wel verreweg de meeste soorten. Niet in de eerste plaats, omdat deze
groep zooveel rijker aan individuen is, verheugt ze zich in deze
bekendheid. Hoewel de hoeveelheid van vormen, die haar
vertegenwoordigen, in numeriek aantal ver dat van de andere groepen
overtreft, (ja, zelfs nog het aantal vogels, dat in al de vijf overige
groepen is ondergebracht, te boven gaat), is dit toch niet de
voornaamste reden van hunne populariteit. Hiermee wil ik niet
ontkennen, dat dit groote aantal de kans de opmerkzaamheid der menschen
te trekken, niet verhoogen zou. Integendeel! Doch bovenal vallen zij op
door hun zingen. En dan zijn het nog voornamelijk de vertegenwoordigers
van de laatste orde in deze groep, de zangvogels, die dit in hoofdzaak
doen, want veel van de vogels in de eerste drie orden der Boomvogels,
maken er maar wat van als het op zingen aankomt.
De zangvogeltjes zijn en blijven nu eenmaal de lievelingen van het
publiek. Al wemelen onze weiden van de steltloopertjes, al ontbreken de
meest verschillende zwemvogels, hoenders, roofvogels en klimvogels in
ons land niet, zangvogeltjes staan boven aan en hebben de eerste plaats
in ’t hart der menschen. Zij spreken met hun zang direct tot het gemoed
en gevoelig en ontvankelijk hiervoor gestemd door de idyllische
omgeving van een loofbosch en de heerlijke rust van de zomervacantie,
herdenkt de mensch hen in dankbare herinnering en noemt hen „de liefste
vogeltjes”.
Toch, als de mensch niet oppast, zal het aantal van deze bekoorlijke
diertjes snel verminderen en zullen er slechts weinig soorten
overblijven, die in de dagelijksche omgeving zijn vreugde uitmaken.
Want de beschaving dringt zich overal in en neemt bezit van de plekjes,
die reeds sinds eeuwen het eigendom waren van de kleine zangers. De
oerbosschen zijn al lang uit ons land verdwenen, omdat de menschen de
grond en het hout gebruikten. Tegenwoordig verdwijnen zelfs de laatste
schuilplaatsjes hoe langer hoe meer.
Midden door een heerlijk rustig bosch wordt een tram aangelegd en voor
goed is de rust weg, die de vogels voor hun broeden noodig hebben.
Drommen menschen komen op de mooie voorjaarsdagen en genieten van het
heerlijk buiten zijn. De natuurmenschen voelen zich evenals de vogels
verdrongen en trachten ergens anders hun stille geneugten te vinden.
Zij moeten steeds verder trekken met tram en trein en boot om plaatsen
te vinden, die de horden der stadsmenschen nog niet ontdekt hebben.
Ook de vogels doen dat. Toch kan men heel veel voor de zangvogeltjes
doen en het hen aangenaam maken, waardoor zij in onze stadsparken
blijven. Want al heeft een vogel haast nergens meer zijn rustige
omgeving, hij wil ook wel broeden als zijn nest maar ongestoord gelaten
wordt en went wel aan de wandelaars. Een der beste manieren om de
vogels te helpen is door het ophangen van broedkastjes.
§ 1. Opvallend door de hardheid van hun snavel en hunne zeer kleine
voeten zijn de INCESSORES. Vooral bij de HOORNRAAF (BUCORAX
ABYSSINICUS) (No. 79) en de NEUSHOORNVOGEL (BUCEROS RHINOCEROS) (No.
80) is de harde snavel wel heel typisch. Deze lijken erg zwaar en geven
’t gevoel, dat de vogel topzwaar moet zijn met zoo’n zwaarte aan z’n
kop. In werkelijkheid zijn ze echter zeer licht, daar ze bestaan uit
een zelfde sponsachtig hoornweefsel, waaruit ook de snavels van de
pepervreters waren samengesteld.
De hoornraaf, die in Afrika een zeer bekende vogel is, wordt door de
Engelsche kolonisten „wilde kalkoen” genoemd, omdat het mannetje als
het opgewonden is, zich in veel opzichten als een kalkoensche haan
gedraagt. Het spreidt z’n staart waaiervormig uit en blaast zich op,
terwijl het een eigenaardig brommend „boe” laat hooren. Daar de
hoornraaf zeer vaak roept, voordat het gaat regenen en de regen in deze
warme landen wel eens langer op zich laat wachten dan de menschen
aangenaam is, hebben de kaffers in hunne bijgeloovigheid gedacht, dat
de vogel den regen aanriep. Zij meenen dat het gauwer regenen zal als
zij een vogel dooden en in ’t water werpen. „Want”, redeneeren zij,
„sinds er blijkbaar een verband is tusschen den vogel en het water en
de vogel een zeer onaangename reuk heeft, zal de regen ’t niet kunnen
verdragen, dat het water op aarde „ziek” wordt door zoo’n stinkenden
vogel. Dan zal de regen wel komen om het „zieke” water weg te spoelen.”
De NEUSHOORNVOGELS, die in Afrika, Azië en Oost-Indië in verschillende
soorten voorkomen, hebben een zeer merkwaardige levenswijs. Tijdens de
broedtijd is het vrouwtje ingemetseld in een grooten hollen boom, waar
het nest met de eieren in verborgen is. Slechts haar snavel steekt er
uit en ’t mannetje voert haar door het spleetje. Zoo intensief broedt
het vrouwtje, dat zij al haar veeren verliest en zij, als de jongen uit
het ei gekomen zijn, vooreerst niet vliegen kan en haar echtgenoot nu
de zorgen voor haar en ’t kroost dragen moet. Tegen den tijd, dat het
vrouwtje haar veeren terug heeft en de jongen mans genoeg worden om
voor zich zelf te zorgen, is de vader niet veel meer dan vel over been.
Een toonbeeld van plichtsbetrachting en een beschamend voorbeeld voor
vaders, die klagen over de last van kinderen groot brengen!
En, zooals de neushoornvogel en z’n harde levenstaak ons een les
leeren, zoo leert de REUZENIJSVOGEL (DACELO GIGAS) (No. 81), die
onverbeterlijke lachebek uit Australië ons een andere. Hij lacht daar
als ’t avond wordt, hij lacht als de nacht weer plaats maakt voor den
morgen en zoo aanstekelijk is zijn lachen, dat zoodra de eerste van
deze vroolijke vogels er mee begonnen is van alle kanten de vriendjes
invallen, totdat de omgeving schatert en de mensch er door aangestoken
wordt en mee lacht. Waarom ook niet, waarom niet blij te zijn met
iedere verandering? Van onze inlandsche ijsvogeltjes (Alcyon)
onderscheidt hij zich evenals de HALCYON DIOPS (No. 82) van de Molukken
en de andere Halcyonsoorten zeer sterk in levenswijs. Want, waar de
gewone ijsvogeltjes zich voeden met visschen, die zij duikend uit het
water vangen, hebben de Halcyon’s maar bij hooge uitzondering visch op
tafel. Gewoonlijk voeden zij zich met insecten en kleinere
werveldiertjes, waaronder veel reptielen zijn. De reuzenijsvogel is
zelfs als reptielen-verdelger van belang, daar hij de
allergevaarlijkste en giftigste kleine slangetjes doodt en opeet.
MEROPS APIASTER, de BIJENETER (No. 83) is een typische vogel voor de
tropische landen der oude wereld. Z’n verschijning is zeer opvallend en
spottend met iedere mimicry en camouflage dringt hij zich, vliegend
zoowel als zittend op aan de aandacht der menschen door zijn bonte
hoeveelheid van de prachtigst gekleurde veeren. Vooral in den
broedtijd, als zij groote koloniën vormen, leveren zij een fraaien
aanblik als men hen alle tegelijk te zien krijgt. Zij graven hunne
nesten in steile wanden, waardoor men ze heel moeilijk bereiken kan.
Hierin maken zij heele lange gangen en aan ’t einde er van graven zij
een holte. Het vrouwtje legt daar de eieren en slechts gedurende den
nacht en in den broedtijd trekken zij zich in deze appartementen terug
om te slapen. Gedurende den zomer komt deze bijeneter wel eens in ons
land en in Duitschland. Hij moet echter als zeer zeldzaam beschouwd
worden, evenals HOP (UPUPA EPOPS) (No. 84), die in ons land in het
begin van September of in de laatste dagen van Maart wel eens op de
trek waargenomen wordt. In Duitschland komt hij iets algemeener voor,
maar zijn eigenlijke vaderland is Noord-Afrika en Zuid-Europa. In deze
landen, waar de reiniging geen probleem is van officieele zorgen, heeft
de hop zich vrijwillig met de hygiënische diensten belast en heeft hij
daar de taak overgenomen die bij ons in minder moderne streken door den
tonnenman wordt verricht. Op de mesthoopen van menschelijk vuil zal men
in deze zuidelijke streken de hop dan ook geregeld aantreffen en de
„hoed-hoed” (zoo noemt men hem) goedmoedig verdragen. De vogel is daar
in ’t geheel niet schuw, wel een groot verschil met zijn gedrag in
Duitschland. Daar mijdt hij de menschen zorgvuldig. Hij huist in muren
of boomholten en is zóó in hooge mate onzindelijk op zijn nest (het
vuil van de jongen wordt nooit weg gedragen), dat zelfs de katten er
vies van zijn en nooit aan de jongen komen. Waar onreinheid al niet
goed voor is, zou men geneigd zijn te denken.
Eveneens een zeer zeldzame gast in ons land is de prachtige SCHARRELAAR
(CORACIAS GARRULUS) (No. 85), die bij ons niet broedt, doch hiervoor
het liefst de tropische streken van den Ouden Wereld uitkiest. Zij
willen dikke holle boomen om hun nest in te maken en streken waar
weinig menschen zijn. Een rustige omgeving met een verwaarloosde boom,
is in ons menschenrijke Midden Europa helaas een utopie. In ’t najaar
trekt de vogel zeer ver ’t zuiden in tot zelfs in Natal toe is hij
gesignaleerd. Maar hoever de reis ook is, de vogel, die niet bezeten is
door de moderne snelheidskoorts, reist op z’n dooie gemak en toeft op
iedere plaats, die voedsel genoeg voor hem heeft.
