JOHAN DOXA
VIER HERINNERINGEN AAN EEN BRABANTSCHEN GOTHIEKER
door
HERMAN TEIRLINCK
1917
* * * * *
I
JOHAN DOXA
GETROUWD
Johan Doxa, de vader, verkocht speelgoed in de Zespenningstraat, een
grijze wijk van nauwe steegjes, midden in de Lage Stad. Hij had er een
smal winkeltje met een gebroken drempelzuil, een vunzigen gang en een
groen-houten hekje, waarop, tenden een buigzaam veerijzer, een
waarschuwende bel vastgehecht was. Het winkeltje was grauw, haast donker.
De roode tichelvloer gloeide langzaam op uit de halve donkerte, maar de
vierkante toog somberde, gelijk een harde, massale schaduw, vlak onder
het venster, dat met zijne menige uitstalling, de dagklaarte buiten
hield. Die toog droeg een verscheiden weelde van lekkernijen,
muntebollen, lekstokken, stampers, ovenbeesten, kramellen, kletskoppen
en amandelbrood. Al dat bonte gesnoeper lag er, in blikken kistjes
nevenseen, elk met zijn eigen kleur en zijn verschillige hoopen. Achter
de toog en langs den muur, tot bijkans tegen de zoldering, hing het
speelgoed, de reepen, de poesjenellen, de poppen, de ballen in wollen
netten, de zilveren muziektoppen, de zweepen met fluitjes, en zoo al
meer.
Johan Doxa, de vader, was een groote struische kerel. Hij zat 's morgens
in zijn winkeltje, achter den toog. Hij sliep er meerendeels. Zijn stoel
was laag, breed, verzacht met een platte sargie, die er vierdubbel tot
op de leuning over gevouwd lag. Johan Doxa zat gemeenlijk met zijn beide
handen gekruisd op zijn buik, zijn kin op zijne borst en zijn klipmuts
op zijne oogen. Zijn kop stak even boven den toog uit, maar duisterde
weg in de onduidelijke lucht van het winkeltje. Als een kind het hek
openstiet, rinkelde de bronzen bek en Johan Doxa verroerde. Zijne handen
bleven gekruisd en stille, maar, met eene eigenaardige fronsing van zijn
voorhoofd, schoof hij rijzekens zijn muts achteruit, keek naar het
deurtje, beloerde vijandig den jongen, die drummend naderkwam.
De oude heer Doxa liet, in den namiddag, het beheer van de zaak over aan
zijne vrouw Isabella, welke een ijverig mensch was en het huishouden er
heerlijk doorhielp. In den namiddag ging hij toeren om de stad. Hij deed
met pleizier eene wandeling langs de Henegouwlaan, de Beurs, de
Anspachlaan, wrong zich zwaar en lui door de krioeling van menschen en
rijtuigen en trok op naar de Hooge Stad. Zijn liefste uitstapje kuierde
de Steenpoort omhoog en de grauwe wijk van het Gerechtshof binnen. Daar
liggen, door mekaar, een geharrewar van smalle straatjes en huist eene
ruchtige bevolking. De oude heer Doxa slenterde, er rond, keek met
belangstelling naar de, politieagenten, de hondendieven, de
haringventers en de citroenwijven, luisterde aan de open deuren van
kroegen en danszalen, naar de versleten deuntjes van een blazenden
draaiorgel of de schokkende springwijzen van een grollend speelboek.
Dan liep hij de Visitandienenstraat omlaag en kwam lanterfanten in de
Priemstraat. Hier placht hij zich aan eene zonderlinge praktijk over
te geven. Hij, volgde de bierwagens die, ten dienste van de talrijke
herbergen, voorbijreden en had permissie om, bij het opladen van ledige
tonnen, het roes ervan om te klinken en op te vangen in een zinken
ansjovisdoosje, dat hij, tot dit bijzonder gebruik, altijd in zijn
binnenzak steken had.
