heel groote vogels zijn. Dat er vogeltjes onder zijn, zooals bijv. het
kleine strandloopertje, dat iets grooter is dan een vink, of dat er een
reigertje is, ’t woudaapje, zoo klein als een krielkippetje, wist hij
niet.
Steltlooper is iedere vogel, die een lang loopbeen, (fig. 1. m. (l)) en
geen zwemvliezen of slechts zeer kleine tusschen de teenen heeft. In
dit laatste geval spreekt men van waadpooten. Ook zijn de schenen (fig.
1. s.) der steltloopers geheel „naakt”, waarmee bedoeld wordt, dat zij
zonder veeren zijn.
Het loopbeen wordt bij vogels gevormd door de beenderen, die bij de
menschen de middenvoet (fig. 2. m.) vormen. De samenstellende deelen
van een ooievaarspoot en een menschenvoet zijn dezelfde. Ze verschillen
alleen in grootteverhouding en zijn bovendien met elkaar vergroeid,
waar de menschenbeenderen los zijn.
De middenvoet der menschen is kort, en bestaat uit een rij van 5 losse
beenstukjes. Ze vormen dat deel der voet, dat gelegen is tusschen de
teenen en den enkel. Bij een vogel is de geheele rij van deze
beenstukjes met elkaar vergroeid en zeer lang geworden. Hierdoor komt
hun enkelgewricht (fig. 1. e.) hoog boven den grond, zoo ongeveer op de
plaats waar wij de knie (fig. 2. k.) hebben. Daar het geheele dijbeen
(fig. 1. d.) der vogels in den romp is opgenomen, komt ’t eigenlijke
kniegewricht (fig. 1. k.) der vogels op de plaats van ons heupgewricht
(fig. 2. h.).
Dat de pooten der Steltloopers zooveel langer zijn, dan die der andere
vogels, ligt voornamelijk aan hun buitengewoon lang loopbeen.
Een zeer groot aantal van onze inlandsche vogels, behoort tot deze
groep. In ons land toch, vinden zij het water en de moerassige gronden,
waar zij zich zoo thuis voelen.
Zooals in iedere systematische afdeeling behooren ook in deze groep der
Grallatores, een paar vogels, die men op ’t eerste gezicht niet tot de
Steltloopers zou rekenen, doch die er om systematische redenen bij
ondergebracht moeten. Hier zijn het de Chionis, die meer aan een duif
en de trapgans of Otis tarda, die werkelijk meer aan een gans doet
denken.
Chionis, een vogel van het Zuid-Poolgebied, waar hij in verschillende
soorten voorkomt, hoort tot de eerste orde der steltloopers, n.l. tot
de CURSORES. De ZUIDPOOLKIP (CHIONIS ALBA) (No. 23), leeft in ’t Zuiden
van Zuid-Amerika. In de pinguïn-kolonies zijn het ware
rustverstoorders, want zij rooven van menig pinguïn-paartje het
kostbare ei en eten het op. Zij stelen brutaal het voedsel, dat de oude
vogels met zooveel moeite voor hun jong gehaald hebben, onder de neus
van beide ouders weg. Van hunne luide en verontwaardigde protesten
trekken zij zich geen steek aan, maar zien alweer rustig naar een ander
slachtoffer uit.
Het minst typisch steltlooperachtig is wel de snavel van deze
Zuidpoolkip. Deze is kort en gedrongen en met een hoornkapje overdekt.
Onder dit kapje zitten de neusgaten. De beteekenis hiervan is niet
bekend.
De steltloopertjes, die aan m’n kalmen Frieschen vriend z’n
enthousiaste ontboezeming ontlokten, zijn pittige kleine vogels, zooals
de pleviertjes, kieviten, kluiten, grutto’s, wulpen, tureluurs,
strandloopertjes, snippen en wat nog meer aan dit langpootig en
langsnavelig gevogelte in de orde der Cursores is ondergebracht.
Wie het rijke vogelleven bij de Lemmer en op de Friesche wadden heeft
gezien, zal zich dat enthousiasme kunnen begrijpen. Daar zijn zij bij
honderden en honderden van allerlei soorten bij elkaar. Er is niets
beters dan op een lentemorgen de schorren op te gaan. Telkens vliegen
troepjes vogels op, de lucht vervullend met hun melodieuse, weemoedige
klanken. Het is een concert van de meest simpele, maar roerend-mooie
wijsjes. En, zooals een muziekliefhebber de orkestmuziek ontleedt en
uit dien chaos van klanken ieder instrument afzonderlijk tracht te
herkennen, zóó probeert de vogelvriend in dit koor de verschillende
stemmen uit elkaar te houden. Er is er geen een, die z’n oor ontgaat.
Als tusschen het tjú-ū-whi͞et van de tureluur, ’t oé-li͞ep oé-li͞ep van de
wulp, ’t geestige getwetter van grŭt’tō, grŭt’tō en ’t hooge ie-wiet
van de kiewiet, ’t goudpleviertje met zeldzaam zoete stem z’n lang
uitgehaald tlú-i͞eje, tlu-i͞eje laat hooren, ontgaat het hem niet. Zijn
geoefend oog weet ’t zeldzame vogeltje wel tusschen de andere uit te
halen, zoo goed als z’n geoefend oor de stem herkende.
GOUDPLEVIERTJES (CHARADRIUS APRICARIUS) (No. 24), die ’s winters vaak
met andere plevieren en strandloopertjes in ons land langs de zee
voorkomen, zijn hier zeldzame broedvogels. Hun thuis, hunne broedplaats
ligt veel noordelijker, in de toendra’s van Lapland, Finland en
Siberië. Daar zijn zij karaktervogel van die groote moerassen. Daar
zijn zij de lenteboden, zooals de kieviten bij ons. Zij zijn er heel
den zomer, eerst in paren, later met hunne jongen. In ’t najaar voegen
de verschillende families zich bij elkaar. Deze kleine troepen
vereenigen zich tot groote, die met de komst der koude wegtrekken. Ver
weg ’t Zuiden in, soms wel tot China en Afrika toe.
En de moerassen liggen dan verlaten en doods. Niets dan de wind, die
somber en triest er over giert, wordt gehoord.
Hoe moet ’t hart van de menschen, daar, op de toendra’s, van vreugde
opspringen, als voor ’t eerst na den langen winter, het helder,
melodieus en toch zoo weemoedig klagend tlú-i͞e van ’t goudpleviertje
over de velden klinkt. Hoe dankbaar moeten zij die sierlijke kleine
vogels zijn, wier komst hun zegt: „Houdt moed, menschen! De lente heeft
ons vooruitgestuurd, om te zeggen, dat zij in aantocht is. Weest blij,
het is al haast gedaan!”
Een enkele keer broedt een paar goudplevieren in ons land. De stem van
het mannetje wordt vroolijker in den paartijd; een triller in z’n
klagende roep doet deze haast overmoedig klinken.
De jongen, die direct na het uitkomen het nest verlaten, worden met
wormen en insecten groot gebracht. Ook de ouden voeden zich hiermee.
Daar er een menigte steekmuggen en larven van Agrostis segetum, de zoo
schadelijke aardrups onder zijn, doen zij als verdelgers van deze
lastige en schadelijke insecten een nuttig werk.
Het is een opvallend feit, dat ’t mannetje van deze soort in z’n
prachtkleed op de borst donkerder is, dan van boven. Een eigenschap,
die hij met drie van zijn familieleden, de morinelplevier, ’t bonte
strandloopertje en de goudkievit gemeen heeft. Geen van deze is echter
zoo glanzend diepzwart als ’t goudpleviertje. In den winter evenwel
hebben ook zij een lichte onderkant, evenals andere vogels. Daar een
lichte onderzijde zeer groote biologische beteekenis voor de dieren
schijnt te hebben, zooals Thayer, een Engelsch schilder, in z’n boekje
„Concealing coloration in the animal Kingdom” heeft verdedigd, wordt
zoo’n donkere onderkant wel heel merkwaardig.
