ZWEMVOGELS (NATATORES) II

ondergebracht worden. Van alle zwemvogels, die voornamelijk gekenmerkt

zijn door het bezit van zwemvliezen tusschen de teenen, is er geen één,

zoo in het water in z’n element als de pinguïn. Er is er géén, die zoo

volkomen de lucht als milieu verlaten heeft; geen één, die z’n lichaam

zoo volmaakt in een andere omgeving heeft aangepast, als hij.

Alle zwemvogels hebben hunne pooten meer achter aan het lichaam, dan de

overige. Hoe beter de vogel kan zwemmen, des te meer zijn de pooten aan

het eind van het lichaam geplaatst. Nergens evenwel is dit zoo ver

gegaan als bij de pinguïn. Het voordeel ervan is duidelijk, daar de

vogel er meer stuur over z’n lichaam door krijgt.

§ 1. Iedere medaille heeft z’n keerzijde! De PINGUÏN (No. 5), die de

beste zwemmer onder de vogels is, is aan land de meest onbeholpene,

juist door de eigenschappen, die hem in ’t water tot de eerste maken.

Als men hem aan land ziet, is het een stumper. Zijn korte pooten, die

zoover naar achteren geplaatst zijn, doet het zware lichaam waggelen.

De door de groote zwemvliezen zoo lompe voeten kan hij niet náást, maar

moet hij vóór elkander zetten, zoodat hij loopt alsof hij horrelvoeten

heeft. Hardloopen is hem dan ook totaal onmogelijk. Moet een pinguïn

gauw vooruit komen, als hij bedrijvig is of haast heeft, dan springt

hij liever als een zaklooper, met beide pooten tegelijk van den grond.

Maar van alle eigenaardigheden, die hun lichaam aan land zoo

ondoelmatig doet schijnen, komen de voordeelen in het water tot hun

recht. Men zegt zelfs, dat zij zwemmend een zoo groote snelheid kunnen

bereiken, dat zij een stoomschip kunnen bijhouden. Meestal bewegen zij

zich onder water, doch om adem te scheppen komen zij iedere 30 M. aan

de oppervlakte. Daar springen zij, zooals wij de bruinvisschen in onze

zeegaten zoo vaak zien doen, in volle vaart even boven water, om direct

daarna weer onder te duiken.

Om bestand te zijn tegen de geweldige afkoeling, die een natuurlijk

gevolg is van een langdurig verblijf in het ijskoude water der

Poolzeeën, hebben de pinguïns, evenals walvisschen, zeehonden en andere

in het water levende zoogdieren, een dikke speklaag onder hunne huid.

Zij zijn hierdoor zeer zwaar, ’t geen een merkwaardig verschil is met

vliegende vogels. Het lichaam van deze laatsten is er juist op

ingericht, zoo licht mogelijk te zijn. De beenderen zijn daartoe hol en

met lucht gevuld. Ook lijkt het dier door de losse veerenlaag veel

grooter, dan het werkelijk is. Hoe nietig en schriel is een geplukte

kip niet, in vergelijking met een levende! Dit maximaal vergrootte

oppervlak is verkregen door middel van een minimale gewichtstoename.

Pinguïns daarentegen hebben dikke, zware, harde beenderen, die in

plaats van met lucht, met een olieachtig merg gevuld zijn. Van de

veeren is niets meer over dan de schachten, die tot driehoekige

hoornschubjes zijn geworden.

Hoe moeilijk voor een pinguïn een verblijf op het land ook is, door

deze morphologische geaardheden, zij getroosten zich dit gaarne voor

het uitbroeden van hun eene ei, en het groot brengen van hun eenig

kind. Het liefst zoeken zij voor hunne broedplaatsen plekken uit, waar

de bodem niet te hard en rotsachtig is. Deze zijn echter niet altijd te

vinden. Als het niet anders kan, schikt de pinguïn zich in de

omstandigheden en neemt de dingen, zooals ze zijn. Z’n zorgen voor ’t

jong lijden er niet onder. De moeilijke afstand van de broedplaats naar

zee wordt zoo vaak afgelegd, als het noodig is.

Hebben de pinguïns een zandige plaats voor hunne nesten, dan graven zij

deze vol geulen, die elkaar onder rechte hoeken kruisen. Net zooals de

straten van veel van onze moderne stadswijken dat doen. Een enkele plek

wordt wat dieper uitgehold. Deze is voor het nest bestemd.

Pinguïns, die samen aan een district van de broedplaats werken, leven

in vriendschap met elkaar en schijnen zich als een soort familie te

beschouwen. Met de bewoners van een andere wijk leven zij in onmin. Een

ongelukkige, die in een verkeerde buurt terecht komt, wordt met

onvriendelijke en pijnlijke snavelpikken ontvangen en daarna

weggejaagd.

Al zijn deze families tegenover vreemden een geheel, onderling vechten

en kibbelen zij voortdurend. Meestal gaat het geschil om versieringen,

die aan de nesten worden aangebracht. Sommige vogels zijn ijverig en

slepen allerlei steentjes en schelpen aan, die met zorg om den rand van

het nest worden geschikt. Andere zijn lui en halen één steentje. Zij

zijn, zooals ook bij luie menschen zoo vaak het geval is, heel gauw

tevreden over zichzelf. De enkele keer, dat er eens wat gepresteerd

wordt, slaan zij zich vol voldoening met de handen op de borst en

roepen iedereen naderbij om hun werk te bewonderen. Luie pinguïns zijn

ook op een dergelijke manier met zichzelf ingenomen. Het eene onnoozele

steentje, dat zij haalden, verschikken en verleggen zij tot in den

treure. Met een scheeve kop en vol uitroepen van bewondering

beoordeelen zij het effect, dat het op verschillende plaatsen maakt.

Is de begeerte naar een tweede steentje groot en de weg hen te lang,

dan trachten zij op oneerlijke manier hun verlangen te bevredigen, door

er eentje van de buren te stelen.

Daar de verschillende nesten door de geulen met elkaar in verbinding

staan, is de gelegenheid er wel om het nest van een ander te bezoeken.

Het stelen gaat evenwel zoo glad nog niet, want er is steeds een van de

twee vogels op wacht. Schijnbaar met de beste bedoeling wordt het nest

van een vlijtige vriendin bezocht en met vreemde geluidjes geprezen. Op

een oogenblik, dat de gastvrouw wat minder oplettend schijnt, wordt de

slag geslagen en tracht zij zich uit de voeten te maken. De beroofde

merkt ’t evenwel en zet de dievegge achterna. Een slimme derde maakt

dan van de gelegenheid gebruik om het onbeheerde nest te bestelen.

