van het trommelken, hetwelk aan Johan's buik hing, en waarlijk scheen
gemaakt te zijn om dergelijke kleine klopjes te ontvangen.
* * * * *
III
JOHAN DOXA
DE BOETVAARDIGE
Julia werd door moeder Doxa met vroome zorgzaamheid gewasschen en gekist
en Johan begroef haar op den derden dag, zooals het behoort. Nu bracht
hij eenzame en talrijke uren om, in 't besef van zijne schuld en het
docht hem daarbij dat een zeer luid sprekende wroeging hem kwelde.
Dat duurde haast meer dan eene week. Dan verliet hij de kamers die het
tooneel waren geweest van zijne diverse huwelijkservaringen en ging
weer bij zijne moeder woonen, in het speelgoedwinkeltje van de
Zes-penningenstraat.
Eene kleine maand later ontving hij van Lieven Lazare, den godvruchtigen
panfletschrijver, den volgenden brief:
--"De Hemel, Johan, duldt niet langer dat ik mijn hart voor u gesloten
houd. Aldus wordt door eene goddelijke inblazing het besluit gebroken
dat ik in een oogenblik van rechtmatigen toorn ten uwen opzichte genomen
had. Misschien is het waar dat ikzelf vreemd ben aan het opmaken van
dezen brief. Misschien veracht ik u morgen even diep als ik u gisteren
heb veracht. De adem althans, die door mijne woorden gaat, schijnt niet
de mijne te wezen, en ik gehoorzaam aan eene geweldige bezieling zooals
die ander? Lazarus gehoorzaamde toen Iemand, wiens donderende naam geen
weergalm meer vindt in uw geheugen, hem gebood recht te staan uit den
dood.... Beste Johan, het blijkt dat de schrikkelijke gebeurtenissen die
God zelf voor uwe redding had beraamd, u niet tot inkeer hebben gebracht.
Het is als of niet Hij, maar de Duivel u zou tot weduwnaar gemaakt
hebben. Gij wandelt door de stad en niets in uwe houding verraadt dat
de heilige Michaël u onlangs met het bliksemende vlammenzwaard heeft
getroffen. Men ziet u rustig en kinderlijk kuieren langs de straatjes
van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje. Gij blijft met welbehagen lanterfanten in
de nabijheid van spekslagerijen, en duwt uw neus tegen de ramen plat om
met gulzige oogen het afschuwelijke schouwspel van hespen en worsten op
te vangen. Gij loert de honden na, die snuffelend malkander nadrillen,
en hun cyniek bedrijf wekt uwe belangstelling uitermate. Vermoedelijk
hebt gij in den winkel van uwe beklagenswaardige moeder ook marbels
gestolen, want op het Vossenplein heeft men u zien spelen met
schoolkinderen. En elken dag, rond half-zeven, staat gij voor de _Old
Curiosity Shop_ de keukenreuken op te snuiven, en ontvangt dan door de
traliën van 't keldervenster een dampend pakje uit de hand van Anatole.
"Ik ween van schaamte wanneer ik hoor verhalen hoe ge, ontdaan van alle
menschelijke waardigheid, in de Kapellewijk de tonnen doet klinken....
Johan, Johan, aanzie uwe zonden, eer God de ultieme en onherroepelijke
straf uitvaardigt. Ik sta verbaasd bij 't aanschouwen van Zijne
matelooze lankmoedigheid--maar wee u! als straks over u Zijne
alverteerende gramschap losbreekt!... Ik ben gezonden door Hem, Johan,
ik kom tot u met de boodschap der Goddelijke verzoening. Nader ootmoedig
den drempel der eeuwige Kerk, Johan. Nog niet als Job draagt ge
potscherven in wonden van berouw, maar belaad nu uw hoofd met uw
mesthoop en snoer uw reistasch rond uw hart. Nader, Johan, met den stank
van uwe naaktheid en de vloeken van uwe wanhoop het gouden tabernakel
waar Krist, die gekruizigd werd, thans Zijn eeuwig leven viert. Hem
rijkdom, roem en liefde opofferen verblijdt Zijn hart niet zoo
zeer,--dat hart omkransd met doornen ...--maar offer Hem de zoete
genuchten van uwe zwakheid en de brandende lusten van uw geil vleesch:
dat is nog uw eenig bezit, en zoo, waarlijk, wordt ge de armste aller
menschen. God, Johan, heeft de armen lief...."
