De cel was vol licht, alsof daarbuiten een liefelijke Lente gebeurende
was. En waarachtig: door 't kleine raam zag Johan een stuk hemel
heerlijk-blauw, bespot met witte krullende wolkjes en overstraald met
zonnegeweld. Hij ging op zijn bedde staan en keek uit langs het venster.
Wat zag hij daar voor moois?...
De binnentuin van 't Klooster lag vierkant tusschen de met mos en veil
begroeide gevels te leven in prachtig kleurengedoe. Er was veel laag
groen waar zes ronde perken tulpen bloeiden. Net geteekend en effen van
verve, ringden er omme de safraangele kiezelpaadjes. Van uit Johan's
venster, leek de tuin een vurige rozet, gelijk men er vindt op bonte
ramen van kathedralen. Als een bruine mier kroop een pater-hovenier er
over. Zijn rozige schedel was gepolijst.
Toen werd Johan Doxa vervuld met eene eindelooze vreugde.
--"Hee-la!" riep hij luid.
Hij schrok bij den klank van zijne stem en trok zich schielijk terug.
Daar zag hij een rosten capucien op de zuil van zijn celletje staan.
--"Goeden morgen," zei de capucien minzaam, "ik ben de pater-hotelier."
Van uit de hoogte waar hij zich geheven had, keek Johan Doxa hem aan,
plotseling duizelig wordend. Langzaam hurkte hij op zijn bed neer, in de
meening dat zulke trage inkrimping wellicht ongemerkt kon gebeuren en
hem maken tot een fatsoenlijk mensch van normale grootte. De capucien
stond goud-rost als een najaarsmiddag. Zijn kastanje-oogen blonken in
een besproet gelaat dat weelderig was omhangen met een baard van duizend
kurkvormige krullekens. Het was alsof een late zon schuin aanglom over
heel dat harig hoofd, en over 't gele haar ook van zijne sterke handen.
De capucien was dik en wel te pas.
--"En wat zoudt gij nu willen eten?" vroeg hij.
--"Willen eten?... Ha! willen eten, zegt gij...."
--"Ik heb hesp en Zwitsersche kaas en goede boter en roommelk. De koffie
is klaar. Maar ge kunt ook thee krijgen. Onze thee is niet al te best,
moet ik zeggen."
Daar de pater-hotelier glimlachte, lachte Johan Doxa mee. Hij lachte
gedwongen, al peinzende: "dat is een geestige keukenbroeder, die aardige
namen aan zijn pompwater geeft."
--"Ik zal koffie gebruiken, en hesp of zoo...." zei hij gekscheerend.
Maar hij viel niet omver van verbazing, toen, na de korte vroegmis, de
heerlijke pater-hotelier hem voor een frisch-blanke tafeltje deed
aanzitten, waar een soliede ontbijt was opgediend. Johan Doxa, moet ge
weten, is nooit in zijn leven zoo verbaasd geweest dat hij ervan omver
zou vallen.
* * * * *
Na drie dagen besloot Johan Doxa de overtuiging te aanvaarden, dat een
retraite bij de Franciscanen eigenlijk behoorde tot een der aangenaamste
tijdkortingen van de wereld. Hij kon zonder moeite gehoorzamen aan de
regels van den huize, volgde gewillig alle kapeldiensten, hanteerde
zoetekens zijn dikken paternoster en bladerde devotelijk in zijn
kerkboek. Dagelijks moest hij een apart en stichtelijk sermoontje hooren
van pater Hilarius, en hij deed het zooals een zieke de siroopdrankjes
van den doctor inneemt. Maar zijn groote vrienden waren de kale
pater-hovenier en de haar-rijke pater-hotelier.
Den pater-hovenier hielp hij de vele tulpen verzorgen in den zymetrieken
tuin. Hij reekte en sproeide en weerde het kleine woekerkruid. Ze
verstonden malkander goed, ofschoon de oude capucien geen woordje sprak
en alles zwijgend te beduiden gaf met bevende gebaren van zijn
voorzichtige hand. Te zamen versierden zij met klaterende bloemen de
Lente die in den tuin van dag tot dag gulziger aan het leven ging.
