Hij deed het met dien eenvoud, welken ik zoo bewonder bij hem en die

schijnbaar zoo zeer strijdt met de gewone daden van dezen uitstekenden

kameraad. Antoon Menschaert is nog jong. Zijne ouders zijn boeren-heeren

uit de Kempen en stellen het tamelijk goed. Hij zelf woont ergens bij de

Beurs, alleen, naar hij zegt (ik vermoed echter dat die eenzaamheid

"gedeeld" wordt, want, uit princiep, ontvangt hij nooit een vriend op

zijne kamers....) Hij is orgelist in Sint-Niklaaskerk en werd onlangs

als monitor aangesteld in het koninklijk conservatorium. De jongen

vermaakt zich eeniger mate in den zin van wat jongelui in Brussel "zich

vermaken" noemen. Nochtans is hij ernstig en zijn gevoel, dat ik bij

meer dan één gelegenheid heb kunnen waardeeren, heeft schoone volten en

een bestendig gewicht.

Hij zat voor mij. Het opkomend daglicht klaarde over zijn sierlijk

aangezicht, dat, thans wat roziger, toch mat-effen, zeer vermoeid boven

zijn witte das en de zijden kraag van zijn smoking uitscheen. De koffie

rookte lichtelijk op over de gouden randjes van het blauwe porseleinen

koffie-servies. Wij aten bij poozen, gelaten.

Antoon sprak:

--"Ik heb gisteren middag het dineetje bijgewoond, waarmede mijnheer en

mevrouw Zondervan maandelijks en telkens te vergeefs een vrijer

probeeren aan te kleven voor hunne dochter Adelaïde, een stuk plank met

een kop vol pretentie.... Kent gij de familie Zondervan?... Jammer! Dan

kunt ge ook niet geheel inzien in welken staat van ellende mijne hersens

waren gebracht, nadat zij een ganschen middag het leelijk sproetengelaat

van juffrouw Adelaïde hadden aangegluurd en de zoetzappigheidjes van

haar idioot gepraat hadden toegeknikt. Toen ik, omtrent negen uren, zeer

buiten Adelaïde's verwachting, haar tafel en haar huis verliet, was ik

een kapot stuk jongmensch, dat zich nog alleen herinnerde hoe slecht

Zondervan's bourgogne was en hoe afschuwelijk zijne dochter. Ik snakte

naar een glas gezond bier en vond het zonder moeite. In _Clarenbach_

waar ik aangeland was, ontmoette ik bij mijn vierde pint Slokke, den

beeldhouwer, Fritz d'Artois, die als stagiair bij advokaat Forst is

aangenomen, administrateur Lemonnier en diens vriend mijnheer Van

Dranem, welke mij werd voorgesteld. Deze heeren waren in vroolijk humeur

en wij dronken samen eene brave hoeveelheid Munchnerbier, zoodat, door

Slokke aangedreven, ik mijn eigen al even pleizierig als de overige

bevond. Die Slokke is een verbazende kerel. Te middernacht volgden wij

hem in _The Dominion Bar_, in de _Jeune France_ en eindelijk in dat

verleidelijke ding van de Bisschopstraat, _The Old Curiosity Shop_,

zooals gij wel weet. Overal was pret, muziek, drank en lieve dames. Ik

zou op dat oogenblik geloof mij, juffrouw Adelaïde Zondervan nooit uit

Mathusalem hebben herkend, aangenomen dat Mathusalem het vergelijk hadde

verdragen. In _The Old Curiosity Shop_ vermaakte ons zeer een muziekaal

neger-trio. Slokke had in _The Dominion_ een voor mij onbekend makker

aangeklampt, een soort Tcheik, die alles danig lollig wist aan te

brengen en waarlijk een onschatbare ontmoeting was voor jonge

lichtmissen. Hij richtte o.a. met de drie negers een burleske vertooning

in, welke bij de aanwezige dames en heeren een grooten bijval verwierf

en, na eene omhaling van Slokke, voor den Schamelen Arme, zooals Slokke

zei--hij bedoelde het Stedelijk Armbestuur--ruim twee honderd frank

opbracht.