Tot daar kon Johan den brief zonder bezwaar doorlezen. Nu echter begon
hij te pinkoogen en, alsof het daglicht op de letteren verflauwde, ging
hij naar het venster en boog zijn hoofd voorover, tot tegen de koude
ruit. Gouden sterretjes regenden allerzijds. Maar algauw las Johan Doxa
verder:
--"De Heilige Geest vleugelt in mijne woorden, en ik zeg het u,
ellendige vriend: Jesus is een eindelooze zee van genade, een zee die
alle wrakken dragen kan. Neem tijdelijk afscheid van uwe moeder--wat
toch heeft eene moeder van een zoon die zelf voor God verloren is?--en
vertrek van huis. Gij zult in het Franciscaner Klooster van de
Miniemenstraat eene heilzame retraite doen. Ga.
"Klop nederig aan de groote poort. Het is een heilig huis en pater
Hilarius, dien ik gewaarschuwd heb, zal u met medelijden ontvangen. Toef
niet. Het ontzaglijke geluid van Hem, die mijne ziel opnieuw in
lichtelaaie zet voor u, davert op mijne tong en ik roep het u toe,
armzalige Johan: toef niet, toef niet; uwe dagen zijn geteld!"
De brief hield op te beven in de hand van Johan Doxa. De brief gleed
ritselend langs de witte venstergordijntjes neerwaarts en kwam zacht,
gelijk een dubbele vlerk, op het plankier terecht. Hij ging liggen naast
een sikkelvormige oranjeappelschil. En Johan keek op, door 't raam, naar
den hemel die lichtblauw over vuile daken was uitgespannen. Hij stak
zijne handen in zijne broekzakken. Met den wijsvinger van zijne
rechterhand raakte hij er 't benageld paviljoentje van een kletsdop.
Maar hij vond geen neusdoek om zich te snuiten.
Johan Doxa zat 's avonds met zijne moeder in het kleine achterkeukentje
dat bij den winkel aanpaalt. Moeder Doxa had den winkel gesloten en
bereidde zich om de keukenlamp aan te steken. Johan zei:
--"Maak geen licht, ik bid u. Ik heb u iets te zeggen, lieve moeder."
Ze zaten aan weerskanten van de oude Leuvensche stoof, en de stoof zong,
en het was heerlijk donker. De buik van de stoof glom gelijk een
reusachtige, zacht-blozende pronkappel. Een purperen glanzing gleed over
het vriendelijke aangezicht van moeder Doxa, over hare gevouwen handjes,
over haar hoogen boezem, over haar bolle knieën,--en eenderlijk kwam
uitgloeien langs de ronde wangen van Johan, langs de mooi-versierde pijp
waaruit hij rookte, en tot op de randen van zijne lompe schoenen, die
daar nevenseen op den vloer stonden en waarnaar hij keek alsof ze
anderman's voeten omsloten.
--"He-wel?" vroeg eindelijk moeder Doxa, en het trof hem hoe minzaam ze
was. Hij antwoordde niet seffens. Hij had de gewoonte om lang te dubben
eer hij een besluit nam en dan toch besluiteloos te blijven. Maar moeder
Doxa drong niet dadelijk aan, want ze kende haren jongen. Hij dampte
maar.
--"Zie, moeder," zei Johan, "ik zou mij moeten beteren. Ach, ik weet
wel, gij denkt niet dat ik slecht ben. Gij weet niet, gij weet alleen
van een kindje dat ge in uw schoot gedragen hebt en dat zoetekens aan
uwe borst heeft gehangen. Maar al groeiende is hij ver van u geraakt,
en hij is nu een groote zondaar, en hij moet God vreezen."
--"Gij zijt niet slecht, gij zijt misschien lui," meende moeder Doxa
goedig.
--"Ja, ik ben lui," zei Johan, "en nog iets anders ben ik, maar ik ben
waarlijk lui."