De pater-hotelier echter zat in het hart van Johan Doxa gelijk op een
troon. Hij was ook de majordoom van zijne maag. Hij kon dingen bereiden
die de herinnering aan de geuren van de _Curiosity Shop_ geheel
uitvaagden. En hij had een wijnkelder. De retraite-verordeningen, zooals
de pater-hotelier ze uitvoerde, waren zoet om dragen en indien
God-de-Vader uit den hemel op Johan in dien tijd heeft neergezien, dan
heeft hij moeten vaststellen dat deze boeteling zich gedwee aan al de
gestrengheid der orde-geboden heeft kunnen onderwerpen. Een
voortreffelijk berouw was blijkbaar het mystieke sieraad van zijne ziel,
want het geweten van Johan Doxa was nu geleedelijk zoo rustig geworden,
dat--om het met een stoffelijk beeld uit te drukken--zijne broek buiten
alle verhouding te spannen begon.
De zevenden dag besloot pater Hilarius zijn familiaire preek met een
voorstel dat Johan in verrukking bracht. Hij sprak:
--"Ieder moet den Heere loven naar zijne vermogens, mijn zoon. Even
eerbiedwaardig als het statige lied van den nachtegaal, klinkt in zijne
ooren de drooge roep van den krekel. Al wat ter eere van God opgaat in
dank, behaagt Hem uitermate. Daarom dunkt mij, Johan, dat gij zoudt
moeten denken aan het werk, waarmede gij Hem naar uwe beste krachten
huldigen kunt. Ik meen bij voorbeeld--een schilderij...."
De tranen schoten Johan in de oogen. Hij omhelsde den pater niet, omdat
hij zelden iets deed, waartoe hij vast was besloten.
* * * * *
Johan Doxa miek een schilderij. Het moest naar het aanvankelijk ontwerp,
worden een beeld ten-voete-uit van den Heiligen Franciscus en het zou op
den grooten outer van de Kloosterkapel prijken. Maar het werd een kleine
Jesus, blond en rozig, gezeten op een kussen van weidebloempjes, de eene
hand rustend op een blauwen wereldbol, de andere zegenend ten hooge
geheven. Het hangt thans links in het kerkje, rechtover den preekstoel,
als een ex-voto van blijvende schoonheid, voor alle tijden....
* * * * *
Terwijl Johan Doxa bij een hoog raam aan het schilderen zat, kwam de
pater-hotelier op geregelde uren met hem een praatje doen.
Bij voorbeeld bracht hij hem een bruin-geboterd kipje en zei:
--"De pater-hovenier is nu met jacynthen bezig. Ik houd in het geheel
niet van hem, Johan."
--"Ik hoop dat ge u vergist."
--"Ik houd niet van wat hij is, wil ik zeggen. Hij is een
vrijheidschender. Hij zet al de lieve bloemen in perken, gelijk men
kinderkens in kerkers zou steken."
--"Bloemen voelen dat niet. Zij bloeien maar...."
--"Wie weet? Vogeltjes sluit men ook op, en zij zingen maar...."
Johan liet zijne vork op den rug van het kipje rusten en keek verwonderd
naar den pater. Hij dacht aan een vinkje dat hij overlang bezeten had en
dat in zijn kooi was doodgegaan. Werktuigelijk zei hij:
--"En een eekhoorn houdt men wel eens in een traliëntrommel gevangen, en
hij danst maar...."
Hij wendde zijn aangezicht naar 't open venster en blikte in het wijde
azuur. En de pater vroeg:
--"Hebt ge geen eetlust, beste Johan?" Neen, hij had geen eetlust. Hij
hoorde verre geluiden over den hemel gaan. En het werd hem ineens zoo
droef te moede, zoo droef te moede, zoo eindeloos droef te moede....