's Avonds, na den eten, begaf hij zich in den Koning van Spanje, dronk
er met een paar geburen een half dozijn glazen faro, bestelde een
slaapmutsje in den Bloemenhof en kwam laat thuis. Hij vond geregeld en
eenderlijk liggen in het laag bed, tegen den glimmenden kalkmuur van het
lauwe slaapkamertje, het dikke, opbultend lijf van zijne vrouw Isabella
die niet roerde bij zijne lompe inkomst, maar eens zuchtte, schijnbaar
in haar slaap, als om zich van een vies droombeeld te ontlasten, dat
juist op haar miserabel hoofd wegen kwam.
* * * * *
De oude heer Doxa had een zoon, genoemd Johan. Van dezen is het dat ik
in het bijzonder verhalen wil.
Hij werd geboren in de Zes-penningenstraat, binst dat zijn vader,
omtrent de Kapellewijk de dansende klutsen uit de tonnen klonk. Hij was
grootgebracht tusschen het grijze speelgoed en werd een jongen van
zeldzaam uitzicht met, als hoofdteeken van karakter, de luiheid van zijn
vader en het zoete geduld zijner moeder. Op school, waar men hem, om hem
kwijt te zijn, heen zond, was hij dadelijk den zondenbok van allen; de
stooten welke grillige vuisten, bijna onachtzaam, uitwierpen, ploften
pletsig in zijne vette rompe, en de muilperen, die, als bij toeval, uit
onzichtbare fruitboomen neervielen kwamen wonderlijk op zijne bolle
kaken openklakken. Bij eene zoo overdadige behandeling, bleef Johan Doxa
verdraagzaam-glimlachend toekijken, en niets scheen de schoone zaligheid
te kunnen storen, die geheel zijn wezen vervulde en hem toeliet, in alle
omstandigheden, een pak slaag als een dankbaar almoes te aanvaarden.
Op vijftienjarigen leeftijd liet hij zijn blond kroezelhaar lang-groeien
en deed aan zijne moeder zijn voornemen kennen om naar de Academie ter
leering te gaan. Dit werd hem toegestaan, deels omdat vrouw Doxa voor
niets in de wereld haar zoon zou hebben willen te keer gaan, deels ook
omdat de oude heer Doxa, na een wandellingetje in de Pieremanstraat,
verklaard had dat het hem niet schelen kon.
En Johan Doxa werd een artist-schilder.
* * * * *
Johan Doxa bewoonde, in het vaderlijk huis, een luchtige zolderkamer,
waar hij teekende, schilderde, at en sliep. Hij zat er sinds hij de
Academie verlaten had--hij was nu een en twintig jaren oud--gansche
dagen in de eenige gezelschap van een ekster, een sijsje en een
eekhoorn. De vierkante kooi, waar joepte en zong het teer-groene sijsje,
hing aan een kram van het dakvenster. Zoodra de zon boven de stad vol
mistige daken opduiken kwam en tegen de schuinsche ruiten glinsterend te
tokkelen begon, wipte het sijsje op de bovenste sport en kwetterde een
jubel-getjirrel, dat geheel de kamer met een frisch pleizier vervulde.
De ekster liep in vrijheid tallenkante rond, pootelde ruchtig over het
houten plankier, sprong op den schoorsteen en droeg van links naar
anderzijds de penseelen, welke ze te pakken kreeg. Gemeenlijk zat ze te
midden van het kleine tafeltje, vast op den rand van een dikbuikigen,
diepblauwen tabakspot. Daar bleef ze soms uren zitten, stil-lonkend en
bijna roerloos, haar kop ten halve tusschen hare schouders gedrongen en
haar pootjes in tweeën gevouwd, zeer rustig. De eekhoorn scheer-beende
maar in een draaiende tralietrommel, die op een plankje stond, boven het
hoofdeinde van het ijzeren bed.
Hier werkte Johan Doxa. Hij schilderde portretten, beelden van Heiligen
en kleine Kruiswegen. Hij likte en overlikte zijne tafereelen, raakte
haast het doek met zijn neus en beijverde zich, in overmatige
geduldigheid, om een krulhaartje op een kin te planten en een wimper op
een ooglid. Hij bukte over het werk, streek langzaam de uitgezochte
verven, bedekte met glanzende vernissen de gladde bontigheid. Zijn ronde
kop, zijn kroezelende haarbos, blond-goud onder het spelend daglicht,
lag, alsof het rustte, onbewegelijk over het effen-glimmende schilderij.