De laatste familie in deze orde vormt de overgang tot de volgende,
zooals dit zoo vaak in een systeem het geval is. De BATRACHOSTOMUS
AURITUS, DE KIKKERBEK (No. 86) doet n.l. zeer sterk aan den
geitenmelker denken, vooral door zijn breede en platte kop, groote
oogen en weeke veeren. De kop lijkt vooral zoo breed door den vlakken
snavel, waarom dan ook in den Latijnschen naam en in de Hollandsche
vertaling er van, duidelijk de gelijkenis met een kikker aan gegeven
is. Het vaderland van dezen mooien, warmbruinen vogel is Sumatra en
Borneo.
§ 2. In de tweede orde is de NACHTZWALUW of GEITENMELKER (CAPRIMULGUS
EUROPAEUS) (No. 87) weer een prachtig voorbeeld van camouflage, want
z’n kleur en z’n meegekregen instincten beschutten hem in hooge mate en
maken hem haast onherkenbaar van den tak, die hij zich tot zitplaats
kiest. Daar het instinct van dezen vogel hem in de lengte op den tak
doet plaats nemen, lijkt hij buitengewoon veel op een knoest. Het is
dan ook maar heel zelden, dat men een nachtzwaluw dwars op een tak ziet
zitten. Horizontale takken hebben een speciale bekoring voor deze
vogels, omdat ze de meest geschikte, d.w.z. de meest beschuttende,
zijn. Daar horizontale takken betrekkelijk zeldzaam zijn, vindt men den
vogel slechts op speciale plaatsen. Bij ons in de duinen zijn dat vaak
de berkenboschjes. Maar ook op andere plaatsen kan men hem aantreffen.
Naumann, de bekende ornitholoog, vertelt zelfs dat hij van één zelfden
horizontalen tak van een appelboom in z’n tuin meermalen een
nachtzwaluw wegschoot.
Is er evenwel geen horizontalen tak te vinden, die naar den zin van den
vogel is, dan neemt hij ook wel genoegen met een platten steen op den
grond. Als hij daar onbewegelijk zit, schijnt het of hij slaapt. Zijn
oogen houdt hij slechts een kiertje open en door dit spleetje neemt hij
alles waar, wat in zijn omgeving gebeurt, zonder dat hij zelf opgemerkt
wordt. Had hij zijn groot mooi oog open gehouden, het zou hem verraden
hebben meent Heinroth, iemand, die er zeer oorspronkelijke denkbeelden
over vogelinstinct en mimicry op nahoudt. Hij gaat zelfs zoover, om in
de langzame, haast onmerkbare overgangen, waarmee deze vogel van de
eene beweging in een andere overgaat, een beschuttingsinstinct te zien.
Als de vogel vóór hij gaat vliegen, eerst met ingetrokken kop z’n
bovenlijf langzaam heen en weer wiegt, dit dan voortdurend sneller en
krachtiger doet, lijkt hij, volgens dezen auteur, op een door den wind
bewogen blad.
De Vaandel-nachtzwaluw van Afrika, die zoo genoemd wordt om twee
vaandelachtige veeren, die van uit z’n vleugels wapperen, is een van
z’n mooiste verwanten.
Andere familieleden van deze nachtzwaluwen zijn de zoozeer bekende
SALANGANEN (COLLOCALIA FUCIPHAGA) (No. 88), de vogeltjes, die de
beroemde eetbare vogelnestjes, waarop de Chineezen zoo dol zijn,
bouwen. Lang heeft men in ’t duister verkeerd omtrent de herkomst van
de stof, waaruit deze nestjes gemaakt zouden zijn. Vroeger meende men,
dat de vogeltjes (Sarong-burong, zooals de Javanen hen noemen) uit de
wieren in zee het materiaal zouden putten. Zooals later door Bernstein
is aangetoond, is dit een dwaling; want in werkelijkheid bestaan de
nestjes uit speeksel van de salanganen. In den tijd van den nestbouw
zwellen bij deze diertjes de speekselklieren sterk op en scheiden eene
taaie, kleverige substantie af, die aan de lucht verhardt. Al vliegend
drukken zij deze taaie massa tegen de rotsen aan en verwerken het tot
de nestjes, die den bekenden vorm van een in achten gesneden bal
hebben. In de donkerste en meest ontoegankelijke plaatsen, aan steile
rotswanden van nauwe bergspleten vindt men de broedplaatsen.
De lichtere plekken aan den rand van de spleten worden door een verwant
bewoond, de COLLOCALIA LINCKI. Om gegeten te worden zijn de nesten van
deze soort ongeschikt, daar er grashalmen en strootjes in verwerkt
worden, hoewel de grondsubstantie ervan eveneens speeksel is.
Het oogsten van de nesten is door de ontoegankelijkheid van de
plaatsen, waar de vogels ze bouwen, een zeer gevaarlijk werkje maar,
daar het voordeelig is, hebben de mannen het er graag voor over. Voor
een pond van de beste witte vogelnestjes gaf men eenige jaren voor den
oorlog in Hong-Kong grif honderd twintig gulden. Als men bedenkt dat er
zeventig nesten in een pond gaan en er drie nesten noodig zijn, om één
bordje soep voor één persoon te kooken, is het een aardig werkje uit te
rekenen, wat voor dat bordje soep betaald moet worden.
Het „oogsten” van deze nestjes gebeurt drie maal per jaar, want drie
maal per jaar bouwen de vogels nieuwe nesten. Het beste en lekkerste
zijn de nesten, die het vlugst worden afgebouwd, dus die gemaakt worden
als de speekselafscheiding het overvloedigst is. Dat is in de tijden
dat er het meeste voedsel is, n.l. in April. Met buitengewone zorg
worden de nesten geplukt en in de schoone linnen zakjes gepakt, waarin
ze verzonden worden. Gebroken of bevuilde nesten verliezen veel van
hunne waarde. Daarom zijn die van de andere oogsten zooveel goedkooper,
want deze worden gebouwd in een periode, dat de vogels het veel kariger
hebben en krap in hun voer zitten, waardoor de speekselafscheiding veel
geringer is en de nesten veel langzamer afgebouwd en gauwer vuil
worden.
Ten onrechte noemt men de salanganen in Indië vogelnest„zwaluwen”. ’t
Zijn geen echte zwaluwen, evenmin als de GIERZWALUW (APUS APUS) (No.
89) er een is, al doen zij in hun uiterlijk aan onze bekende zwaluwen
denken. Regelmatig verschijnen deze vogels den eersten Mei in ons land
en maken hunne komst dadelijk bekend door hoog in de lucht gierend rond
te cirkelen.
Eigenlijk hooren de gierzwaluwen in de bergen thuis. Tegenwoordig
hebben zij zich aan de menschen en hunne steden en dorpen aangepast en
nestelen zij geregeld in torens en in hooge gebouwen. Bij gebrek aan
deze vergenoegen zij zich zelfs wel met een hollen boom of de dakgoot
van een gewoon huis. Zij kunnen niet al te kieskeurig zijn. Hun aantal
breidt zich snel uit en daar de woningnood ook onder hen nijpend is,
hebben zij geleerd te nemen wat zij krijgen kunnen. Dat in den nood om
zich een nestplaats te veroveren, niet altijd gewettigde middelen
gebruikt worden, laat zich, den vechtlustigen en onstuimigen aard van
deze vogels in aanmerking nemende, gemakkelijk begrijpen. Menigmaal
wordt dan ook een vreedzaam musschen- of spreeuwenpaartje van de goten
verjaagd, omdat de gierzwaluw meent, voor zich van den nood een wet te
mogen maken.
Deze vogels, die door hunne levendigheid ’s zomers de stad
opvroolijken, houden zelf ook van gezelligheid. Altijd ziet men hen in
troepjes rondvliegen. In troepjes houden zij hun Mei intocht, in
troepjes trekken zij eind Augustus weer weg. Een enkele keer, met
ongewoon warme voorjaars, komen zij wel eens voor Mei; ook gaan zij wel
eens later dan Augustus weg, wanneer de zomer koud was en de jongen
zich dientengevolge niet snel genoeg ontwikkelden om mee op reis te
gaan.
’t Zelfde, wat we al eerder opmerkten voor de meest tot vliegen
aangepaste vogels (zie Hoofdstuk II), zien we hier bij de gierzwaluw
weer. Ook deze, die een uitnemend vlieger is, is een stumper op z’n
pooten. Er op loopen kan hij niet, er op zitten evenmin. Hij kan er
zich slechts mee tegen een muur aanklampen; een houding, die hij
aanneemt als hij niet vliegt. Met alle vier teenen naar voren gericht,
hangt hij zich te slapen gedurende de paar uurtjes dat de zomernacht
duurt.
De allerkleinste vogeltjes, de kolibri’s, zijn nauw verwant aan de
gierzwaluwen en salanganen. Toch loopen zij nogal uiteen en wijken
vooral in snavelvormen van hunne familieleden af. Doch ook onderling
verschillen de kolibri’s zeer veel in dit opzicht, daar zij alle
honingzuigende vogels zijn en elke snavelvorm is aangepast aan de
bepaalde bloemsoort, waaruit de kolibri het liefst z’n voedsel haalt.
Al honing zuigende brengen zij het stuifmeel van de eene bloem op de
andere van dezelfde soort en bevorderen op deze manier de
kruisbestuiving, die in vele gevallen zoo noodig is voor de
ontwikkeling van het zaad. Het moet een ongewoon fraai gezicht zijn
deze sierlijke, met schitterende metaal-glanzende kleuren prijkende
vogeltjes, den snavel diep in de bloem gestoken, honing te zien zuigen.
„Als edelsteenen fonkelend in de zon”, blijven zij al vliegend op
dezelfde plaats.