* * * * *
Op een zondag-avond, na 't lof, lag Johan Doxa in zijne cel, op het
nauwe ijzere bed. Het Klooster sliep. Johan lag met open oogen tusschen
denken en niet denken. Was dat mijmeren? Was dat rusten? Voor de eerste
maal sinds zijne aankomst bij de paters, lag hij zoo en glariede in de
duisternis. Er kwamen geen beelden op, maar iets heel warms, gelijk eene
onzichtbare pels, omdoezelde hem gansch. Zijne voeten en zijne handen
gloeiden, en langzaam vergingen ze in donzigheid, en hij zou ze niet
kunnen verroeren, want had hij nu nog handen en voeten? Hij voelde zijn
eigen niet meer.
Het vensterken was niet dicht. Hij hield hel open omdat, van af
eergisteren al, een zwaluwenpaar hier rond vleugelde, een hoekje zoekend
om hun nest te bouwen. En van heel wijd naderde hem een wolk van wattige
gepeinzen, tot hij, buiten alle verwachting, werkelijk te denken begon.
--"Van waar komen toch die zwaluwen, ieder jaar?"
En de wolk dreef op, in langzame vaart. Ze zweefde over lage landouwen,
over steden en dorpen, over wouden en stroomen, over bergen van groen en
bergen van sneeuw, en dan daalde ze glijdend en voer over zee, de
matelooze, ruischende zee.
Plots ontlook in de stilte een verre muziek. Ze breidde zich uit en
ontwikkelde allengerhand zeer hoorbaar hare blijde cadensen. Ze vulde
weldra de lucht met zwellende klankondulatiën, en Johan kon eindelijk
herkennen wat daar een fluit deed, een klarinet, een koperen hoorn, een
brommende trombone, en al zulke plezante tuigen meer. Een trom klopte de
rythmen. 't Werd kermis, kermis in de stad--kermis in de ledige ziel van
Johan Doxa, die, met één schok, zijne handen weerkreeg, en zijne voeten.
Hij zag nu, alsof hij er bij meehuppelde, den ommegang van de fanfare in
Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje-wijk. Hij zag de kinderen dansen, hij snoof de
vetwalmen der oliekoeken en den stikkenden rook der fakkels. Hij zag de
ruiten der herbergen branden en flappende vlagen kleuren in den gloed.
Hij zag de mannen en de vrouwen....
Hij zag de vrouwen. God vergeve hem, hij zag ééne vrouw, eene met
krullekens voor hare slapen en die, met bloote armen, twee schuimende
pinten geuslambik bood.
--"Wilt ge meedrinken, als 't u belieft?" vroeg Johan.
En ze zei terwijl ze op hem afkwam met den tooghanddoek:
--"Ge hebt u een beetje vuil gemaakt, geloof ik."
Hare stem was wonderzoet. Nu naderde ze minzaam en lachte in zijn
aangezicht. En Johan draaide zich gauw om in zijn bed, vatte wanhopig
zijn hoofdkussen in beide armen, en pletterde daar zijn mond tegen, om
't huilen te smoren dat onweerstaanbaar uit zijn hart opjoeg.
--"Moeder! Moeder! Moederken!..." kloeg hij.
En dat duurde een heelen tijd zonder dat het baatte.
Toen het schilderij af was, verklaarde Johan Doxa dat de retraite hem
voor goed van al zijne slechtheid gezuiverd had en vroeg hij om zijne
uiterste biecht te zeggen. Met één woord: hij wilde uit het klooster
weg.
Pater Hilarius hoorde de biecht, een mooien middag van April, even voor
vespertijd. Johan ging met hem in de schoone Kapel, knielde voor den
outer en verdween in het donkere hokje, waar hij, tegen een plank met
gaatjes, woorden prevelde in het oor van zijn biechtvader. Dan moest hij
onder het groote Kruis-Lieven-Heer gaan liggen en met zijn voorhoofd
lang die koude vloertichels raken. Eindelijk hoorde hij de vespers
zingen. 't Was uit. Hij nam afscheid van de Kloosterlingen, waaronder
velen hem liefdelijk behandeld hadden. Hij nam met melancholische
hartelijkheid afscheid van den ouden pater-hovenier, die hem drie
zeldzame begoniabollen ten geschenke gaf. En zijn gemoed kwam nog even
vol toen hij in de vestibule afscheid nam van den gulden pater-hotelier,
die zijne zware handen op Johan's schouders legde. De pater-hotelier
zei:
--"Vaarwel, lieve vriend. Ik zal steeds u in mijne gebeden herdenken.
