zwart stompje. Daar kan hij vast
mee proeven merken zij op, want ’t nootje houdt hij in z’n bek over en
de doppen laat hij vallen.
Ook valt het hun met hun scherpe oogen ook al heel gauw op, dat een
papegaai z’n teenen anders heeft dan andere vogels, n.l. twee naar
achteren en twee naar voren gericht. Deze eigenaardigheid is typisch
voor hunne orde en voor die der klimvogels. Dit is dan ook de reden
waarom zij gezamenlijk in de groep der Fibulatores of Gepaard-teenigen
ondergebracht worden.
§ 1. Papegaaien zijn verbazend aardige vogels. ’t Is geen wonder, dat
de menschen hen graag in kooien houden en zich met hen vermaken. Want
de papegaaien, die men ’t liefst als kooidier heeft, dat zijn de gewone
groene AMAZONE (CHRYSOTIS LEVAILLANTI) (No. 67) uit Amerika en de grijs
met roode Lorre uit Afrika, geven dikwijls staaltjes te aanschouwen van
meer dan gewoon „verstand”. Ieder, die een papegaai heeft, weet wel een
„wonder” van de slimheid en ’t verstand van zijn vogel te vertellen.
Dat dat „verstand” geen verstand is, d.w.z. dat zij niet beredeneerd
handelen en hunne handelingen niet logisch doordacht uitgevoerd worden,
dringt tot de menschen meestal niet door. Evenmin wordt beseft, dat ’t
spreken geen redelijk spreken is en dus de klanken, die de vogel uit,
geen inhoud of zin voor hem hebben. Dit verstand en dit spreken zijn
niet meer dan een eenvoudig reageeren op een ervaringsdressuur.
Want niet waar, een papegaai zegt zoo vaak „rake” dingen, die een
situatie zóó volkomen weergeven of verscherpen, dat men wel gelooven
moet, dat het dier de omstandigheden heeft begrepen.
Uit allerlei waarnemingen en proeven van zeer kritische onderzoekers is
evenwel gebleken, dat papegaaien geen verstandige, d.i. geen redelijk
denkende dieren zijn. Toch zijn zij boven andere vogels begiftigd met
opmerkingsgave en geheugen, waardoor zij in staat zijn zeer veel dingen
te „leeren”.
Dit „leeren”, dat is ’t „opdoen van ervaringen”, kan op verschillende
manieren plaats vinden. Zoo is ’t „leeren vliegen” niets anders dan ’t
oefenen van een vliegbeweging, zoo is ’t „leeren zingen” van een vogel
niets anders dan een instinctieve klanknabootsing, zoo is ’t „leeren
jagen” niets anders dan een soort van zelfdressuur door middel van
„zintuigelijke ervaringen”. Deze manieren van „leeren” zijn ieder dier
eigen, maar ze hebben met verstandelijk leeren niets gemeen.
Verstandelijk leert een dier pas, wanneer het „vroegere ervaringen in
nieuwe verhoudingen toepast” of „wanneer het door middel van de taal
(teekens of geluiden, die uitdrukking zijn van begrippen en
voorstellingen), intelligent onderricht krijgt.”
Deze twee laatste manieren van leeren zijn het, die de mensch bij
uitstek en eenige der hoogere apen in mindere mate eigen zijn en die
als de basis van een verstandelijk leven beschouwd moeten worden.
De drie eerstgenoemde vormen van „leeren” berusten op niets anders dan
het vormen van associaties. Buytendijk, aan wie al de hier gebruikte
termen ontleend zijn, noemt dit het „associatief geheugen” en meent er
mee een geheugen, „waardoor waarnemingen en handelingen voor het dier
een bepaalde beteekenis krijgen”.
Het opzetten van een hoed door de baas kan voor een hond een beteekenis
hebben, omdat hij bij het opzetten van die hoed het uitgaan verbindt
(„associeert”). ’t Hooren van een bepaalde klankenreeks als bijv. „wil
Lorre een klontje”, krijgt voor een papegaai beteekenis, omdat hij aan
die klankenreeks ’t genot van ’t klontje, dat hem daarna telkens wordt
gegeven, verbindt. Door een heel eenvoudige dressuur kan men dan de
papegaai „as-sje-blieft” terug laten zeggen. Maar dan blijkt nog uit
niets, dat het dier begrijpt wat die woorden beteekenen. In plaats van
„as-sje-blieft” had men ’t dier ook kunnen leeren „nee, dank je” of ’t
lompe „dat lust ik niet” te zeggen. En dan zou men de vogel op een
„domheid” kunnen betrappen. Want terwijl hij dan „nee, dank je” zegt,
steekt hij gelijktijdig z’n poot uit om de lekkernij te grijpen.
