--"Kijk aan!" kreet ze, "kijk aan den vadsigen leeglooper! Hij vindt dat

ik niet gauw genoeg dood ben!... Hij wil een handje toesteken!... (tot

Doxa) Wat zegt ge?... Wat zegt ge?... Overdreven? (tot Anatole) Ge hoort

het zelf: De woestaard zal staande houden dat ik overdrijf! Nee! dat

springt de gaten uit! Hoor hem aan, Mijnheer, hoor hem aan, om de liefde

Gods!... (poos tot Doxa) wien heb ik van morgen om lijzemeel gestuurd en

wie is met een pakje macaroni teruggekomen?... (tot Anatole) 'k moet

lijzemeel pap onder mijn ribben leggen, Mijnheer, van den doctor ...

(tot Doxa) wien heb ik klokslag tien om een rolmops gesmeekt (tot

Anatole) voor mijn flauwe maag, Mijnheer! (tot Doxa) en wie is na

twaalven, weergekeerd met een platgezeten bloedpens en 'n gezicht van 'n

dulle hoornblazer?... Of denkt gij soms dat ik genezen kan bij 't eenige

spektakel van de walgelijke farokampernoelieën die uw gezicht paleeren?

(klagend) Mijnheer Anatole, bezie mijne armen, bezie mij, Mijnheer, ik

ben de schim van mezelve niet meer. Ik teer puur weg. Ik heb me

afgewerkt voor dien zatbalg daar! En nu, nu steekt hij een handje toe,

Mijnheer Anatole, om er mij wat rapper in te krijgen ... in den put ...

in den put."

Ze ging achterover wegzakken, in zachter gekerm, maar hief zich ineens

recht op hare puntige ellebogen, en kreet het heesch uit in 't

verbijsterd gelaat van den zwijgenden Doxa:--"Wat? Wat zegt ge weer?

Dat het niet waar is? Dat ik lieg? Zegt hij dat ik lieg, Mijnheer

Anatole?..."

Het scheen dat ze al hare krachten inspande om in eene uiterste poging

de mate van hare verontwaardiging te geven. Ze greep waarlijk met hare

tien nagels naar de rood-ronde tronie van den stillen beuzelaar.

--"Hier uit", riep ze, "hier uit!... Ne sjanfoetter, dat zijt ge, 'ne

wijvenbeul en 'ne sjanfoetter!..."

Daar ze nu, wezenlijk uitgeput, in de kussens thoopeviel, slierde Johan

Doxa zoetekens de deur uit en schikte Anatole de blauwe sargie tot onder

hare bevende kin. Ze had hare oogen gesloten. Hare lippen trilden nog en

hare neusvleugels roerden even. Anatole hoorde het harde getik van den

koperen wekker die, op de schouw, met hardnekkige onverschilligheid de

zonderlinge kamerstilte verried.

* * * * *

Op straat vond Anatole den rustigen Johan Doxa, die, zijn neus

platduwend tegen de vensterruit van den fruitwinkel, met vlijtige

aandacht de grauwe hobbels van een paar slabeten gadesloeg. Hij stak

zijne hand onder Johan's arm en zij gingen langzaam in den mistigen

vesperdag. Zij gingen alzoo een half-uur lang, zonder spreken.

Gemaskeerde kindergroepjes liepen dansend hen voorbij. Verder, in

naburige straten, hoorden zij het aanzettend carnavalgejoel en zij zagen

schoone kleuren bewegen.--Ze trokken "het Zwaantje" binnen en bestelden

een glas lambik.

--"Sec!" zei Anatole.

En dan alweer zwegen ze. De schuimende pinten stonden in het langblauwe

daglicht te klaren met stil-gouden gloed. Een lange man kwam rechtover

hen zitten. Hij was in een bedlaken gewonden en een scheef mombakkes

grinnikte roerloos op zijn kop. Hij had roode kousen over zijne handen

getrokken, en die lagen, vol geheimzinnige kracht, op de tafel. Men kon

geen oogen zien binnen de holten van het grijnzende mombakkes. Johan

Doxa, eer hij zijn glas vastgreep, vroeg beteuterd:

--"Anatole, hebt ge geld?"