Het is voor een dier van veel belang niet op te vallen, doch zich te
kunnen verschuilen voor z’n vijanden. Voorbeelden hiervan zijn
overbekend. Denk maar eens aan de wandelende takken en bladeren, die
toch niets anders zijn dan insecten, die door hun uiterlijk en houding
op verbluffende wijze een tak of een blad nabootsen. Maar niet alleen
onder de lagere dieren, ook onder de gewervelde dieren vindt men iets
dergelijks.
De eigenaardige strepen aan de hals van de roerdomp bijv. schijnen ’t
dier, als het met uitgestrekte hals tusschen de riethalmen staat,
geheel onzichtbaar te maken. Buiten zijn natuurlijke omgeving evenwel,
zijn die strepen zeer opvallend. Zeer duidelijk is ditzelfde ook het
geval de strepenteekening op een zebrahuid. Hoe fel en scherp lijken
die strepen ons, wanneer we de dieren in hun hok in Artis zien. Doch in
de Afrikaansche steppen tusschen ’t hooge, breede, verdorde gras, moet
de zebra zich even uitnemend verschuilen als onze roerdomp in ’t
rietland. Een gewone grauwe ezel evenwel zou daar, in die gele
Afrikaansche steppe, geheel uit den toon vallen en scherp tegen zijn
omgeving afsteken, waardoor de roofdieren hem eerder op zouden merken.
Thayer gaat zelfs nog veel verder en beweert, dat iedere kleur of
teekening van een dier in de natuurlijke omgeving van belang is. Ook de
pauw, met zijn schitterend groen en blauwe staart zou zich geheel
oplossen in het heerlijk groene oerbosch. De flamingo’s, die tegen ’t
ondergaan der zon in ’t blauwe water van de Middellandsche Zee gaan
visschen, bootsen de wolken van ’t avondrood na. En, hoewel deze
veronderstellingen wel wat te fantastisch zijn voor ’t solide en
langzame brein van den gemiddelden bioloog, toch kan niet ontkend
worden, dat Thayer een heel aardige verklaring heeft gegeven voor lang
bekende feiten.
Het meest geloofwaardig evenwel, is z’n verklaring voor het nut van een
lichte onderkant, waardoor het dier zich vervlakt. Van boven toch,
ontvangt ieder voorwerp ’t meeste licht, aan den onderkant veel minder,
terwijl bovendien de slagschaduw hem nog donkerder maakt. Was nu de
vogel aan den onderkant van dezelfde kleur als den bovenkant, dan zou
deze toch lichter lijken door de groote hoeveelheid licht, die ze
direct ontvangt, terwijl de buik veel donkerder zou zijn.
Is nu een vogel aan de bovenkant grauw en aan de onderkant licht of wit
gekleurd, dan wordt het verschil in verlichting genivelleerd door het
verschil in kleur.
Wij, in Holland, behoeven de Lappen en Finnen hun goudplevieren niet te
benijden. Onze lentebode, de KIEVIT (VANELLUS VANELLUS) (No. 25) is op
z’n minst genomen even aardig.
Hoewel de kieviten in Holland en Zeeland altijd een paar dagen eerder
gesignaleerd worden dan in Friesland, wordt daar steeds ’t eerste ei
geraapt. Dáár, in de vlakke landen, die door hun gemis aan boomen nog
veel lager, vlakker en wijder lijken dan onze Hollandsche weiden,
vinden kieviten hunne hartsbegeerten. Hun paradijs ligt evenwel in de
buurt van de Lemmer, misschien wel het rijkste vogelhoekje van ons
land. Een tocht daarheen behoort tot één van die groote vreugden, die
voor zoo weinig geld te verkrijgen zijn. Je stapt daartoe ’s avonds op
’t Lemmer bootje, dat je zelf en je fiets voor één gulden over de
Zuiderzee brengt. ’s Nachts om twaalf uur vertrekt het van de
Ruyterkade en den volgenden morgen, tegen vijf uur, als de zon den
hemel achter het stadje Lemmer purper kleurt, stap je aan wal. In de
ochtendkilte doet ’t goed flink door te fietsen en als de lentezon hoog
genoeg staat, om je met haar stralen te verwarmen, ben je ver genoeg
gevorderd, om op een mooi plekje, langs den dijk het vogelleven gade te
slaan. Vlak langs den weg zie je, hoe de hupsche kemphaantjes hunne
tournooien leveren. Je bewondert „wit-kraag”, „zwart-kraag”,
„spikkel-kraag”, „goud-kraag” en hoe je hen verder naar hun, voor ieder
mannetje verschillend gekleurde kraag, noemen wilt, terwijl je geniet
van hun drukke bewegelijkheid en krijgshaftige standen. En al deze
agitatie is voor ’t nietige grauwe vrouwtje, waarvoor zich, na
volbrachten strijd, het mannetje in diepen deemoed neerbuigt!
Van kieviten, tureluurs en grutto’s wemelt het daar, zoowel buiten op
de schorren als op de weilanden binnen den dijk. Wulpen, plevieren en
strandloopertjes, zoomin als verschillende meeuwen en ontelbare
leeuweriken ontbreken er en alle vervullen de lucht met hunne stem.
Geen wonder dat in ’t land, waar zooveel vogels zijn, het eierzoeken
een sport is die door ieder beoefend wordt, of ten minste in de jeugd,
beoefend werd. Het zoeken van kievitseieren is evenwel de meest
geliefde tak van dit bedrijf. Niet alleen om het materieele voordeel
dat de verkoop van de zoo gezochte eieren oplevert. De moeilijkheid,
uit het vliegen van den vogel op te maken, of hij eieren heeft, en wáár
hij ze gelegd heeft, maakt het zoeken zoo aantrekkelijk. Zoo is ook de
„eer” van het vinden van ’t eerste kievitsei, dat volgens de traditie
aan de Koningin wordt gezonden, van nog veel grooter belang, dan de
tien gulden, waarmee dit eerste ei altijd betaald wordt.
Al een week van te voren weten de eierzoekers of een kievitenpaartje
z’n eerste ei zal krijgen. Zij zien aan ’t gedrag der vogels wanneer
het er is, en zoeken dan ’t nest. En als zij ’t vinden met reeds twee
eieren er in, schamen zij zich, in plaats van blij te zijn met ’t
voordeeltje. Want ieder rechtgeaard eierzoeker beschouwt het als een
schande, het zoover te hebben laten komen.
Soms, met een zachte kwakkelwinter, blijven er kieviten in ons land.
Waarschijnlijk zijn het dan vogels, die Noordelijker gebroed hebben,
terwijl de vogels, die bij ons broedden, het Zuiden ingetrokken zijn.
Zeker weet men dit evenwel nog niet.
Met strengere winters verdwijnen zij evenwel allemaal. Een van de
vreugden, die het gevolg zijn van een kouden winter is de verrassing,
deze pittige sierlijke vogels op een morgen in Februari of Maart over
de weide te zien stappen, of te hooren, hoe zij met heldere stem vanuit
de blauwe lucht zichzelf aankondigen: „Kievit, we zijn er weer”. Het
antwoord is dan een zwaai van m’n hoed, een lachenden groet en met
blijde stem roep ik hun toe: „Hallo kievit, ’k ben blij dat je er weer
bent. De winter was zoo lang. En al was ’t gezellig, te zitten bij den
brandenden haard of met schaatsen onder de voeten de wereld door te
vliegen, al was ons Holland prachtig in z’n sneeuwdos, al waren de
boomen wonderen van kantwerk, toen de rijp hen bedekte, ik ben blij,
dat je er weer bent, om ons te vertellen, dat het Lente wordt.”