Als men, tijdens het kriebelen op z’n kale schedelplek, voortdurend
„kopje-krauw” zegt, gaat de vogel die klank verbinden aan de voor hem
zoo aangename liefkoozing en z’n nabootsingsinstinct doet hem die klank
herhalen, zoogoed als hij z’n eigen naam „Lorre” of andere woorden die
hij zeggen hoort, herhaalt. En als Lorre opmerkt, dat wanneer hij de
klank „kopje krauw” laat hooren, de mensch naar hem toe komt om hem te
streelen, dan associeert hij die klank met de er op volgende
liefkoozing. Op een andere keer kan hij deze dan zoolang herhalen, tot
aan z’n „verzoek” gehoor is gegeven. Door ervaring heeft ’t dier dan
geleerd. Gedacht, „z’n verstand gebruikt”, heeft het niet.
Dat een papegaai een grooter leervermogen heeft dan andere vogels, is
waar. Er zijn zelfs onder de papegaaien bepaalde soorten, die meer
kunnen leeren dan de andere. Hoe jonger zij zijn, hoe meer zij leeren
kunnen en als men een papegaai het spreken wil leeren, doet men ’t
beste een jonge daarvoor uit te kiezen. Oude vogels leeren het nooit
zoo goed.
De lories, die men vaak in kooien ziet, worden niet om hun spraak, maar
voornamelijk om de pracht van hun veeren gehouden. Deze is dan ook
ongeëvenaard. Hoe schittert de veelkleurige LORI (TRICHOGLOSSUS NOVAE
HOLLANDIAE) (No. 63) niet in werkelijk alle kleuren van den regenboog.
Hoe fraai moet een troep van deze kleine levenmakers niet aandoen in
hunne natuurlijke omgeving, ’t grauw-grijze oerbosch van Australië.
Want dit werelddeel is het thuis van de lories, zoowel als van de
KAKATOE (CACATOUA TRITON) (No. 64) en de UILPAPEGAAI (STRINGOPS
HABROPTILUS) (No. 65).
Niet alleen is Australië het thuis, het is zelfs de bakermat van alle
papegaaien en vandaar uit hebben zij zich over de wereld verspreid. In
Europa zijn zij evenwel niet. Want daar papegaaien van oorsprong
tropenvogels zijn, overschrijden zij op een enkele uitzondering na een
bepaalde warme-zône (40° N.Br. en 55° Z.Br.) niet.
De lories behooren tot de kleinere papegaaisoorten, doch zijn op verre
na de kleinsten nog niet. Er zijn papegaaitjes niet grooter dan een
musch.
De fraai-gekuifde kakatoes beperken zich, op één uitzondering na,
eveneens tot het Australisch gebied. Zij leven in zeer groote troepen
te samen en zijn daardoor vaak zeer schadelijk, wanneer zij in
plantages komen, en zich daar te goed doen aan zaden en noten. Geen
wonder dus, dat de kolonisten hen jagen en dat de inboorlingen van
Australië hen met den boemerang te lijf gaan.
De wonderlijkste van alle papegaaien is wel de STRINGOPS of UILPAPEGAAI
(No. 65), die slechts met één soort z’n familie vertegenwoordigt. Deze
uil, de Stringops Habroptilus of Kakapo komt alleen maar voor in
Nieuw-Zeeland en beperkt zich daar nog tot het Zuid-Westelijk deel van
het eiland. De naam „uil-papegaai” danken zij aan hunne nachtelijke
levenswijs, tengevolge waarvan de vogel ook lang onbekend is gebleven.
Eerst een 60 jaar geleden is de eerste huid van dezen vogel naar Europa
gekomen, hoewel men reeds veel langer wist, dat zich ergens in
Nieuw-Zeeland een nog onbekende vogel op moest houden, daar de Maori’s
zich vaak met z’n prachtig groene veeren versierden.