Anatole knikte en zij dronken allebei. Drie vrouwen in manspak gingen

zonder veel gerucht in den versten hoek der herberg zitten. Een zwart

hondje kwam, tusschen Doxa's voeten, een handsvol garnaalsteertjes

oplikken en keek toen op, in korte verwachting. Na een tijdje drong een

dansende groep bonte jongelingen alover den engen drempel rond den toog.

De bazin had het seffens heel druk en de baas, die groot en rood was,

kwam al kouwend in het deurgat van de keuken staan, om ontzag in te

boezemen. Dat jong gedoe deed zeer vroolijk, intrigeerde iedereen op

goed val het uit, in hoog stemgegichel. Een blauw clownmeisje ging

buigen over het peinzend hoofd van Johan Doxa en vroeg:

--"A wel! wat hei-je met uw peterselie gedaan, kalfskop?"

Johan Doxa, geheel weg met zijne vage gedachten, antwoordde goedig,

onnoozel:

--"Nikske...."

En hij bezag Anatole al blozend. Toen sprak Anatole, stil in 't algemeen

gedruisch:

--"Julia sliep, als ik de kamer verliet, weet ge...."

Johan Doxa deed tweemaal zijn hoofd op en neder gaan. En heel natuurlijk

herbegonnen zij te zwijgen, daarbinst rechtstaande, alle twee te gelijk,

om weg te gaan.

Ze liepen de Camuselstraat geheel door en dronken faro in _'t Wit Paard_

bij Susse van Maries, op 't hoekje der Anneessensplaats. Van daar zagen

zij het dikke gewoel op de Henegouwlaan, de schuivende pakken van

menschen, door mekaar indringend en werkend, in traag beweeg, gelijk

dwarse zeegolven. Lachende gezichten, opene monden, grijpende handen,

't krioelde klaar op in de donkerte van grauwe jassen en wintermouwen.

En de lichte confetti stoof op bij scheuten, in waaiers van licht of

wolkjes van lichte kleuren. Een zeldzaam geraas steeg uit die duwing

van lijven, en Johan Doxa wist soms niet of 't wel vreugde was en geen

akelig en ver geklaag van gewonde dieren, die vol nuttelooze driften

zijn.... De schenkmeid kwam midden in de herberg op een stoel staan en

stak de porseleinen bloemen van den kroonluchter aan. De herberg was

geel en de dag op de vensterruiten werd scherpblauw, violetblauw. Men

kreeg een gevoel van droeven avond. De glazen klonken over den toog en

rond de aanhoudende bierbestellingen. Een oud vrouwtje probeerde eene

groote mand met eieren, krabben en amandels van groep tot groep tegen de

tafels uit te steken. Twee zware jongens nagelden over den buik van een

mandolien en zongen italiaansche liedjes. Ze zongen er drie en kwamend

dan centen rondhalen in paarlemoeren schelpen.

--"'t zijn Italianers, geloof ik." zei Johan Doxa suf.

Hij zocht lang in al zijne zakken, naar een half stuivertje, dat hij

zeker bezat, zeker, zoo zeker dat als twee en twee.... Anatole sprak:

--"Luister 'ne keer. Wat is dat nu met uwe vrouw? Is ze ziek of wat is

't?"

--"Ze heeft u daar nogal uitgescholden!"

--"Nog al ... nog al...."

--"Zeg eens ... en is dat waar, van die macaronie en die ... die...."

--"Bloedpens."

--"Hein?"

Ze vertrokken. Ze gingen de wijk van Onze-Lieve-Vrouw-te-Rooje af en

dronken in de kroegen, de taveernen en de kavitjes. De verschillige

geluiden der lage stad sprongen gelijk ledige vaten rond hen. Johan Doxa

en Anatole waren afgezonderd van 't algemeen plezier en hunnen armen

hingen zwaar aan hunnen schouders. Ze bleven een poosje 't geweldig

bedrijf nagapen van een schoonen arlekijnen societeit, die, met volle

fanfaren, de straten opdreunde. Kinderen droegen rieten waaraan papieren

lantaretjes te wiegelen hingen. De veelkleurige lichtjes stippelden

aardig in den vroegen avond. Ergens ontmoetten ze, plots eenzaam, een

blinden grijsaard, die zijn hond verloren had en woest-mompelend langs

de gevels voortsukkelde. Ze waren hem al lang voorbij, als Johan Doxa

ineens staan bleef en, met een dwazen glimlach:

--"Nu vind ik het half stuivertje", zei hij.