Hij bloosde erg. Telkens als hij ergens zijn eigen ontdekte bloosde hij
zoo.
--"Na den dood van uwe vrouw," hernam moeder Doxa en zij maakte het
teeken des kruis, "heb ik gedacht: nu gaat mijn jongen weer aan 't werk,
want hij is krachtig en jong, nu gaat hij schoone schilderijen maken, en
we zullen alle twee gelukkig zijn. Ik dank den hemel dat het eindelijk
toch zoo gebeuren zal."
Johan keek niet op naar heur en zei:
--"Ge zijt edel, beste moeder. Wanneer ge zoo spreekt voel ik eerst hoe
diep ik gezonken ben, maar...."
Hij aarzelde. Hij zocht naar woorden, gelijk een dronkaard naar het
sleutelgat zoekt. Hij vond in zijn geheugen een half-uitgevaagden zin
van Lazare's brief en pruttelde:
--"... maar, moeder, Jesus is een zee van genade, waarin ... waarin ik
zou kunnen verzuipen ... als ik niet oppas."
--"Ja, Jesus is zoo goed als men maar denken kan."
--"Zoo zegt ge. En nu moet ik in de Miniemenstraat, bij de Capucienen
eene retraite doen. Dat duurt nog al lang. Ik weet niet hoelang dat het
eigenlijk duurt."
--"Lang?... En wat is dat dan, eene retraite?"
--"Eene retraite?... Weet gij niet wat eene retraite is, moeder?"
Hij vond het heerlijk dat moeder Doxa zoo luchtig de boodschap aanvaardde
en omdat zij, de goede ziel, zelfs niet wist wat eene retraite was,
lachte hij stille hare lieve onwetendheid tegen. Maar hij wist ook niet
wat eene retraite was.
--"Kom, kom, moedertje," deed hij, "bekommer u niet om mij. De paters
zullen mij niet opeten. Ik moet een beetje boeten, een beetje te
communie gaan en mis hooren, en dergelijke meer. Ik kom zoo frisch als
een botvink terug."
Hij betastte zijn wegend buikje en zag de kleine vleeschkuiltjes van
zijne handen rozig aanglimmen onder de heete kaak van den kachelpot.
Inderdaad geloofde hij zelf niet wat hij daar vertelde. In zijne meening
moest de retraite iets schrikkelijks zijn, vermits Lieven Lazare ze hem
als eene straf opgelegd had. Hij had er den heelen middag met angst over
nagedacht: het klooster zou hem eene donkere gevangenis zijn en de
Franciscanen akelige cipiers. Hij moest er voorzeker op roggebrood en
lauw water leven. Er was daar geen lucht. 's Nachts hoorde men er
vreeslijke geraamten rammelen, en 's morgens moest men naakt in zijn
celletje staan en er zichzelf met knoestige riemen afranselen. Hij
betastte zijn buikje als om het voor eeuwig vaarwel te zeggen, met een
zucht....
--"En wanneer vertrekt ge?" vroeg moeder Doxa.
--"Morgen vroeg."
--"Ha!... morgen vroeg."
Beide verzonken in gepeinzen. De moor zong nu ook, die op de stoofbuis
stond.
* * * * *
Na een nacht vol ijselijke droomen, rees Johan Doxa uit zijn bed. Het
was een grijze dag. Achter het kleine vensterken nevelde een
miezelregen. Terwijl Johan zich aankleedde en precies op het oogenblik
dat hij zijn hoofd voor de eerste maal in de waschkom gestoken had,
begon waarlijk zijn druppende neus in de lucht om te snuffelen. Er ging
ongetwijfeld door de kamer een smakelijke geur van spek en eierkoek.
--"Dat is raar," dacht Johan Doxa. Hij was gauw gereed en kwam de trap
af. De keuken dampte van weelde.
--"Moeder," zei hij, "gij zijt al te goed."
Maar moeder was bezig aan een groot pannengedruisch en knikte hem
lachend tegen. Daar stond feestelijk op tafel het prinselijk gerecht.
--"Moeder, ik zal het nooit vergeten...."