Als hij verpoosde voor een tijdje, ging hij tegen het bed leunen of
strekte er zich lang uit, rookte, traag dampend, volgde met luie blikken
de opgaande en uitwaaiende tabakwolken en snoof wellustig den sterken
reuk ervan op. Hij dacht aan niets. Hij keek soms heel lang naar het
draaiend eekhoorntje, of voelde, zijwaarts, de blinkende oogen van de
ekster, die loerend, op den blauwen buik van den tabakspot oolijk te
muizenissen zat. Wanneer het avond werd had hij een heerlijk gevoel van
zelf-verdwijnen. 't Was dan alsof, met de uiterste deemstering, het huis
en de wereld zouden in nevelen vergaan. Zijne ronde blauwe cherubijnoogen
blonken zonderling in de donkerheid en zijne handen lagen als twee witte
vlekjes op het duistere violet van de bedmatras.
Na den dood van zijn vader, die in het hospitaal aan eene kortstondige
leverziekte stierf, veranderde Johan Doxa haast niets aan dat peiselijke
zolderleven. Alleen zou hij af en toe wat uitloopen en menschen zien.
Hij nam dit voornemen op den raad van zijne moeder, die met leedwezen
hem in vergetelheid eene jeugd zag bederven, die zoo nuttig aan zoo
kostbare zaken had kunnen besteed worden. Ze had gaarne haar zoon zien
genieten van het weinige dat de Voorzienigheid hem op zijn weg had
geleid en ze gaf hem, met eene schijnbare onverschilligheid, te verstaan
dat de stad vol was met behaaglijke meisjes en dat er wel één ten minste
in den hoop te vinden was, aan wie hij zijne versche jonkheid toetsen
kon. Johan Doxa bloosde en glimlachte. Het vijffrankstuk, dat moeder hem
in de hand stopte, plakte in zijn vette palm en teekende er, met zijne
harde randen, een cirkel van gewicht. Hij liep den kapotten drempel
over, hoorde, nog de bel bingelen, gesmoord in de dufheid van het
binnenhuisje, en drilde langs de Lage Stad om. Hij leek, in deze
slentertochten, wel zeer op zijn vader-zaliger, haperde aan elken winkel
en luisterde naar elk gerucht. Zijn grootst genot was bezijden de platte
kaaien. Hij staarde half-hangend op de ijzeren leuning, naar het donkere
water, waar het licht van den dag onrustig over al schervelend ging. Hij
bespiedde de doening der vaartmannen op de groene booten, volgde den
rytmischen gang der koollossers, kon, tot het gansch donkerde, blijven
turen naar 't gewiegel van een dobberend papiertje.
Het was binst deze wandelingen dat hij die twee vreemde mannen ontmoette,
welke na korten tijd zijne vrienden werden. Zij waren allebei ouder dan
hij. Hij deed hunne vriendschap op in de zelfde week. De eene was een
letterkundige en katholieke pamflet-schrijver, die zich als een vurig
werktuig van God aanzag. Hij heette Lieven Lazare. De andere was een
bleeke lang-opgeschoten kerel, met diepe doode oogen, een breede hand en
sproeten op zijne vingeren. Hij was tapper in de _Old Curiosity Shop_,
een nachtkroeg naar de mode. Zijn eenige naam was Anatole. Lieven Lazare
was een groot, breed man, hooggeschouderd, met ronden kalen kop waar een
stekelige snor haast een klein-bolle neusje wegvlekte. In zijne schriften,
die eene onbetwistbare literaire waarde droegen, schold hij met ongemeene
woestheid allen uit, die "op hun gladde harten de berrie torschen van het
Gulden Kalf" en, in het bijzonder, de priesters en prelaten. Zijn werk
"Ploerten" was een kostelijk autobiografisch verhaal, waarin hij zijn
kristelijke liefde en, als met geweldige geuten, zijn schrikkelijke haat
uitstortte. Hij sprak er van Johan Doxa, gelijk van een "uitverkoren
wezen, hetwelk uit de vroomheid van gothische tijden onbeholpen te midden
van de tartende ketterij der encyclopedisten gesmeten werd." Anatole was
een tegenovergesteld wezen. Hij had een oolijk aangezicht, vol met de
uitdrukking van dubbelzinnige schuchterheid en onkuische bedoelingen. Hij
zong zeer mooi en kende een aantal allerliefste liedjes, welke hij, op de
viool en de cither, deed begeleiden door zijne vrienden Biebuyck en
Donkerwolck. Met deze twee kwam hij, des Zondags, Johan Doxa op zijne
zolderkamer gezelschap houden. Zijn aardige stem kwinkeleerde tegen de
pannen-bedekking, en de snaardoozen tjokkelden sierlijk de maat. 's Avonds
was hij tapper. Hij vertelde zoo lekker van het diverse spektakel in de
_Shop_, en zijne twee vrienden, die daar in een klein concert meerendeels
werkzaam waren, bevestigden met knikken en ooggeknip zijne heerlijke
verhalen.