Menschen, die voor het eerst in Amerika reizen, vallen sommige van deze
vogeltjes in de eerste plaats op door hunne kleinheid en zij houden hen
voor buitengewoon groote hommels of bijen, waarvoor zij dan natuurlijk
erg bang zijn. Doch slechts de allerkleinste kolibri’s geven aanleiding
tot deze vergissing. Er zijn er ook, die door hun lange staart en
vleugelveeren een vrij aanzienlijke lengte krijgen. Zoo meet bijv. de
TOPAAS KOLIBRI (TOPAZA PELLA) (No. 90), van staart tot kop wel 20 c.M.,
waarom hij tot de grootste der kolibri’s gerekend moet worden. Dit
sierlijke vogeltje is beperkt tot Guyana, waar het orchideën bestuift.
Bij voorkeur vertoeft het bij water en vaak vindt men z’n nestje in een
vork van dunne twijgjes, die over een vijver hangen. Die kolibrinestjes
zijn teere, fijne dingetjes, „als door elfen gemaakt”. Van plantenpluis
worden ze met wat speeksel bij elkaar gekleefd. Vaak vindt men ze aan
den buitenkant overkleed met korstmossen, waardoor ze minder in ’t oog
vallen.
De kolibri’s komen in geen ander werelddeel dan Amerika voor, maar daar
treft men hen dan ook overal aan waar bloemen zijn, tot zelfs in
Vuurland tot aan de sneeuwgrens komen zij voor. Iedere kolibrisoort
heeft z’n eigen streek, waarvoor hij kenmerkend is. Daar buiten komt
hij niet, daar leeft dan weer een andere vertegenwoordiger van dit zoo
vormenrijke geslacht.
§ 3. In de derde orde van deze groep, die der CLAMATORES, vinden we
langzamerhand duidelijke overgangen tot de laatste orde, die der
zangvogels (§ 4). Vooral treft ons dit in het stemorgaan, de syrinx,
die in z’n bouw al reeds een aanwijzing geeft van de volmaking, die wij
bij de zangvogels aan zullen treffen.
Toch, al is de KLOKVOGEL (PROCNIAS NUDICOLLIS) (No. 91) nog geen
eigenlijke zangvogel te noemen, heeft hij een buitengewoon liefelijk
stemgeluid, dat ieder, die ’t hoort, met verrukking vervult. Wie eens
van een gevangen vogel dit buitengewoon welluidende klokkengeluid
gehoord heeft, kan zich voorstellen, hoe betooverend mooi het moet
klinken als in het Braziliaansche oerwoud, hoog uit de toppen der
Moraboomen, ’t gelui van glazen klokken in volle harmonische toonen
naar beneden ruischt. Wat verder op klinkt uit een anderen boom het
antwoord. Waar dit geluid vandaan komt, wie het maakt, blijft den
meesten verborgen, want de vogel houdt zich schuil in het dichte
gebladerte en laat zich zelden zien. Wie volhardend genoeg is en zich
eenige moeite geeft, z’n weetgierigheid te stillen, kan een eenvoudigen
witten vogel, zoo groot als een duif, te zien krijgen.
Ook de cotinga’s zijn Zuid-Amerikanen. Het zijn prachtige gekleurde
vogels. COTINGA MAYANA (No. 92) heeft z’n verbreidingsgebied van Zuid
Mexico tot Noord Argentinië. ’t Zijn vruchteneters, die zich ook wel
met dierlijk voedsel voeden.
De KONINGSVOGEL (TYRANNUS TYRANNUS) (No. 93) is slechts ’s winters in
Zuid-Amerika, tot Ecuador en Amazoniën, zuidelijker komt hij niet. ’s
Zomers trekt hij naar Noord-Amerika. Hij verschijnt er midden Maart en
is in z’n broedgebied een zeer geziene vogel. Dit dankt hij misschien
wel aan de eigenschap de menschen niet te schuwen, doch juist z’n nest
in hunne onmiddellijke omgeving te maken, zooals lijster en merel dat
zoo vaak bij ons doen. Hierdoor ook is men ruimschoots in de
gelegenheid z’n gewoonten te bestudeeren en weet men heel wat meer van
zijn levenswijs, dan van die der klokvogels of cotinga’s.
Als zij van hunne verre reis komen, zijn zij de eerste dagen moe en
stil en vallen nauwelijks op. Maar later, als zij uitgerust zijn, dan
komt hun ware aard voor den dag en zijn het levendige vroolijke vogels,
die ijverig beginnen met het bouwen van hun nest. Het liefst kiezen zij
daarvoor een plaats in tuinen of langs oevers van rivieren. De dichte
gedeelten van het binnenste bosch vermijden zij zoo veel als mogelijk
is. Als het legsel voltallig is, gaat het vrouwtje het bebroeden,
terwijl het mannetje de wacht houdt. Wat een baas hij is, toont hij
duidelijk als een ongewenschte bezoeker zich in de buurt van het nest
vertoont. Voor niets deinst hij terug, als het geldt z’n gezin te
verdedigen. En zoo hevig is z’n aanval, dat een kat, die eenmaal zoo
roekeloos was zich in de buurt van een broedenden koningsvogel te
wagen, voor goed z’n les geleerd heeft en voortaan zorgvuldig uit de
buurt van dezen vogel blijft en elders aan de kost tracht te komen.
Valken gaat het net zoo. Ook vogels, die veel grooter zijn dan hij
zelf, valt onze koningsvogel aan. Zelfs gieren en adelaars, die in de
buurt van zijn broedend vrouwtje komen, tracht hij op den rug te komen
en als hij daar eenmaal zit, deelt hij hen venijnige snavelhouwen toe.
Naar alle waarschijnlijkheid had zoo’n adelaar geen enkele kwade
bedoeling, ten opzichte van onzen koningsvogels broedende vrouw. Doch,
de trouwe wachter duldt hen nu eenmaal niet, ver of nabij. Zoodra hij
hen opmerkt, vervolgt hij hen eenige kilometers ver en maakt het hen
lang niet gemakkelijk.
De vertegenwoordigers van de PITTA’S (No. 94), de vierde familie in
deze orde, zijn te vinden in de Oude Wereld, in Indië, Australië en
Afrika, maar voor het meerendeel leven zij in onze Archipel, met Borneo
en Sumatra als middelpunt.
§ 4. ZANGVOGELTJES! Als we de naam van deze orde uitspreken, dan denken
we in de allereerste plaats aan ’t kleine levendige goedje, dat in den
zomer onze bosschen, onze tuinen, de heggen langs de weilanden en
heivelden en het kreupelhout bevolkt; aan tjif-tjaf, groenling, vink,
roodstaartje, roodborstje, winterkoninkje, tuinfluiter, merel, lijster,
leeuwerik. Doch bovenal aan den nachtegaal, den koning der zangers, den
dichter der vogels, die in z’n armzalig grauw pakje zich niets aantrekt
van pracht en praal en schittering, maar in z’n eenvoud zingt, zooals
hij alleen te zingen weet. Zoodat de menschen, die het hooren, stil
worden en in zich zelf keeren en zich schamen om den ijdelen schijn,
die zij in ’t leven najagen, terwijl het hen misschien gegeven was om
als deze nachtegaal in eenvoud groot te wezen, als geen andere.
Niet iederen zangvogel is het gegeven te zingen als een nachtegaal. Er
zijn er genoeg onder, die hun naam geen eer aandoen want kraaien,
roeken, gaaien, eksters enz. zouden beter „krassers” kunnen heeten. Zij
maken zelfs heel wat leelijker geluiden, dan de schreeuwers die in de
vorige paragraaf een plaatsje kregen.
Niet alleen in stem, maar nog in verschillende andere eigenschappen
loopen de zangvogeltjes sterk uiteen. In den bouw van den snavel vooral
zijn verschillen waar te nemen. De zaadeters, zoo als vinken, hebben
een dikken knotsvormigen snavel, terwijl de insectenetende vogeltjes
een snaveltje hebben als een priem zoo fijn en scherp. Deze
onderscheiding kan men evenwel niet al te streng doorvoeren. Een
BOERENZWALUW (HIRUNDO RUSTICA) (No. 95), die toch uitsluitend
insecteneter is, heeft een korten breeden, vrij vlakken snavel, die aan
zijn kop een typisch ronde vorm geeft. Ook de oeverzwaluw heeft een
dergelijk kopje.
Zoodra vliegen en muggen zich wat rijkelijker beginnen te vertoonen,
hebben de zwaluwen hier genoeg te eten en verlaten zij het zuiden, om
bij ons te komen broeden. De menschen merken hunne komst dadelijk op,
hebben er zelfs al een paar dagen van te voren naar uitgezien want
zwaluwen zijn zeer geliefde vogels, die men graag een plaatsje voor hun
nest inruimt. In vele boerenschuren wordt expres een gat boven in de
deuren gezaagd, waardoor de zwaluwen ten allen tijde in en uit kunnen
vliegen. Hierdoor is het hen mogelijk gemaakt in het binnenste der
schuur, tegen de balkenzoldering te nestelen. Dat doen zij wat graag,
deze vogeltjes, omdat zij daar best beschut zijn voor den regen. Zij
boetseeren vlijtig de klei tot een sikkelvormig kommetje, dat zij tegen
de wand aanplakken. Al gauw worden er eitjes ingelegd en worden de
jongen uitgebroed. Wat hebben de ouders het nu druk! Onafgebroken
trekken zij er op uit en geven ons ruimschoots gelegenheid hun snelle,
krachtige en fraaie vlucht te bewonderen terwijl we met genoegen naar
het zacht knisterend geluid luisteren, dat zij maken. Soms als zij stil
zitten, maar dat gebeurt in de broedtijd haast niet, laten zij een
zacht fluitend „wiet-wiet” hooren.