Van ernstiger aard zijn de geschillen wanneer deze een ei of een jong

betreffen. Daar ieder paartje van dit soort pinguïns nooit meer dan één

ei legt, is dit eenige kind de groote zorg en angst der ouders. Moeten

zij het nest verlaten dan zijn er pinguïns die hun ei of hun jong op de

pooten leggen en het met zich meedragen. Een van de buik afhangende

huidplooi verbergt het en houdt het warm. Soms geven zij het ei aan

elkander over. Het wordt dan even op den grond gelegd en direct

voorzichtig met den snavel op de pooten van de wederhelft geschoven.

Iedere vogel, die het ongeluk heeft gehad ei of jong te verliezen,

tracht er een van een ander te stelen. Het berooide paar steelt weer op

zijn beurt. Zoo komt het dan ook meermalen voor, dat het jong eenige

keeren van ouders verwisselt.

’t Jong, dat blind ter wereld komt en dat in ’t begin ook nog niet

loopen kan, wordt door de ouders voornamelijk met garnalen groot

gebracht. De ouders visschen deze en bergen ze in hun slokdarm. Zij

braken ze voor het jong uit, of deze steekt gedurende 1 of 2 minuten

z’n kop in hunne bek en haalt ze zelf uit den krop.

§ 2. Met de grootste der pinguïns, de keizers- en de koningspinguïns

(APTENODYTES FORSTERI) (No. 5) kwam de grootste der DUIKERS

(URINATORES), de reuzenalk van het Noordelijk halfrond in grootte

overeen. De keizerspinguïn is ongeveer 90 c.M., de reuzenalk was ± 70

c.M. lang. Tegenwoordig is deze alk helaas uitgestorven. Vroeger was

hij op het Noordelijk halfrond zoo algemeen als de pinguïns nu op het

Zuidelijk zijn. De menschen van ’t Noorden hebben hem helaas te

intensief vervolgd omdat zij hem als voedsel gebruikten en moeten het

al sinds honderd jaar geheel zonder hem doen.

Het huidje van deze vogels is in de museums, die er een machtig zijn,

een zeer kostbaar en hoog gewaardeerd bezit. Geen wonder, dat het in

„Artis” onder een extra stolp bewaard wordt!

De tegenwoordig nog in groote hoeveelheden in het Noorden voorkomende

ALKEN (ALCA TORDA) (No. 6) lijken erg veel op de uitgestorven

reuzenalk. Zij zijn alleen veel kleiner. De grootte van een flinke eend

halen zij nog niet. Hoewel het puike zwemmers zijn, is hunne aanpassing

aan ’t leven in ’t water niet zoover als bij de pinguïns gegaan. Zij

hebben nog echte veeren. Hoewel hunne vleugels klein zijn, kunnen zij

deze toch nog gebruiken om er mee te vliegen. Graag doen zij het

evenwel niet. Alleen in de broedtijd vliegen zij onophoudelijk heen en

weer tusschen de hooge steile rotskusten, waar hun nest ligt en de zee,

die hen hun voedsel levert.

Voor ’t meerendeel bestaat dit uit krabben. Daar deze gewoonlijk op den

bodem der zee rondscharrelen, moeten zij duiken en soms zelfs vrij

diep, om hen te bemachtigen. Zij blijven een minuut of drie onder

water, komen boven om lucht te scheppen en duiken weer opnieuw. Tot dit

lange onder water blijven is de vogel in staat doordat hij een groote

hoeveelheid lucht mee naar beneden neemt in een zak onder z’n huid, die

daartoe geheel los om hem heen zit. Hij blaast zichzelf op tot een

ronden bal, slechts aan kop, staart en pooten kan men dan zien, dat men

met een vogel te doen heeft. In gewone omstandigheden ziet men de vogel

nooit in dezen toestand. Het was Boie, die een gevangen vogel met een

touwtje aan z’n pooten zwemmen liet en hem terughaalde dadelijk nadat

hij was ondergedoken, die hem voor ’t eerst in dezen toestand zag. Ook

heeft hij na kunnen gaan, dat de vogel onder water een afstand van ca.

60 M. aflegde.

Hoewel ’t ongeloofelijk schijnt, verdrinken alken herhaaldelijk. Na een

zwaren storm vindt men hen geregeld aan ’t strand. Een enkele maal

worden zij ook nog wel levend gesignaleerd, maar dat behoort tot de

uitzonderingen. Zij blijven ook nooit lang, maar trekken weer naar ’t

Noorden, naar Helgolands en Groenlands steile kusten. Dáár is hun thuis

en broeden zij hun eene ei uit.

Het jong is minder hulpbehoevend dan dat der pinguïns, daar ’t ziende

geboren wordt en loopen kan. Zoodra z’n vleugels genoeg ontwikkeld

zijn, sporen de ouders hem aan om naar beneden te springen. Dat is een

heele durf, want het is geen ongevaarlijk werkje en de jongen vallen

vaak te pletter op een uitspringend stuk rots.

Menig jong, dat er in ’t geheel den moed niet toe heeft, tracht langs

een omweg naar beneden te komen.

Waagt het den sprong en lukt deze, dan geven de ouders hunne blijdschap

te kennen en beginnen direct het van allerlei te leeren. In ’t begin

vindt de kleine ’t niets prettig in ’t water. Het went evenwel gauw en

leert spoedig voor zichzelf te zorgen.

Evenals vroeger de reuzenalk wordt de gewone alk door de menschen

vervolgd. Het is zoowel in ’t belang der vogels, als in ’t belang der

menschen, dat de overheid een beperking aan deze vervolging heeft

gesteld. Deze maatregel behoedt de vogels voor uitsterven en de

bevolking van die Noordelijke landen voor hongersnood.

Samen met de alk broeden de ZEEKOETEN (URIA TROILLE) (No. 7) en de Jan

van Gent op de hooge steile rotsen in ’t Noorden en deze moeten een

wonderlijken aanblik opleveren, met de miljoenen broedende vogels. Op

iederen vooruitspringenden riggel van de rots zitten zij. Mannetje aan

mannetje staren zij in zee van af hun natuurlijk amphitheater, hunne

witte borsten glinsterend in ’t zonlicht. Dag en nacht schreeuwen en

krijschen zij, dat het tot ver in zee te hooren is.

In levenswijs komen de zeekoeten in veel opzichten met de alken

overeen. De verzorging van hun eene jong gaat hen misschien wat

gemakkelijker af, daar zij iets beter vliegen.

Zij onderscheiden zich uiterlijk voornamelijk door hun snavel, die

zwart en smal is, terwijl die der alken mooi donker blauwgrijs en breed

is. Een witte band loopt over ’t hoogste gedeelte heen.