Van menschen zooals gij, Johan, gewaagde Krist toen hij ergens de
Pharizeërs toeriep: "Laat af, gij die schraapzuchtig zorgt voor den
dag van morgen!" God, toen hij de Toekomst schiep, schiep ook de
Voorzienigheid, en beide blijven in Zijne handen. Ga, Johan, onbekommerd
uwen levensgang. God spijzigt de vogelkens van uur tot uur. Waarom zou
Hij u niet spijzigen?"
Hij drukte Johan in zijne armen en zegende hem....
Daar stond met zijn zwarten baard en rozig gezicht, de goedige
pater-poortier vergeefs zijn best te doen om in de schaduw van pater
Hilarius te verdwijnen. Johan hoorde zonder ongeduld een laatste
sermoen, een klein deur-sermoentje maar, vol liefelijke en lichte
dingetjes, gelijk van een chirurgijn, die een patiënt op krukken
doorzendt, waarvan hij een been of zoo heeft afgezaagd. Dan stopte pater
Hilarius hem een papieren omslag in de hand en fluisterde,
half-wegloopend:
--"Van den prior ... voor het schilderij ... adieu! adieu!"
De hooge poort schoof langzaam open. Een geweldige adem sloeg Johan
tegen de borst. Hij wankelde. Hij had willen een glasje water drinken
terstond, en hij besloot om een glasje water te vragen....
Maar hij kon nooit iets doen, waartoe hij besloten was. Hij stikte. God!
wat een ontzaglijke lucht hier!... De poort ging dicht. Johan Doxa stond
buiten.
* * * * *
--"Pouah! chéri, hoe ruikt ge zóó naar den wierook?" Twee heerlijk-zwarte
marolle-meisjes zaten nevens Johan Doxa, aan weerskanten, op de nauwe
bank van de friture-kroeg. Johan had kennis met haar gemaakt op de
Hoogstraat, zoodra hij had ondervonden dat het paketje van den prior
eene banknoot van honderd frank bevatte. Eigenlijk had hij met iedereen
willen kennis maken. Althans lachte hij vriendelijk elken voorbijganger
in het gelaat, en waartoe zou hij dat anders hebben gedaan? Maar deze
twee hadden hem direkt tegengelonkt. Zijne minzaamheid verminderde er
blijkbaar niet om, want seffens hingen zij aan zijne armen en vroegen
schuldeloos:
--"Tu paies rien, vetzakske?"
Of hij niets wilde betalen? Wel lieven-adieu! hij had lust om de geheele
wereld op te koopen!... Er werd besloten dat ze zouden mosselen eten en
patates frites. En zij zaten nu in de friture-kroeg.
--"Pff!" deed Johan Doxa, "ik weet niet eens wat wierook is."
De andere maagd ging met haar klein wipneusje over zijne mouwen
snuffelen.
--"Neen," zei ze, "'t is eau de Cologne--ge hebt al-ze-leven in fijne
gezelschap gedineerd."
Hij pinkoogde geheimzinnig, als om te laten onderstellen dat hij nog
veel erger had gedaan, en liet daarna fier zijne borst opzwellen.
Als ze gegeten hadden, merkten de meisjes dat ze dorst kregen, Johan
trok met haar naar het "Kapiteintje" waar ze geus dronken, en naderhand
in den "Moriaan" waar hij trakteerde met krieken-lambic. Nauwelijks had
hij daar de derde flesch besteld, of een troepje wallebakken kwam
dansend binnengesprongen, vergezeld door een klein straatorkest--met
name een harmonica, een piston en een triangel. Ze dansten feestelijk de
herberg tweemaal rond en schaarden zich dan, rood van pret, bij den toog
om schuimende streepkens faro te zuipen. Johan Doxa stond plots recht en
riep:
--"Een pint geus voor heel de Kompanie!"