Doch niet alleen tengevolge van zijn nachtelijke levenswijze is de
vogel zoo moeilijk te bestudeeren geweest, hij heeft ook het gebruik
van zijn vleugels verleerd en vliegt nooit meer. Hij loopt over den
grond zijn voedsel, dat uit jonge plantendeelen en mossen bestaat, te
zoeken. Slechts als hij hard loopt, gebruikt hij z’n vleugels om z’n
evenwicht te bewaren. De kam op het borstbeen, die als aanhechting
dient voor de vliegspieren is dan ook zeer gereduceerd en er is niets
meer dan een kleine lijst van over.
Van de papegaaien buiten het Australisch gebied, zijn de
Zuid-Amerikaansche wel de meest algemeen bekende, want de leuke
PARKIETJES (CONURUS CACTORUM) (No. 66) broeden haast in iedere volière,
en de mooie ara’s kiest men graag als kooivogel, ter wille van hun
prachtige veeren en de groene AMAZONE PAPEGAAI (CHRYSOTIS LEVAILLANTI)
(No. 67) om z’n bevattelijkheid. Toch, hoewel deze kortstaartige
amazone papegaai zeer aardige en zeer mooie vogels zijn om in een kooi
te houden, staan zij in begaafdheid ver achter bij de rood-grijze jako
van Afrika en in fraaiheid van veeren steken de ara’s hen de loef af,
want de fraaiheid van deze ara-veeren is welhaast onovertroffen.
De Indianen van Zuid-Amerika schatten deze veeren dan ook zeer hoog en
jagen de BLAUW MET GELE ARA (ARA ARARAUNA) (No. 68) de roode ara’s en
de prachtig blauwe hyacinth-ara’s graag om die prachtige veeren te
bemachtigen. Ook hebben zij vaak papegaaien als huisdier zoodat deze af
en aan vliegen, zooals bij ons de duiven.
Daar ara’s de gewoonte hebben, altijd weer in denzelfden boom te
nestelen, worden deze boomen het eigendom van den Indiaan, die ze het
eerst vond. Een eigendom dat erfelijk is en steeds van vader op zoon
overgaat. Juist zooals bij ons in oude tijden de „honingboomen” van
vader op zoon overgingen en slechts één familie het recht had de in de
loop der zomer er door de bijen ingebrachte honing te zamelen.
§ 2. Terwijl de vertegenwoordigers der eerste orde in de groep der
Fibulatores, de papegaaien, grijpvoeten hadden, hebben die der tweede
orde, de SCANCORES of KLIMVOGELS, de voor hen zoo typische klimvoeten.
In de eerste plaats dient daarvan genoemd te worden de TOERAKO of
HELMVOGEL (TURACUS ALBOCRISTATUS) (No. 69), die zoo genoemd wordt om de
helm van veeren, die van af zijn korten driehoekigen snavel den
geheelen kop bedekt. Zij leven in de dichte acacia-bosschen der
Afrikaansche keerkringen.
Merkwaardig is het, dat hun veeren van een ander soort groen zijn, dan
gewoonlijk bij vogels aangetroffen wordt. Groene veeren of alle andere
kleuren bij vogels worden veroorzaakt door bepaalde structuren in de
baarden en baartjes. Deze structuren hebben een lichtbreking tengevolge
en van het gebroken licht worden slechts bepaalde stralen
teruggekaatst. Bij groene veeren kan hierdoor die glanzende weerschijn
ontstaan.
’t Groen van toerakoveeren evenwel wordt veroorzaakt door een bepaalde
groene kleurstof, die er in aanwezig is. Zoo is het ook met de purperen
vlek aan hunne vleugels. Deze is niet eens waschecht en geeft kleur af
als de vogel zich baadt. Later, als zij droog worden, kleuren zij weer
bij.
In de familie van de koekoeken daarentegen vindt men in de GOUDKOEKOEK
(CHRYSOCOCCYX CUPREUS) (No. 72) een van de mooiste voorbeelden van
groene kleur door lichtbreking. Deze vogel, die in Afrika, Azië en
Australië voorkomt, streeft de pauw nabij in z’n schitterende,
metaalglanzende groen met gouden pracht. En deze „Didrik”, zooals de
Zuid-Afrikaansche Boeren hem noemen, heeft de eene echte eigenschap der
koekoeken van onze streken: zij laat n.l. haar eieren uitbroeden door
de kleinere zangvogeltjes.