Zij komen over ’t algemeen vaker aanspoelen dan de alken. Wie een

verzameling van natuurhistorische voorwerpen heeft, verzuime niet zoo’n

doode alk en koet mee te nemen, wanneer hij nog gaaf is. Die gaafheid

blijkt het best aan den toestand der veertjes onder den staart en rond

de oogen. Laten deze los dan loont het de moeite niet het huidje op te

zetten. Van de kop kan dan evenwel nog een aardig schedeltje gemaakt

worden. Men snijdt het van den romp af en verwijdert thuis de huid en

zooveel mogelijk van de vleezige deelen. Dan legt men ’t in een bak met

water, die men ergens op een zonnig of warm plekje zet. Na een maand is

er niets meer over dan de beenderen van ’t schedeltje. Men kan dit met

een tangetje uit het water halen, onder de kraan uitspoelen en in de

zon te drogen leggen. Dat dit mascereeren zooals men een dergelijke

bewerking noemt een welriekend proces is, kan nu juist niet gezegd

worden. Een goed bioloog heeft dat evenwel graag voor z’n verzameling

over. Wanneer men een wondje aan de handen heeft, is ’t beter met ’t

beetpakken der objecten te wachten, tot het genezen is.

Heel zeldzaam vindt men een PAPEGAAIDUIKER (FRATERCULA ARCTICA) (No. 8)

aan ons strand. Dat is wel jammer want deze is ongetwijfeld de mooiste

duiker. Het levendig oranje rood van hun vreemd gevormden snavel geeft

een verrassend effect met het stemmig zwart en wit van hunne veeren.

Snel en rusteloos vliegen zij in kleine troepjes, laag boven het water.

Een onvergetelijke herinnering aan vreemd sombere schoonheid, voor

ieder, die hen eens in hunne woeste omgeving aan zich voorbij zag gaan.

Wèl is het noodig voor hen zoo gauw vooruit te komen. Het voedsel voor

hunne jongen, die in gezelschap van alken en uria’s op de vogelrotsen

liggen, moet vaak van heel ver komen. Het bestaat uit kleine vischjes,

die meestal niet in de onmiddellijke omgeving der vogelrotsen

voorkomen. Toch zouden deze snelvliegende vogels nog tijd te kort

komen, als zij voor ieder gevangen vischje den heelen weg naar ’t nest

weer teruggaan moesten. Een eigenaardige inrichting van hun snavel

geeft hen de gelegenheid met een groote massa voedsel tegelijk mee te

brengen. In den broedtijd n.l. krijgt de snavel aan de basis een

hoornplaat met een scherpen kant, die zich in een hoornachtige huid om

de mondhoeken voortzet. Tusschen deze plaat klemt hij ieder gevangen

vischje, zonder dat het hem verhindert z’n bek open te doen, als hij er

weer een vangen wil. Zoo bergt hij een menigte slachtoffers. Heeft hij

er genoeg naar zijn zin, dan vliegt hij naar huis. De bundels vischjes,

die aan weerskanten uit iederen snavelhoek hangen, lijken dan op een

grooten grijzen snor.

Waar geen van de genoemde vogels zich onze „lage landen bij de zee” tot

broedplaats heeft gekozen en we hen dus zelden levend onder oogen

krijgen, is dit met de FUUT (LOPHAETHYIA CRISTATA) (No. 9) gelukkig

niet het geval en zijn deze vrij gewone vogels op onze plassen. Het

kleine dodaarsje komt zelfs in polderslooten en fortgrachten veelvuldig

voor. De geoorde fuut daarentegen is een zeldzaamheid, die eerst eenige

jaren geleden in ons land broedend is aangetroffen. Gelukkig op een

plaats, waar dergelijke zeldzaamheden naar waarde geschat worden en

voor de roekelooze hebzucht van veel eierzoekers wordt beschermd.

Dat fuuten door veel menschen als zeldzaam worden beschouwd, zal wel

aan hunne levenswijs liggen.

Wie ’s avonds, bij het ondergaan der zon en het liggen van den wind, op

een van onze mooie plassen in een schuitje zachtjes voortglijdt, en van

het stille wijde water geniet, weet hoe veel er van deze vogels in ons

land zijn.

Hoe vaak is de droomerige stemming, waarin we geraakten door den

aanblik van het zachtblauwe water, overvloeit door de heerlijkste,

gloeiendste tinten van rood, goud en purper en de schoonheid der

weerspiegeling van het onbewegelijke riet in den zilveren waterspiegel

niet verbroken doordat we onze aandacht plotseling scherp

concentreerden op een korten rechten stok, die boven water verschijnt,

weer verdwijnt en een eind verder weer te voorschijn komt? Floep, daar

duikt hij weer onder. Dat was een fuut. Wat we voor een stok aanzagen,

z’n hals.—Wie ziet hem ’t eerst weer boven komen?

Nu je eenmaal gewekt bent uit de mijmering, waarin de zilveren rust van

’t water je bracht, zie je er telkens meer en vermaak je je met hun

duiken en onder water zwemmen. Wat ligt hij laag op het water, z’n

geheele romp is haast onder! En kijk! ginds komt er een met jongen

tusschen het riet vandaan. Zij zwemmen achter de oude aan, zooals jonge

eendjes ook achter hunne moeder zwemmen.

In ’t riet heeft de fuut z’n nest gehad. Veel bizonders was het niet,

want met een hoopje rottende bladeren, drijvend tusschen het riet, was

hij al tevreden. Daar heeft ’t vrouwtje de eieren in gelegd en nooit

heeft zij het verlaten zonder ze eerst met modder en rottende bladeren

overdekt en verstopt te hebben. De jongen, die ondanks de nattigheid

goed door haar uitgebroed worden, gaan direct te water en zwemmen, dat

het een aard heeft. Als zij moe worden duikt vader of moeder onder en

schept hen, boven komend, op de rug.

Wellicht waren er nog veel meer van deze aardige vogels op onze

plassen, als zij niet het ongeluk hadden mooie veeren te hebben, die in

den smaak der vrouwen vallen. De borstveeren van een fuut zijn wit en

van een teere fijne parelmoerachtige satijnigheid. Geen wonder, dat een

vrouw er haar oogen niet van af kan houden en ze bewonderend langs haar

vingers strijkt! Wel begrijpelijk, dat een moeder denkt: hoe lief zal

dit m’n blonde dochtertje staan!

Maar och, mooier dan ’t mooiste liefste blankste kindje er mee uit zou

zien, staat het de fuut.