Van Anatole hield Johan Doxa zeer. Lieven Lazare vreesde hij duchtig,
maar had hem meer innig, meer van binnen en uitermate lief.
* * * * *
Op een middag kuierde Johan Doxa langs de Papenvest. Hij was zeer
droevig want het groene sijsje had hij 's ochtends dood gevonden. Hij
drumde tegen de muren en zag langzaam de vierkante straatsteenen onder
zijne voeten wegslieren achterwaarts. De stad was blauw en luchtig. Eene
zilveren Junizon blikkerde op de huisgevels, danste tegen de ruiten,
poeierde in de klare ruimte trillend uiteen. Hij dacht weer:
"Het groene sijsje is kapot!"
Het zeurde aldoor in zijne hersens en hij luisterde binstwijl naar de
duidelijke herinnering aan het licht-tikkende vogelgezang. Om hem
zilverde de zingende zon, maar grijs en zwaar nevelde zijn treurende
gedachte: het zou er nu mee uit zijn, het groene sijsje is kapot....
Zoo kwam hij in de Papenvest. Op den drempel van een oud huis stond eene
vrouw. Zij was groot en blozend en hare huid schoot op uit haren rooden
halsdoek, gelijk eene klaarte vol zoetigheid. Ze lachte stille. Ze
lachte stille, stille. Johan Doxa slenterde voort. Het docht hem ineens
dat eene ongekende lustigheid zijn hart kwam vervullen met al de weelde
van een geheimzinnig gevoel. Hij wilde wel zijn hoofd omdraaien, en het
oude huis herzien, en den drempel, en dat wondere beeld van vleesch....
Hij slenterde maar, keek niet achterwaarts, strompelde scheef-beenend
over de ongelijke kasseide, en aldus gebeurde het dat hij smoorlijk werd
verliefd.
Hij stiet het groene hekje open, zoodat de bel ommentweer snokte en
leelijk door den gang lawaaide. Hij klauterde ongemanierd langs de
steile trap, ademde haastig, pletste met zijne warme vingeren op de
vochtige trapleuning. Hij geraakte in zijne lage zolderkamer, bleef
dwaas in het deurgat staan en staarde, met nuchtere verwondering naar
de zwarte ekster, die aardig op den rand van den blauwen tabakspot te
glariën zat. Zij roerde haren kop niet als hij hard-stappend binnentrad.
Zij bleef rechtuit blikken met hare zwart-gulden vliemige oogjes, heel
bedaard, alsof ze zeggen wou: "Daar hebt ge 't nu! Heb ik het al lang
niet voorspeld?"
Johan Doxa zette zich neer op zijn plat-bedekt bed en kruiste zijne
handen over zijne knieën saam. Het eekhoorntje draaide in zijn roerenden
tralietrommel en stak zijn staart kaarsrecht omhoog. Op de tafel lag
eene schoone nieuwe pijp in bleek palmenhout. Het was een geschenk van
moeder. Johan zou de steel sierlijk bekerven en opkleuren met roode
witte en groene streepjes en ze omranden met fijne blauwe cirkels. Nu
bekeek hij van verre de pijp en hij dacht aan de blanke keel die zoo
rijkelijk boven de scharlaken doek-verve oprankte....