Tot in Groenland toe brengen zij hun blijde boodschap. In Afrika worden
zij dan gemist, daar beteekent hun vertrek de komst van het natte
jaargetijde.
Voordat de groote massa van de kieviten komt, zijn er altijd een paar
voortrekkers. Die hebben blijkbaar haast, het terrein te verkennen en
de mooie plekjes uit te zoeken. Het liefst nestelen zij op lage landen,
in de buurt van water, maar ook in de duinen of op de hei weet de
kievit het zich gemakkelijk te maken. Als er water in de buurt is, is
hij overal tevreden.
De gewoonten van een kievit zijn zoo geestig en belangwekkend, dat ze
daardoor het geheele jaar de vreugde van ieder natuurliefhebber uit
maken. Of het de sierlijke vluchten zijn, die hij maakt om z’n wijfje
te bekooren, of de deftige buigingen en vroolijke pirouettes, die hij
in ’t gras voor haar maakt, of de dolle buitelingen in de lucht,
waarmee hij z’n levenslust tracht te uiten, of wel de listige
bewegingen en schreeuwen, waarmee een oude kievit een onervaren
eierzoeker van z’n nest weet af te houden, altijd is deze vogel den
tijd meer dan waard, die we aan hem besteden.
Hoe mooi is hij bovendien! Glanzend zwart-groen zijn de veeren van
vleugels en rug. Helder wit schittert z’n borst. Z’n kop draagt ’t
kwieke kuifje. Wat trippelt hij pittig over de weiden, telkens met een
schok stilstaand. Soms steekt hij dan z’n kop spiedend omhoog en strekt
daarbij z’n heele bovenlijf. ’t Is alsof hij op z’n teenen gaat staan.
Deze beweging herhaalt hij eenige keeren om dan weer vol strakke
bewegelijkheid verder te trippelen. Soms rent hij door de weilanden,
alsof hij tot krijgertje spelen uit wil noodigen. In de lucht is hij
een eerste acrobaat, daar buitelt en „looping-the loopt” hij dat het
een aard heeft. Hel wit flitst dan de blinkende onderkant van z’n
vleugels. En deze uitbundige vogel is moedig als weinig andere. Z’n
broedsel beschermt hij tegen alle mogelijke vijanden, die vaak veel
grooter zijn dan hij zelf. Een buizerd bijv. valt hij in de vlucht aan
en al kan hij hem geen baas, hij berokkent hem zooveel last, dat hij
het kievitennest opgeeft en ergens anders naar een minder dapper en
waakzaam ouderpaar uitziet.
Wie van deze steltloopertjes houdt (en welke Hollander doet dat niet?)
weet niet goed te zeggen, welke nu wel de allermooiste en de
alleraardigste is. Als je er over vertelt, gaat het je als een kind,
dat bloemen plukt. Zooals zij telkens meent, dat er verder een mooiere
bloem is dan de vorige, zoo vinden wij telkens de eene vogel weer
aardiger dan de andere.
Ik zal dus niets meer zeggen van de grutto’s, de tureluurs, de
kemphaantjes, de scholeksters, de ruiters en wat er in ons land nog
meer aan dit langpootig en langsnavelig gevogelte valt waar te nemen.
Alleen van enkele zeldzame of merkwaardige vogels, zooals de KLUIT
(RECURVIROSTRA AVOSETTA) (No. 26) wil ik nog wat vertellen. Hoewel niet
zeldzaam, wat het individuen-aantal aangaat, is hij maar op enkele
plaatsen te vinden, daar hij zeer speciale eischen aan z’n broedgebied
stelt. Hij verlangt, dat het voor menschen moeilijk toegankelijk is en
dat er water, slik en zout te vinden zal zijn. Daar zeer weinig streken
aan al deze voorwaarden voldoen, is dit de oorzaak dat men hem slechts
broedend aantreft langs de kusten der Noord- en Oostzee en in IJsland
en langs de zoutmeeren van Hongarije. In ons land broedt hij op drie
plaatsen: Texel, de Beers en Schouwen. In Engeland is hij uitgeroeid.
Het is een mooie vogel, wit, met zwarten kop en zwarte vlekken op
vleugels en rug. Tijdens z’n vlucht, met de typisch neerhangende
vleugels, valt de vreemde teekening duidelijk op. Hierdoor en door de
ingetrokken hals en de ver naar achteren uitstekende pooten is hij
direct te herkennen. De snavel, die naar boven is omgebogen, schijnt
zeer onpractisch. De vogel weet er evenwel goed gebruik van te maken,
als hij hem in ’t slik duwt en hier naar voedsel zoekt.
De kluit is één der steltloopers, die goed kan zwemmen, daar hij
zwemvliezen tusschen de teenen heeft. Zij komen betrekkelijk pas laat
in ons land, want in April wordt zijn melodieus maar klagend: klú-i͞e-ĕ,
klú-i͞e-ĕ voor ’t eerst gehoord en in September trekt hij al weer weg,
heel ver ’t Zuiden in, tot aan de Kaap toe.
Strandloopertjes daarentegen zijn vogeltjes, die ’s winters in ons land
komen en in ’t voorjaar naar het Noorden trekken, waar zij hun
broedgebied hebben. Aan ons Noordzeestrand ziet men ’s winters, vlak
langs de branding, troepen van deze kleine vogeltjes aan het visschen.
De KANOETSTRANDLOOPER (TRINGA CANUTUS) (No. 27) is misschien wel de
mooiste ervan. Tusschen zoo’n troepje vindt men ook vaak pleviertjes en
’t kleine strandloopertje (Limonites minuta), hoewel deze laatste ook
dikwijls zonder vreemden in hun troepje leven. Zoo’n troepje
strandloopertjes is aardig om te zien. Deze allerliefste kleine
diertjes loopen verbazend vlug, zoo vlug, dat men hunne pootjes niet
meer afzonderlijk waarnemen kan en zij niets anders lijken dan rollende
bolletjes. Tot zij op eens opvliegen, zachte fluitgeluidjes maken en
een oogenblik later weer neerstrijken om hun race, tegen wind in, weer
te beginnen.
SNIPPEN (SCOLOPAX) worden door veel menschen in één adem genoemd met
patrijzen. Waarschijnlijk, omdat voor de menschen het culinaire
genoegen, dat deze beide vogels aan de smulpapen verschaffen, van
overwegend belang is. Toch zijn zij in ’t geheel geen familie van
elkaar, daar de patrijzen tot de hoenders behooren, terwijl de snippen
steltloopers zijn.
Snippen vormen over geheel Europa een zeer geliefd wild en worden,
vooral tijdens de najaarstrek druk gejaagd. Zij gelden bij de meest
verfijnde lekkerbekken voor een exquise lekkernij...... mits zij met
ingewanden en al gebraden worden. Want het allerfijnste gedeelte van
deze vogels vormen juist deze ingewanden, met hunne half verteerde
inhoud van insectenlarven en de ± 200 lintwormen (ieder ongeveer 18
c.M. lang) die er in leven. Een fijnproever, die „z’n drekkie” niet in
z’n snip vindt, acht zich door z’n poelier bedrogen. Het is toch soms
wel heel erg prettig, maar een dood gewoon mensch te zijn en te mogen
grillen van dergelijke tractaties.
Hoewel op deze vogel door de jacht, die er op gemaakt wordt, meer is
gelet dan op andere, zijn z’n gewoonten niet goed bekend. ’t Is
misschien juister te zeggen: niet goed begrepen, daar de groote massa
aanteekeningen van betrouwbare waarnemers nog al uiteen loopen.