Het docht hem dat zijn gansch wezen openging. De woorden die hij
geschreeuwd had bleven trillen door zijn lichaam, als op pezen van
metaal. Hij viel neer op zijn stoel en zweette een beetje. De jonge
paren keken om en naderden de tafel waar hij zat gelijk een, die,
bedwelmd, zijne eigene troonplechtigheid bijwoont. Hij kreeg eene
ovatie....
Nu begon, van taveerne tot taveerne, eene processie die waarlijk niet te
beschrijven is. De muziekanten stapten voorop. Dan, met de voornaamheid
van een paasch-os, Johan Doxa, geflankeerd door de twee mooie
marolle-deernen. Dan de woeling der uitgenoodigde menigte, die steeds
aangroeide. Kinderen huppelden ommendom, de handen zwaaiend omhoog. In
den beginne zong men allerhande liedjes, maar weldra, om zooveel lawaai
mogelijk te maken, ging zich het repertorium beperken bij één en
hetzelfde couplet, dat iedereen goed kon en dat onvermoeid weer en terug
en altijd werd aangeheven:
/*
En een dikke pens
En een snee van 't verken,
Boerenleven dat is plezant!
Boerenleven dat is plezant!
*/
Er geraakten diep-dronken menschen in het gezelschap. De piston, een
blonde reus, had vrijwillig op zich de verantwoordelijkheid van het
behoud der orde genomen, en meermaals was hij tot zijn leedwezen
verplicht eenige muilperen uit te deelen. Johan bewonderde hem
uitermate. Hij betaalde maar. Hij was gelukkig als een Koning. Het bloed
klopte hem weldadig op de slapen. Zijne kinderlijke lippen stonden in
den vorm van een glimlachend toeterken, alsof er zoo juist een melkzoete
flep was uitgevallen. Zijne meisjes hingen aan zijne mouw en soms moest
hij een kusje krijgen of een kittelig kneepje in de leen. De wereld
ruischte alom op hooghemelsche maat:
/*
En een dikke pens
En een snee van 't verken....
*/
De harmonica-speler was een bult. Hij dronk gelijk een Zwitser. Daar was
een oud ventje met rooden neus. Die kwam gedurig tegen Johan's buik
niezen. Hij dronk gelijk de bult. Allemaal dronken. Johan Doxa betaalde
maar....
--"Vooruit naar De Dikke Luis!" riep de piston.
Weer 't zalige gedrang van lijven. Johan werd als opgenomen in de
stuwing en meende te zweven en stapte plots met zijn stoet en zijne
muziek op straat.
--"Waar gaan we naartoe?" vroeg hij onnoozel aan het meisje links.
--"Naar De Dikke Luis!"
Het docht hem dat hij het zevende paradijs te gemoet ging. De heele boel
was een wonder. Hij zong slapjes:
/*
En een dikke pens....
*/
Er schoot hem iets te binnen en hij vertraagde zijn stap. Naar het lieve
meisje links boog hij zich en dan voelde hij hoe zwaar zijn hoofd was
geworden.
--"Ik heb nog twintig frank" fluisterde hij haar in het oor.
--"Hoeveel?"
Hij taste in zijn broekzak en bracht zijne hand voor haar ten
voorschijn. Een met koper benagelde kletsdop lag daarin, en een
bankbriefje.
--"Twintig," zei het meisje, "kom; 'k zal ik verder betalen--ge zijt
zat."
Wat een heerlijk leven was het in "De Dikke Luis", een gloeiende roze
leven binnen een zachtblauwe tabakwolk! Het drieledig orkest speelde er
de Brabaçonne. Het glanzende bier ging rond van hand tot hand. De breede
baas stond te midden van kannen en glazen te tappen.
--"Wat zoudt ge er van pein-einzen," vroeg de bult aan Johan tusschen
twee hiksnokken.
Johan Doxa lachte simpel. Zijne tong, docht hem, lag vast in een soort
van elastieke meelpap. Hij peinsde niets. Weer riep de piston:
--"Nu naar den Heeten Ketel!"