Hij was er geheel blij om en hief het in de klaarte van een gaslantaren

op. Hij voegde erbij:

--"Ik wist wel dat ik het had. 'k Had het dezen morgen in de kerk langs

mijn broekpijp die gescheurd is laten vallen, 'k Had het opgeraapt, ge

ziet het nu zelf Anatole!..."

Een kleine nietdeug, met een mombakkes gelijk een doodshoofd, riep

achter hem:

--"Loërik!"

* * * * *

Anatole sprak:

--"'k En wil 't niet zeggen om u te treiteren Johan, maar ge zoudt toch

wat meer koeragie moeten hebben bij uwe vrouw. Ge hebt daaral niet veel

te protocollen, naar ik zie, en dat is een ongeluk voor u en voor haar.

Alles goed bekeken. Ge zijt een vijg, jongen, ge zijt een slappe vijg

... 'k zeg het in alle eere, om u niet te krenken ... kortom, een vijg."

Johan Doxa sprak:

--"Vermits gij het zegt ... vermits gij het zegt ... denkt ge waarlijk?"

Hij herzette zich op de smalle herbergbank en verschoof zijn ledige

pint. Hij plante zijne voorarmen op de tafel, in de geluidlooze

kussetjes van zijne ellebogen.

--"Anatole," zei hij, "daar is kans voor, 'k en zeg niet neen. Maar 'k

zal u iet zeggen. Ge zijt een goede vriend van me. Mijnheer Lazare is

ook een goede vriend. Kent ge Mijnheer Lazare? Hij is een uitsluitelijke

en strenge hoogpriester van Jesus-Christus. Hij geeselt mij met de

woorden van God. Gij bekoort mij met de lieftaligheid van dees driftig

leven. Gij straft mij met mijne kleine gebreken. Nu wil ik u iet zeggen.

Wat zijn wij? Wij, met ons beide die hier aan het zuipen zitten, en die

andere rond ons, dewelke vroolijk zijn. Wat zijn wij al te gare? Bekijk

de sterren en hunne onverbiddelijke harmonie. Hoe grootsch! Bekijk de

ordonnantie van onze aarde, de loop der seizoenen, het evenwicht van

lucht en grond en wateren, de voortdurigheid van al die wondere

rythmen.... Hoe grootsch! Is het niet waar? Denk daar een oogenblik aan

terwijl ge hier zit met mij. En bekijk dan het bedrijf van alle levende

dieren: de leeuw die zijne prooi zoekt, het lam dat graast, de arend die

jaagt op buit, de duif die cirkelt boven de vredige huizen, de visschen

die ondereen zoo aardig doen (ik spreek van den snoek, die alles doodt,

en van het roodvischje, dat prachtig in den helderen bokaal

rondzwemmelt), de vlinders en de lieve goudvliegkens, de spinnekop die

biddend loert binnen de raderen van haar verraderlijk net en daarbij,

Anatole, het onzichtbaar gepeupel: de beestjes die ziekten brengen en

de beestjes die ziekten afweeren ... bekijk dat ook alles eens met

aandacht.... En dan zegt gij: er zijn er zus en er zijn er zoo, en dus

is leven een groote strijd van krachten. De maan, die draait rond de

aarde, medegesleurd door haar, heeft tegelijk op haar een vertragende

werking, dat is strijd. De wateren die in hitte tot dampwolken opvliegen

en door kilte weer tot wateren vallen, dat is strijd, Anatole. De dieren

die vechten. De menschen die vechten. De menschen die vechten in passies

van allerhande aard. De menschen die sterk zijn, en de menschen die zwak

zijn. De menschen die verstandig zijn en de menschen die dom zijn. De

menschen die deugdelijk zijn en de menschen die geen zedenwetten

kennen.... Och! Och! is dat geen strijd, Anatole? En strijd is het leven

zelf. En strijd is de mirakelachtige harmonie. En strijd is waarachtig

de wet van God, Anatole. Ik ben een soort vrak, en gij zijt een soort

lusteling, en Lazare is een soort hyper-asceet. Wij zijn alle drie

noodzakelijke elementen en onze werking reikt mede tot de

standvastigheid van God's harmonie. En het moet zoo altijd zijn en

hergebeuren, want wij zijn alzoo de eeuwigheid van God's wet."