Soms trekken snippen hoog, soms laag, soms langzaam, soms vlug. Maar
waarom zij dat doen en wat de hoogte of de snelheid van hunne vlucht
beïnvloedt, weet men niet.
De vogeltrek is wel een van de wonderlijkste en meest merkwaardige
verschijnselen die we in de dierenwereld tegen komen; ook is het een
van de opvallendste. Geen wonder dan, dat de menschen over dit
verschijnsel hebben gedacht en er een verklaring voor hebben trachten
te vinden. Toch hebben zij met de eenvoudige verklaring, die lang
aanvaard is geworden, groote fouten gemaakt, omdat zij conclusies
trokken uit onvolledige waarnemingen. Men had, behalve het regelmatig
aan en afwezig zijn van de vogels, ook grootere en kleinere troepen van
hen op reis waargenomen. Men hoorde hen ’s nachts, aan de geluiden die
zij maakten, men wist, dat zij op hunne tochten vaak de zee over
moesten en dat zoowel oude als jonge vogels de reis maakten.
Men stelde zich voor dat de oudere vogels, die al meerdere malen de
tocht naar het Zuiden hadden gemaakt, den jongeren den weg wezen. Deze
leeren hem goed kennen, en zijn later in staat, anderen dezelfde dienst
te bewijzen. Men meende, dat de vogels over zee, zéér, zéér hoog zouden
vliegen en dat hun buitengewoon scherpe oogen hen in staat zouden
stellen, de heele zee te overzien en dat zij daardoor den kortsten weg
naar de meest uitstekende landtong zouden vinden. Als zij ’s nachts
vlogen, hielden zij zich bij elkaar door het geven van geluiden. Maar
men meende, dat in ’t algemeen het vliegen bij nacht slechts bij
uitzondering gebeurde, wanneer de tocht over zee te lang was, om in één
dag volbracht te worden.
Nauwkeurige waarnemingen van lateren tijd hebben wel aan ’t licht
gebracht, dat het zóó eenvoudig, als men zich vroeger voorstelde, niet
is.
Men weet nú, dat veel vogels geheel alleen trekken. Wie heeft hen den
weg gewezen, toen zij dat voor de eerste maal deden? Andere vogels
trekken slechts in den nacht. Hoe is ’t mogelijk, dat zij in ’t donker
den weg vinden? Temeer, daar veel vogels laag over zee trekken en dus
niet den geheelen weg kunnen overzien. Ook is de trek over groote
afstanden veelal geluidloos en roepen de vogels slechts dan, wanneer
zij licht zien.
Hoe men dus de trek verklaren moet? Men weet het niet en heeft er over
gedacht of de vogels niet een zeer uitgesproken richtingszin zouden
hebben. Die richtingszin is een van de mysterieuze instincten, die men
erkennen moet, zonder ze te begrijpen. Er zijn zelfs nog menschen, die
eenzelfde onverklaarbare richtingszin hebben en den weg weten te vinden
in een voor hen vreemd gebied. Een overblijfsel van instincten, die ons
vroeger, als kuddedier eigen geweest moeten zijn. Een overblijfsel dat
wij helaas verloren hebben, maar dat nog aan sommigen (o. a.
Nomaden-volken) onschatbare diensten bewijst!
Die richtingszin verklaren? Het is mogelijk dat er nog eens een vernuft
scherpzinnig genoeg is, om ’t te ontleden. Misschien wordt ons daardoor
’t mysterie van deze geheimzinnige kracht geopenbaard. Dan zal hiermee
een ander wonder feit tot nuchtere werkelijkheid worden. Dan zal van ’t
opgeloste probleem de bekoring geweken zijn. Een bekoring, die ons nu
nog gevangen en betooverd houdt.
Met de broedgewoonten van de snip is het al net zoo gesteld: een
tegenspraak tusschen de meest betrouwbare waarnemingen maakt het
moeilijk iets met zekerheid er over te zeggen.
Houtsnippen (Scolopax rusticola) komen eerst tot leven in de
schemering. Overdag houden zij zich schuil. Men ziet hen dan
betrekkelijk zelden. Bovendien weet de vogel een uitstekend gebruik te
maken van z’n kleur, een prachtig voorbeeld voor de theoriën van
Thayer. Want, een houtsnip die „zich dood houdt”, dat is, onbewegelijk
op één plaats zitten blijft, is zoo goed als niet te vinden.
Het is me eens gebeurd, een vleugellamme houtsnip te zien, die
verdwaald was op een landweg. Het beestje volgde getrouw den raad, die
Moeder Natuur hem gegeven had en drukte zich onbewegelijk stil tegen
den weg. Ditmaal zonder resultaat natuurlijk, want tegen den
grauw-zwarten weg viel z’n warm bruine kleur met de onregelmatige
teekening, die zoo aan blaadjes en takjes gelijk is, duidelijk op. Tot
vlak bij, liet hij me komen. ’t Was z’n instinct, die meegekregen
eigenschap, dat hem zoolang tot stilzitten dwong. Maar de angst van ’t
diertje was duidelijk te zien aan z’n oogjes en toen ik m’n hand
uitstak om hem te grijpen, was het gevaar hem te groot. Hij vergat alle
lessen en vluchtte weg, om, buiten ’t bereik van die hand, een meter of
vier, vijf verder zich opnieuw dood te houden. Zoodra dus blijkbaar de
angst wat minder was, dwong z’n instinct hem weer tot het onbewegelijk
neerzitten. Wéér liet hij me nader komen, wéér liep hij weg toen ik te
dicht bij hem was. In een bosch zou deze methode hem ongetwijfeld
geholpen hebben te ontkomen. Hier gaf ’t niets. Het eind was dan ook,
dat ik hem te vlug was en mee naar huis nam, om z’n vleugel te
verbinden.
De snip van onze rietlanden is de WATERSNIP (GALLINAGO GALLINAGO) (No.
28).
Een ander aardig vogeltje van onze rietlanden is DE RAL (RALLUS
AQUATICUS) (No. 29).
Het geldt voor een zeldzaam diertje. Misschien is het niet zoo
zeldzaam, als men wel geneigd is aan te nemen. Het is alleen weer een
diertje met een prachtige schutkleur, dat daardoor weinig in ’t oog
valt.
In Brazilië leeft een familielid van hem, dat z’n sprekend evenbeeld
is. Het is evenwel wat grooter. In Artis, waar er al sinds jaren een
is, is het een van de luidruchtigste vogels en z’n luidruchtigheid is
in hooge mate grappig, daar z’n roepen duidelijk: „Och-bewaar-me” is.
En zoo duidelijk en zoo vol luide verontwaardiging wordt het geroepen,
dat het een glimlach ontlokt aan ieder die het hoort.
Even schuw als de ral is, is de KOET (FULICA ATRA) (No. 30) brutaal.
Overal waar maar een beetje water is, vindt men dezen aardigen,
plompen, gemoedelijken, zwarten vogel, met de witte bles op z’n kop.
Die bles wordt niet gevormd door witte veeren, zooals de bles op een
paardekop uit witte haren bestaat. ’t Is hier, bij de koet, de
afwezigheid van veeren, die de huid vrij laat en wit doet afsteken
tegen de omgevende gitzwarte veeren. Als een koet tusschen eenden en
waterhoentjes op een plas drijft, herkent men hem direct, juist door
die bles.
’t Opvallendst onderscheidt een koet zich van de andere steltloopers
door z’n pooten. Deze zijn n.l. voorzien van gelobde zwemvliezen.
Hierdoor wordt het oppervlak van iederen teen zeer vergroot. Door deze
vergrooting van z’n draagvlak kan de vogel nu met groot gemak over de
waterplanten loopen, terwijl ze hem tevens in staat stellen om te
zwemmen.