In geheel Europa broeden de zwaluwen en overal staan zij even hoog in
de gunst der menschen. Wel een bewijs, dat de menschen naar den aard,
toch overal dezelfden zijn en iedereen verteederd is als dit sierlijke
slanke vogeltje een stil beroep doet op hunne gastvrijheid en
bescherming. Dat zij nuttig zijn, heeft op deze verbroedering geen
invloed gehad, want het ZWARTGRAUWE VLIEGENVANGERTJE (MUSCICAPA
ATRICAPILLA) (No. 96) is minstens genomen even nuttig en geniet geen
tiende van de populariteit, die de zwaluw ten deel valt. Al vliegende
vangt het ook een macht van insecten voor zich en z’n broedsel. Z’n
liedje is bovendien ook veel aardiger, zacht, weemoedig een beetje,
klinkt ’t ons toe. Dat doet dubbel vreemd aan, we hadden een
uitbundiger liedje van deze buitengewoon levendige vogeltjes verwacht.
In de noordelijke landen van Europa broeden de vliegenvangertjes niet,
want koude kunnen zij slecht verdragen. Hun verblijf bij ons is ook
vrij kort. Reeds betrekkelijk vroeg in ’t najaar trekken zij al naar
Klein-Azië en Noord-Afrika. De regenachtige dagen, die voor ons
menschen ’s zomers ook zoo naar zijn, lijken voor deze vogeltjes nog
veel erger, zoo triest en stil worden zij er van.
De PESTVOGEL (AMPELUS GARRULUS) (No. 97) daarentegen, kan heel wat meer
kou verdragen. Deze prachtige vogel broedt in Siberië en komt alleen in
koude jaren of na het mislukken van den oogst, ’s winters bij ons. Van
alle kanten stroomen dan de berichten naar de kranten, dat men hen
gezien heeft. ’t Is dan ook werkelijk een opvallende verschijning. Als
in vroeger jaren de vogel opgemerkt werd, kwam hij, evenals nu, als het
voedsel in zijn eigen land op was: een bode dus van hongersnood.
Honger vermindert altijd het weerstandsvermogen tegen ziekten. In
vroegere tijden, toen de algemeene levenstoestand veel onhygiënischer
was dan tegenwoordig, braken in een tijd van hongersnood allerlei
vreeselijke ziekten uit, waarvan pest wel de ergste was. In de jaren
dat de vogel gezien werd, volgde deze afschuwelijke ziekte hem gauw,
want waar geen voedsel voor de vogel was, leden ook de ratten honger en
ook deze trokken weg en brachten, zooals we nu weten, de besmetting
mee. De mensch alleen bleef waar hij was om te sterven. Zoo werd het
verband tusschen den vogel en de pest gezien en hieraan dankt hij zijn
naam waarschijnlijk wel. Nu in de laatste jaren is de vogel weer druk
gesignaleerd, een bewijs te meer van den honger in Rusland en Siberië.
De KLAPEKSTER (LANIUS EXCUBITOR) (No. 98) kennen we al. Het is ’t
aardige vogeltje, dat de valkenier zulke goede diensten bewijst (zie
Hoofdstuk IV). Zijn eigenaardigheid te schreeuwen en uit alle macht te
keer te gaan als hij een valk ziet, is zoowel voor de kleine
zangvogeltjes als voor den valkenier de aanwijzing, dat er een valk in
aantocht is. Toch ondanks deze goede eigenschap moet hij als een echte
„Judas” beschouwd worden. Zelf een zangvogel, verkeert hij onder zijns
gelijken in vrede en vriendschap; plotseling verandert z’n aard, hij
vliegt op, pakt een van z’n argelooze kameraden op en worgt hem met z’n
pooten. Honger drijft hem daar niet toe, want hij eet hen dikwijls niet
eens dadelijk op. Vaak spiest hij, volgens klauwieren gewoonte, zijn
slachtoffer aan doornen of prikkeldraad. Daar kan men ze dan vinden in
gezelschap van muizen en insecten, andere slachtoffers van onze
klapeksters, die op dezelfde manier bewaard worden.
Een andere vogel, die hoewel hij hoofdzakelijk van insecten en
sprinkhanen leeft en toch niet geheel ongevaarlijk is voor z’n
soortgenooten, is de FLUITVOGEL (GYMNORHINA TIBICEN) (No. 99), want
deze eet nog wel eens jonge vogels. Het lied, dat deze vogel zingt, kan
buitengewoon mooi zijn. Semon, in z’n voortreffelijke reisbeschrijving:
„Im Australischen Busch”, geeft er een heel aardige beschrijving van.
Niet alle vogels van deze soort zingen echter even mooi. Toch is van
alle de klank van hunne stem buitengewoon vol, aangenaam, melodieus en
diep. In volières en dierentuinen vindt men hen dan ook vaak. Soms zijn
er onder deze vogels eenige, die brokstukken uit straatdeuntjes
fluiten. Dat zijn de meest begaafden onder hen, behept met een goed
geheugen voor klanken en een zeer sterk ontwikkeld nabootsingsinstinct.
Ook onze kraaien bezitten dit instinct, waardoor het mogelijk is hen te
leeren praten, hoewel vrij gebrekkig, dat dient erbij gezegd te worden.
„Gerrit” alleen leeren zij gauw en menig kind, dat een tamme kraai
gehad heeft, heeft hij verrukt door het uitspreken van z’n naam.
BONTE KRAAIEN (CORVUS CORNIX) (No. 100) zijn de mooie vogels, die we
„somber” vinden omdat zij onze wintergasten zijn en zij door hunne
komst de treurmare brengen, dat de zomer onherroepelijk voorbij is. In
de sombere grauwe regendagen van November wanneer we hem voor ’t eerst
zien komen als levend deel van de regengrauwheid, vergeten we op te
merken hoe mooi deze vogel is, eigenlijk veel mooier dan de „Gerrit”,
die ’s zomers bij ons broedt en ’s winters als ’t streng vriest, het
Zuiden intrekt. Toch gebeurt het, dat op de plaatsen waar overvloed van
voedsel is, zooals op vuilnisbelten en mesthoopen, de zwarte en bonte
kraaien den geheelen winter door samen worden aangetroffen. In ’t
voorjaar trekken evenwel alle grijze kraaien weg, om in ’t Noorden te
gaan broeden. Vanuit het Zuiden dagen langzamerhand de zwarte kraaien
weer op, om weer bezit te nemen van de slordige takkennesten in de
toppen der iepen en als ’t weer een beetje goed is, zien we door de nog
bladerlooze boomen een kraaienkop over den rand van het nest uitsteken
en broedt de vogel haar eerste eitjes reeds uit.
Wat of de kraaiachtigen in hun uiterlijk of levenswijs hebben, dat de
aandacht der menschen heeft gevat, weet ik niet, maar evengoed als wij
kraaien, eksters en gaaien voor „verstandige” vogels houden, beschouwen
de Chineezen de KITTA (UROCISSA ERYTHRORYNCHA) (No. 101) als een
„wijze” vogel, die in staat is andere vogels raad te geven. Waarin dit
raadgeven bestaat, is moeilijk te zeggen. Misschien is het hunne
eigenaardige gewoonte, op luidruchtige wijze de groote en kleine
roofdieren, die op jacht gaan, te volgen. Hierdoor bederven de kitta’s
de vangst van deze dieren totaal, want het lawaai dat zij maken, geldt
iedere andere vogel als waarschuwing. Groote en kleine dieren passen nu
op hun tellen, zijn meer dan gewoonlijk waakzaam en zullen nu niet
licht onverwacht door het sluipende luipaard besprongen kunnen worden.
Hoewel zweefkitta’s veelkleuriger zijn dan eksters, lijken beide in de
vlucht sterk op elkaar. De een zoowel als de ander zou den uitvinder
van een vliegmachine geïnspireerd kunnen hebben, de aereoplaan z’n
bekende vorm te geven.
Eksters bouwen een voor onze oogen heel merkwaardig nest, omdat zij er
een dak op zetten. Dit is evenwel niets vergeleken bij het kunstwerk,
dat de PRIEELVOGELS (AMBLYORNIS INORNATUS) (No. 102) van Nieuw-Guinea
er van maken. Zij danken er dan ook ten volle hun hollandschen naam
aan, want inderdaad, hun nest lijkt meer op een prieel dan op iets
anders.
Aan den voet van een kleinen boom maakt hij z’n huis; buigzame sterke
stengels, die dooreen gevlochten worden, vormen het materiaal er voor.
In het midden van den voorkant, waar de ingang komt, wordt een soort
pilaar of pijler gebouwd. Maar, waarom dit nest, nog meer dan om z’n
kunstige bouw, de naam van prieel zoo ten volle verdient, is om de
„tuin”, die de vogels er voor maken. Het „gazon” dat vrij groot in
omvang is, wordt gevormd door mooi groen mos. De vogels versieren deze
open groene plek voor hun nest met allerhande kleurige voorwerpen,
steenen, bloemen en vruchten. Als deze beide laatste verleppen of hunne
kleur verliezen, brengt de vogel ze weg, op een soort mesthoop, die hij
achter z’n tuin heeft en ze worden dan door andere vervangen. In hun
verlangen naar mooie dingen, vergrijpen zij zich wel eens aan het
eigendom van de inboorlingen. Deze weten het wel en gaan als zij iets
missen, eerst bij de nesten der prieelvogels zoeken. Vaak is hun
achterdocht dan niet ongegrond geweest en vinden zij het verloren
eigendom in den „tuin” van dezen vogel terug.
Slechts op Nieuw-Guinea komen deze vogels voor; zij zijn er in 3
soorten. Weer een voorbeeld dus van „endemische” vormen.