§ 3. De groote oceanen en wereldzeeën van het Zuidelijk Halfrond zijn

het thuis van een van de grootste der STORMVOGELS of LONGIPENNES, van

den ALBATROS (DIOMEDEA EXULANS) (No. 10). Daar alleen, tusschen de

wijde lucht en het wilde water, treft men hem aan. Rustig, majestueus

vliegt hij, hoog boven de golven en recht in den wind. Hoog boven de

wereld is zijn plaats. Dáár hoort hij, dáár leeft hij, dáár is hij

groot, hij, de koning der vliegers. Onovertroffen is z’n vlucht. Na een

paar krachtige rustige slagen beweegt hij z’n vleugels niet meer, maar

zweeft en zwenkt met uitgestrekte vlerken. Hij daalt, hij stijgt,

zonder z’n vleugels te verroeren. Het is of de zwaartekracht voor hem

in die hooge luchten heeft opgehouden te bestaan. Dan opeens eindigt

hij z’n doelloos draaien en vliegt weg met sterke kalme slagen den wind

trotseerend. Soms vliegt hij zoo snel, dat men hem ’t eene oogenblik in

al z’n grootheid kan bewonderen, het volgende is hij al niet veel meer

dan een blinkend witte stip in ’t luchtruim. Hoe sterker de wind, hoe

sneller en zekerder z’n vlucht er tegen in is.

En deze Heer van de lucht, deze Koning der vliegers, heeft de mensch,

in z’n verlangen naar het onderbrengen in vakjes en hokjes, geplaatst

in de groep der „zwemvogels”, daar hij zwemvliezen tusschen de teenen

heeft. Tot welke eigenaardige consequenties voert de logica soms!

Toch, wanneer de vogel vermoeid is of slapen wil, laat hij zich op ’t

water drijven, zooals meeuwen, eenden en ganzen dat doen. Gauw moe of

slaperig is een albatros anders niet. Hij is in staat 6 dagen en 6

nachten een snelvarend schip te volgen, zonder ook maar één oogenblik

te rusten. Z’n voedsel, dat uit inktvisschen en aan de oppervlakte van

het water drijvende zeedieren, zooals kwallen, bestaat, vangt hij

tijdens z’n vlucht uit het water. Soms evenwel, bij zwaar en

stormachtig weer, moeten zij dagen lang vliegen, zonder aan voedsel te

kunnen komen. Zij vliegen dan maar door tot de storm bedaard is en zij

uitgeteerd en vermagerd ergens aan land kunnen komen.

De bemanning der schepen vangt hen ook wel na zoo’n storm. Zij zijn dan

uitgehongerd en vallen als wilden aan op een stuk ranzig spek, waarin

een haak verborgen is. Verwonden zij zich den snavel de eerste keeren

en loopen zij de haak nog mis, de honger drijft hen er iederen keer

weer heen, tot één keer de laatste is en de gevangen vogel aan boord

wordt geheschen.

Buiten z’n element, beroofd van z’n vrijheid levert deze grootsche,

koninklijke vogel een jammerlijken aanblik op. Z’n zwakke, kleine

pooten kunnen hem nauwelijks dragen, loopen kan hij heelemaal niet. En

de manschappen, die de koninklijke grootschheid van z’n vlucht niet

begrepen, genieten van z’n hulpeloosheid. Hunne kleinheid van geest

stelt hen niet in staat te bewonderen. Grootheid kunnen zij slechts

vernielen in hun domme wreedheid. En neergehaald uit z’n grootsch

milieu, uit z’n verheven sfeer, wordt de vogel bespot en gehoond, omdat

hij niet past in de wereld der menschen.

Iets anders is het en zeer vergeefelijk zelfs, wanneer de bemanning van

een schip door den nood ertoe gedwongen wordt albatrossen te vangen.

Vooral in vroegere eeuwen was dat nog wel eens noodig. In den tijd dat

de stoomschepen er nog niet waren en men nog niet van ’t conserveeren

van groenten in blikjes wist, moesten de menschen de heele lange reis

van Holland naar Indië om den Kaap heen, niets anders dan gezouten

vleesch en groenten eten. Zij kregen hiervan een vreeselijke ziekte, de

scheurbuik. Slechts versch vleesch kon dan de genezing brengen. Hoe

dankbaar moeten die zieken geweest zijn, als ’t walgelijk smakende

vleesch van den albatros hen beter maakte.

Om te broeden moeten de albatrossen wel aan land komen. Zij kiezen

daartoe eenzame zandige eilanden, waar zij met duizenden en duizenden

te samen hunne broedperiode doorbrengen.

Van de familieleden van den albatros is er niet één, die hem in ’t

vliegen evenaardt, al mogen sommige er wezen wat dat betreft. Dat weet

ieder, die wel eens op ’t strand naar de zeemeeuwen heeft gekeken. Hun

vlucht is zéér sterk aan die van albatrossen verwant. In de

stadsgrachten heeft zelfs iedere Amsterdammer in de kokmeeuwen prachtig

studiemateriaal en kan men door nauwkeurig en scherp op te letten heel

wat aan deze sierlijke lichtgrijze vogels opmerken. Deze kleine meeuwen

worden in Amsterdam, wat de duiven in Venetië zijn: zij behooren bij de

stad.

Tusschen deze kokmeeuwen ziet men vaak een veel grootere meeuw, die er

lang zoo mooi niet uitziet maar overdekt is met lichtbruine vlekjes.

Dat is een jonge zilvermeeuw, die z’n jeugdkleed nog niet verruild

heeft voor de mooie zacht blauw-grijze veeren van z’n volwassen tooi.

In de havens van Amsterdam vindt men ’s winters geregeld de groote

zwarte MANTELMEEUWEN (LARUS MARINUS) (No. 11). ’s Zomers is hij hier

niet, dan is hij vertrokken naar z’n broedplaatsen in Schotland. Maar

’s winters is hij aan veel van onze binnenwaters en aan de kusten van

Noord- en Zuiderzee geregeld te vinden. Een enkele jonge vogel of een

oude, die om een of andere reden niet broedt, kan ook wel ’s zomers in

gezelschap van zilvermeeuwen aangetroffen worden.

Zilvermeeuwen en kokmeeuwen broeden wel in ons land. De zilvermeeuwen

vindt men broedend in geweldige hoeveelheden op onze Waddeneilanden,

Texel en Terschelling en op Grient en de Beers. Kokmeeuwen broeden

dikwijls tusschen de zilvermeeuwen of in hunne buurt. Zij komen ook

echter op onze plassen voor op plaatsen, waar men de zilvermeeuwen niet

aantreft.

Over ’t algemeen maken de meeuwen niet veel werk van hunne nesten. Een

kuiltje in ’t duin, beschermd door een bosch helm tegen den

heerschenden westenwind, is hen al meer dan voldoende voor hun vier

bruin-groene, met donkere spikkels bezaaide eieren.

Een ander meeuwtje, dat ’s winters vaak wordt gesignaleerd aan ons

strand is het DRIETEENMEEUWTJE (RISA TRIDACTYLIS) (No. 12). Meest ziet

men het vliegend. Dat kan hij, evenals z’n familieleden, buitengewoon

goed. Zwemmend neemt men het ook vaak waar, maar loopend heel zelden,

want dat doet het niet graag.