Men treft de koet, het hooge Noorden uitgezonderd, in geheel Europa
aan. In zeer strenge winters wordt ook ons land hem te koud en trekt
hij naar het Zuiden. ’s Zomers vindt men hem haast in iedere sloot,
waar genoeg riet is. Zijn nest is moeilijk te bereiken, daar het op het
water tusschen de rietstengels drijft. Vaak rust het op een basis van
oude rietstoppels. De eieren hebben de kleur van het dorre riet en zijn
zeer fijn bespikkeld. Deze spikkels, die grootere en kleinere, dikkere
en dunnere streepjes zijn, komen zeer sterk overeen met de stippels,
die door „roest”zwammen op de doode rietstengels gemaakt worden. De
jongen blijven heel lang tusschen het riet; dat zij er zijn, hoort men
aan een schreeuw of een gelok van de oude, die zich met hen bezighoudt.
’s Avonds, als het donker wordt, brengt zij hen wel op het open water.
Met heel zachte, onderdrukte geluidjes laat moeder dan weten waar zij
is. De jongen zorgen dan wel vlak bij haar te blijven.
Het waterhoentje is ’t sierlijke donkergrijze familielid van de koet en
wordt op precies dezelfde plaatsen aangetroffen. De roode snavel, de
sierlijke bouw, de witte streepen over de vleugels en de roode pooten,
maken hem gemakkelijk herkenbaar.
De stem van dit mooie vogeltje is buitengewoon leelijk. Ieder heeft
deze wel eens gehoord, als de vogel opschrikte en onder het uitstooten
van een rauwe schaterlach, half loopend, half vliegend over het water
rent, zich omhoog heft, even vliegt en zich met een boog in het riet
van den overkant der sloot laat vallen. Waar hij het water met z’n
pooten aanraakte, blijft nog een rimpelspoor achter.
De JASSANA (JACANA JACANA) (No. 31) is hun neef uit Zuid-Amerika. Daar
is deze even algemeen als de koet of het waterhoentje bij ons.
Uiterlijk verschilt hij nog al wat. Dit komt voornamelijk door de zeer
lange pooten met de buitensporig lange teenen. Oppervlakkig geoordeeld
zou men een dergelijk exces ondoelmatig en dwaas kunnen vinden. Op het
land heeft de vogel dan ook veel last van die lange teenen, die hem het
loopen zeer moeilijk maken. Maar in de moerassen en vijvers, waar hij
hoort, blijkt het gemak ervan. Over ’t wateroppervlak, dat met
drijvende bladen van waterplanten overdekt is, loopt het er bliksemsnel
mee. Z’n lange teenen verdeelen z’n lichaamsgewicht. Nu veert alleen de
bladerenmassa onder hem; had hij kortere teenen, ze zouden
waarschijnlijk onder hem wegzinken.
Zoodra deze bizarre vogel onraad merkt, laat hij z’n stem hooren. ’t Is
net als van ons eigen waterhoen een lach, doch klinkt veel
welluidender.
Dat de TRAPGANS (OTIS TARDA) (No. 32) tot de steltloopers behoort en
niet tot de ganzen, zooals de naam, of tot de hoenders, zooals een
oppervlakkige blik op z’n uiterlijk doet vermoeden, dankt hij aan z’n
loopbeen, dat meer dan tweemaal langer is dan de middenteen. Want dit
loopbeen is ’t toch maar, dat voor al deze steltloopers zoo
karakteristiek is.
Deze ongeveer een meter groote vogel, was vroeger algemeen in ons land
en in Engeland. Dat hij daar tegenwoordig niet meer voorkomt, zal wel
in hoofdzaak te wijten zijn aan z’n levenswijze, die hem nu juist niet
tot de aangenaamste gasten in de velden maakt. Hij houdt zich bij
voorkeur alleen op in de vruchtbare streken, waar graan en groene
plantendeelen in overvloed voor hem te vinden zijn.
Het is heel moeilijk een trapgans te zien te krijgen, zelfs in de
Russische steppen, waar hij algemeen voorkomt. Zij zijn zoo schuw, dat
zij zich overdag haast nooit laten zien, maar standvastig tusschen het
hooge koren blijven. Daar zij op open velden slapen en deze niet altijd
aan hun voedselterrein grenzen, kiezen zij de na-schemering of den
nacht uit, om deze op te zoeken. In den vroegen morgen gaan zij weer
terug, met hun waardige, langzame en afgemeten passen den weg
afleggend.
Evenals vele andere vogels kent de trapgans verschillende menschen uit
elkaar en onderscheidt hij den ongevaarlijken boerenknecht of wandelaar
zeer goed van den jager.
De jacht, die begrijpelijkerwijze veel op deze schadelijke vogels
gemaakt wordt, levert daardoor eigenaardige moeilijkheden. De menschen
dienen de vogel te slim af te zijn. Een jager verkleedt zich als een
boer, of een boerenknecht en laat zich in een boerenkar of op een
hooiwagen naar het veld brengen, waarin de ongewenschte gasten
gesignaleerd zijn.
In Engeland heeft men eenigen tijd geleden moeite gedaan, om deze vogel
weer te doen inburgeren. Vijftien stuks werden daartoe tegelijk
ingevoerd en aan de zorg van het publiek toevertrouwd. Met het helaas
al te vaak voorkomend gevolg, dat het publiek zich van deze
verantwoordelijkheid niets aantrok en roekelooze jagers de vogels
neerschoten. Nooit heeft men meer iets van hen gezien.
Misschien heeft de KRAANVOGEL (GRUS GRUS) (No. 33) zich vroeger ook in
ons land opgehouden. Gegevens hierover zijn me niet bekend. Toch lijkt
het niet onwaarschijnlijk, daar de groote moerassen in de buurt van
akkers, die door hen als woonplaats uitgezocht worden, wel niet
ontbroken zullen hebben. De groote moerassen verdwijnen en worden tot
vruchtbare polders. Maar helaas, de vogels verdwijnen ook en niemand
neemt hunne plaats in. Of het moest de mensch zijn, die de polders
bewoont. Jammer genoeg verdwijnen hierdoor de meer aantrekkelijke
dieren.
In Duitschland heeft de kraanvogel nog streken naar z’n hart. Hij
broedt daar dan ook geregeld. Wij zien hem hier alleen nog maar als hij
vandaar uit overtrekt naar de warme landen, naar Egypte of Engelsch
Indië.
In het laatste land met z’n veel te dichte bevolking, worden zij als
uiterst schadelijk beschouwd. Dat is dan ook geen wonder. Want de
verwoestingen die zij in de korenvelden aanrichten zijn
verschrikkelijk. In Egypte eten zij jaarlijks wel 100.000 H.L. graan
op. Daar, in de vruchtbare Nijllanden kan het van de overvloed wel
gemist worden. In Britsch Indië waar men op iedere graankorrel zuinig
is, is het een ander geval.
Alleen de kraanvogels, die Noordelijk broeden, trekken. Zij vliegen
daarbij in grootere en kleinere troepjes, in een rechte lijn achter
elkaar. Zij houden zich aan de groote trekwegen, die voornamelijk langs
de kusten gaan.
Ieder paartje kiest zich, bij de moerassen aangekomen, een bepaald
broedgebied, waarin geen ander nest dan het hunne geduld wordt. Toch
begroeten zij overtrekkende vogels met luide vreugdekreten van hunne
ongelooflijk sterke stem.
Broedende kranen zijn zeer moeilijk gade te slaan. Zij zijn schuw en
weten zich goed te verbergen, daar hunne kleur tijdens het broeden van
fraai licht grijs, tot een vieze, vuile, donkergrijze kleur wordt.