De zon pletste door het dakvenster en speelde langs de koperen snaren
van de ledige vogelkooi. Er trilde door de lucht een zilveren
herinnering aan het groene sijsje, en tot den dikken avond zat Johan
Doxa, rechtover de dubbende ekster, te dubben eenderlijk.
Daags nadien kwam Anatole met Biebuyck en Donkerwolck, zijn zwijgende
vrienden, een bezoek brengen. Zooals naar gewoonte werden wat flesschen
lambik opgehaald en moest Anatole eene rei liedekens zingen. Dit deed
hij, terwijl Johan Doxa zeer aandachtig den bleeken steel van de nieuwe
pijp met allerlei ornamenten overteekende. Hij zong op uitstekende wijs
de oude deuntjes van den _Reus_, van den _Koekoek_, van het _Ros
Beiaard_, van _Mijn moeder gaat naar Halle_, en van den _Uil_. De
anderen begeleidden keurig, de cither tokkelde de springende zangmaat
in rythmische brokjes en de viool vergezelde in accoord den gang van
Anatole's buigzame stem. Het was een lieve nanoen, en er werd gedronken.
Maar Johan Doxa zat, onder het volle vensterlicht, laag gebogen over de
teerheid van zijn brooze versieringen, en hij keek niet op, en het was
alsof hij afwezig was. Anatole lachte met hem, vroeg of hij verliefd was
geworden, klopte vertrouwelijk op zijne schouders. Hij vertelde dan van
de gebeurtenissen in de _Curiosity Shop_, van de mooie Roy-Dour die zich
tegen den toog had ontkleed om een merk te toonen, dat ze op de
linkerheup droeg. Hij vertelde met korte zinnetjes, hief met gepaste
woorden, kort en rap, de pittigheid van een voorval op, en liet, na
elken raken zet, op zijn wit aangezicht het dubbele barreel van zijne
tanden blikkeren. Biebuyck stak zijn kin vooruit en Donkerwolck
pinkoogde. De cither en de viool rondden hunne bruin-glimmende buiken op
een stoel, naast het doode kacheltje.
Maar Johan Doxa roerde noch en ruchtte. Toen vertrokken de drie
kameraden en ze gingen sloffend en strompelend de steile trap af. Het
groene hekje hoorde Johan Doxa rinkelen. Het huis werd stil. Hij lei de
bleeke pijp op zijde, schoof achteruit, staarde lang opwaarts en zijne
oogen begonnen te pikken, te sterren, te nevelen. Hij zuchtte. De ekster
rok traag hare vleugels uit, lengde haren hals, huiverde over geheel
haar lijf, en zette zich weer rustig en thoope, met gevouwen pootjes,
op den pot, die blauw en bollig te blinken zat. Het werd haar alsof ze
zeggen zou:
"Mijn arme Johan, wat moet er van u geworden?"
* * * * *
Het oude huis op de Papenvest was eene herberg. Dagelijks ging er nu
Johan Doxa. Hij bestelde een half-en-half en bleef zitten, rechtover de
deur, tot eens de vrouw, die als een groote onrust over zijne ziel woei,
daar zou voorbijgaan. Ze woonde op de eerste verdieping. Ze heette
Julia. Ze was, een dik jaar geleden, getrouwd met een treinwachter, die,
tien dagen na zijn huwelijk, in een spoorweg ongeval was omgekomen. Ze
leefde alleen en naaide. Als Johan in de herberg zat, zag hij ze vaak
omloopen in de gang. Ze lachte luid of zong. Ze had eene klare golvende
stem, die door gansch het lichaam van Johan sidderde en er een ongemak
veroorzaakte, dat het bloed naar zijne slapen joeg. Hij dierf haar niet
aan te spreken, maar zijne vingeren beefden en zijn adem zwol. Het docht
hem dat hij zou gaan licht worden als een vlam en opspringen tegelijk en
ijlen naar de dartele deerne die, boven de vurige kleur van haar
borstdoek, hare klinkende keel opklaren liet.