"Ik was toen al tamelijk beschonken. Maar ik herinner mij zeer goed dat

in een hoekje bij den toog een zonderling mensch zat toe te kijken. Het

is noodig dat ik u vertel hoe hij zich voordeed. Het was--gij weet het

natuurlijk--een dik, ingezonken man, een waarvan men gemeenlijk zegt dat

hij "zonder ouderdom" is, maar zijn gelaat, dat klaarblijkelijk door een

overdadig gebruik van ... laat ons zeggen "spiritualen" was ingevreten,

had, ondanks zijne vervallen kleederdracht, ondanks de niet-vrome

omgeving, ondanks alles, een zoo kinderlijk, och ja, een zoo

"seraphische" uitdrukking dat het mij aandeed buiten mate. Hij keek toe.

Hij keek engelachtig het zot bedrijf van den Tscheik en de drie negers

toe. Hij lachte niet. Hij scheen ook niet bezorgd. De beruchte tapper

van de _Shop_--Anatole heet hij, weet ge wel--bracht hem, zonder dat hij

't vroeg en zonder dat hij er in het minst voor dankte, tot viermaal een

whisky-soda. Hij dronk niet gulzig, niet smakelijk ook. Hij dronk

langzaam en eentoonig, en zijne gebaren waren lui als van een vet,

eigenzinnig kind....

"Hoe het kwam, weet ik niet. Men weet niet hoe alles gebeurt bij zulke

partijen. Bovendien, ik beken 't voluit, de drank speelde en smokkelde

in mijn hoofd. Zeker is het dat, rond twee uren, het korte mannetje

zonder tegenspraak bij ons gezelschap hoorde. Ik zag dat hij naast

mijnheer Van Dranem zat. Ik hoorde niet dat hij met mijnheer Van Dranem

sprak. Ik hoorde dat mijnheer Van Dranem hem had aangelijmd en, in het

algemeen gewoel, eene astrologische rede voorhield, welke het geduldig

ventje met brave knikjes scheen goed te keuren. Mijnheer Van Dranem

bestelde dan telkens versche pinten, deed vriendelijk met zijn

zonderlingen gebuur bescheid en maakte hem alzoo bijna tot elkendeens

kameraad. Och! men verbroedert zoo licht in die warme nachtkroegen! Geen

van ons dacht er aan den kerel naar zijn naam te vragen. Dat hij geen

booswicht was stond op zijn cherubsgelaat te lezen, en wat konnen wij al

meer eischen? Hij dronk voortreffelijk. Hij deed ons, drinkebroers, eer

aan....

"We verlieten de _Curiosity Shop_ al te zaam. De goedige dikkerd volgde.

In de _American Bar_ zat hij aan onze tafel. Wanneer een van ons hem

onder 't praten toekeek, knikte hij seffens gewillig tegen. Hij

beantwoordde alleman's teug. Dronk ik, hij dronk. Dronk daarop

Lemonnier, hij nam een slokje uit beleefdheid. Dronk dan de

geheeldronken d'Artois, hij insgelijks, om goede manieren te toonen,

dronk maar.... Kortom, hij was de hoofsche goedkeuring zelve.

"Zeg eens, Herman, hebt ge al niet opgemerkt dat, als ge zoo op randool

zijt, er altijd iemand medefeest, zwijgend en ingetogen. Het is een

stille bijlooper. Hij laat nooit zijn glas ledig staan. Hij spreekt

nooit iemand tegen. Hij betaalt nooit wat. Hij is nooit hinderlijk. Laat

iemand zijn pijp, zijn regenscherm, zijn zakdoek vallen, hij is 't, die

hem opraapt. Hij is bij iedereen en bij geen van allen. Hij is een

verdraagzaam toezicht en zal het opmerken, als de baas, vertrouwend op

de dronkenschap der kompanie, iemand wat ongangbare munt wil in de hand

stoppen. Hij is 't ook, Herman, die de aandringende bloemenverkoopster

met een blozend lachje toefluisterd: "Ga maar uw gang, vrouwtje, die

kerels zijn zat en koopen niet!" En, luister wel, niemand kent hem. Hij

is de schaduw van ons allen, en wij eischen niets van hem. Hij lijkt op

iets dat ons natuurlijk en onverweerbaar toebehoort....