Weinig vogels hebben zoo de belangstelling van onze Noordelijke volken
opgewekt, als de gewone KOEKOEK (CUCULUS CANORUS) (No. 71). Waren het
de zwanen, die de verbeelding der dichters gevangen hielden, de koekoek
heeft tot minder verheven gestemde geesten gesproken en zich gedrongen
in ’t leven van ’t volk. In ’t sober alledaagsch bestaan van de
menschen op het land zijn het simpele en eenvoudige dingen, die kleur
brengen in de eentonige sleur der jaren. En deze simpele dingen waren
schatten van de natuur. Zij hebben deze rijkdommen opgemerkt en tot een
deel van hun leven gemaakt, lang voor dat de natuurlijke historie een
bron van studie voor geleerden, heel lang voordat het een mode voor Jan
en Alleman was. De eigenaardige levensgewoonte van de koekoek maakten
een dusdanige indruk op de menschen, dat zij invloed gehad hebben, ook
op onze taal en ’t bijgeloof in onze streken.
Hoewel er vogels genoeg zijn waaraan onze taal beelden en uitdrukkingen
ontleent, is er geen één, die er zoovele geleverd heeft als de koekoek.
Men mag hooren: domme gans, uilskuiken, „als een kip zonder kop”, „van
een uil, die men acht een valk te zijn”, „zoo rood als een kalkoensche
haan”, de koekoek heeft er legio, die hem in verband staan. Ieder kent
ze wel: bijv. „’t is alles koekoek één zang”. „Loop naar de koekoek”.
„Dat haalt je de koekoek”. „Een koekoeksei uitbroeden”. „Een
koekoeksjong groot brengen”.
En dan ’t bijgeloof! In sommige streken van ’t land meent men, dat de
koekoek voorspelt, wanneer men sterven zal. Men heeft daartoe maar te
tellen, hoe vaak de koekoek achtereen z’n naam roept, dan kent men ook
’t aantal jaren, dat men nog te leven heeft. In andere streken zijn ’t
jonge meisjes, die met kloppend hart de roep tellen, want dan weten zij
hoe lang ’t duurt eer zij trouwen zullen. Ook kan in bepaalde
omstandigheden ’t aantal malen dat men ’t „koekoek” hoort de
hoeveelheid jaren aangeven, waarop een wensch in vervulling zal gaan.
Maar dan dient men die wensch te uiten als men de eerste roep hoort en
bovendien moet men dan tusschen twee zusters loopen, met de oudste aan
de rechterhand. Uit al dergelijke feiten blijkt wel ten duidelijkste,
hoe ’t volk de koekoek heeft opgemerkt en toch is ’t bij ons niet zoo’n
vreeselijk algemeene vogel, zooals bijv. in de Skandinavische landen,
waar hij zoo algemeen moet zijn als bij ons de spreeuwen.
Maar waar een koekoek is, wordt hij opgemerkt. Dit komt wel
voornamelijk door de roep, die altijd van het mannetje is. Deze heeft
een bepaald gebied, waar hij in huist. Een eigen vrouwtje heeft hij
nooit. Ieder vrouwtje dat z’n gebied doortrekt, is hem welkom en als
hij weet dat er een in de buurt is, koekoekt hij nog harder dan te
voren. Soms hoort men de koekoek de halve nacht door, andere keeren
komt hij op een bepaald uur op een bepaalde plaats, ja dikwijls zelfs
op een bepaalde tak van een boom en roept daar maar. Als er een
vrouwtje in de buurt is, verandert hij z’n rustig en gelijkmatig
koe-koek in een haastiger en zenuwachtig klinkend koe-koe-koek,
koe-koe-koek.
Als het vrouwtje een ei moet leggen, kan zij dit niet in haar eigen
nest doen. Zij heeft geen eigen mannetje, dat er een met haar bouwde en
legt nú in ’t gebied van het eene mannetje, dan weer in dat van een
ander, maar altijd kiest zij als legplaats een nest van een of ander
klein zangvogeltje. Die bebroeden dat vreemde ei trouw en geduldig en
als dan eindelijk ’t koekoeksjong uitgekomen is, slepen zij aan wat zij
kunnen om z’n grage maag te vullen. Die indringerige, sterke vogel
spert z’n mond zoo wijd open en duwt z’n pleegbroertjes en -zusjes zoo
in een hoekje, dat deze haast niets te eten krijgen en haast niet
groeien.