De troep pakte zich saam, rumoerde op naar de deur. De harmonica begon
te blazen en de triangel, week-bellend, sloeg.
--"Halt!" schreeuwde de baas, "wie moet dat allemaal betalen."
Johan Doxa keek lui om. Hij schudde zijn hoofd onder het schrikkelijke
hoofd van den baas. Hij had willen uitleggen dat daar ergens een zwart
meisje moest zijn, dat het geld bewaarde. Maar zoo'n meisje was er in
huis niet meer. Had hij haar het geld inderdaad gegeven? Langzaam ging
hij met zijn eigen daarover redeneeren. De piston sprong naar den baas
toe. Een paar glazen vielen van den toog en dan....
Johan Doxa werd links en rechts gestoten. Nu zat hij op een stoel. Nu
zat hij op een tafel. Nu lag hij tegen den muur. Nu stond hij te
waggelen overeind. Nu kwam iets hards en vlugs tegen zijn kop aanbonzen.
Nu knielde hij. Nu werd hij van achteren opgestampt. En ineens beukte
een zwarte masse aan op zijn voorhoofd.--Was tegelijk het licht
uitgegaan?...
Het licht was uit.
In Johan Doxa was het licht uit. Daar kan niet aan getwijfeld worden.
* * * * *
Door een vensterken met ijzeren staven drong de prille Lentedag, toen
Johan Doxa zijne oogen openstak. Zijne oogen gingen op langs vochtige
muren. Ze bleven daar staren op zonderlinge teekeningen en schrifturen.
De klok van het Klooster klepte niet. Hij wilde iets vragen....
O, hoe akelig was zijn mond! Zijne kaken stonden stijf. Een loome pijn
hing in zijne leden. Hij keek naar zijne handen, zijne smerige handen,
bemorst met bruin-gedroogde bloedvlekken. Zijn rechterknie stak bloot
door een scheur van zijne broek. Zijn hoed lag bij de deur--een
platgeblutste hoed met afgerukte randen.
--"Het stinkt hier" dacht Johan. Hij kwam moeilijk recht. Zijne beenen
waren als bevroren vodden. Hij begon stillekens over zijn hoed te
strijken, met werktuiglijke zorgzaamheid.
Toen rinkelde daarbuiten een bussel sleutels en iemand opende deze
onbegrijpelijke cel. Het was een soort van politie-agent.
--"Allee," sprak de ruwe deurwaarder, "krab op--ge moest u schamen."
Geen de minste aandoening werd wakker in Johan Doxa. Hij liet zich
geleiden. Hij mankte. Hij verliet de Amigo[1] zonder hoop en zonder
wanhoop. Hij kwam thuis. Hij vond er zijn moederken. Hij hoorde zijn
moederken zeggen:
--"Ach mijn jongen! mijn lieve jongen! ach, wat hebben de paters toch
met u gedaan!"
Hij ging in een hoek zitten. Hij vertelde niets. En 's anderendaags ook
vertelde hij niets. En nog dagen en dagen nadien bleef hij, en vertelde
niets. Hij nam nooit het besluit iets van dat alles aan zijne moeder te
vertellen.
Maar wat zou het eigenlijk helpen, als hij nu daaromtrent een besluit
genomen had?
Niets.
Noot:
[1] Stedelijke gevangenis voor tijdelijke verbrekers der openbare orde.
* * * * *
IV
JOHAN DOXA
DE SCHADUW
Ik kon dien nacht geen oog dicht doen. 't Sloeg vier uur op ons
Empireklokje, wanneer ik besloot het bed te verlaten, dat mij geen rust
geven wou. Terwijl ik me aankleedde en daarbij het groene nachtlichtje
had aangestoken, zette ik mijne morgenmelk op het kleine gasfornuis.
Ik dronk ze zonder smaak en verlangde reeds om buiten te zijn, in de
frischheid van den uchtend.
Die frischheid was echter niet aangenaam, maar ik liep toch de vochtige
straten door, gelijk ik meer placht te doen om mijne overspannen zenuwen
te stillen.