Anatole had gedronken en sprak nuchter:

--"En de socialisten?"

Maar Johan Doxa wedervoer met geduld:

--"Wij moeten ons schikken in ons lot en de plichten vervullen van onzen

aard. Wij mogen niet, hm! hm!... wij mogen niet lui zijn in onzen aard.

Wij moeten vol ijver zijn, want onze aard is een gebod dat wij vlijtig

moeten leven. Gij blaast gedurig tabak in mijn gezicht, Anatole. Neen,

steek uwe pijp daarom niet onder de tafel. Maar ik ben, geloof ik,

duister en vervelend, en gij volgt niet rap mijne gedachten. Ik wil u

iet zeggen. Ik--gij beziet mij en ge kent mij, Anatole--ik ben een

sukkel in uwe oogen en een lasteraar in de oogen van Lazare. Ik ben

inderdaad waarlijk een sukkel en een lasteraar. Zoude ik moeten een

groot artiest zijn, of zoude ik moeten een heilige zijn, of zoude ik

moeten een tapper zijn? Ik loop het loopje van een natuurlijk en

noodwendig leven. Ik ben wat ik ben, zooals, naar ik meen, een halm geen

eik is en een mier geen prijsmerrie. De blijdschappen die mij te beurt

vallen zijn de bloemen van mijn aard. Maar, Anatole, vermits ik sterven

zal zonder glorie en zonder zaligheid, ook de spijt over een zoo droeve

dood is een bloem, een zeldzame bloem van mijn aard, Anatole.... En ik

blijf dien spijt getrouw."

* * * * *

Ze hadden rond tien ure een groot getal herbergen bezocht. Ze stonden op

de Oude Graanmarkt. De Vlaamsche Steenweg was een krioeling van vierende

menschen. Geel en wit-blauw licht spetterde uit de vensters op het bonte

gewoel. Johan keek op naar den schoonen kerktoren die in een hoek van

het Kathelijneplein massaal en duister rees boven het licht der huizen.

Hij zag ginder hooge, den grauwen winterhemel, en hij voelde wonderlijk

de oneindige wijdte. Zijn hart ging open, vol van liefde.

--"Nu begin ik plezant te worden," zei Anatole. En om zijne woorden

kracht bij te zetten, ging hij al fluitend aan het dansen. Johan Doxa

had groote goesting om te weenen. Hij kuchte eens en glimlachte

zachtjes:

--"Wel, ge danst gij niet slecht, Anatole!"

Anatole nam Doxa bij de ellebogen en schokte hem op maat van het

deuntje. Dan, haast buiten adem, riep hij:

--"Kerel, we gaan ons maskeeren!" En ze trokken naar de _Old Curiosity

Shop_ van de Bisschopstraat, klauterden den diensttrap op en onder het

zolderdak, begonnen eene lollige vermomming. Anatole bracht de

zonderlingste kleedingstukken uit laden en kassen voor. Al bargoed,

vergeten, verloren, gestolen of in pand gelaten.

Johan Doxa stond voor een gebarsten spiegel tusschen twee

wippelvlammende eindjes kaars.

Hij moest zijn broek uittrekken en hij deed het gewillig, zonder denken.

Anatole zocht voor hem eene schoone maskeradebroek. Het was de

verslenste broek van de eene of de andere barmeid, fijn-linnen broek,

geheel behangen met kanten en strikken, wit was de kant en vieux-rose de

linten. Johan Doxa deed zeer angstig in die broek. Zij viel in dicht

geplooi en rijke lobben tot over zijne knieën en liet dikke braaien vrij

die opbulten boven de lompe schoenen. Anatole bezorgde witte koussen en

eischte dat, om het algemeen effekt niet te breken, Johan Doxa lage

espadrillen aantrekken zou. Deze weelderige kleedij voltooide hij met

een kelner-pitalairken, dat ongelukkiglijk te nauw was en, gelijk een

licht vleugelpaar, aan Johan's schouders hing te bengelen.

--"'t Is wel alzoo," zei hij achteruit-wijkend, "nu uw kop!"

Hij spande een kleine venstergordijn rond het hoofd van den braven Doxa

en bekroonde zijn werk met een ietwat inzakkende gibus. Hij zei,

weltevreden:

--"Niemand zal u herkennen, jongen. Ge zijt een heel ander mensch,

waarlijk! maar deze gele handschoenen moet ge aantrekken, en hier is een

pompadoer-waaiertje dat ge aan een knoopje van uw habijt moet hangen....