De jonge koekoek daarentegen groeit als kool en al heel gauw wordt het
hem te benauwd ’t kleine nest met de andere vogeltjes te deelen en hij
woelt net zoolang tot zij er uitvallen en sterven. De oude vogels
merken niet eens dat hun eigen kinderen weg zijn, zoo druk hebben zij
het met ’t voeren van ’t ongevraagde pleegkind. Z’n eigen moeder trekt
van ’t eene mannetje naar ’t andere, legt een ei hier, een ei daar en
trekt zich van „moederplichten” geen steek aan. De vader weet van z’n
bestaan niet af, maar koe-koe-koekt lustig een volgend vrouwtje toe.
En de menschen die ’t zien, veroordeelen de koekoek. Dat is dwaas. Een
koekoek kan ’t niet helpen, dat hij zoo is, daar is hij nu eenmaal een
koekoek voor. Zij zouden niet eens een broedsel groot kunnen brengen,
want ’t vrouwtje legt haar eieren met zulke groote tusschenpoozen, dat
zij niet in staat is ze zelf uit te broeden.
De SPOORKOEKOEK (CENTROPUS) (No. 70) daarentegen is er wel toe in staat
en de twee à drie eieren die zij hebben, worden zoowel door den man als
door de vrouw ijverig bebroed. Het is even als onze koekoek een
levendige en bewegelijke vogel met ’t echte koekoek-uiterlijk, ’t
zelfde lange slanke lichaam, dezelfde krachtige korte snavel. Z’n
achterteen evenwel heeft een lange nagel „de spoor”, waaraan hij z’n
naam te danken heeft.
In tegenstelling met onzen koekoek en den Didrik voedt hij zich met
bessen en zaden, in plaats van met insecten.
Van den TOEKAN (RAMPHASTOS ARIEL) (No. 73), een zeer algemeenen vogel
in Brazilië, weet men, ondanks z’n veelvuldig voorkomen, zeer weinig
van het voedsel, dat hij gebruikt. Men verschilt zelfs van meening of
het plantaardig dan wel dierlijk zal zijn. In gevangenschap zijn de
vogels alleseters, in de vrijheid, als zij hoog in de toppen van de
Braziliaansche boomen van kruin tot kruin zweven, is het moeielijk na
te gaan waarmee zij zich voeden. Eigenaars van bananenplantages zijn
evenwel niet op hunne bezoeken aan de tuinen gesteld, daar deze er zeer
merkbare schade van ondervinden.
Voor de inlandsche bevolking van Brazilië zijn de vogels van belang,
omdat zij hen in het droge jaargetijde een uitnemende voeding opleveren
en er dan ook op deze dieren gejaagd wordt.
De mooie gele veeren, die de vogel aan de keel en aan de stuit heeft,
worden door de inboorlingen veel gebruikt als versiering van hunne
kleeding. Zij maken er zelfs mantels van. Daar zij er
begrijpelijkerwijze zeer veel veeren voor noodig hebben en zij zelf
inzien, dat de vogel tot uitsterven gebracht zou worden als zij gedood
werden, hebben zij een ander middel bedacht om die veeren te
bemachtigen. Zij schieten daarom de vogels met zeer licht vergiftigde
pijlen, zoodat zij slechts door ’t gif bedwelmd worden en neervallen.
De verlangde veeren worden nu uitgerukt en bijgekomen vliegen de dieren
weg, om misschien in hun verdere leven éénmaal per jaar dezelfde
bewerking te ondergaan.
De snavel van deze pepervreters lijkt ons onevenredig groot toe en
schijnt buitensporig zwaar te zijn. Het tegendeel is waar, daar deze
geheel uit een zeer poreuse massa bestaat en juist buitengewoon licht
is.