Als de winter voor deze vogel voorbij is, trekt hij naar het Noorden,

naar IJsland. De bewoners daar begroeten hem met vreugde. Zij weten,

dat wanneer het drieteenmeeuwtje gekomen is, de lente gauw volgt en dat

de winter voorbij is al liggen de rotsen nog dik onder de sneeuw.

Een vriend van me, die het voorrecht heeft gehad een reis naar IJsland

per trawler te maken, heeft deze aardige vogels goed leeren kennen. Zij

omzwermen voortdurend het schip en azen op den afval, die overboord

gegooid wordt en zijn meest erg mak. Er was er zelfs één, dat voedsel

uit de hand kwam halen.

Als zij eenmaal broeden, zijn zij in ongeloofelijke hoeveelheden bij

elkaar. Zooals Faber er schilderachtig van zegt: „In Grünsö’s

vogelbergen zijn zij er in zoo groote hoeveelheden, dat zij de zon

verduisteren als zij opvliegen, de scheeren bedekken als zij stil

zitten en de ooren verdooven als zij schreeuwen en de van ’t lepelkruid

groene rotsen wit kleuren als zij broeden.”

Daar het drieteenmeeuwtje een gevorkte staart heeft, zou den beginners

het hierdoor wel eens voor ’t VISCHDIEFJE (STERNO FLUVIATILIS) (No. 13)

kunnen aanzien. De veel slankere bouw van ’t sterntje, de rooie snavel

met de zwarte vlek en ’t zwarte kapje op de kop moet hen daarvan

terughouden. Ook is de vork in den staart van een stern veel dieper dan

die van een Rissa.

’s Zomers broedt het sterntje op onze plassen, of in kleine kolonies in

moerassige weilanden, die dikwijls heel dicht bij de woningen der

menschen gelegen zijn.

Het is een vreugd om deze sierlijke lichtgrijze en witte vogels gade te

slaan. Met een enkele slag zoo nu en dan van hunne slanke vleugels

vliegen zij in kringen boven het water. Hun kop buigen zij van tijd tot

tijd met een grappig korte beweging naar beneden. En wee! het arme

bliekje, dat door de scherpe oogjes opgemerkt wordt. Stil en snel laat

de vogel zich vallen en eer het vischje merkt dat er gevaar dreigt,

wordt het al beetgepakt en mee naar boven genomen. Het sterntje zorgde

er bij het visschen wel voor, dat z’n schaduw niet op z’n prooi kon

vallen. Dat zou de visch gewaarschuwd hebben. Zoodra het bliekje naar

binnen is gewerkt, begint het aardig spel van zweven en cirkelen weer

opnieuw. Soms „staat” hij doodstil in de lucht, de kop spiedend omlaag

gebogen, de rooie snavel recht naar het water wijzend. Roofvogels ziet

men vaak in een dergelijke houding met hun scherpe oogen de omgeving

afzoeken. Ze „bidden” dan zooals de volksmond zegt.

In deze orde der Longipennes of Zeevliegers, waartoe de albatros, de

meeuwen en sterntjes behooren, is nog een familielid, dat heel andere

gewoonten heeft en zich in verband daarmee door een zeer bizonder

uiterlijk onderscheidt. Dit is de SCHAARSNAVEL (RYNCHOPS) (No. 14), een

vogel, die overdag meest slaapt in ’t warme zand, zoo dicht en zoo plat

mogelijk tegen den grond gedrukt. Vliegen doet hij het liefst in de

heldere maanverlichte nachten. Geruischloos scheert hij met z’n groote

stille vleugels vlak boven het water, als een sombere zwarte geest van

de nacht. Z’n lange dunne snavel, waarvan de onderkant veel langer is

dan de bovenkant, steekt hij in ’t water, terwijl hij verder vliegt.

Ieder, die wel eens een stok met kracht door het water heeft gehaald of

z’n hand buiten boord van een snelvarend schuitje heeft laten hangen,

weet, dat het water achter den stok of de hand een geultje vormt. Aan

den voorkant staat het er hoog tegen op. Uit dit opstaande water vangt

de Rynchops met z’n bovensnavel kleine insecten en vischjes. Ook wordt

verondersteld, dat hij de aan de oppervlakte van het water drijvende

wiertjes als voedsel zou gebruiken.

Een soort van deze Rynchops leeft aan de Nijl, de andere soorten komen

in Amerika en Azië voor. Alle onderscheiden zich evenwel, door hun

schaarvormigen snavel, met den vreemden langen ondersnavel. Zij

gebruiken deze allemaal op dezelfde, hierboven beschreven, manier.

§ 4. Na verwant aan deze Stormvogels zijn de STEGANOPODES of de

ROEIPOOTIGEN, waarvan ZONNEVOGEL (PHAËTON ÆTHEREUS) (No. 15), de

„Tropische vogel” of de „Zoon der Zon”, zooals Linnaeus hem dichterlijk

genoemd heeft, de lieflijkste is. Het zijn betrekkelijk kleine witte

vogels, maar over hun witte veeren ligt een roseroode gloed. „’t Is of

de laatste stralen van de ondergaande zon zich aan deze blanke wezens

hebben vastgehecht, want de glans van ’t avondrood ligt blijvend op

hen,” zoo zegt men.

Niet alleen om de fraaiheid van hunne veeren, maar vooral om hun

sierlijken bouw zijn deze vogels mooi te noemen. Hoewel hun lichaam

kort en stevig is, is de vogel een zeer bizarre verschijning, daar in

plaats van een normalen stevigen staart, twee lange linten achter hem

aan fladderen. De gewone staart is door de aanwezigheid van deze twee

lange en sierlijke veeren tot een verrassend grillige verschijning

geworden, waardoor de vogel z’n exotisch uiterlijk heeft verkregen.

Geen mensch, die op zee de Keerkringen passeert is er, die niet in

bewondering geraakt voor deze liefelijke vogels. Buiten de Keerkringen

komen zij niet meer voor. Zij hebben warmte noodig en de wijde zee, die

zij rusteloos doorkruisen. En in de maanlichte nachten komen zij als

sierlijke witte schimmen de diepblauwe ruimten doorklieven. Slechts om

te broeden gaan zij aan land op enkele der zeer afgelegen eilanden in

de Stille Zuidzee. Het wijfje legt één enkel chocoladebruin ei, dat

beide om beurten bebroeden.

De inboorlingen der Zuid-Zee eilanden hechten buitengewoon veel waarde

aan hunne vreemde staartveeren en getroosten zich de moeite graag, deze

op de broedplaatsen te gaan verzamelen. Daar de vogels zeer vast op het

nest zitten en dit om geen enkele reden verlaten, grijpen de mannen hen

zonder moeite beet en rukken hen de staartveeren uit. Dan laten zij het

verschrikte dier weer los. Zoowel ’t mannetje als ’t wijfje moeten zich

deze onaangename bewerking laten welgevallen, want beide bezitten de

zoozeer begeerde veeren.