"Alzoo was die man. In de _American Bar_ ontstond er ruzie met een paar

roekelooze studenten. Ik zag goed hoe hij onderwijl vredig zijne pijp

stopte en ze in volle herrie kalmpjes aanstak. Ik zag het, omdat de pijp

zelf mij trof--een wondere pijp, geheel met kleur-ornamenten beladen,

zoo miniatuur-fijn als nog nimmer mij verfversiersels onder de oogen

kwamen. Onderaan den breeden pijpbuik kon ik, na eenige aarzeling het

woord "Julia" lezen. Het verbaasde mij zeer. Brandde in dat zeldzame

dikzaklijf waarlijk de vereering voor eene geliefde vrouw? Zoo zeer nam

mij dit denkbeeld in beslag, dat ik dadelijk den zachten vetpot over

zijne identiteit wilde aanspreken. Ik geloof dat de toenemende twist mij

in dit voornemen storen kwam, want tot eene bepaalde opheldering kwam

het niet. Eene verdere gelegenheid werd mij niet meer aangeboden en de

kerel bleef stillekens, rookend en drinkend, bij ons....

"Aldus voortzakkend geraakten wij in groepje op het Statieplein. Wij

hadden na de sluiting van de _American_ nergens een herbergzaam huis

gevonden en waren, eerst druk-pratend, dan moe-zwijgend, de Henegouwlaan

opgekomen. Slokke beweerde dat het Statieplein ons op een voornaam

fleschje geus of iets dergelijks kans kon bieden. Wij volgden Slokke

gedwee. De nacht was koud, miezelig, doordringend-vochtig. Wij

slenterden door, stil voorover gebukt, bijna zonder moed. Slokke zong

luidop een lied, waarvan ik me niets meer herinner, en d'Artois, achter

hem, spande nuttelooze pogingen in om het hem na te burrelen. Lemonnier,

lang en stokkestijf, beende akelig over het trottoir. Van Dranem, die

naar ik vermoed, daags te voren zeer onvoorzichtig den inhoud van een

sterrekundig standaardwerk had ingezwolgen, besproeide mij met den

hutsepot van zijne astrologische indigestie. De laatste van allen,

kortstappend en kort-blazend, kwam de ronde man, onze zoete schaduw

aangedrild. Ik hoorde hem. Hij had het geluid van een haastigen hinker.

Maar hij hinkte wezenlijk niet: naar ik thans vermoed, ontbrak de hak

aan een zijner schoenen, die daardoor als een slofje neerwreef op de

steenen....

"Slokke bracht ons in die taveerne van het Statieplein....

"Hier moest het drama gebeuren. Wij gingen aan de grootste tafel zitten

en bestelden koffie. De bazin, een onaangenaam wijf, deed opmerken dat

de herberg slechts bij toeval open was gebleven, dat zij geen tijd had

om koffie te zetten en maar hoopte dat de heeren gauw zouden oprukken.

Fritz d'Artois stond bij dezen onvriendelijken uitval recht en

overdonderde de zure waardin met de gekste aller redevoeringen. Aan de

inschikkelijkheid van eene oolijke schenkmeid hadden wij een kop koffie

en het einde van d'Artois' pleidooi te danken. Deze schenkmeid, die wel

inzag dat men Slokke en zijne kameraden nooit anders dan met

aanminnigheid zou de deur uitkrijgen, verwaardigde zich haar eigen bij

ons aan te sluiten, waar zij van Lemonnier verkreeg dat hij haar, bij

wijze van "slaapmutsje", op een fine-champagne trakteerde.

"Kijk nu, Herman, goed hoe wij zaten. Ik zat op de bank, links had ik

Van Dranem, stapelvol met troebele wijsbegeerte, rechts d'Artois, en

naast dezen het rookende mysterieventje. Rechtover mij zat Slokke, links

had hij Lemonnier en rechts de diplomatische herbergdeerne. Wij praatten

in den beginne vrij onharmonisch ondereen, tot op een vraag van de

schenkmeid het gesprek eene bepaalde richting inliep. De meid had

vernomen dat Fritz advokaat was en ze wilde hem gaarne, zeide ze, iets

vragen. Fritz die, met Dranem, de zatste van den hoop was geworden, vond

waarschijnlijk dat de schenkmeid hem veel eer aandeed. Althans bereidde

hij zich tot een uitbundig consult en stelde zijne prille ervaring

"geheel" (dit met een prachtig oratorisch gebaar) tot hare beschikking.