Ik wandel gaarne in den vroegen dag. De stad heeft telkens zoo ongewone,
zoo uitzonderlijke uitzichten. Zij ontwaakt met schokjes. De blauwende
donkerte laat de grijze gevels opklaren en verft de gladde eenzaamheid
der macadamlanen en asphalten bolwerken. De lantaarnlichten weifelen,
grauwen wittig uit de nevelen, werpen geen schaduwen meer. En het
zeldzame menschengedoe gaat traag op, nooit veranderlijk, gebaren makend
die een definitief teeken van den uchtend zijn.
Ik loop meestal de lage stad om en verwijl dan het liefst rondom de
Zuiderstatie. Het is daar schoon om zien, want schoon is het morgenlicht
over de rookwolken der locomotievenhal. Het donkere gebouw is al vol
bedrijf en voert de werkluibenden op het statieplein. Er gebeurt een
gewoel van lijven, maar de lippen zijn zonder gerucht. De arbeid wenkt
zwijgend zijne zwijgende slaven....
Dien keer was ik zeer vroeg voor de hal aangekomen en ik slenterde
onwillig, de hielen slepend. De nevellucht spande pijnlijk om mijn
voorhoofd. Ik stond een paar ezelwagetjes na te gapen, die fluks opreden
met nieuwe groenten, de stad binnen. Musschen sprongen in de dahlia-
perkjes van het plein.
Toen--juist terwijl ik nieuwsgierig de nog-belichte vensterruiten van
eene burgerlijke taveerne bekeek--zag ik de glazendeur van die taveerne
ruw openslaan en eene dikke vrouw, blijkbaar de bazin, den drempel
oversnellen. Ze schreeuwde in angst:
--"Polis! Polis!"
En ze ijlde van hoek tot hoek, het plein langs, al harder krijtend,
terwijl toch, naar gewoonte, nergens een politieagent zichtbaar was. Een
heer verscheen in de herbergdeur, gaf rappe inlichtingen aan een bleeke
schenkmeid, die schielijk de Fonsnylaan opliep. Ik was, op een drafje,
naderbij gekomen. De heer keek me in het aangezicht en, ofschoon hij
onder de zwarte randen van zijn galahoed zoo wit uitblekte als een
doode, herkende ik in hem, niet zonder verwondering, mijn goeden vriend
Menschaert, den toondichter.
--"Wel, Antoon," zei ik stil, "wat gebeurt hier?"
Hij hief zenuwachtig zijne schouders op. Zijn rechterhand teekende in de
lucht vluggelings een halven cirkel--wat bij hem het gebaar was van een
onzeggelijk ongeduld--en hij wenkte mij om binnen te komen.
--"Ik vrees dat het hier erg toegaat," sprak hij dof.
Inderdaad. Het schouwspel, dat ik in de taveerne te zien kreeg, was zoo
schrikkelijk dat ik, op het eerste zicht, ademloos bleef van aandoening.
Maar toen ik naderhand een stap nog waagde, werd mij plots het gaslicht
een mist van groene dampen en voelde ik den klauw van een zonderling
monster, dat, gelijk een nachtmerrie, mijne keel toenijpen kwam.
Ik had, geloof ik, een korten gil geslaakt....
* * * * *
Het was half-zeven, als ik met Menschaert die akelige herberg verliet.
De eenige schikking, die nog moest genomen worden, had ik ter regeling
aangewend en mijn vriend Antoon, welke waarlijk een allerbraafste jongen
is, wilde niet dat ik al dat droeve alleen zou doen.
Hij liep dus mee met mij, maar daar de boodschap geen haast vroeg
--integendeel, goede God!--en daar wij beiden zeer vermoeid waren,
besloten wij om maar eerst een kop koffie te gebruiken. In de kleine
eetzaal van het _Hotel Espérance_ bestelden wij een klein ontbijt en
Antoon, door mij hiertoe dringend aangespoord kon eindelijk breedvoerig
vertellen hoe de tragische gebeurtenis ontstaan was.