’t Jong, dat uit ’t donkerbruine ei komt, is een aardig bolletje zuiver

wit dons. Net een poeierkwast, zooals Bennet ervan opmerkt. Hun echte

veeren blijven drie jaar lang zuiver wit. Als zij na dezen tijd

volwassen zijn, groeien de lange linten aan hunne staart en overdekt

hen voor ’t eerst de rose-roode kleur.

Op het Noordelijk Halfrond leeft buiten de Keerkringen de JAN VAN GENT

(SULA BASSANA), (No. 16) die een bijna even machtig vlieger is als de

albatros. Alleen is hij veel kleiner. Evenals de albatros is hij een

stumper aan land en zwemmen doet hij ook al niet met animo. Aan land

komt hij alleen om te broeden en te slapen, en in ’t water komt hij,

als hij met kracht uit de lucht er in duikt, om een visch achterna te

zitten. Zoo diep duikt hij soms, dat hij samen met de visch gevangen

raakt in een net, dat wel 35 M., of dieper, onder water heeft gelegen.

Meestal jagen zij op haringen. Deze worden weer door zeehonden of

walvisschen opgejaagd. Als visschers de Jan van Genten ergens met het

vangen bezig zien, sturen zij het schip die kant op. Zij weten bijna

zeker, dat die moeite niet vergeefs zal zijn en dat hunne netten zich

met een deel der haringschool zullen vullen.

Een enkele keer na een hevigen storm komt de Jan van Gent aan ons

strand. Wie hem in z’n prachtige vlucht heeft kunnen bewonderen en hem

dan als een armzalig hoopje ellende in elkaar ziet gedoken, voelt in

z’n hart niets dan medelijden. Soms worden zij in dezen uitgeputten

toestand gevangen en aan Artis cadeau gegeven. En erger dan van de

groote roofdieren, die rusteloos in hun kleine kooien heen en weer

loopen, vind ik de triestheid van ’t leven van dezen gekortwiekten

vogel.

Soms blijft een Jan van Gent eenigen tijd aan onze kust en zoekt hij

z’n voedsel in de buurt van ons land. Beter dan van de beste

beschrijving krijgt men een denkbeeld van de kracht waarmee hij in ’t

water schiet als men hem ziet visschen. Wie eens een Jan van Gent heeft

zien duiken naar z’n prooi, wie eens ’t water hoog in de lucht heeft

zien spatten, weet voorgoed wat er onder „stootduiken” verstaan wordt.

Thuis hoort de Jan van Gent eigenlijk op de vogelrotsen van ’t Noorden,

waar zij in ongeloofelijke hoeveelheden voorkomen. De nesten liggen er

vlak naast elkaar, want de vogels benutten ieder plekje. Uit de verte

zien deze rotsen er uit „als een schip met blinkend witte zeilen”. Deze

blinkende witte kleur wordt veroorzaakt door de mest der vogels. Op een

dergelijke manier hebben in vroegere tijden duizenden vogels de zoo

kostbare en hooggeschatte guano-mest geproduceerd.

’t Jong, dat aanvankelijk bruin is en een bruinen snavel heeft, krijgt

bij het volwassen worden dezelfde zacht blauw-grijze kleur en den

bleeken snavel als zijn ouders.

Eén is er onder de Roeipootigen, die den albatros in ’t vliegen

evenaardt, n.l. de FREGATVOGEL (FREGATA AQUILA), (No. 17) die men wel

eens „de arend der zee” noemt. Hij komt voor op het Zuidelijk Halfrond

en vergezelt, evenals de albatros, de schepen. Waarom hij juist naar

een oorlogsschip is genoemd, weet ik niet. De Engelschen geven hem

evenwel ook de naam „man of war”.

Z’n tweede latijnsche naam dankt hij waarschijnlijk aan de eigenschap,

tijden lang met groot welbehagen hoog in de lucht te cirkelen. Iets,

dat ook bij de adelaarsvlucht zoo opvallend is. Misschien ook heeft z’n

snavel, die aan ’t eind een felle kromme punt heeft er het zijne toe

bijgedragen, om hem „aquila” te noemen.

In z’n orde neemt de fregatvogel een eigenaardige plaats in, daar hij

het zwemvlies tusschen z’n vier teenen mist. Alle andere Roeipootigen

hadden hun vier teenen door een fraai zwemvlies verbonden. Dat

onderscheidt hen juist van de Stormvogels, die slechts drie teenen met

een vlies verbonden hebben, terwijl de vierde naar achter staat en vrij

is. Alleen bij het drieteenmeeuwtje ontbreekt hij; bij vele andere der

Stormvogels is er nog maar een klein stompje van over. ’n Rudiment,

zooals men zoo’n miezerig overblijfsel van ’n orgaan of lichaamsdeel in

de geleerde wereld noemt.

Bij de fregatvogels nu, is er nog slechts zoo’n rudiment van ’t

zwemvlies aanwezig; hij zwemt ook nooit. Niemand heeft het ten minste

van hem gezien. En toch: een zwemvogel! Dat vereischt dat kleine stukje

zwemvlies nog, waarmee hij z’n afkomst verraadt.

Veel van deze Zwemvogels, waartoe de Stormvogels en de Roeipootigen

behooren, hebben we als stumpers aan land leeren kennen. De fregatvogel

is evenwel van alle de grootste stumper. Is hij vermoeid van ’t vliegen

en komt hij aan land om uit te rusten, dan kiest hij daartoe een hoog

gelegen plaats: een hoogen boom, of een steile rotswand. Ze moeten hem

ruimte genoeg kunnen geven voor een flinken sprong naar beneden, want

eerst tijdens dezen sprong kan hij z’n vleugels uitslaan en weer

wegvliegen. Raakt een fregatvogel op een vlak strand verzeild, dan is

z’n einde nabij, daar hij niet in staat is, zich van den grond op te

richten. Z’n pooten zijn te zwak om hem af te kunnen zetten, z’n

vleugels te groot en te lang om ontplooid te kunnen worden.

Hunne nesten bouwen zij natuurlijk ook op dergelijke plaatsen. Zij

hebben, als zoo veel van de reeds genoemde vogels, bepaalde eilanden,

die zij de voorkeur geven voor deze bezigheid. ’t Jong blijft lang in

’t nest, daar het door z’n zwakke pooten zeer onbeholpen is. Pas

wanneer de vleugels ontwikkeld zijn, kan het wegvliegen, de wijde

wereldzeeën op.