--"Gij dwaze jongen," zei de moeder, "zwijg maar liever en eet."
Hij at tot zijn ronde kin ging glanzen en toen hij gegeten had en,
rechtstaande, hem het aardige gevoel der spannende broekgesp omdeed, nam
hij zwijgend zijn hoed aan den kapstok. Moeder Doxa stond te midden van
den vloer en glimlachte.
--"Allee, beste Jan," sprak ze, "ga nu--ik heb Onze-Lieven-Heer voor u
gebeden."
Hij kuste haar en ze stopte hem rap een vijffrankstuk in de hand. Hare
vingeren beefden.
--"Neen, neen," stotterde Johan terwijl zijn hart in tweeën brak.
--"Ssjt! mijn jongen ... ik kan ze nu beter missen ... dan gij."
Ze vergezelde hem tot op den drempel van het winkeltje. De dag aaide
langs het speelgoed om haar. Johan kuste haar nogmaals en zei:
--"Goedendag, lieve moeder, tot weerziens."
Ze knikte aldoor met heel kleine oogjes, en, plots, wendde zich af, naar
binnen.
* * * * *
En door het mottige weer begon Johan zijn boetvaardige reis. Hij stapte
op langs kleine steegjes en zou gauw de Miniemenstraat bereiken. Reeds
was hij het Vossenplein voorbij en zag, boven een lagere brokkeling van
daken, het fijn uitgesneden klokketorentje der Kloosterkapel. Hij bleef
staan, als om zich te bedenken. Hij bedacht zich en bleef gedachtenloos.
Kleine verschrikkingen schoten als electrische schokjes door zijn
lichaam, en toen kwam een licht bedaren in zijn hoofd dat zei:
--"Ge hebt nog een beetje tijd, Johan, waarom moet dat alles zoo vlug
gaan?"
Ook voelde hij nu het vijffrankstuk op de palm van zijne hand plakken en
hij trof dadelijk eene prachtige uitkomst.
--"Ik heb daarbinnen," beweerde hij, "geen geld noodig--geld is duivels
goed, en moederken kan ik gelukkig maken met 't een en ander, dat ik
haar opsturen wil."
Het klokketorentje verdween uit zijne oogen en hij stapte links om, naar
de Steenpoort en de Groote Markt.
Op den Steenpoortweg stonden er karretjes met mosselen, met citroenen,
met oranjeappelen en met groenten. Hij keek er niet naar om. Hij ging
voor de peperkoekwinkels staan en begon met kinderlijk welbehagen te
kiezen. Hij koos een peperkoek dat in den vorm van een mooi hart was
uitgesneden en op de randen geheel met lekkere fruitschellen omlegd.
Hij besloot binnen te gaan, maar wilde vooreerst uitkijken naar een
loopjongen, die het geschenk aan moeder brengen zou.
Er liepen daar vele jongens rond. Johan Doxa beproefde om op hunne
gezichtjes te lezen hoe eerlijk ze waren, en hij bevond dat hij behoefde
daaromtrent waarlijk zeer ongerust te zijn. Eene gelukkige ingeving
dreef hem naar een kleine kroeg, waar hij een druppelken brandewijn
dronk. En luttele beslissingen wisselden malkander ondertusschen af in
zijn geest. De kroegbaas zei:
--"'t En zal vandaag niet ophouden met regenen, kameraad."
--"Dat zou ik ook gelooven," antwoordde Johan Doxa.
Een vochtig gevoel kwam over hem, en hij bestelde een tweede glaasje, en
naderhand een derde. Dan, terwijl hij betaalde, zag hij moeder's
zilverstuk plots op den toog liggen. Gedurende één oogenblik haatte hij
het wisselgeld dat hij ervoor terug kreeg.
Hij bedacht nu dat er in de Boterstraat meer fijne winkels waren en
daalde langs de Steenpoort naar de middenstad. Een zwaarbeladen
koolwagen rolde hem vóór. Bij elk geschok der trage wielen rolden
stukjes glinsterend kool over de zwarte berden. Er viel ook een groote
brok en Johan raapte haar op en bracht haar bij den voerman. De voerman
had een ruigen rosten baard en stak zijne breede hand uit, bespannen als
met een bruin-lederen vel. Toen struikelde het paard en stortte voorover
op de steen en. De kar dook met hare lompe tremen die ze met een doften
slag sloeg tegen den grond.