De BAARDVOGELS (BUCCO VERSICOLOR) (No. 74) onderscheiden zich door hun
snavelaanhangsels, want de veeren aan de snavelbasis zijn tot talrijke
borstels geworden, aan welke merkwaardigheid hij zijn naam van
baardvogel te danken heeft. Het zijn prachtige, in allerlei bonte
kleuren prijkende vogels; hun voedsel, dat uit insecten bestaat, is er
in overvloed, zij doen dan ook niet veel moeite het te vangen. ’t Zijn
trage, domme en luie vogels. Deze eigenschappen gevoegd bij hun stille
roerlooze houding en geestelijke starheid heeft hen waarschijnlijk aan
den bijnaam van „Woudrechters” geholpen.
In Afrika komt in sommige streken de HONINGWIJZER (INDICATOR INDICATOR)
(No. 75) voor. Daar waar zij zich ophouden zijn zij gauw genoeg aan
iedereen bekend om hun eigenaardige gewoonten de menschen te brengen
bij de dingen, die om de een of andere reden hunne opmerkzaamheid
trokken. En die zijn vele. Leeuwen, tijgers, luipaarden, bijenzwermen
brengen hen dikwijls in opwinding en doen hen roepen. De inboorlingen,
die graag honig uit de raat verorberen of een bijenzwerm mee naar huis
willen nemen, volgen de roepstem van het beestje in de hoop iets van
hunne gading te vinden. Door dit voor hen zoo voordeelige feit hebben
zij over ’t hoofd gezien dat de vogel hen ook even vaak brengt bij een
kreng—zoo noemt men een dood dier—een leeuw of een luipaard of zelfs
wel bij olifanten.
De meeningen, zooals die ons uit reisbeschrijvingen bekend zijn
geworden, loopen dan nogal eens uiteen op dit punt. Het is een feit,
dat de honig in Afrika overvloedig voorkomt en dat de inboorlingen als
zij honig gaan zoeken, op het gedrag van deze vogel letten. En ook al
was de oorspronkelijke bron van agitatie een andere, al „gidsende”
wordt de aandacht van deze dieren vaak afgeleid en brengen zij de
Hottentot toch bij een bijennest.
Wel een eigenaardig instinct! In enkele reisbeschrijvingen vindt men de
eigenaardigheid van den vogel, dat hij de menschen zoo „lokt”
aangegeven als „dienstijver” of „slimheid”. ’t Spreekt wel haast
vanzelf dat dit niet zoo is. Want niet alleen de mensch volgt het
roepen van den vogel; de honigdas, die in die streken voorkomt, geeft
daar ook gevolg aan. ’t Waarschijnlijkst is het evenwel dat de vogel
als hij een bijenzwerm ziet, daarop reageert door te roepen; dat de
honigdas en de mensch op dit roepen weer reageeren met
nieuwsgierigheid, die tot volgen dwingt en dat ’t vinden en plunderen
van de bijenstaat, de vogel weer de ervaring geeft, dat mensch en das
de honig kunnen bemachtigen en...... dat er dan ook altijd iets voor de
vogels op over schiet n.l. het broed. Hottentotten geven echter nooit
heel veel hiervan weg. In de eerste plaats niet, omdat zij het zelf ook
niet versmaden en in de tweede plaats niet, omdat de vogel wanneer zijn
honger niet gestild is, doch de lekkere smaak van ’t beetje afval „hem
naar meer smaakt”, zoodat hij hen nog bij andere bijennesten brengt.
In ons eigen land zijn het de spechten, die samen met de koekoeken de
klimvogels vertegenwoordigen. De GROENE SPECHT (GECINUS VIRIDIS) (No.
76) is aan ieder bekend, die wel eens in bosschen gewandeld heeft. In
boschrijke streken hoort men bijna overal zijn lach, die luid begint en
langzaam zachter wordt. Ook kan men hen vaak hooren kloppen en hameren
tegen de boomen. Met krachtige, korte slagen wordt met de sterke snavel
tegen de boomen gehakt; ’t resultaat van die pogingen kan men dikwijls
genoeg aan de splinters zien, die beneden aan de voet van den boom in
het zand liggen. Met dit hakken onderzoekt de specht of de boom, die
hij onderhanden heeft, geschikt of niet geschikt is tot ’t maken van
zijn nest. Van alle boomen, die hij tot zijne beschikking heeft, kiest
hij daartoe ’t liefst diegene uit, die door een zwam of schimmelziekte
zijn aangetast en dus binnen in den stam hol of vermolmd zijn. Het is
de specht vaak verweten, dat hij door ’t hakken in de boomen zeer
schadelijk zou zijn; sinds men evenwel weet dat hij slechts dàn gezonde
boomen neemt als er geen zieke zijn, is die grief tegen hem erg
vermindert. Men kan nu andersom redeneeren en afgaande op ’t
spechtengat in een boom tot de conclusie komen, dat de boom, hoe gezond
hij op ’t oog ook leek, toch ziek was.