Het liefst voeden deze „Arenden der Zee” zich met vliegende visschen,

die zij tijdens hun sprong boven water grijpen. Komt dit vischje nu op

een zoodanige manier tusschen den snavel, dat het voor den vogel

moeilijk is het in te slikken, dan laat deze het eenvoudig vallen,

vliegt het achterna en weet ’t nog in de lucht te vangen. Dit kunstje

herhaalt hij net zoolang tot de gewenschte stand is verkregen en ’t

door z’n keelgat verdwijnt.

Een overgang tusschen deze Roeipootigen en de Zwemvogels in engeren zin

vormen de PELIKANEN (No. 18). Wie deze wanstaltige vogels met hun

vervaarlijken snavel en hunne prachtig zacht-zalmrose veeren kent uit

de Artisvijvers, kan zich moeilijk indenken, dat zij vliegen kunnen.

Toch doen zij het heel goed; zij vliegen geregeld de Middellandsche Zee

over, om van hun winterverblijf aan den Nijl naar hunne broedplaatsen

in Zuid-Hongarije te komen.

Er is geen vogel, die het leven zoo makkelijk neemt, als de pelikaan.

Zelfs in z’n broedtijd doet hij alles nog op z’n gemak. ’t Eenige wat

hij in meer dan gewone mate volbrengt, is eten en slapen. Maar met deze

twee bezigheden zijn z’n dag en nacht dan ook juist gevuld op de

oogenblikken na, die er voor het toilet maken worden afgenomen. Dit

toilet maken is een hoogst belangrijke bezigheid, zooals in het leven

van veel nietsdoeners en nietsnutters het toilet een integreerend deel

van ’t bestaan is.

Maar, waar de menschelijke nietsdoener z’n nagels politoert of z’n haar

pomadeert uit een misplaatst schoonheidsgevoel, dient het tot de eer

der pelikanen gezegd te worden, dat hun toilet maken werkelijk een zeer

noodzakelijke bezigheid voor hen is. Ze bestaat n.l. uit het invetten

van hunne veeren. Het vet krijgen zij van een klier aan hun stuit, die

ook bij de eenden en alle andere echte zwemvogels sterk ontwikkeld is.

Wanneer de veeren met een vetlaagje bestreken zijn, zijn ze waterdicht

en ondervindt de vogel geen nadeel van een langdurig verblijf in het

water.

Daar pelikanen hun voedsel zwemmend bemachtigen is een dergelijk

invetten zeer noodzakelijk. Als de vogels zich aan hun ontbijt

verzadigd hebben, keeren zij weer naar het land. Daar maken zij toilet

tot de slaap hen overmant en zij met den leelijken kop tusschen de

mooie veeren gestoken, het voedsel verteren. Tegen den avond worden zij

weer hongerig en trekken zij er weer in troepjes op uit. Pelikanen

liggen heel hoog op het water, door een luchtkussen dat zij onder hunne

huid hebben. Dit belet hen ook te duiken. Zij zoeken hun voedsel dan

ook meestal op ondiep water en vangen de visschen met hun langen

breeden snavel.

De onderkant van den snavel wordt gevormd door een huidzak. De

bovensnavel valt er als een deksel overheen. Heeft de vogel te veel

water binnen gekregen, tegelijk met de gevangen visschen, dan verzamelt

dit zich in die zak. Komt er te veel water in de zak dan wordt de

snavel naar beneden gehouden en loopt het water er uit, door de keelzak

tegen de hals te drukken.

De jongen, die de gewone rose pelikaan in Hongarije uitbroedt, zijn

onoogelijke kleine monsters. Hunne pooten zijn zoo klein, dat men zou

denken, dat zij er geen hebben; de snavel daarentegen is opvallend

groot.

Moeder pelikaan geldt als een voorbeeld van zelfopoffering om de zorg,

die zij aan haar leelijk kroost besteedt. Het is immers een overbekende

sage, dat zij zich „de borst open zou rijten” om de hongerige jongen

met haar bloed te voeden. Waarmee zij deze vermaardheid verdient, is

niet te zeggen. Want voor haar nakomelingschap is de pelikaan zeker

niet zorgzamer dan andere vogels. Misschien hebben de eigenaardige

standen, die de vogels aannemen wanneer zij zich poetsen, er het hunne

toe bijgedragen, dit bijgeloof op te wekken.

§ 5. De laatste orde in de groep der zwemvogels bevat wel de het meest

als zoodanig bekende: n.l. de eenden, ganzen en zwanen. Zij

onderscheiden zich van de vorige groepen voornamelijk door hun snavel,

die van een typisch zeefapparaat voorzien is. Dit komt bij geen andere

vogel, uitgezonderd de flamingo, voor. De orde dankt er dan ook haar

naam aan: LAMELLIROSTRES of ZEEFSNAVELIGEN.

De zeefinrichting bestaat uit een rij hoornplaatjes op de snavelranden,

die beide met een zeer gevoelige, zenuwrijke huid overtrokken zijn.

Door de groote hoeveelheid tastlichaampjes, die er in zitten is het

dier in staat met de grootst mogelijke nauwkeurigheid de eetbare

bestanddeelen in het water van de oneetbare te ziften.

De ZAGERS, waartoe de MERGANSER (No. 19) en het nog al eens aan onze

kust aangespoeld voorkomende „nonnetje” behoort, hebben een slanken

smallen snavel, die in een scherpen haak eindigt. In ons land komen zij

niet broedend voor, doch zij worden geregeld waargenomen als diep in

den winter het water van hun broedgebied in Noord-Azië en Noord-Europa

hen te koud wordt en zij dit verlaten voor het warme water van

Zuidelijker zeeën. In Februari trekken zij weer terug naar hun

broedgebieden aan de kusten der Noordelijke zeeën en aan de groote

meeren, dieper in het land gelegen.

Onze huiseenden, die afstammen van de gewone WILDE EEND (ANAS BOSCAS)

(No. 20), onderscheiden zich van hunne stamvader het meest door

grootere en breedere lichaamsvorm en door grootere eieren. De Romeinen

zijn reeds begonnen met de wilde eend in cultuur te nemen. En hoewel in

de kleur der huiseenden zoowel als in de houding, die meer rechtop is,

duidelijke verschillen met de wilde eend aan te geven zijn, twijfelt

niemand aan hun afkomst. Temeer, daar men zeer vaak onder de gewone

huiseenden vormen aantreft, die dezelfde teekening en kleuren vertoonen

als de wilde eend. Het mannetje heeft dan denzelfden prachtig glanzend

groenen kop, denzelfden mooien blauwen spiegel aan z’n vleugels.