Trouwens, Nieuw-Guinea is rijk aan merkwaardigheden. Daar geven de
KLEINE PARADIJSVOGEL (PARADISEA MINOR) (No. 103) en de DRAADHOP
(SELEUCIDES IGNOTUS) (No. 104) en hunne familieleden duidelijke
voorbeelden van. De kleine paradijsvogel lijkt veel op de Paradisea
apoda, doch deze is wel bijna viermaal zoo groot en dan ook van deze
beide de meest om z’n veeren begeerde. Paradijsvogels worden door de
Papoea’s geschoten met een stompen pijl, omdat dan de huid minder
beschadigd wordt en deze meer waarde heeft voor een Europeesche dame,
die de afgrijselijke wansmaak heeft, met een heele paradijsvogel op
haar hoed te gaan wandelen. Vol trots steekt zij haar neus omhoog, in
’t poenige besef, dat zij voor een kapitaal op haar hoed draagt. En
ondertusschen worden de vogels om haar vermoord en uitgeroeid!
Om den draadhop te vangen gaat een Papoea anders te werk. Eerst zoekt
hij onder de boomen naar de uitwerpselen van dezen vogel. In den boom,
waaronder hij deze vindt liggen, is de vogel gewend te slapen. Dan
wacht hij af tot de vogel komt en let hij op den tak waarop deze gaat
zitten, want iederen avond wordt vast denzelfden als slaapplaats
gekozen. Den volgenden nacht, als de vogel in diepen rust verzonken is,
klimt hij geruischloos naar boven en vangt den vogel door een doek over
hem heen te werpen.
Begrijpelijker dan het zich optooien met veeren van doode vogels, is
het genoegen dat de menschen vinden in het in kooien houden van
gevangen vogels. Want als zij behalve door hun mooie veeren ook nog
mooi zingen, verschaffen zij dubbel genot. Toch is dit een surrogaat
van het genoegen, dat een ornitholoog in vrij levende vogels vindt,
want geen vogel zingt zoo mooi of is zoo mooi als in zijn natuurlijke
omgeving.
Wie eens de WIELEWAAL (ORIOLUS ORIOLUS) (No. 105) z’n korte roep
(waarvan z’n naam slechts een povere nabootsing is), in de bosschen
heeft hooren roepen, beantwoord door een ander, weet wel, dat het in
een kooitje nooit zóó mooi kan klinken.
Al is de BEO (EULABES RELIGIOSA) (No. 106) door z’n buitengewoon sterk
nabootsingsinstinct, in staat liedjes te leeren fluiten, de
menschelijke spreekstem na te bootsen of zelfs de menschelijke zang te
imiteeren, er gaat voor een echten natuurvriend niets boven een vrijen
vogel, die het liedje zingt dat z’n hart hem ingeeft. ’t Is zoo jammer
om de natuurlijke zang van een vogel op te offeren aan clownskunstjes,
want in de kern is al dat aangeleerde nadoen toch niets anders.
Onze inlandsche imitator is de SPREEUW (STURNUS VULGARIS) (No. 107).
Dat hij onovertroffen is op dit gebied kan ik niet zeggen, daarvoor is
z’n stem niet rijk genoeg. Maar amusant is hij als hij op het randje
van de dakgoot in z’n prachtig gespikkeld voorjaarspak, z’n uiterste
best doet een merel na te fluiten of de roffel van het winterkoninkje
na te slaan. Al vroeg in het voorjaar kunnen wij zijn eerste zachte
fluittonen hooren. Want hoewel de meeste spreeuwen wegtrekken tot in
Noord-Afrika, is het meestal niet voor lang en komt hij al gauw terug
om te broeden. In zachte winters kan men in dorpen en boerderijen
voortdurend spreeuwen vinden, daar is voedsel genoeg voor hen te halen.
In het vroege najaar, in September, vereenigen zich massa’s van deze
jonge vogels tot de z.g. spreeuwenvolken. Die schijnen dan
vliegoefeningen te houden en kiezen als rustplaats een bepaald punt,
een boschje hakhout of zoo iets dergelijks.
In Afrika leven een paar zeer bekende familieleden van hen, de
buitengewoon fraaie GLANSSPREEUW (LAMPROCOLIUS PURPUREUS) (No. 108) en
de om zijn eigenaardige levenswijs zoo beroemde ROODSNAVELIGE
MADENHAKKER (BUPHAGUS ERYTHRORHYNCHUS) (No. 109). Overal in de
Zuidelijke en Oostelijke steppen van Afrika, waar koeien, paarden,
buffels, antilopen, neushoorns en nijlpaarden aangetroffen worden, is
deze vogel ook te vinden, want waar deze groote zoogdieren zijn, kunnen
zij hun kostje ook ophalen. Dat bestaat uit vliegenlarven, die leven in
de huid van deze dieren en zich daar ten koste van hun gastheer voeden.
Die vliegen zijn een ware plaag, want als de larven volwassen zijn en
op hunne beurt weer eieren leggen, doen zij dat ook weer in de huid van
een of ander groot zoogdier. De madenhakkers nu, hakken de knobbels,
die zich vormen op de plaats waar zoo’n vliegenlarf zit, open en eten
de larf op. Deden zij niets meer, zij zouden als een voortreffelijk en
nuttig vogeltje beschouwd moeten worden. Helaas, voor de arme
viervoeters is de remedie erger dan de kwaal, want de vogels zijn ware
kwelgeesten, die het dier veel erger pijnigen dan alle vliegen en
larven te samen. Zij zijn zelf, net als het ongedierte, dol op
zoogdierenbloed en krabben om het te bereiken korsten van wonden, die
beginnen te heelen of hakken de made dieper uit dan noodig is. De wond,
die zij maken, moet flink diep zijn en sterk bloeden; zij zijn niet eer
tevreden vóór zij hun dorst aan rijkelijk vloeiend bloed goed kunnen
lesschen.
De KOEVOGEL (MOLOTHRUS ATER) (No. 110) van Amerika, kwijt zich van
dezelfde taak op een betere manier. Voor zoover mij tenminste bekend
is, gaat hij niet buiten zijn boekje. Dat wil hier dus zeggen, dat hij
zich bij de larven houdt en zich niet voedt met het bloed der koeien en
paarden. In levenswijs komen deze vogels in zeker opzicht overeen met
de koekoeken, ten minste zij zijn ook polygaam, d.w.z. dat de mannetjes
niet trouw zijn aan één vrouwtje (of de vrouwtjes aan één mannetje).
Zij leven in gezelschappen en trekken zich van zorgen om jongen groot
te brengen of eieren uit te broeden, niets aan. Van tijd tot tijd
verdwijnt een vrouwtje uit deze troep, om in het nest van een ander
zangvogeltje een ei te gaan leggen en dit daar uit te laten broeden.
Evenals bij de koekoek, zou men geneigd zijn te zeggen, dat zij er te
„lui” voor waren, als we nu niet beter wisten, dat de vogels er evenmin
als de koekoek toe in staat zijn.
De wevervogels (No. 111–117), die in tal van soorten in Afrika (waar
zij voor het landschap karakteristiek zijn) doch die ook in Azië en
Australië voorkomen, onderscheiden zich juist door het
tegenovergestelde. Men zou hen, van menschelijk standpunt af beschouwd,
buitengewoon vlijtig kunnen noemen. Zij besteden tenminste meer dan
gewone zorg aan hun nest, waarvan de vorm voor de verschillende soorten
nog al uiteen loopt.
PLOCEUS ABYSSINICUS (No. 111), een van deze wevervogels, is zoo’n
hartstochtelijk nestbouwer, dat hij van geen ophouden weet en er nog
mee doorgaat terwijl het niet meer noodig is. Als ’t eerste nest, dat
het mannetje geheel alleen gebouwd heeft af is en door het vrouwtje in
beslag is genomen om er eieren in te leggen, gaat hij een tweede en
daarna een derde, soms nog wel eens een vierde nest maken in de
onmiddellijke nabijheid van het eerste. Zij hangen allemaal aan een
lange van stroo gevlochten steel. Deze „vertakt” zich aan het uiteinde
tot een tweelobbige knots. Ieder van deze vertakking is bolvormig van
buiten en hol van binnen. Een er van heeft een gat voor ingang, de
andere is het eigenlijke nest, waarin de eieren gelegd en de jongen
groot gebracht worden. Aan de binnenbekleeding, die van veel fijner
gras gemaakt is, had ’t wijfje, in de peuterige zorgzaamheid, die
vrouwen zoo eigen is, nog een en ander te veranderen en te verschikken
voor het naar haar zin is.
Daar deze wevervogels allemaal van gezelligheid houden en steeds de
buurschap van huns gelijke zoeken, levert een boom vol met deze
eigenaardige nesten, een wonderlijken aanblik. Maar niet alleen met het
bouwen zoeken de vogels elkander, zij houden elkaar voortdurend
gezelschap: zij zingen samen, zoeken gezamenlijk hun voedsel en gaan te
samen drinken. Dit drinken, waarvoor zij zich natuurlijk naar open
plaatsen moeten begeven, is voor hen een gevaarlijk werkje daar zij
zich dan blootstellen aan hunne vijanden. Aan den rand van ’t bosch
zitten zij door de bladeren beschut, te wachten. Opeens schieten zij
pijlsnel naar beneden, drinken „vliegensvlug” een slok en gaan weer
naar hun vorige rustplaats om, als zij het oogenblik gunstig vinden,
weer naar beneden te schieten. Deze schielijkheid is wel noodig, omdat
hunne vijanden op hen loeren en van elk oogenblik, dat zij zich bloot
geven, gebruik maken hen te vangen.
De VUURWEVER (PYROMELANA FLAVIROSTRUS) (No. 112) en de
PARADIJSWEDUWVOGEL (STEGANURA PARADISEA) (No. 115) zijn wevervogels,
die in het hooge gras der steppen leven en daar hun nest tusschen de
grashalmen vlechten. De nesten zijn ovaal; de ingang wordt zijdelings
van boven aangebracht.
De prachtvinken en AMADINEN, (No. 113, 114 en 116) weven eigenlijk niet
meer, maar pakken fijn gras vrij slordig te samen tot een bolvorm met
een zijdelingsche opening.