--"Nondidju!" vloekte de voerman.
Er was seffens een groote toeloop van menschen. Een man ging met zijn
knie op den kop van het paard zitten. De riemen werden haastig ontgespt.
Stemmen klonken dooreen. Een politieagent dreef het aanzwellende volk
achteruit. Johan Doxa stond met het groote stuk kool in zijne armen.
De politieagent riep in zijn verschrikt gelaat:
--"Wilt ge, potverdomme, de kolen laten liggen, gauwdief!"
Johan werd de prooi van eene geweldige aandoening; zijn last rolde over
zijn buiksken aan zijn voeten en hij wilde vluchten. Hij week door de
menigte heen. Hij voelde van allen kant oogen op hem gestoken en
kinderen schreeuwden hem achterna. Hij kwam in een klein ledig straatje,
gelijk een drenkeling een oever bereikt. Hij zat nu in een herberg zijn
eigen te betasten en met langzame proefnemingen de zekerheid op te doen
dat hij nog armen had en beenen en een hoofd. Zonderling grijnzend
lachte hij de waardin tegen die, gelijk een afschuwelijk gevaarte, naar
hem toe stapte.
--"Dat zijn dingen, hee?" stamelde hij onnoozel.
En daar de waardin, zonder begrijpen maar met zachte gedienstigheid,
medelachte bestelde hij eene flesch geuze-lambik, en vroeg bang:
--"Wilt ge ook meedrinken, als 't u belieft?"
Ze wilde wel. Ze kreeg een kokette blos, die haar goed stond, en ze
dronken samen. De waardin bekeek haar eigen in den spiegel, die recht
over den toog hing, en schikte vluggelings de krulhaartjes op hare
slapen. Ze had dikke armen.
--"Ik geloof," zei Johan vriendelijk, "dat die regen van den heelen dag
niet meer ophoudt."
--"'t Zou wel kunnen," zei de waardin, "de barometer zakt."
--"Ja, 't is ook 't seizoen," hernam Johan.
De waardin reikte hem den tooghanddoek over en meesmuilde:
--"Ge zijt een beetje vuil over uw voorhoofd."
--"Ikke?"
Hij was zoo vuil als iemand zijn kan, die voortdurig met twee koolzwarte
handen in zijn beregend aangezicht heeft gewreven. Uit schaamte vroeg
hij een tweede flesch geus. En ze dronken. En ze praatten over kleine,
ledige zaken.
Johan Doxa vertrok bij noenstond. Toen hij te midden van de Groote Markt
stond, vroeg hij zich af wat hij hier kwam doen. Hij keek wonderlijk op
naar de gulden gildehuizen. Den top van den stadhuistoren zag hij niet,
die onder de natte miezeling in eendere grijze kleur verging. Hij duwde
zijn hoed tot tegen zijne ooren en stelde vast dat hij honger had. In de
nauwe Peper-en-Zoutstraat trof hij eene bescheiden gelegenheid en hij at
er substantieel genoeg, schoon zonder gulzigheid, gelijk het hem docht
dat aan een zondaar in pelgrimstocht betaamt.
--"Thans," mijmerde hij binst de koffie, "bezit ik nog twee en twintig
en een halve cent, en ik weet waarlijk niet wat ik ermee zal doen."
En, voor hij naar het Klooster der Miniemenstraat toog, dronk hij ermee
een grooten druppel cognac, want zijn moederken had hij, ik weet niet
hoe, geheel en al vergeten.
* * * * *
Hij vatte beslist de koperen schelknop. De luide bel weerklonk meer in
het hart van Johan Doxa, dan in de wijdgalmende vestibule. De
pater-poortier die eerst het spioenraampje had opengeschoven, opende nu
ook de zware deur. Het Klooster gaapte in het aanschijn van Johan Doxa.
--"Kan ik," vroeg hij met bleeke stem, "den eerwaarden pater Hilarius
spreken? Ik zou gaarne eene retraite doen."