Telkens kwam hij moedeloos, uitgeput en zonder hoop weer thuis. Moeder
Doxa, van tusschen de arlekijnen en het suikergoed, daar achter den
duisteren toog, merkte iedermaal zijn treurend uitzicht. Ze
vermeerderde, gelijk zij kon, het bedrag van zijn zakgeld, en knikte hem
heimelijk toe, hem oolijke stootjes gevend en nafluisterend van de
blonde dingetjes, die er allentwege omliepen in liefelijke gretigheid.
Hij glimlachte zachtekens mede en voelde den dwazen blos uitgloeien, als
pioenen, op zijne heete wangen.
Het liefst zat hij op zijn kamertje. Hij werkte er aan de
miniatuurversiering van de palmhouten pijp. Hij schilderde er laaie
harten, en doornen, en rozen, en, in schoonverluchte letters, den naam
van Julia. Dagen lag hij over dat buitengewoon bedrijf gebogen, en hij
verrijkte het telkens met nieuwe kleurverwikkelingen.
* * * * *
Eens ontving hij een kaartje van een heer, die hem wat dringends te
vertellen had en hem verzocht om bij hem, als mogelijk, aan te loopen.
Johan Doxa herlas driemaal te reke het adres, en begon daarna het zweet
weg te vagen, dat in zijn haar kittelde en op zijn voorhoofd te perelen
stond. De heer woonde op de Papenvest, in het oude huis, eerste
verdieping.
Te valavond begaf zich Johan Doxa toch op weg. Wel beefde hij en
wankelde haast terwijl hij de piepende trap opging. Hij stond vóór de
deur en wilde zich nu eerst eens goed bedenken. Hij bedacht zich eens
goed, zuchtte en besloot maar weer de trap af te dalen. Toen juist
sprong het slot en in de vrije klaarte stond daar de weelderige Julia.
Ze groette hem bij zijn naam en bad hem om binnen te komen.
Hij ging. Het werd zeer warm en de lucht woog, stikkend heet. De kamer
was zindelijk en helder van kleur. Een vierkante kachel puntte zijn
glimmende koperknoppen onder de schaduwkap van den schoorsteen. De tafel
was bedekt met een oranje ammelaken, groen-bespikkeld en hard. Tegen den
muur stond het breede bed, de sargie half-omgeplooid en het witte
hoofdkussen bloot in het midden. Johan Doxa zag dit alles tegelijk, in
een waterig zicht van vloeiende dingen. Hij zag Julia. Hij zag haar
roode doek, haar blanke boezem, haar natten mond, hare oogen,--beweeglijken
gloed....
Hij zette zich. Ze sprak van het kaartje--dat het een onschuldige
leugen was, dat zij wel wist dat hij op haar persoonlijk aandringen niet
komen zou, dat zij het overigens nooit had durven schrijven op haar
eigen naam, dat zij nu van hem verlangde dat hij haar portret zou
schilderen. Ze sprak meesmuilend en vleiend, vingerde verlegen over haar
borstdoek, ontsloot het onwetens, en lachte, lachte. Ze wipte dan op,
bloosde minzaam en zette eene flesch met zoete likeur op tafel. Ze vulde
de kleine glazekens. Haar lichaam bukte voorover, heel dicht aan bij
Johan, die de buigzame elegantie van haar leen bijna onder de hand te
bewonderen kreeg. Ze draaide rond hem, raakte met haar zwaaiende rokken
zijne knieën, welke hij met wanhopige beleefdheid probeerde onder de
stoelsporten te steken. Ze dwong hem te drinken. Hij dronk een half
slokje en slikte verkeerd. Ze knikte hem toe, ze wachtte....