RIJSTVOGELTJES (MUNIA ORIZIVORA) (No. 114), leuke kleurige vogeltjes
met vuurroode snaveltjes, zijn in de rijstvelden erger dan de spreeuwen
bij ons in de kersenboomgaarden. Want, al doen de spreeuwen veel schade
en berokkenen zij een enkele kweeker veel last, als men de
rijstvogeltjes hunne gang liet gaan, zouden zij een aanzienlijk deel
van de rijstoogst opeten en waren zij de oorzaak dat er door veel
menschen misschien honger geleden werd. Want rijst is in Aziatische
landen, zooals onze Indië, het hoofdvoedsel der bevolking. Men neemt
dan ook wel degelijk maatregelen om deze vogeltjes binnen de perken te
houden. Zoo lang de rijstvelden nog onder water staan, doen de vogels
geen kwaad en zoeken zij hun voedsel overal elders. Zoodra men evenwel
de sawah’s (zoo heeten de rijstvelden) droog laat loopen en dit doet
men als de aren rijpen gaan, komen de vogeltjes in dichte drommen
opzetten en pikken zij zoo veel zij kunnen van de kostelijke korrels
weg, zich aan de halmen vastklemmende als hangende meezen aan de
twijgjes.
De inlanders, die niets op de zwermen van deze schooiertjes gesteld
zijn, bouwen stellages op verschillende plekken in de sawah. Deze
stellages zijn niet veel meer dan vloertjes, door palen hoog boven den
grond gebracht en met een bladeren dak bedekt. Op de meest
verschillende plaatsen heeft men bovendien in de sawah’s palen gezet,
die met de uitkijktorens (want dat is de bedoeling van de afdakjes op
stelten) verbonden zijn door touwtjes, waaraan men allerlei rommel
heeft gehangen. Zoo iets in de geest van „de sleep”, waarmee de
Zaansche kinderen hun stadgenooten op Luilaknacht uit de slaap houden.
Met die sleep van rinkinkende rommel rinkelen zij voortdurend, waardoor
de vogels geen oogenblik rustig aan de maaltijd kunnen blijven. Een
heel doelmatige vogelverschrikker dus.
Als de rijst gesneden is en de onkruiden welig opschieten op dit
vochtige, vruchtbare land en ze door de snelle ontwikkeling der planten
in deze tropische oorden gauw zaad dragen, mogen de rijstvogeltjes zich
naar hartelust hieraan tegoed doen. Zij eten zich dik en rond, maar als
zij er op hun voordeeligst uitzien, vangt de inlander hen weer en eet
hen op.
Van de eigenlijke vinken onderscheiden deze wevervogels zich uiterlijk
haast niet. Het hoofdverschil ligt in de nestbouw, waarbij vinken,
zooals we dat bijv. van de MUSCH (PASSER DOMESTICUS) (No. 117) kennen,
werkelijk niets bizonders aan te vinden is. Of het moest zijn, dat hij
er zoowat het geheele jaar mee bezig is, er zoowat het heele jaar door
eieren in heeft en meer broedsels per jaar groot brengt dan eenig
andere vogel doet. Dat de musch zoo in staat is, het heele jaar door te
broeden, komt voort uit dezelfde eigenschap, die hem over de geheele
wereld vertegenwoordigd doet zijn. Een musch kan zich zoo gemakkelijk
aanpassen. Warm of koud, het schijnt hem om ’t even. Z’n kostje weet
hij altijd wel te vinden, want hij zorgt er voor, steeds in de buurt
van de menschen te blijven.
De menschen zelf schijnen ook op hen gesteld te zijn, tenminste,
kolonisten hebben zich de moeite gegeven, hen mee naar Amerika te
nemen, denkt Brehm. Misschien ook, zijn zij per ongeluk met
graanschepen of dergelijke meegekomen. In ieder geval zijn zij er nu,
terwijl zij er vroeger niet waren, dat weten de Amerikanen maar al te
goed, want in sommige streken zijn zij zoo talrijk geworden, dat zij
even als de konijnen in Australië een ware plaag werden. Zóó bont maken
zij het bij ons nog niet. De meeste musschen vindt men in de steden.
Daar is altijd nog wel een warm en beschut plaatsje te vinden, terwijl
in het vuil en afval op de straten voedsel in overvloed is.
De musch is ook een vogel, die buitengewoon veel van gezelligheid
houdt. Nooit ziet men hem alleen maar steeds in gezelschap van meerdere
van z’n luidruchtige kameraden. De drukste gezelschappen vormen zij
evenwel ’s winters, tegen het vallen van den avond. Dan komen groote
troepen bij elkaar in bepaalde boomen en trekken den aandacht door hun
druk getjilp en gesjilp. Overdag kan men deze boomen gemakkelijk
herkennen, omdat ze als het ware wit gekalkt zijn door de uitwerpselen.
Een aardig muschje, dat buiten veel voorkomt, maar zich niet in de stad
laat zien, is de ringmusch. Gewoonlijk wordt hij evenals de gewone
musch door ons weinig kunstzinnig volk voor een leelijk grauw diertje
gehouden. Een Japanner weet beter de schoonheid te vinden, ook waar
deze niet luid sprekend is in schitterende kleuren. Een ringmusch te
zien, zooals een Japanner hem teekent, is een openbaring van
schoonheid. Van schoonheid, die overal te vinden is voor ieder, die
zich de moeite geeft er op te letten.
Nog veel sterker dan de musschen het verkeer met huns gelijke zoeken,
doen de REPUBLIKEINEN (PHILETAIRUS SOCIUS) (No. 118) dat, want deze
brengen zelfs hun nestmateriaal bij elkaar en verwerken dit tot een
grooten in een boom hangenden „hooiberg”. Ieder paartje heeft er z’n
eigen hokje voor een nest, ’t „dak” hebben allen gemeenschappelijk.
Als het broeden afgeloopen is en de jongen groot genoeg zijn om voor
zichzelf te zorgen, dan wordt weer met bouwen begonnen en wordt er een
étage ondergebouwd, want de republikein broedt nooit tweemaal in
hetzelfde nest. Telkens wordt hun gemeenschappelijk huis vergroot, tot
eindelijk deze massawoningbouw den tak, waaraan deze honderden nesten
hangen, te zwaar is geworden en deze breekt. Dan kunnen zij weer
opnieuw beginnen.
Van alle vinken is de KARDINAAL (CARDINALIS CARDINALIS) (No. 119) wel
de grootste en in ’t oog van een liefhebber van felle kleuren, zeker
wel de mooiste. Inheemsch is deze vogel in de Oostelijke Vereenigde
Staten, waar hij in koude winters trekvogel is, in zachte winters
evenwel op z’n broedplaats blijft, net als onze gewone vinken dat doen.
Onze inlandsche vinken prijken lang niet in zulke schitterende kleuren
als de kardinaal, hoewel de GOUDVINK of BLOEDVINK (PHYRRULA PHYRRULA)
(No. 121), ’t PUTTERTJE (CARDUELES CARDUELES) (No. 124), die beide in
’t Oosten van ons land of de KRUISBEK (LOXIA CURVIROSTRA) (No. 122) die
sporadisch wordt waargenomen, toch als fraai gekleurde vogels zeer
zeker in aanmerking mogen komen.
De kruisbek is behalve mooi, ook nog merkwaardig door den gekruisten
snavel, die z’n geslacht kenmerkt. Dit is een buitengewoon practisch
instrument voor het bewerken van de denne- en sparreappels, die het
liefste voedsel van de kruisbekken vormen. Al naar gelang een kruisbek
zich de zaden uit een hard schubbige denneappel of uit de meer buigzame
dunne schubben van een sparreappel pelt, is z’n snavel zwaar
hoornachtig of lichter gebouwd.
Eigenaardig is het, dat de hars uit deze zaden zoo geheel het lichaam
van deze vogel doordringt, dat het hen na hun dood voor bederf bewaart.
Zij drogen dan eenvoudig tot mummies in. Als een kruisbek zich langen
tijd met insecten gevoed heeft, wat zij wel eens doen als er niets
anders voor hen te eten is, dan zijn zij als zij gestorven zijn net als
iedere andere vogel aan bederf onderhevig. Het liefste voedsel voor
deze mooie vogel blijft evenwel het dennezaad. Waar geen dennen zijn,
komen zij niet voor. Ook trekken zij vaak van het eene gebied naar het
andere. Welke motieven den vogel daar dan toe dwingen, is niet bekend.
Zaad is het meest geliefde voedsel voor een vink. Dat maakt dat zij
gemakkelijk in volières te houden zijn. Want al eet het puttertje bij
voorkeur distelzaden, andere zaden versmaadt het niet.
Een andere geliefkoosde inlandsche vink voor volières is de goudvink of
appelvink. Want behalve dat zij prachtig gekleurd zijn, kunnen zij erge
aardige liedjes leeren zingen, als een mooi-fluitende man het hun
voordoet en het hun zoo met veel geduld leert. Zij hechten zich erg aan
de verpleger en schijnen gauw aan hunne gevangenschap gewend. Het is
heel dikwijls noodig om deze mooie en aardige, maar lastige en
schadelijke vogels, onschadelijk te maken. Aangenamer dan het
doodschieten van deze mooie diertjes lijkt het me, hen te vangen met
vogellijm en hen in kooien te houden, vooral omdat deze vogels geen
bezwaren tegen het kooileven schijnen te hebben.
Het doodmaken van iets levends is altijd een naar werk en als het dan
nog mooi is ook, valt het dubbel zwaar. De dieren kunnen het toch niet
helpen, dat zij van appel- en perenbloesems houden!
Beroemd om z’n mooie zang, die reeds in de natuurstaat opvallend is, is
de vink van de Canarische eilanden, de KANARIE (SERINUS CANARIUS) (No.
123). Zij worden daar tegenwoordig nog veel gevangen en verkocht. Reeds
sinds 1478 bestaat deze handel. Want, toen in dat jaar de Spanjaarden
de Canarische eilanden veroverden, heeft de zang van dit vogeltje in de
menschen de begeerte gewekt, het als „huiszanger” aan te nemen.