De pater-poortier was, buiten Johan's verwachting, zoo minzaam als men
zich denken kan dat ooit ter wereld een kloosterpoortier mag zijn. Hij
had eene uiterst discreete houding en, ware 't niet dat zijn gelaat
hoog-gezond opbloeide boven den zwarten baard, scheen uit loutere
welgemanierdheid weg te schemeren in de schaduw van de poort. Het
bloeiende gelaat echter glimlachte en twee fijne muis-oogjes daarin
wenkten vriendelijk: "welkom ... welkom...."
De zware deur, die achter Johan met een eiken klop dicht kwam, sloot
meer dan het somber gebouw: het docht hem dat de gansche wereld nu voor
altijd was gesloten. De pater-poortier ging voor en leidde Johan Doxa in
eene kleine spreekkamer, die ineens vol blauwig licht was. Er stonden
een paar nederige stoelen en aan een witgekalkten wand hing een groote
Kruislieven-Heer. Daar liet men hem alleen, ruim drie kwartier-uurs. Hij
draaide zijn natten hoed stille in zijne handen. Hij stond in een ring
van regendroppen, die gelijk donkere starretjes rond hem waren gespreid.
Er walmde een muffe salpetergeur.
Pater Hilarius had een streng, doch niet weerbarstig uitzicht. Een
grijze ronde baard, wat stoppelig, omkleurde een mat gelaat waar
grauw-groene oogen als dood lagen en dat alleen--dan heel sterk--bezield
werd door den vorm- en schaduw-rijkdom van een geweldigen arendneus.
--"God zij met u," sprak pater Hilarius, "zijt gij Johan Doxa? Ik ben
Hilarius."
Johan keek onwillekeurig om. De stem scheen uit de muren te vallen. Hij
zou er in elk geval een eed op gedaan hebben dat ze uit den roerloozen
mond van pater Hilarius niet viel. Toen echter deze pater voortging met
eene lange rede waarin de naam van Lieven Lazare, van Jesus, van den
heiligen Franciscus beurtelings voorkwamen, heroverde Johan van
lieverlede de kluts die hij kwijtgeraakt was. Hij besloot maar te
berusten in het onvermijdelijke, liet zich gewillig bepreeken, knikte
moedig de les toe waaruit hij geen ander nut zou trekken dan dat hij
zich bereid voelde zelfs tot den dood.
Pater Hilarius, nadat hij uitgesproken had, zei:
--"Gij zijt dweilnat, dunkt me. Ge moet eten en u verwarmen. Volg me."
Het was minder een gevoel van eerlijkheid dan de vrees voor wat hij hier
te eten zou krijgen, die er Johan toebracht ineens den pater bij de
harde mouw te pakken.
--"Nee," deed hij angstig, "ik bid u, geen eten. Gij zijt al te goed."
Hij kwam in eene ruime zaal. Er was een breede schouw met een lekker
vuur.
--"Zet u, en warm u," zei de pater. Johan zette zich en bleef daar weer
nagenoeg drie kwartier-uurs alleen zitten. Hij werd heerlijk warm en
zijne bolle kaken gloeiden. Het werd zoetekens avond en Johan zag een
prachtigen zonsondergang in de laaie karbonkels van den open haard. Hij
werd eindelijk zoo rustig als een onschuldig mensch.
--"Pater Hilarius is vreeslijk mager," dacht hij op slot van rekening,
"maar de pater-poortier is zoo vet als een das."
Hij kon bijgevolg nogeens zijn eigen buikje zonder voorbarige
benauwdheid in oogenschouw nemen en wachtte gelaten de gebeurtenissen
af.
* * * * *
De klok uit het torentje begon te kleppen. Pater Hilarius verscheen en
noodigde Johan Doxa uit om mede in de Kapel lof te hooren. Johan heeft
zich daar overdadig vermaakt.