Zoo-oo ... all right! kijk u eens in den spiegel aan!"

En Johan Doxa keek zijn eigen in den spiegel aan en hij wist niet aan

welk oordeel hij zich zou houden....

Anatole was gauw klaar. Hij gespte een paar bleeke rokken rond zijn

leen, paste, gelijk 't behoort, een groen jakje over zijne opgevulde

borst, zette een prachtigen hoed met pluimen zoo goed als het kon vast

op zijn kop en hing errond eene dichte voilette. Hij droeg, ter

volmaking van die vrouwelijke staatsie, een rood satijnen zonnescherm en

schoeide, gelijk Johan, zijne groote handen. Zoo kwamen zij op straat.

Geweldig was 't lawaai en de drang op de Anspachlaan. De electrische

lampen klaterden over al die hoofden. De confetti sproeide uit, kleurig

en blikkerend.

--"We moeten ons goed houden," zei Anatole, "en malkander niet kwijt

geraken. We gaan naar 't bal."

Hij kocht in den Grand Bazar een heel klein trommeltje, dat hij op

Johan's buik met een rood touwtje hing en een rotelaar dien hij zelf den

weg door hanteerde. Johan Doxa leunde op den arm van Anatole. Hij kreeg

het tamelijk warm onder de nauwe venstergordijn en zijne armen spanden

in de te korte mouwen van zijn frak. Zijne voeten en zijne beenen waren

vrij koud geworden. Eens dacht hij aan Julia. Hij dacht:

--"Ze is koleirig.... En ik zal geen blijde intrede hebben...."

Maar hij ging mede met Anatole, zonder wil gelijk zonder aarzeling. Hij

was bereid om veel pleizier te hebben, zooals een leeg vat bereid is om

't zij eender wat te ontvangen. Hij had geen begeerten, hoewel hij in

vage verwachting verkeerde. Hij was noch gretig, noch gejaagd, hij was

moe, moe.... En toch verwachte hij geen rust.

* * * * *

De danszaal van de Hoogstraat was schitterend van licht. Het licht

schetterde uit de vier kristallen kroonluchters en smeet uiteen in

de groote spiegels der wanden of over het goud van de ramen, de

deurlijsten, de pilaren, de zoldering. Het goud blonk voornaam.

De breede spiegels schitterden brutaal en overdadig.

Het volk was los, woest, ontzagelijk. Men schreeuwde. Men danste. Men

sprong wild. En Anatole zei:

--"Let nu goed op. Hier is de volle plezantigheid. Hein, wat zegt ge?

Verdekke, jongen, hier gaan we ons hart eens ophalen, nie-waar?"

Hij kittelde Doxa eventjes onder de hoksels en hernam:

--"We moeten, elk van onzen kant, een toertje doen rond de zaal, gij

een toertje rechts, en ik een toertje links zoodat we op deze plaats

terugkeeren en malkander weer ontmoeten. We geven malkander rendez-vous

op deze plaats. Luister wel. Gij van uwen kant zult onderweg een liefje

krijgen, en ik, van mijnen kant, ook. Alzoo zijn wij rap, elk van onzen

kant, geriefd. Allo! zie dat ge de schoonste uitkiest!..."

Anatole ging seffens een blijden gang. Toen voelde Johan Doxa zijne

groote eenzaamheid. Toen, verlaten in deze vreugde als in eene woestijn,

voelde hij zich alleen zijn, moederziel alleen. Hij was nutteloos. Hij

bestond zonder reden. Hij veroorzaakte niets en was van niets een

oorzaak. Hij mompelde, zijn eigen aanstarend in gepeinzen, kindsch:

--"Is de dood iets?..."

Hij zoude zich gewaand hebben iets te zijn.

Johan Doxa deed een toertje rond de zaal. De dansers riepen hem aan,

daar hij zoetekens omwandelde in zijn zonderling pak en zijn trommelken

onnoozel vasthield in beide handen. Maar hij trof geen liefje dat hij

scheeren kon.

--"'t Is gemakkelijk te zeggen," dacht hij, "ze zijn hier wel een hoop,

maar 't is precies uit den hoop dat ik ze moet uithalen."