Zooals ’t met zooveel dieren is gegaan, die de mensch uit het wild
onder z’n bescherming heeft genomen, ondergaat ook deze vogel een
verandering. Al heel gauw verliezen ook de tegenwoordig uit het wild
gevangen kanaries hun groenige kleur en worden zij geel, maar
langzamerhand door kruising en teeltkeus, veranderen zij ook iets in
bouw, gaan soms beter, soms minder goed zingen. Tegenwoordig
onderscheiden de kanariekenners tal van variëteiten, die in drie
rassen, ’t Hollandsche, Engelsche en Duitsche onderverdeeld worden.
Onze inlandsche sijsjes zijn nauw aan kanaries verwant. In de zang van
deze vinkachtige vogels is iets typisch, dat hun alleen eigen is, de
z.g. „slag”. Onze gewone vink kent niet anders dan die „slag”, al
varieert deze voor de vinken uit de verschillende streken. De kanarie
zingt verschillende wijsjes, maar in z’n voordracht ervan is toch
altijd die slag te herkennen, zoo goed als in het aardige, eenvoudige
liedje van de GEELGORS (EMBERIZA CITRINELLA) (No. 120).
In Duitschland wordt deze vogel veel gegeten door ’t volk en de
tuingors, Emberiza hortulanis, de ortolaan geldt bij fijnproevers als
een eerste lekkernij. ’t Is een sympathieke eigenschap van ons volk,
dat bij ons deze en andere zangvogeltjes niet of nagenoeg niet gegeten
worden.
De TANAGRA (RHAMPHOCELUS BRASILIUS) (No. 125) is zoo groot als een
musch en zoo rood als een kardinaal. „Zomerrood”, de naam die de
Amerikanen hem geven, is dan ook een heel goeie, temeer daar hij
slechts gedurende de vier zomermaanden in Oostelijk en Midden Amerika
vertoeft. Als half September het broedsel groot is, gaan zij in
paartjes het Zuiden in, waar zij het zelfde stille, ingetogen leven
leiden, dat ook in de broedtijd zoo typisch voor hen was. Zoo stil
leven zij, dat zij, ondanks hun opvallende kleur, nauwelijks opgemerkt
worden.
Onze KWIKSTAART (MOTACILLA ALBA) (No. 127) ’t algemeen bekende
grijs-zwarte vogeltje en de graspieper, in z’n eenvoudig grauw pakje,
schijnen er anders over te denken. Men hoort en ziet hen tenminste waar
zij zijn. Vooral de kwikstaartjes zijn coquette, levendige vogels.
Kwiek trippend met hun fijne pootjes, pittig wippend met hun staartje,
maken zij voortdurend kleine tjilpende geluidjes, die overal gehoord
worden en steeds de aandacht op hen vestigen. De vlucht is mooi, met
groote golven.
In de wintermaanden missen we deze levendige vogeltjes, maar al heel
vroeg komen zij weer terug. Als de tuinder eind Januari of begin
Februari begint met het bewerken van z’n grond, dan is het kwikstaartje
er al heel gauw om hem gezelschap te houden en in den omgespitten grond
naar voedsel te zoeken. Nooit zal die tuinder meer dan twee
kwikstaarten tegelijk zien, want ieder kwikstaartenpaartje heeft een
eigen gebied, waarin geen andere kwikstaart komt, dan de jongen, die
zij zelf groot brachten. Broeden doen zij op alle mogelijke plaatsen,
want zij bouwen hun nest in alle mogelijke holletjes. Ik vond het
tusschen gekapt hakhout, dat op hoopen lag, zoo goed als in gaten langs
het wallekantje van een sloot.
Net als ’t kwikstaartje vindt de GRASPIEPER (ANTHUS PRATENSIS) (No.
127) z’n voedsel op den bodem. Ook maakt hij daar z’n nest van
grashalmen in een ondiep kuiltje. Het is moeilijk te onderscheiden van
een leeuwerikennest.
Ook de vogels zelf lijken op elkander, doch de LEEUWERIK (ALAUDA
ARVENSIS) (No. 129) wint het aan beminnelijke eigenschappen. Sinds
Frederik van Eeden deze ontdekte en van een zoo buitengewone
hoedanigheid vond, dat hij er een vers over maakte, waarin hij de
leeuwerik z’n „lievelingsvogel” noemde, kan men geen opstel over dezen
vogel van een Nederlandsch journalist, die zich zelf respecteert, in
handen krijgen of één of meer regels of soms zelfs het geheele vers
wordt aangehaald. Wel een bewijs, dat dit in een dringende behoefte
voorzag. Hoewel ’t, naar me voorkomt, niet precies de bedoeling van den
dichter geweest zal zijn.
Al deze aanbidding heeft de vogel zelf gelukkig niet geschaad en hij is
er even aardig om gebleven. Als hij jubelend omhoog stijgt en de
parelende tonen van z’n lied als kristallijne druppels op ons
neervallen, dan kunnen we niet anders dan luisteren en hem nastaren,
tot hij onzichtbaar wordt in de strakke blauwe lucht.
Al van het eerste begin af, als in Februari de leeuwerik komt, is hij
te hooren. Het hoogtepunt van z’n zang komt pas in de warme maanden.
Dan zingt hij van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. En gek is ’t,
maar ’t zelfde lied dat ons in den frisschen ochtend een opwekking was,
is op het heetst van den dag, als alles dommelt onder de zengende
warmte der zon, zoo vermoeiend en maakt zoo slaperig, dat we ons er
door in slaap laten vallen, zonder weerstand te kunnen bieden.
De eenige zanger, buiten Europa, die zich met onze beste zangers, de
leeuwerik en de nachtegaal kan meten, is de BULBUL (PYCNONOTUS SPEC)
(No. 129). Zij komen voor in het Indische en Aethiopisch gebied. In
Indië wordt deze vogel heel veel in gevangenschap gehouden, niet zoo
zeer om z’n zang als wel om zijn ongeëvenaarde vechtlust. Zoodra een
broedsel ver genoeg gevorderd is om de mannetjes te herkennen, worden
deze uit het nest genomen en gedresseerd. De kunstjes, die hij leeren
moet zijn nog al eenvoudig. Men verlangt dat hij leert op de hand van
zijn eigenaar terug te komen. Acht men hem tenslotte in staat om een
gevecht te leveren, dan bindt men hem een touwtje aan de pooten en laat
hem bij een andere vechtersbaas. Iedere eigenaar houdt zorgvuldig z’n
touwtje vast. De vogels vechten zoo hevig, dat zij elkaar zouden dooden
als men hen ongestoord hun gang liet gaan.
Bloembestuivende vogels zooals de kolibri’s komen niet alleen in
Amerika voor. Ook in Afrika en Australië zijn er. Deze hebben dezelfden
eigenaardig gekromden snavel, die voor sommige kolibri’s opvallend was.
Ook hunne tong is merkwaardig; deze is een z.g. „penseeltong”. De naam
is goed gegeven, want het uiteinde van hun tong lijkt werkelijk op een
penseel, door de herhaalde keeren dat de punt ervan zich in steeds
fijner wordende takjes splitst.
De HONIGZUIGER (ACANTHOGENYS RUFIGULARIS) (No. 130) die in Australië
leeft, vindt z’n voedsel voornamelijk in de bloeiende gummiboom
(Eucalypthus). De HONINGVOGEL (NECTARINIA METALLICA) (No. 131) die in
Afrika voorkomt haalt z’n kostje uit de Aloe’s en Strelitzia’s.
Evenmin als de kolibri’s verwant zijn aan deze honingvogels, hoewel in
uiterlijk, lichaamsbouw en eenige andere bijzondere eigenaardigheden,
sterke overeenkomsten te vinden zijn, is de BOOMKLEVER, (SITTA EUROPEA)
(No. 132) familie van de specht, hoewel deze twee vogels weer door
dezelfde levenswijs een uiterlijk hebben gekregen, dat hen zeer veel op
elkander doet lijken. In werkelijkheid, d.w.z. volgens systematische
geldende kenmerken behoort de boomklever tot de meezen, hoe hij er
uiterlijk dan ook van verschilt. Om deze dubbele natuur wordt hij door
de Duitschers „spechtmees” genoemd. Klimmen doen de boomklevers
minstens even goed als een echte klimvogel. Zij gaan een boom net zoo
gemakkelijk op als af. Tusschen de schors zoeken zij daarbij steeds
naar insecten en spinnen en maken zich bovendien nuttig door het
verdelgen van schadelijke schorskevers. Nestelen doen zij graag in door
spechten verlaten gaten.
Ook de meezen, waarvan de KOOLMEES (PARUS MAJOR) (No. 133) de grootste
inlandsche is, maken zich verdienstelijk door het verdelgen van
insecten. Het zijn de sierlijkste en levendigste vogeltjes die wij
hebben en zij vervroolijken vooral de winterdagen met hun gezelligheid.
Als ’s winters in de kruinen der dennen een troep meezen bij elkaar is
en de wandelaar, die op hunne aanwezigheid opmerkzaam gemaakt wordt
door hunne kleine tjilpgeluidjes, zich de moeite geeft eens wat langer
onder de boomen stil te staan, kan hij dikwijls veel soorten
aantreffen. De koolmees en het fijne pimpelmeesje zijn er wel haast
altijd bij, maar ook de zwartkopmeesjes, de kuifmeesjes zijn er. Een
enkele maal is zelfs de veel zeldzamere zwarte mees wel tusschen hen te
vinden.