"A-wel voila!" sprak de meid, "ik ben getrouwd met een man die te dom is

om voor den duivel te dansen--van 's morgens tot 's avonds maak ik ruzie

met hem, want hij is te vadsig om een woord te zeggen,--hij zou mij

bestelen, als hij maar kon, mijnheer, bestelen om in de herberg te

zitten, hij wint geen gebenedijden stuiver en ik vraag mij af hoe hij

het aan boord legt om 's nachts geregeld dronken thuis te komen,--d'r en

is geen leven mee te houden, dat zeg ik u,--'k ben 't beu den luiaard in

te mesten, en, met permissie gezegd, mijnheer, 'k zou willen

divorceeren!" Zij begon in 't kort en in 't lang ons den toestand van

haar huishouden voor oogen te leggen, en daarop overgoot d'Artois haar

met zijne orakels. Hij onderzocht het pro en het contra, nam de gekste

houdingen aan en waande zich aan de vermetelste verklaringen, brak het

huwelijk om "te besluiten" en lijmde de stukken weer aaneen om met

nieuwe pracht van woorden te kunnen herbeginnen.... Kortom hij spande

daar de onmenschelijkste zaag. Slokke kreeg, naar hij mij vertrouwbaar

toemummelde, een papmond. Lemonnier was op de beide vuisten in slaap

gedonderd en Mijnheer Van Dranem, die over heel 't gedoe geen star meer

herkende, was in de diepste mijmeringen verzonken....

"Ik, scheef-achterover tegen den bankrug geleund, keek strak den dikken

bijlooper aan. Hij zat kalm en zoetjes te rooken, onveranderlijk. Daar

d'Artois recht stond en voortdurig over de tafel waggelde al preekend,

kon ik gemakkelijk onzen anoniemen vriend naloeren. Ik beken het u: ik

deed het uit verveling, want ik was wezenlijk te vermoeid om in mij

belangstelling voor 't zij eender wat te wekken. Ik belonkte hem strak,

al rustend. Hij rookte, scheen oplettend naar d'Artois en de schenkmeid

te luisteren, dampte zachtjes. Zijn bol aangezicht tuurde, over de

hoofden, naar iets dat, docht mij, misschien op den muur, boven den

toog, was aangeplakt. Al scherper blikte hij alzoo ... tot, almeteen,

zijn pijp, die geen vuur meer hield, dood stak in zijn mond, die juist

niet meer trekken wilde.

"Hij bleef een lange poos zonder roeren.

"Toen, zonder haast, vatte hij de pijp, wond ze in zijn rooden neusdoek,

borg ze--gelijk hij ze voorzeker placht te bergen--voorzichtig in zijn

binnenzak ... en ... toen, Herman ... ja, toen ... ik word er niet wijs

uit jongen ... het is zeker dat ik zeer, zeer moe was. Het gebeurde als

in een droom, waarbij ik machteloos moest blijven ... begrijpt ge?

"De arme dompelaar, nadat hij de pijp geborgen had, trok langzaam zijne

hand weer uit den zak. Die hand--wat vatte ze zoo struisch daar? Ik

zweer u, Herman; ik zag het, ik zag het, zonder te weten dat ik 't zag....

Die hand, met het zwarte ding, hief de goede dikkerd tot onder zijne

kin. En hij opende vredig zijn mond, wijd, wijd, tot het mij met

verbazing sloeg. En toen, Herman, gebeurde het. Het schot brak los, hard

en geweldig ... en de hand viel neder op de tafel, rilde daareven en

omsloot, meen ik, het dampende tuig dichter....

"Ha, jongen 't was er een herrie! Iedereen, zelfs de slapende Lemonnier,

stond recht. Die gemeene bazin gilde oneerbiedig. En hij, de sukkel, zat

op de bank, had niet geroerd. Hij glimlachte precies. Maar, achter hem,

was de muur met bloed bespat en iets leekte daar, een witte kwabbel,

traag, van zwaarte...."

Antoon zweeg. En ik herzag de leelijke taveerne, en hoe ik er

binnenliep, en hoe ik den doode zitten zag, en hoe ik, met een neep in

het hart en een kreet van heel mijn wezen, Johan Doxa herkende, den

zachten doolaar.