Anatole nochtans had er een uitgehaald. Hij sprak in verbazing:

--"Niks? Hoe is dat Gods mogelijk Johan! Ge ziet er flink uit en ge hebt

handschoenen aan. Als ge zoo voortgaat zult ge fataal eindigen met u te

vervelen."

Hij besloot zich zelf op te offeren om een zoo jammerlijke uitkomst te

vermijden en stond zijne aanwinst gewillig aan Johan Doxa af. Hij

verdween in het licht, en de deerne zei:

--"A wel, Mijnheer, waarmee is 't, dat ge trakteert? Of wilt ge ne keer

dansen?"

Neen, Johan Doxa zou liefst niet dansen. Trakteeren, ja, dat zou hij.

Hij liet zich naar de drinkzaal meetronen en zette zich in een hoekje,

waar hij rustig een flesch geuze bestelde. Hij bleef een langen tijd

zonder denken. Het meisje zei:

--"Dat moet warm zijn, Menheer, die store op uw gezicht."

--"Ja," knikte hij dwaas.

--"Leg hem dan maar af. Ge moet u voor mij niet geneeren. Ik heb al van

alles gezien."

Hij vouwde langzaam de gordijn op onder zijn hoed en wees zijn goedig

gelaat. Hij glimlachte, naar gewoonte. Het meisje praatte gezellig en,

ofschoon hij niet veel antwoordde, hield zij moedig het gesprek aan. Hij

hoorde haar praten. Hij hoorde ook het roezemoezende balgerucht. Hij

hoorde de muziek, die hem bestoven voorkwam. Hij hoorde klaarder het

gerinkel van een tamboerijn met belletjes....

Nadat hij de derde flesch geuze besteld had, viel hem plots in dat hij

geen geld had. Dadelijk bekoelde echter het zweet, dat hem op het

voorhoofd uitgebroken was als hij bedacht dat Anatole gauw aan zou

komen. Waar bleef toch Anatole? Om tijd te winnen bestelde en dronk

Johan Doxa nog vier flesschen. Het meisje kreeg zonderlinge manieren en

eischte van haren nieuwen vriend eene uitdrukkelijke liefdebekentenis.

Onderwijl wilde Anatole maar niet opdoomen.

--"Zie," zei het meisje, "ik heb meer domme hoofden gezien, dat is

zeker. Als ge schoon, braaf en inschikkelijk zijt--begrijpt ge, lieve

loebas?--zal ik u om een haarklesje vragen en het tot op mijn doodsbed

bewaren!"

Hij keek haar goedjongstig aan, eenigzins angstig wordend. Het docht hem

dat hij haar voor de eerste maal aankeek. Nu pas bemerkte hij hoe ze

was: een blond wijf, niet schoon en ruw van gebaren in licht-groene

domino, vormloos. Hij sprak:

--"Ik moet Anatole opzoeken in de danszaal."

Hij bezag haar zoo nuchter, zijn tronie glom zoo schuldeloos, dat het

meisje, eerst fiks op hare hoede, seffens betrouwend werd en toestemde.

Hij ging log, gewild-traag. Hij drong tusschen de dansers heen en voelde

zich veilig worden. Zijn hoofd was zwaar. Hij geraakte weldra buiten

staat om Anatole na te jagen, en allerminst om hem te vinden.

Daar werd in zijn geest de licht-groene domino het uitsluitelijk beeld

van een groot gevaar en hij moest vluchten. Hij had geen wil, die hem

weerhouden kon, geen rede, zelf geen luiheid om zijn vlucht te

vertragen. Hij liep struikelend door de straten.

* * * * *

Hij was de bolwerken omgeloopen en kwam nu, te laag, bij de Molebeeksche

vaart aan. Het begon te sneeuwen. De blauwe dag lichtte zachtjes over de

daken. Het water lag somber en onrustig, eenzaam de grijze kaai.

Johan Doxa stond hijgend tegen het ijzeren schut en zijne blikken

loerden rond. Hoe bang roerde het water! Hoe vaal rees de bevende

morgen! Hoe duister en heimelijk wachtte ginds die hooge boot!...

Hee! Hee! daar vaart een klare schim langs Johan voorbij. Het is een

lange magere schim. Een schim met roode handen. Wel! het is een man die

zich uit pret in een bedlaken heeft gewonden en met roode kousen zijne

handen heeft geschoeid. Ievers heeft Johan Doxa dien witten man onder

een scheef-onbeweeglijk aangezicht ontmoet. Wacht eens even!... Wacht

eens even! Waar was 't alweer?...