Niets ooit in zijn leven had hij gezien dat zoo mooi was als het kleine
kerkje. Het kerkje was geheel omdaan met eene fluweelen donkerheid,
waarin de bevende glanzing van fraaigeregelde kaarsenreken speelde en
aarzelde en langs gouden diepten zwevend verging. Maar stilaan zag Johan
in de zwaarpurperen schemering de dikke pilaars opklaren en ginder hooge
wattige gewelven dragen. De muren begonnen zacht te glimmen. De outer
werd zichtbaar en heerlijk. En alles, al wat hij zag, was met wondere
polychromiën versierd. Het werd hem, hoe meer hij toekeek, zoo rijk en
koninklijk dat zijn hart er week en gulzig bij aan het dansen ging.
Dan, al rondom hem, herkende hij de ronde bruine ruggen van de
capucienen. De orgel zette aan. De Kapel kwam vol met vleugeltjes van
vogels.
--"O God," bad Johan Doxa gevoelig, "ik zou willen een pater zijn!"
Hij verachtte zijn baardelooze kin.
Maar na den dienst werd hij, langs duistere gangen, in eene nauwe cel
gebracht. Men hing een damping kaarslantaarntje aan zijne hand, en
wanneer hij alleen was, voelde hij eene bittere triestigheid zijn
gansche wezen overvallen. Waarom moest dat nu zoo gaan? Waarom moest hij
verlaten wezen? Waarom hadden die menschen zulke kleine hokjes gemaakt?
Hij ging op het ijzeren beddeken zitten en blies de kaarslantaren uit.
* * * * *
Johan Doxa, neerliggend in den donkeren avond, volgde met luien geest
een varenden snoer van gedachten.
--"Ik geloof niet," mijmerde hij, "dat er voor mij in dees Klooster eene
uitkomst is. Ik ben te zeer beladen met zonden. Van het drooge brood,
dat men mij als een prop in de keel zal steken, spreek ik niet. Maar het
pompwater? Wanneer ik zal tot op de pees uitgedroogd zijn, en wanneer ik
zal bezig zijn mijne ribben te tellen, wat rest mij dan nog dan dood te
gaan? Ik kan mij nauwelijks inbeelden dat Onze-Lieve-Heer zich meer wil
erbarmen over een pannelikker dan over een smeerbuik. Maar Zijne
inzichten zijn verborgen en ik ben inderdaad door en door slecht. Ik zal
bidden om veel moed te krijgen, en God helpt niet waar men zijn eigen
niet helpt. In deze gevangenis zal ik wel eene spinnekop vinden, en ik
wil ze tam maken en haar allerhande kunstjes aanleeren. Het lieve dier
zal mijne gevangenschap bekoren. Ik zal een aardig wagentje bouwen waar
ik haar inspannen kan. Zij zal aan een fijne draad 's nachts komen
hangen boven mijn aangezicht. Ik houd niet veel van muizen, anders zou
'k gaarne ook een muisje dresseeren. De staart van eene muis is zoo vies
dat ik er niet aan denken durf. Ze zullen mij waarschijnlijk groote
latijnsche boeken geven om in te lezen. Roode en zwarte letters zijn
mooie dingen, maar ik zal toch niet lezen in zulke boeken, vrees ik.
Zullen ze ook een doodshoofd aan mijn voeteinde leggen? Er zijn twee
dingen die ik, behalve een doodshoofd, voor mijne oogen niet verdragen
kan: een zeisen en een zandlooper. Ik heb mijne pijp thuis gelaten. Dat
is heel goed zoo, Johan. Die menschen weten van geen tabak te spreken.
Altijd wierook, altijd wierook. Wanneer mijne retraite uit is, hoop ik
dat Anatole mij weer eene van die dikke sigaren mag geven, gelijk de
oude heeren smooren in de _Shop_. Maar ach! ach! ik zal nooit van mijn
leven meer kunnen rooken!... Morgen komen ze met koorden aan en ik zal
mij moeten kastijden ten bloede. Ze zullen azijn over mijn mond gieten.
Ik zal blootsvoets naar de kerk gaan.... Wanneer heb ik den laatsten
keer mijne voeten gewasschen?"
Hij lag zeer rustig. Er zweefden nog twee drie lichte gedachtekens
voorbij en hij fluisterde:
--"Sakkerloot...."
Toen sliep hij vast in.
* * * * *