Niemand kon hiervoor een verklaring vinden, tot eens een zeer goed
verborgen waarnemer een wijfje observeerde, dat zonder achterdocht was
en zich onbespied waande. Hij zag toen, dat zij haar veeren met modder
insmeerde en schoot haar neer. Het bleek toen, dat de modder met
speeksel vermengd, zoozeer in de veeren was gedrongen, dat het er niet
uit te wasschen was, maar zich slechts met chemische middelen liet
verwijderen.
§ 2. De tweede orde van de groep der Grallatores (Steltloopers) wordt
gevormd door de PELOPATIDES, die slechts de FLAMINGO’S (PHOENICOPTERUS
ROSEUS) (No. 34) tot haar vertegenwoordigers telt. Wel verdienen deze
wonderlijke vogels een plaats alleen in het systeem. Want nergens vindt
men meer huns gelijke. Toch doen deze vogels in hunne onderdeelen aan
alle mogelijke andere denken. Zij doen aan als een schepping van een
kunstenaar met levendige verbeelding, die dieren construeert uit
stukken van andere. En al werd het hier geen leeuw met een
menschengezicht, die ons met haar sphinxenblikken betooverd houdt, toch
doet de grilligheid van deze vogels ons in blanke verwondering naar hen
staren.
Wat boeit ons wel ’t meeste? Is het de fijne kleur van het teere
roserood der veeren, dat zich in de vleugels even accentueert, als de
blos op de wangen van een kind? Of is het het contrast in de
lichaamsdeelen? De ooievaarspooten met de eendeteenen, de zwanenhals,
die als een slang zich kronkelt of de onevenredig groote, bleekgele
snavel, die de kleine kop zoo topzwaar doet lijken? Ik weet het niet.
Maar ondanks deze, in kleinigheden zich telkens herhalende grilligheid,
wat een harmonisch geheel, wat een sublieme slankheid van lijnen, wat
een rustige voornaamheid in bewegingen.
De snavel is wel het merkwaardigste van dezen vogel. Juist om deze
snavel werden zij vroeger bij de eenden ondergebracht, want deze is
voorzien van een zelfde zeef-apparaat, met dit onderscheid evenwel, dat
bij een eend de bovensnavel over de ondersnavel wordt gelegd en dit bij
de flamingo juist andersom is.
Een eend neemt, zooals iedereen weet, het voedsel zwemmend tot zich en
gebruikt de bovensnavel als deksel over den ondersnavel. De flamingo
zoekt z’n voedsel wadend, of staand in diep water. Door de lange pooten
wordt hij niet nat en de lange hals stelt hem in staat den bodem te
bereiken van de strandmeeren. Het zand of de modder zeeft hij nu met ’t
gevoelige zeef-toestel in z’n bek en gebruikt dan de onderkant van den
snavel als deksel voor de bovenkant, daar hij z’n hals naar binnen
ombuigt en dus de kop onderste boven heeft. En weer verbazen we ons, nu
we zien, hoe alles wat ons aan den vogel verwonderde, beteekenis voor
hem heeft, in verband met z’n levenswijs.
§ 3. De ibis, ooievaar, maraboe, reiger en nachtkwak zijn enkele
vertegenwoordigers van de GRESSORES, de derde en laatste orde der
Steltloopers.
In Europa vindt men eenige vertegenwoordigers van de IBIS-familie (No.
35). Over het algemeen evenwel moet men deze vogels in Afrika, Azië en
Amerika zoeken. In verhouding tot de andere hierboven genoemde vogels,
zijn zij betrekkelijk klein. Zij vallen voornamelijk op door hun naar
beneden gebogen snavel. Bij nauwkeuriger onderzoek blijken zij
bovendien hunne tong te missen.
In Egypte werd de ibis vroeger als heilig beschouwd en in staat van
halve gevangenschap gehouden. De reden voor deze heiligheid lag in hun
komst tijdens de Nijloverstroomingen. Ieder jaar brengen deze
overstroomingen vruchtbaarheid aan landen, die anders zoo onvruchtbaar
zouden zijn als de woestijnen, waaraan ze grenzen. De Nijl was daarom
heilig als brenger van leven en vruchtbaarheid. En de ibis, die gelijk
met het aangebeden en zegenrijke water kwam, moest zich mede de
aanbidding laten welgevallen. Als er een stierf, werd z’n lichaam
gebalsemd met evenveel zorg als dat van een Pharao. Van deze
ibis-mummies zijn er nog massa’s in de oude Egyptische tempels te
vinden.
Terwijl de ibissen in de oudheid zooveel aan de Nijl voorkwamen, vindt
men hen tegenwoordig niet meer in Egypte. Een verklaring weet men niet
voor dit verdwijnen.
Van de LEPELAAR is het verdwijnen makkelijker te begrijpen. Vroeger
vond men hem overal. Nu is hij nog slechts in Holland, waar hij aan een
paar van onze plassen nestelt en bij de groote moerassen van Hongarije
te vinden.
Het Zwanenwater bij Petten en het Naardermeer vormen zijn tegenwoordige
standplaatsen in ons land. Hun kolonies worden er met de uiterste zorg
behandeld en tegen iedere rustverstoring beschermd. Nauwelijks 100 jaar
geleden, broedden de vogels nog in een groote kolonie in de plassen bij
Rotterdam. Toen deze drooggemaakt werden, is de vogel verdwenen.
We kunnen er de „Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten” dan ook
niet dankbaar genoeg voor zijn, dat zij het Naardermeer en z’n
heerlijke vogelwereld voor dat lot behoed heeft. En het is dwaas, het
den eigenaar van het Zwanenwater kwalijk te nemen, dat hij den toegang
tot z’n terreinen streng verbiedt. De eenige manier om natuurschoon in
ongerepten staat te behouden, is het ontoegankelijk voor de menschen te
maken. Want slechts zeer weinigen kunnen liefhebben en bewonderen, om
de vreugde van schoonheid alléén.
De meesten verlangen dit schoone ook te bezitten. En de biologen zijn
misschien nog de ergste vandalen, hoewel men het van hen ’t minst zou
verwachten. Zij bevredigen dit verlangen door het plukken van een
zeldzame bloem, die aan hun herbarium ontbreekt, door het plunderen van
een nest, waarvan de eieren in hunne collectie mankeeren.
Al is het slechts een enkele, zeer bevoorrechte en vertrouwde
natuuronderzoeker, die toegang tot de broedkolonie van de lepelaars in
’t Naardermeer krijgt, het werkelijk belangstellend publiek kan niet
dankbaar genoeg zijn. ’t Broeden kunnen zij wel niet zien, maar de
lepelaars gaan ver om hun voedsel te zoeken. Zij komen tot onder de
rook van Amsterdam, aan de Zuiderzee tot bij Zeeburg, om te visschen.
De verrassing, deze blanke vogel met de zwarte breede en platte snavel
op eens te zien, na alle gewone steltloopers, geeft een vreugde, die
door de zeldzaamheid zooveel te dieper is. Hoe heerlijk is het niet, op
een mooien lentedag aan de Zuiderzeedijk bij Valkeveen of Zeeburg te
liggen, te midden tusschen een overvloed van prachtig rose bloeiend
Engelsch gras. Je kijkt naar eenden, strandloopertjes, grutto’s, wulpen
en tureluurs. Op eens zie je in de zacht-blauwe voorjaarslucht een
schitterend witte vlek, die langzaam grooter wordt. Het zijn lepelaars.
Met sierlijken langzamen slag, die de vleugels doet blinken in de zon,
naderen zij soms twee, soms drie tegelijk, om voor hun middagmaal te
gaan visschen op ’t ondiepe, slikkerige water van de Zuiderzee. We
zullen veel missen, wij, Amsterdamsche natuurvrienden, als deze eens
droog is en den weg op is gegaan van zooveel plassen voor haar.