Ik heb zijne lauwe hand in de mijne genomen. Ik heb ze waarlijk

gestreeld, alsof hij 't nog voelen kon. Ik heb hem op de bank

nedergeleid. En ik heb zijne groote oogen toegedaan, die zoo verre

keken, verder dan den muur, Antoon, verder dan den muur of den toog,

mijn goede Antoon....

* * * * *

De heete koffie had ons opgeknapt, maar we vertrokken beladen met iets

als een groot pak. Niet haastig drilden we de Lage Stad af. We drumden

langs de gevels der huizen en beletten niets van het aanzwellend

dagbedrijf. We liepen verstrooid over de pletsende dweilen van gebogen

dienstmeisjes, die zich oprechtten dan, gestoord in den kuisch, en ons

wat toesnauwden van op de drempels.

Ik was zeer bekommerd en luisterde nauwelijks naar het stil, afgebroken

gepraat van Menschaert. Ik begon 't mij alreeds te beklagen dat ik deze

laatste boodschap had aangenomen. Seffens verhief echter mijn geweten

zijn rechte stem boven 't gehakkel van mijn angst en ik stapte vaster

door, overtuigd, gelijk ik was, dat niemand het droeve nieuws met meer

teedere en aandachtige zorgen zou brengen dan ik het, met mijn

liefderijk medelijden, zou doen.

We kwamen in de Zes-Penningenstraat, die reeds vol was met

uchtendgeluiden. Magere honden liepen er snuffelend rond de vuilbakken.

Een stoelenbiezer zette aan zijn uitgerokken roep, die wijd-jammerde

onder de vensters. Een fruitwijf stiet haar rammelend karretje. Boven

op een hoog huis vlekte een bleeke zon.

Het donkere winkeltje was open, de grauw-groene luiken ontsloten, de

gebroken drempzuil bloot. Ik kende die zuil goed. Hoe dikwijls liep haar

lustig over, jaren geleden, toen Johan Doxa met zijn ekster, zijn sijsje

en zijn eekhoorn het rare zolderkamertje bewoonde!

Juist--maar hoe kommervol thans!--wilde ik de goede zuil betreden, als

daar in een zoeten lach de groetende moeder Doxa stond.

--"Wel mijn jongen," zei ze frisch, (ze droeg een jakje en een versch

schort en ze was waarlijk, het oud wijveken, frisch als de morgen zelf)

"wel mijn jongen, wat zijt gij vroeg te been!"

Ik geloof dat ik daarop iets vrij onverstaanbaars uitbracht, want moeder

Doxa keek me dadelijk vreemd aan. Moeders hebben wondere voorgevoelens.

De lach op haar gelaat verdween. Zij zei nog:

--"Komt ge mij opzoeken?"

Ze drukte wonderbaar op het woord "mij".

Ik knikte traag, verlegen. En wij traden het speelgoedwinkeltje binnen,

dat geheel het uitzicht van vroeger had bewaard. Daar gloeide eenderlijk

de roode tichelvloer en donkerde massaal de vierkante toog onder het

noesche vensterlicht. Vluggelings zag ik in hunne verscheiden bakjes de

lekstokken, muntebollen, vlierhopjes, ovenbeesten, stampers, kletskoppen,

amandelkoekjes en kramelleu. Achteraan, tegen den muur, in schemerklaarte,

hingen de poesjenellen, de poppen, de reepen, de blikken muziektoppen,

de zweepen met fluitjes, de zakken met glazen marbels, al het diverse

speelgoed, dat bontig opkleurde en rammelde door mekaar.

En moeder Doxa, dienstvaardig, ging, gelijk naar gewoonte, het trapje op

achter den toog. Eene zonderlinge aarzeling bibberde in haren blik. Ze

beproefde een nieuwen glimlach.

--"A-zoo! mijn jongen," sprak ze, "wat is er tot uwen dienst?"

Ik bleef nog een tijdje zwijgen. Antoon scheen over de smuitsterbakjes

eene zorgvuldige keus te doen. Ik schudde treurig het hoofd en vatte

moedig aan:

--"Nu moedertje, wij brengen geen goed nieuws.... Het spijt me zoo!..."