Het aardigste laantje met spechtennesten, dat ik ken, is in de buurt
van Castricum. Daar is iedere boom van minstens twee of drie gaten
voorzien.
’t Is de moeite waard om een specht aan ’t werk te zien. Hij klimt van
onderen af tegen den stam op, de nagels van zijn teenen in de schors
geklemd en steunend op zijn staart. Deze laatste is wel haast even
onontbeerlijk voor zijn klimpartijen als zijn klimvoeten. Daarom zijn
de schachten tot aan het einde heel dik en sterk en aan de stuitkant
juist veel dunner en elastischer, zoodat de staart bewegelijk is en in
een hoek met ’t lichaam geplaatst kan worden om tot steun te dienen.
Trouwens de geheele lichaamsbouw van dezen vogel is merkwaardig
practisch voor zijne levenswijze. Z’n snavel is beitel en hamer gelijk.
De bevestiging van den kop aan den romp is zoodanig, dat de vogel zijn
kop buitengewoon gemakkelijk bewegen kan en door zijn zeer sterke
halsspieren in staat is de noodige kracht uit te oefenen.
De tong van den specht is ook een merkwaardig instrument en uitermate
geschikt voor het verwerven van voedsel. De specht eet graag insecten
of insectenlarven. Deze insecten, kevers bijvoorbeeld boren zich vaak
in ’t jarige hout. Een specht nu, steekt zijn heele lange, dunne tong
in die gang en spiest er de vette keverlarf mee vast aan de punt, die
scherp en hoornachtig is en van weerhaken voorzien. De larve kan
hierdoor niet verloren gaan als de specht hem door de nauwe gang trekt.
Bovendien is de tong zoo buigzaam dat hij alle kronkelingen en bochten
van die gang volgen kan.
Van die bewegelijkheid maakt de specht nog op een andere manier
gebruik, n.l. om mieren mee te vangen. Evenals de draaihals, een van
z’n familieleden, is onze specht dol op mieren. Van de beten en de
besproeingen met mierenzuur, waarmee deze kleine diertjes zich
voornamelijk verdedigen, trekt hij zich niets aan. Op zijn dooie gemak
hakt hij een mierennest in stukken en zoekt de poppen, die hij met
smaak verorbert. Als de oude mieren dan in drommen er op af komen om
den inbreker te bestraffen, steekt hij rustig zijn geheele tong uit.
Deze is geheel omgeven door een laag kleverig slijm, waar de mieren aan
vastplakken, als vliegen aan een gompapiertje en door er een kronkelige
beweging mee uit te voeren werkt hij hen vliegensvlug naar binnen.
De MUISVOGEL (COLIUS MACRURUS) (No. 77) komt slechts voor op het vaste
land van Afrika. Muisvogels wijken nog al erg van andere vogels af,
daarom veranderen zij nog al eens van plaats in het systeem. Zij leven
in troepen in buitengewoon dichte boschjes van groote doornstruiken,
die bovendien nog met slingerplanten doorvlochten zijn. Voor een mensch
is het onmogelijk zich er een weg doorheen te banen, zelfs met bijl en
jachtmes niet, zoo dicht omstrengelen die doornige takken zich. De
muisvogel trekt zich daar niets van aan. Grauw-grijs als een muis en
even vlug en behendig vinden zij hun weg door allerlei nauwe gaatjes en
gangetjes. Een onderzoeker, die aan den rand van deze dichte bosschages
zit, kan niet vlug genoeg wezen om te zien of het een vogel was of wel
een ander dier, dat daar zoo vlug als een schaduw weg vluchtte.
Van alle vogels, die zoo in het algemeen de belangstelling en de
opmerkzaamheid van de leeken trekken, omvat de zesde en laatste groep,
waarvan de vertegenwoordigers zich van die der vijfde groep vooral door
de stand der teenen onderscheiden, die der