Maar behalve dergelijke dingen, die door hunne schoonheid en ook om
hunne zeldzaamheid een vreugd voor ieder natuurliefhebber zijn, is ons
leven nog rijk aan vreugden, door kleine alledaagsche dingen.
Hoe waar is ’t woord van den Duitschen dichter: Auch kleine Dinge
können uns entzücken, auch kleine Dinge können zärtlich sein. Hoe rijk
en mooi wordt ons leven niet door ’t opmerken en bewonderen van duizend
kleine dingen, die aan de jagende en jachtende menigte voorbijgaan.
De lente in Holland, die ons zoo’n massa vogels terugbrengt, geeft ons,
bij het weerzien van iedere oud-vertrouwde en bekende vogel, zoo’n
kleine, zuivere vreugde. Als ’t half Maart is en de lente nog talmt met
komen, verschijnt de OOIEVAAR (CICONIA CICONIA) (No. 36) op z’n nest,
op de nok van de boerderij of op de paal in het weiland en kleppert dat
het een lieve lust is. Z’n lange hals buigt hij ver naar achter en hij
zwaait z’n kop, voortdurend met de snavel klepperend naar voren.
Welluidend is het niet, maar toch vinden we het mooi en staan we er
graag naar te luisteren en naar de levenmakers te kijken. Het klinkt
ons zoo opwekkend in de ooren, want, is niet de ooievaar een nieuwe
lentebode, die ons moed inspreekt? De winter was zoo lang en koud. We
verlangden zoo naar groene boomen, blauwe luchten en gouden
zonneschijn. En de vroolijk-klepperende ooievaar belooft ons dat
allemaal. We moeten alleen nog een heel klein beetje geduldig zijn.
Klepper dus maar ooievaar, dat houdt er den moed in.
En klepperend blijft hij staan op ’t nest, dat zoo noodig verzorgd moet
worden. Z’n maat is dan ook weg, om er nieuwe takken voor te halen. Dat
nest is hun kostbaarste bezit. Zij durven het geen oogenblik alleen te
laten. Al eenige jaren hebben zij er op gebroed. Om beurten gaan zij
dus op nieuwe takken uit, om beurten houden zij de wacht. Er kon eens
een ander komen, die het in beslag nam. Alle verrotte, oude takken
worden weggehaald en nieuwe op hunne plaats gebracht.
Jammer genoeg begint het zien van een bewoond ooievaarsnest in
Nederland een zeldzaam verschijnsel te worden. Ons land vormt op het
oogenblik de uiterste westhoek van het verspreidingsgebied van dezen
vogel. In Engeland, waar zij vroeger ook broedend voorkwamen, zijn zij
nu niet meer.
Een vliegende ooievaar is gemakkelijk van z’n bloedverwant, de reiger,
te herkennen, daar een ooievaar z’n langen hals rechtuit naar voren
steekt, terwijl een reiger hem intrekt. Slechts zelden ziet men
ooievaars te samen vliegen, want, zoolang het nest versteld of de
jongen verzorgd worden, blijft er altijd één van de ouders thuis, om
hen te bewaken.
Wat hebben de ouders het druk, om hunne drie of vier naakt in de wereld
gekomen jongen groot te brengen en hunne grage magen te vullen. Van
alles sleepen zij aan: kikkers, visschen, muizen, hagedissen. Zij
treffen het, dat bij ons in den tijd, dat zij het meeste voedsel voor
de jongen noodig hebben, juist de weilanden gemaaid worden. Deftig, met
hun waardigen gang en afgemeten passen, stappen zij achter den maaier
aan. Menige kikker, die in ’t lange gras aan hunne scherpe oogen zou
ontkomen, wordt nu ingeslokt en naar ’t nest gebracht. Komt de oude
terug, dan zijn hun kleinen al gauw mans genoeg om hen op een verren
afstand te herkennen en luide hun vreugde daarover te uiten.
Ondanks de voortdurende goeie zorgen duurt het twee maanden, eer de
kleinen er aan denken hunne vleugels eens te probeeren. Hebben zij dat
eenmaal gedaan, dan leeren zij het vliegen gauw, al kost het hun
moeite, hun angst voor de diepte te overwinnen en den eersten sprong
van ’t nest te wagen. Daarna ziet men de ooievaars geregeld te samen.
Het is maar goed dat de jongen goed geoefend worden, want in September
moeten zij in staat zijn de verre tocht naar het Zuiden te maken. En
als zij krukken blijken, mogen zij niet mee. Op de verzamelplaats, waar
alle ooievaars komen, voor zij den tocht naar Afrika’s warme landen
aanvaarden, worden zij dan met snavelhouwen afgemaakt, naar men zegt.
In Afrika leeft een zeer na verwant familielid, de MARABOE (LEPTOPTILUS
CRUMENIFERUS) (No. 37). Deze broedt in de binnenlanden van Afrika en
niemand, behalve Livingstone, heeft ooit z’n nest gezien. Volgens deze
ontdekkingsreiziger bestaat het uit een massa doode takken, even als
dat van een ooievaar. Als de broedtijd van de maraboe, waarvan
begrijpelijkerwijze geen bizonderheden bekend zijn, is afgeloopen,
trekken de vogels het Noorden in. Toch gaan zij de 15de breedtegraad
nooit te boven. Van Mei tot October is de vogel dan ook in geheel
Noordelijk Afrika een gewone verschijning. Overal vervult hij, met de
gieren een soort reinigingsdienst, daar hij leeft van gestorven dieren.
En deze vogels, die in hun Artishokken zoo plechtig en deftig lijken en
er uit zien als oude heeren, met de handen op den rug, onder de slippen
van hun pandjesjas, laten bij het „kreng” van een rund of schaap, hun
waren aard kennen. Diep steken zij hun leelijke naakte kop met den
vervaarlijken snavel in de buikholte van het doode dier, en als zij een
der ingewanden te pakken hebben, springen en dansen zij achteruit en
winden de darm een heel eind af, eer zij hem naar binnen slokken. Zij
zijn afzichtelijk bij hunne maaltijd.
Behalve zijn naakte kop, die hem zoo gemakkelijk is bij het wroeten in
de ingewanden van doode dieren, (daar hij z’n veeren nu niet bevuilt),
valt aan de maraboe nog de naakte zak onder z’n kop op. Van deze zak,
die de vogel naar willekeur grooter of kleiner kan maken, door hem op
te blazen, totdat hij er zoo strak en gespannen uitziet als een
kermispiepertje, is de beteekenis niet bekend. Het is een eigenaardig
gezicht, deze rose zak te zien zwellen en men krijgt er niet genoeg
van, er naar te kijken, al geeft het z’n afschuwelijke kop nog een
weerzinwekkender aanblik.
Aan de stuit heeft de vogel wat zacht-fijne veertjes, die bij dames
zeer geliefd zijn en voor hen verwerkt worden tot het z.g.
„maraboe-bont”. Zou er wel één vrouw wezen, die zich met deze veeren
siert, die weet, hoeveel van deze groote vogels er gedood moeten, voor
er genoeg veertjes zijn voor haar boa? Om deze veeren wordt er op de
vogel druk jacht gemaakt door de inboorlingen, die hen dooden met hun
speer.
Een familielid van de maraboe is de „nimmerzat”, die z’n naam eer
aandoet, hoewel de maraboe om deze zelfde eigenschap zeker denzelfden
naam zou verdienen. Toch, ondanks z’n onaangenaam uiterlijk, z’n
vraatzucht en z’n bemoeizucht is de maraboe een aardige vogel, die het
hart van de menschen weet te stelen.