De witte man schuift rap over de kaai. En op de brug staat eene vrouw

met een kindje. Johan Doxa zou zweeren dat de vrouw weent en dat ze het

kindje kust wanhopig. Hee! Hee! de witte man komt op de vrouw af. Heeft

ze niet gegild? Ze wil vluchten, ze wil vluchten! Ze kan niet. Ze wordt

vastgegrepen. Ze wordt omhoog getild. Ze ... ze ... God in den hemel! Ze

wordt over de brug geheven.... Ze valt!...

Heeft ze niet gegild? Heeft ze niet gegild, vraag ik?...

En tegen het ijzeren schut stond Johan Doxa. Hooger beeflichtte de dag.

De kaai was geheel met sneeuw bedekt. De gevels der huizen staken vuil

uit boven de schoone witte sneeuw. Het pitalairken van Johan Doxa was

besneeuwd.

* * * * *

--"Dat is toch zonderling." dacht Johan Doxa terwijl hij voort

opwaggelde naar huis, "dat is toch een zonderling dingen! De vrouw is in

het water verdronken en het water heeft geen gerucht gemaakt. En de

witte man ... wacht eens even ... die heb ik gezien en herkend.... Wel!

wel! wat er toch al gebeurt!... En ik heb niets gedaan om dat te

beletten. Niemand heeft iets gedaan. Waren daar nog andere menschen?

Rechtuit gesproken, ik geloof het niet. Ik had moeten toespringen. Wel!

wel! een mensch zou er kiekevleesch van krijgen, als men bedenkt wat er

al omgaat!... In 't volle van de stad jongen, in 't volle van de

stad!..."

Hij kwam op de Papenvest en verwonderde zich dat de huisdeur, die anders

nooit zoo vroeg was ontgrendeld, op een reetje open stond. Hij strompelde

onvoorzichtig de trap omhoog. Het huis was stil. Hij keek op....

De verbazing van Johan Doxa, toen hij Lieven Lazare in het aangezicht

blikte, was slechts te vergelijken bij de verbazing van Lieven Lazare

zelf, die den ellendigen sukkel zag aanklimmen in zijn matte lompen en

slappe strikken.

Tegen Johan's verwachting in verhief Lieven Lazare zijne donderstemme

niet.

Hij zei stil:

--"God straft u, Doxa. Zijne hand heeft uw huis beschaduwd. En Hij

verplicht u neer te kijken op uwe monsterachtige schande. Ik zwijg en

laat u over aan Hem--kom binnen."

Zachter nog, terwijl hij Johan Doxa in de kamer duwde, sprak hij:

--"Ik heb in gebed den avond en den nacht aan de sponde van uwe vrouw

doorgebracht."

Het docht Johan Doxa plots dat hij geene beenen, geen armen, geen

lichaam meer had. Hij had geen gevoel van lucht, van koude of warmte.

Een harde band spande hem om de slapen. Hij zag de vier hooge kaarsen

die brandden aan de vier hoeken van het bed.

Toen ook, daar staande in openbare dronkenschap, zag hij het witte

kussen, het witte roerlooze gelaat van Julia, de witte handen gevouwd in

vroome houding op de blauwe sargie, en het ivoren kruis dat uitarmde,

ernstig tot onder de puntige kin.

Lieven Lazare, het hoofd buigend, zei:

--"God beproeft ons uitermate. En Hij treft ons in onze zonden.... Laat

ons knielen, Johan!"

En dat deed Johan Doxa gehoorzaam, maar hij dacht al door:

--"Dat is toch een zonderling dingen, niet waar? Het water dat zoo

angstig was ... en de roode kousen over de groote handen ... en het

kindje heb ik wel gezien! De vrouw weende over het kindje.... Wel! wel

toch! Wat een rare boel!..."

Zijne oogen bleven strak op Julia's gelaat gevestigd. Zijn geest puntte

op Julia's gelaat.

--"Goede God!" fluisterde hij.

Hij begon halfluide te bidden, en sloot smartelijk zijne oogen.

Johan Doxa: Vier herinneringen aan een Brabantschen Gothieker · 第 2 / 5 段