Ze sprak niet. Hare oogen werden scherper. De stilte die in het winkeltje

kwam spoken was wezenlijk onverdraaglijk. Ik herinner me (hoe bijtend

zijn de indrukken soms!) dat, op dit oogenblik, een scheerslijper al

roepend voorbij trok. Ik zei:

--"Verschrik niet uitermate, moedertje. Zeker, het leven is heel zoet om

leven. Maar wat helpt het, als wij zelf meedoen om ons leed te vergrooten,

als wij ons zelf den dood op het lijf jagen?... D'ris toch niets aan te

veranderen, moedertje Doxa...."

Ze was bleek, ineens doodelijk bleek. En de kleine glimlach, die niet

weg wilde, werd een grijns van smart. Ze hakkelde:

--"Ja maar, ja maar...."

Alsof ze zich aan de waarheid wou vastklampen, en een bange logen

daarmede kon verweeren die schrikkelijk op haar afkwam. God, Gij weet

hoe vurig ik toen wenschte dat het inderdaad een logen mocht zijn!

Ik besloot die pijn te verkorten. Ik hernam, diep ademhalend:

--"Uw zoon moedertje ... uw zoon Johan...."

Ze deed stil:

-"Hâ-â!"

Heel stil. En ze sloot langzaam hare oogen. Ze zonk achterover, in de

rokjes van poppen, tegen den muur. En nog verliet die akelige glimlach

hare lippen niet.... Antoon Menschaert was toegesneld. Ze voelde zijne

armen om haar, roerde haar mond.

--"Wacht", lispelde ze zoetjes, "wacht, als 't u belieft ... och!

och!..."

Toen stak ze hard en wijd-open hare oogen en keek ernstig toe.

--"Watte?" vroeg ze, "wat zegt ge daar?"

En ik, geheel verslagen en 't harte bijna ingestampt:

--"Uw zoon, moedertje", antwoordde ik, "hij is niet wel ... hij is zoo

schielijk.... God is wreed, moedertje, maar wij moeten in hem berusten,

dat weet ge toch niet waar?"

Ze stiet Antoon plots van zich af. Ze riep:

--"Wat is er met Johan gebeurd? Wat is er met Johan gebeurd?"

Ze was vreeslijk. Ik dacht dat ik het nu met een woord zeggen moest

en--de Hemel vergeve 't mij--ik zei het met een woord.

Dat woord, ze had het werkelijk zien aankomen. Ze week als het dichtbij

was. Ze kreeg het vlak tegen hare oude borst.... Nu zakte ze thoope,

gelijk een klein, nietig pakje, in Menschaert's handen. Ze was opeens

schijnbaar als een pluimpje zoo licht.

Nog sprak ik, de schoon-versierde pijp uitreikend naar heur:

--"Zie, moedertje, hier is zijne pijp. Ik heb ze uit zijn zak genomen

opdat gij ze bewaren zoudt, als een aandenken...."

Ze keek de pijp aan. Ze vatte de pijp met beide handen.... Dan was 't

alsof ze insliep, zonder een traan, zonder een zuchtje, verre van ons.

* * * * *

Antoon Menschaert is nu een beroemd componist geworden, wat onze

vriendschap niet het minst heeft verlauwd. En daar hij nog steeds op

kamers "alleen" woont en ongaarne iemand bij hem ontvangt (ik verdenk

hem niet, hoor!) komt hij al dikwijls een avondje doorpraten in

Linkebeek, waar ik sinds enkele jaren verblijf. Wij zabberen en rooken

dat het een aard heeft.

--"Zeg eens," zegt hij vaak, "ik zal u gaarne een zilveren aschbakje

schenken, indien ge dees ellendige doos weggooien wil."

Ik bekijk dan de hoog-ronde doos, die ik ons eigen steeds voorzet als we

sigaren opsteken. Het is een geblutst tomatendoosje, dat inderdaad

miserabel aandoet in de overige meubeleering.

--"Kom! Kom! ik zal dat leelijke ding wel eens de straat opwerpen ...

doch, wanneer? wanneer?... Er zijn kleine, domme daden, waartoe men maar

niet besluiten kan."

* * * * *

Johan Doxa: Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker · 第 5 / 5 段