De wilde eend is zeer vraatzuchtig, eet alle mogelijke dieren en

planten en is zelfs wel schadelijk door de groote hoeveelheden jonge

knoppen en zaden, die zij verorbert. Tegenover deze geringe schade

staat het groote voordeel dat zij opleveren, daar zij een buitengewoon

heerlijk wild zijn. In het najaar worden zij ook bij ons ten lande veel

gevangen, voornamelijk in de eendekooien. Na den broedtijd als de

jongen groot zijn, vereenigen de eenden zich tot troepen en vliegen zij

samen naar Zuidelijker streken. Brengt de tocht hen nu boven een

vijver, waar zij eenden in zien, dan strijken zij daar neer. Het vangen

van eenden in de eendekooien berust in hoofdzaak op deze eigenschap. De

vijver, die het midden van de kooi vormt, is aan alle kanten door

boomen en struikgewas omgeven. Hier leven tamme wilde eenden, die

gekortwiekt zijn, de z.g. „lokeenden”. Komt nu een troepje eenden in de

vijver, dan mengen de lokeenden zich tusschen hen en drijven

langzamerhand de bezoekers naar slooten, die op den vijver uitkomen.

Langzamerhand worden die slooten nauwer, aan het eind zijn ze niet veel

meer dan een greppel. Zijn de eenden aan het eind van de greppel dan

trekt de kooiker, die vanuit z’n schuilhoek alles gezien heeft, z’n

slagnet, dat daar was aangebracht, toe.

De wilde eend wordt door den man of een van z’n helpers gedood, het

lokeendje wordt losgelaten en zwemt weer naar het midden der vijver,

waar het weer een nieuw slachtoffer aanklampt.

Ongeloofelijk is het, voor wie het niet met eigen oogen zag, te hooren

hoeveel eenden wel over ons land trekken. Ga maar eens op mooie stille

Aprildagen naar de Zuiderzee, bij Valkeveen. En als je ’t treft zul je

met eigen oogen ’t wonder van die eendentrek kunnen zien. Bij duizenden

zwemmen zij daar op het ondiepe stille water. Van tijd tot tijd

opvliegend, als een donkere wolk tegen den helderen blauw-gouden

voorjaarshemel. Ieder geeft z’n eigen geluid ten beste, maar boven dit

orkest klinken de heldere lange fluittonen van de smienten in

onvergelijkelijke zuiverheid.

Broedend hebben wij in ons land een groot aantal verschillende

eendesoorten. Wie zich een denkbeeld wil maken van den vormenrijkdom

die deze familie in Holland heeft, doet wijs de vijvers van Artis eens

met een bezoek te vereeren. Daar zijn zij alle: de eidereend, de

toppers, de brilduikers, de witoogeendjes, het zomer- en

wintertalingje, de pijlstaarten, de bergeenden, de slobbers, de zagers,

de kuifeendjes. Gekortwiekt, wel is waar. Alleen de wilde eenden, die

bij de vijvers uitgebroed zijn, vliegen af en aan. Zij broeden op hun

beurt weer ergens anders in Amsterdam en bevolken de vijvers in de

stadsparken met hun nakomelingschap. Er zijn er zooveel, dat er ’s

winters, met vorst, in het Oosterpark soms wel meer dan 300 wilde

eenden geteld worden, die in de schemering van alle kanten aan komen

vliegen om den nacht in het open water van het wak in den vijver door

te brengen.

In een van de andere Artisvijvers, huizen de ganzen. Al is deze

collectie niet zoo volledig, men heeft er toch een heerlijke

gelegenheid de vogels nauwkeurig gade te slaan. In de natuur komen zij

in ons land niet anders voor dan ’s winters op den trek. De BRANDGANS,

(BRANTA LEUCOPSIS) (No. 21), die Noordelijk broedt, wordt evenals de

eidereend om z’n dons, in halve gevangenschap gehouden. In hun

broedplaatsen, zooals Sylt, lokt men hen daartoe in kunstmatige nesten,

waar zij graag in trekken. Het dons wordt dan door de menschen

weggehaald en de eieren regelmatig gegaard. In dat geval legt de vogel

er wel twintig tot dertig. Is hij aan zichzelf overgelaten, dan gaat

hij na het zevende, achtste, soms twaalfde ei al broeden. Hun broeddons

is heel mooi, minstens genomen even mooi als dat van de eidereend.

Merkwaardig is het, (en vrijwel ongelooflijk, voor ieder, die de

waarneming niet zelf deed) dat brandganzen vaak in gezelschap van

vossen broeden, ja, hun nest zelfs in z’n hol maken. De vos die een van

de ergste vijanden is van hunne familieleden, zooals bijv. de wilde

eend, schijnt hen volslagen ongemoeid te laten. Een typisch voorbeeld

van die treffende sympathieën, die zoo herhaaldelijk aangetroffen

worden.

Zeldzamer nog dan ganzen, komen zwanen in ons land. Zij broeden ook nog

noordelijker en verlaten hun broedgebied pas met zeer felle koude. In

strenge winters worden zij dan ook geregeld aan het open water van onze

groote rivieren, of langs het strand gesignaleerd. En wanneer men er

een ziet, dan ziet men zeker een tweede, want zwanen blijven hun leven

lang hun vrouw trouw. Het zijn aantrekkelijke vogels, daar zij even

voorbeeldige vaders als echtgenoot zijn. Zij verzorgen en verdedigen

hun kroost met vuur. Onze tamme zwaan heeft deze eigenaardigheden

geërfd van z’n wilden stamvader, CYGNUS OLOR (No. 22), die in

Noord-Europa en Oost-Siberië broedt.

De fraaie gevormde hals der zwanen, die hen zoo bemind maken als

stoffage van vijvers, heeft voor de vogels een groote beteekenis. Zij

kunnen met die langen hals tusschen de modder scharrelen en halen zoo

hun voedsel van de bodem. Men vindt hen dan ook zelden op diep water,

maar treft hen geregeld langs de kusten aan.

Cygnus musicus, die z’n naam verdient om z’n welluidende schallende

stem, wordt tijdens z’n rui bij massa’s gedood. Zij zijn dan zeer

hulpeloos, daar zij hun groote slagpennen missen en niet wegvliegen

kunnen. Daar zij in dezen tijd ook zeer vet zijn, vormen zij een

voedselbron van beteekenis.

„De liefste vogeltjes, die ik ken”, zei een vriend van me, die in

Frieslands wijde weiden is geboren, „zijn de steltloopers”. Onze

vriend, de medicus, die deze ontboezeming mee aanhoorde, kon zich niet

weerhouden, spottend de opmerking te maken: „Dat kan ik me begrijpen.

Ooievaars, reigers en maraboes zijn wel de aanvalligste „vogeltjes”,

die er te denken zijn.”

Het was een medicus niet kwalijk te nemen, dat hij onze Fries zoo

verkeerd begreep; hij verkeerde in ’t algemeene wanbegrip, dat

Vogelalbum No. 1 · 第 6 / 12 题