Het is evenwel niet iedereen gegeven, ’s winters onder de denneboomen
te kunnen wandelen. Menschen in de stad, die het verlangen voelen
meezen in hunne dagelijksche omgeving te zien, kan ik niet anders
raden, dan spekzwoerd, kokosnoot en apenootjes op te hangen. Ook is het
aardig in een beetje dikke tak eenige gaten boven elkaar te boren zoo
groot als een gulden en 1½ c.M. diep. Deze gaten vult men dan met een
likje plantenboter of spekvet. En nooit zullen zij berouw hebben van de
kleine uitgave, die zij deden. De vreugde, die zij ervoor terug krijgen
kan heel groot zijn, dat hangt maar van het plezier af, dat men zelf in
deze vogeltjes heeft. Als de menschen van vogels houden, zullen zij het
wel kunnen verdragen, dat de musschen het grootste aantal van hunne
gasten vormen. De vinken, ’t roodborstje en de meezen zullen ook wel
komen, evengoed als de merel, de lijster en het winterkoninkje. Als men
de vogels eenmaal aan een vaste plaats gewend heeft en zij weten, waar
zij voedsel kunnen vinden, is het niet onmogelijk, dat zij het
nestkastje zullen opmerken, dat u voor hen heeft opgehangen en krijgt u
misschien wel een vinkenpaartje of koolmeezenpaartje aan het broeden in
uw stadstuintje of aan uw balcon.
De laatste familie in de orde der zangvogels zijn pas de eigenlijke
zangers. Hoewel al de andere families in deze orde, waarvan we reeds
een of meer vertegenwoordigers behandelden, zingen konden, zooals de
zwaluwen, de vliegenvangers, de worgers, de paradijzen, de wielewalen,
de wevers, de vinken, de tanagra’s, de leeuweriken en de meezen, zijn
het nergens zangers in den echten zin van het woord. Daartoe alleen
behooren wel 25.000 soorten, waarvan de PEKING NACHTEGAAL (LEIOTHRIX
LUTEA) (No. 134) er slechts één is. Deze leeft in de Himalaya, geheel
in hetzelfde gebied waar ook de SNIJDERVOGEL (SUTORIA SUTORIA) (No.
135) aangetroffen wordt. Deze snijdervogel is vooral aardig om het nest
dat hij maakt. Tusschen twee bladeren, die hij met een zelf gesponnen
katoenen draad aan elkaar naait, brengt hij katoen, paardehaar en
andere vezels en vormt daarvan het nest. Een heerlijke, zacht
schommelende wieg voor z’n kleintjes.
GRASMUSSCHEN (SYLVIA COMMUNIS) (No. 136) komen half April bij ons
vanuit midden Afrika. Zij trekken tot in Skandinavië om te broeden. ’t
Zijn pittige levendige vogels, met een druk, onstuimig liedje, die we
heel ongaarne zien vertrekken, evenals de RIETZANGER (ACROCEPHALUS
SCHOENOBAENUS) (No. 138), die hem een maand later naar Afrika volgt, om
eind April weer terug te komen. Dan bouwt hij z’n nest op de hoogste
plaatsen in het moeras, tusschen opschietende wilgenboschjes. Daar is
het altijd droger dan op de andere plekjes en heeft hij minder last van
den wisselenden waterstand. Hoewel een zanger in de systematische zin,
is z’n zang niet veel bizonders, evenmin als die van z’n verwant, de
sprinkhaanrietzanger. Deze maakt zoo’n raar roffelend geluid, dat zóó
laag is, dat het buiten het gehoor van sommige menschen valt, evenals
het hooge, ijle geluidje, dat het GOUDHAANTJE (REGULUS REGULUS) (No.
137) maakt. Dit overschrijdt de gehoorgrens van sommigen weer aan de
andere kant. In het voor- en najaar zijn deze kleinste van onze
vogeltjes bij massa’s in ons land, op de voor- en najaarstrek. Want
hoewel zij ’s zomers en ’s winters altijd in de sparren en dennen te
vinden zijn en er altijd eenige bij ons broeden in de leuke bolvormige
nesten, zooals die ook bij andere familieleden, als staartmeezen en
winterkoninkjes in gebruik zijn, is hun aantal in den trektijd het
grootst. ’s Winters treffen we de goudhaantjes veel in meezentroepen
aan, want als deze vogeltjes niet broeden, zoeken zij het gezelschap
van andere, die op dezelfde terreinen hun voedsel zoeken. Kwiek
scharrelen zij tusschen de dennetakjes door, wippend van ’t eene takje
op het andere, bengelend aan de dunste twijgjes, voortdurend pikkend en
snappend met hun fijne snaveltje. ’t Fijne kopje, met het gouden
kammetje draait en wendt het naar alle kanten, de scherpe kraaloogjes
spieden in ieder kiertje en spleetje naar kevertjes en spinnetjes.
Klein Jantje, het WINTERKONINKJE (ANORTHURA TROGLODYTES) (No. 139),
geldt bij het volk algemeen voor ons kleinste vogeltje, doch is toch
grooter dan het goudhaantje. Zoo klein als hij is, dringt hij zich
overal op den voorgrond en zet een vervaarlijke stem op. Overal hoort
men zijn eentonig, maar niettemin heel grappig en karakteristiek
liedje. ’t Klinkt zoo echt „parmantig”, deze kleine rakker z’n roffel
te hooren slaan en z’n paar tonen te hooren fluiten. Onafgebroken kan
hij er soms mee doorgaan en overal hoort men z’n tjū-tjū tjū
tjrrrrrrrrrrr, tjuu′ tju′ tju′ tju′ tju′ tju′ ū ē. In de hardnekkigheid
waarmee hij z’n weinig melodieuse zang laat hooren, evenaardt de
groenling (Chloris chloris), een familielid van het puttertje hem
slechts, die z’n nog minder kunstzinnig geblèèr nog halstarriger ten
gehoore blijft geven.
Ondanks deze eentonigheid in hun zang vervelen zij ons nooit, omdat hun
volharding zoo aardig is. „Ieder vogeltje zingt zooals het gebekt is”
en nog meer dan de zang zelf interesseert ons de drang tot zingen, die
juist bij deze leuke schreeuwleelijkjes zoo duidelijk is.
Heel wat „meer nooten op zijn zang” heeft de SPOTLIJSTER (MIMUS
POLYGLOTTUS) (No. 140), die z’n naam met eere draagt en aan een
buitengewoon nabootsingsinstinct een prachtig vol geluid paart, zoodat
het resultaat van zijn imitatieproeven werkelijk verrassend is. De
Amerikanen zijn dan ook verbazend trotsch op dezen vogel en noemen hem
de meest volmaakte en voortreffelijkste der zangers, zooals nu eenmaal
alles wat uit Amerika komt de overtreffende trap is van ’t geen Europa
voortbrengt. Brehm evenwel vindt dit echte opsnijderij en neemt de
verdediging van onze nachtegaal op zich. ’t Geen me vrijwel een
onbegonnen werk lijkt, daar bij den strijd om het kampioenschap voor
deze twee vogels, de Amerikanen zeker op z’n Amerikaansch den grootsten
mond zullen opzetten en de voorvechter voor onze zanger het daar wel
tegen af zal moeten leggen.
Zooals de „doofste” mensch de nachtegaal wel hooren moet, zoo moet de
„blindste” mensch die in de Himalaya komt de WITKUIF LIJSTERGAAI
(GARRULAX LEUCOLOPHUS) (No. 141) wel zien. Want niet alleen dat zij in
troepjes leven en een geweldig kabaal maken, zij zijn, ondanks hun
betrekkelijk eenvoudige kleuren zeer in ’t oog loopend. Dit komt wel
voornamelijk door hunne levendigheid en bewegelijkheid.
Heel wat stillere vogels zijn onze MERELS (TURDUS MERULA) (No. 142),
want hoewel hunne stem sterk en vol is en men de zang en tegenzang van
twee vogels, als zij op een hooge ijle tak aan het zingen zijn, op
grooten afstand hooren kan, ’t lied zelf klinkt ons altijd zoo sereen
in de ooren. Het meest op z’n plaats doet deze merelzang mij aan in de
bloeiend blanke pracht van een kersenboomgaard. Als zuilen van een
kathedraal staan de mooie stammen. Tegen het blauwe gewelf van den
hemel splitsen zich de slanke bogen van wit bloeiende takken. Daar
klinkt van uit een hoek de reine orgeltoon van het merellied, een ander
antwoord. De mensch zit stil en luistert.
Maar ook in minder idyllische omgeving is merelzang heerlijk om te
hooren en gelukkig is dat haast overal mogelijk, want de merel is
overal. In stadstuintjes nestelt hij zoo goed als buiten en menigeen,
die klimop langs z’n huis heeft groeien, zal verrast worden door een
bouwend merelpaar. Op één bepaald puntje van de dakgoot, op een
bepaalde windwijzer, op de kroonlijst, op de schoorsteen, overal vindt
de merel een plaatsje, dat hem hoog en vrij genoeg is om z’n lied te
fluiten. Wegtrekken doet hij niet. Wel is hij ’s winters met de korte
dagen een tijd lang stil en missen we z’n zang. Hoe anders, hoeveel
levendiger, hoeveel zonniger lijkt ons de dag, als in ’t heele vroege
voorjaar de eerste aarzelende tonen van de merel gehoord worden. Als
een goed nieuwtje, roepen we met lachende oogen onzen vrienden toe: Ik
heb vandaag de merel gehoord!!
Zoo gaat het ook in de duinen, als de TAPUITEN (SAXICOLA OENANTHE) (No.
143) weerom komen. Saai en doodsch en verlaten lijken onze duinen
zonder hen. Maar nauwelijks zijn zij er weer of we zien hen en het duin
leeft weer voor ons. De tapuit in het duin, dat is de lente, die komt.
Langzamerhand gaat dan het orkest der zomermuzikanten voltallig worden.
Tjif-tjaf, merel, groenling, vink, lijster, roodborstje, fitis,
nachtegaal, zij doen allemaal hunne best en oefenen zooveel zij kunnen.
De zachte stem van het ROODSTAARTJE (PHOENICURUS PHOENICURUS) (No. 144)
gaat haast te loor tusschen al deze andere. Toch weet ook hij z’n
fijne, zéér melodieuse liedje naar voren te brengen en doet hij z’n
uiterste best, ons z’n wijsje in het geheugen te prenten. En als ten
slotte de laatste trekkers, de Meivogels komen, is het koor voltallig
en staat de zomer voor de deur.