Brehm vertelt zelfs, dat hij erg op ’t gezelschap van maraboes gesteld
was en hen voortdurend in z’n buurt hield door afval voor hen neer te
werpen. Een oude Afrikajager, die eens een maraboe van jongs af had
opgefokt, vertelt een verhaal, waaruit dezelfde genegenheid blijkt: De
vogel was in veel opzichten lastig, stal groote stukken vleesch, die
hij gulzig verslond en volgens deze zegsman in z’n keelzak stopte.
(Misschien is dit de beteekenis van de zak, want, volgens het verhaal
van den jager, kon men, na zoo’n diefstal de vogel schuldig verklaren,
daar dan de proppen vleesch en de botten dikwijls heele uitpuilingen
aan de dunne huid van de zak gaven. Met jagersverhalen dient men
evenwel wat voorzichtig te zijn en ook deze verklaring moet onder
voorbehoud aangenomen worden). Ook was hij buitengewoon nieuwsgierig en
haalde alles overhoop. Zoo gooide hij de mandjes met eieren en visch
van de venters door elkaar, een kistje sigaren verstrooide hij naar
alle windrichtingen, kortom, er moest gezorgd worden, dat alles buiten
zijn bereik bleef. Nuttig maakte hij zich evenwel door het verdelgen
van slangen en ratten. Eens, toen een groote zwerm sprinkhanen in ’t
dorp kwam en iedereen zooveel mogelijk van deze dieren trachtte te
vernietigen, hielp hij braaf mee en maakte veel meer slachtoffers dan
alle menschen te samen. Het eenige, wat hij daartoe deed, was met z’n
groote bek wijd open rond te springen. Zoo nu en dan hield hij even op,
om z’n buit door te slikken.
Deze vogel nu, die iedereen in ’t dorp kende, liep vrij overal heen.
Eens kwam er een vreemde inboorling. Belust op de veeren doodde deze
hem en toonde, vol vreugd over z’n buitenkansje, de huid.
De verontwaardiging van de dorpsbewoners uitte zich op een zoo
hardhandige wijze, dat het zes weken duurde, eer de dokter den
ongelukkigen vreemdeling buiten levensgevaar kon verklaren.
De REIGER (ARDEA CINEREA) (No. 38) is in twee opzichten het
tegengestelde van de maraboe. Deze, die een afschuwelijke kop heeft,
was goedaardig van inborst. De reiger daarentegen, die een van de
fraaiste vogels onder de steltloopers is, heeft een zeer onaangenaam
karakter. Dit blijkt wel voornamelijk in zijn huiselijk leven. In de
kolonies, die de reigers op hunne broedplaatsen in hooge boomen vormen,
blijkt hunne boosaardigheid op allerlei wijzen. De menschen zijn dan
ook niets op hen gesteld en in Duitschland moeten hunne broedplaatsen
herhaaldelijk verstoord worden. Gelukkig doet men dat in ons land, voor
zoover mij bekend is, nog niet. Wel zullen de boeren het niet prettig
vinden, als juist de boomen op hun erf tot nestplaats worden verkozen,
want er blijft geen blad aan en ze sterven op den duur. Door al ’t
vuil, zien ze er als witgekalkt uit.
Dat de vogel bij ons niet vervolgd wordt en niet als schadelijk wordt
beschouwd, ligt er misschien wel aan, dat zij hier niemand direct
benadeelen. In Duitschland, waar zooveel zorg aan de fijne
zoetwater-visschen, als karpers en forellen, besteed wordt, is dit een
ander geval. Daar kan een groote kolonie van deze veelvraten geducht
veel schade in de vischvijvers berokkenen. Maar bij ons duldt men hem.
De slooten wemelen van allerlei visschen, waar haast niemand, (of ’t
moest een ijverig lid van de Hengelclub „Het Vroolijke Baarsje” of „de
Lachende Voorn” zijn) zich om bekommert.
En ik ben er blij om, want ik zou dezen prachtigen, sierlijken vogel,
niet graag missen. Wie kan ’t nalaten, hem te bewonderen, als hij
roerloos staat tusschen het riet, of met statige stappen langzaam langs
den waterkant schrijdt? Z’n veeren zijn prachtig blauwgrijs, z’n borst
is hagelwit met een enkele zilvergrijze streep en op z’n kop draagt hij
een sierlijke pluim. Z’n oogen evenwel zijn beslist onaangenaam, heel
lichte, sprille oogen, met een hypnotiseerende uitdrukking zijn het.
Buiten heb je evenwel geen last van hun onaangename blik, want de vogel
laat zich gewoonlijk niet zoo dicht naderen. Z’n stem, die rauw en
krijschend is, laat hij alleen maar tijdens het vliegen hooren.
De NACHTKWAK (NYCTICORAX NYCTICORAX) (No. 39) was vroeger algemeen in
ons land. Nu is hij hier heel zeldzaam. Toch is hij overal in Europa
nog te vinden, als hij maar moerassen vindt, met boomen er om heen,
waarin hij slapen kan. Het is een echte nachtvogel, die eerst met de
schemering tot leven komt.
De ROERDOMP (BOTAURUS STELLARIS) is een vrij kleine reigersoort, die om
z’n veeren merkwaardig is, juist omdat de teekening van z’n kleed hem
aan onze aandacht onttrekt. Dat het hem zoo buitengewoon gelukt zich te
verbergen, komt doordat de strepen aan z’n hals en op de borst, zoo
geheel overeenstemmen met de stengels van dor riet. Als de vogel z’n
hals uitstrekt en in die stand blijft staan, maakt hij zichzelf zoo tot
een deel van z’n omgeving, dat slechts een geoefend oog hem weet te
herkennen. Dat de vogel zich van ’t voordeel, dat deze houding hem
geeft, niet bewust is, blijkt ten duidelijkste uit het feit, dat hij
dezen stand ook aanneemt, wanneer hij in eene andere omgeving is.
Dreigt hem direct gevaar, dan hurkt hij, met wijd uitstaande veeren en
hangende vleugels tegen den grond en schijnt hij een uil na te willen
bootsen. De bedoeling van deze stand lijkt ons dus, z’n vijand om den
tuin te leiden. Terwijl deze de kleine reiger misschien aan zou vallen,
wacht hij zich wel, zich aan een uil te wagen. Doch, zoo weerloos is
een reiger ook weer niet, want in z’n groote, naaldscherpe snavel heeft
hij een geducht wapen. Al lijken deze en andere standen, die soms door
dieren aangenomen worden, ons nog zoo typisch en doelmatig, toch moeten
we wat betreft hun biologische beteekenis, zeer critisch zijn. Want,
wat ons menschen, met onze menschelijke oogen een prachtige schutkleur
lijkt, hoeft aan dieren nog niet zoo voor te komen. Vooral, sinds langs
experimenteelen weg is uitgemaakt, dat veel vogels bepaalde kleuren,
zooals rood en groen, niet waarnemen en dat dus hun wereld er uitziet,
alsof ze door een groen glas kijken.
Hiermee wil ik niet beweren, dat de standen- en strepenteekening der
roerdomp geen beteekenis heeft. Integendeel, wanneer men opmerkt dat de
gewone blauwe reiger een dergelijke teekening aan z’n hals heeft, en
deze gewend is in dezelfde houding met uitgerekten hals, roerloos te
staan, is men wel degelijk geneigd aan een bepaalde beteekenis van deze
strepen te gelooven. Men moet evenwel zich wachten voor voorbarige
gevolgtrekkingen en z’n oordeel slechts met groote terughoudendheid
geven. Zekerheid is nergens.
Reichenow, de bekende schrijver van het „Handbuch der systematischen
Ornitologie, die Vögel”, brengt daarin de roofvogels, te samen met de
hoenders, tot één systematische eenheid, zoodat de vierde groep, die
der