Daar kwam eene stilte. De stilte druppelde tikkend uit de kast van een
eiken horloge. Julia had hare beenen overeen gekruist en toetste met het
tipje van haar wiegend voetje nijdig en matelijk de losse broekpijp van
Johan Doxa. Johan Doxa zweeg in extase. Toen sprak ze, met een zucht
opnieuw, van het portret, en Johan Doxa, terwijl hij zijne blonde
krullen schudde op zijn nek, en eene toenemende zekerheid den blik van
zijne blauwe cherubijnoogen vastzette in zijn rond-vette aangezicht, zei
nu, al wuivend met zijne korte armen ... eigenlijk zei hij nog in het
geheel niets, maar hij wist wat hij zeggen moest en wuifde met zijn
korte armen. Hij zou zeggen:
--"Berust hierover op mij, Mevrouw. Ik zal uw portret maken, al moest
het mij, twintig jaren lang, een dagelijkschen arbeid kosten. Het zal
mijn meesterwerk zijn, Mevrouw. Ge zult op het doek in de verf zitten,
zooals in een spiegel. Aan ijver zal het mij niet ontbreken, want uw
beeld verlaat nooit mijne eenzame gedachten en gij zijt de godinne die
oprijst, gelijk een dag vol zonnegoud, over mijn onwaardig hart. Vergeef
me, als ik te lang misbruik maak van uwe gastvrijheid, Mevrouw, maar ik
wenschte u te zeggen wat het beduiden wil, een hart dat bewoond is door
een zondige liefde. Liefde, ik heb het uitgesproken. Wees niet boos. Ik
zal u algauw van mijne rampzalige tegenwoordigheid bevrijden. O! Gij
zijt te wel opgevoed om mij de deur uit te gooien. Ik begrijp u,
Mevrouw. Ik dank u, Mevrouw. Voor mij niet, alsjeblief, nee, dank u wel,
geen drank meer. Met mij hier langer op te houden, keurt gij eene
vermetelheid goed die zich over haar zelve schaamt. Ha! Ik ken mijne
plichten! Ik zal uw portret maken, Mevrouw, tot het uiterste haartje.
Vrees niet. Wat de betaling betreft, kijk er niet naar om, bid ik u.
We zullen dat wel regelen, later, met maandelijksche afkortingen, bij
voorbeeld. Goeden avond."
Alzoo in zijn binnenste redevoerend was hij opgestaan. Gelijk vlammen
schoten al de woorden door zijn geest voorbij. Dan wilde hij ze
weerhouden, ze op zijn tong brengen, ze vrij in klanken loslaten. Maar
ze waren weg. Een pak lood zat hem in den mond, iets dat hij noch
neerzwelgen noch uitspuwen kon. Een onnoozele glimlach stak twee lieve
putjes in den blos van zijne poezelige bolwangen en hij werd ineens zoo
gelukkig, zoo gelukkig, dat hij er bang van werd. Hij was bang dat die
zaligheid mocht ophouden, of dat ze hem mocht ontstolen worden, en hij
wilde er mee wegvluchten. Hij zei:
--"Goedenavond ... Goedenavond...."
En vluchtte inderdaad.
* * * * *
Moeder Doxa was niet weinig gelukkig, als ze nu, in zijn zolderkamertje,
haar zoon Johan hoorde zingen van den morgen tot den avond. Hij wilde
haar echter niets van de heerlijke gevallen zijner liefde bekennen. Hij
had aan Julia een langen brief geschreven, waarin hij haar vergeleek met
de hemelsche melkbaan, want haar huid was blank en zilverig, en er
vloeide daaronder eene room zoete klaarte, welk met den gloed van het
roze bloed aan het stralen ging. Hij zond haar, in een keurig pakje, de
kostbare pijp, als een teeken van de verduldige passie, waarmede hij
haar sinds maanden aanbeden en verbijd had. Haar naam praalde op den
steel in een kunstig gewirrel van bonte ringetjes en punten en
droppelkens goud.
Zoo vervloog de gevleugelde tijd. Johan Doxa zat neuriënd onder het
ledige muitje. Het loodrechte licht viel uit het vierkante dakraam op
het vlakke schilderdoek en de glanzende lokken die, langs Johan's
slapen, al bellend erover hingen. Hij penseelde vlijtig en traag. Het
struische gelaat van Julia kwam, ietwat magerder, op den bruinen
verfgrond te voorschijn. Hij schilderde haar uit het hoofd, legde
parelen om heure haren en licht gebloei daarlangs. Een doorzichtig
keurslijf lag losjes open op haar boezem, en ze hield een dubbele dahlia
in hare rechter hand. Voor haar, op de tafel waar ze statig aanzat, was
het of ze zoetekens over een mandje met allerlei bloemen vingerde.
Bloemen waren overal rond haar,--tulpen en leeljen in waaiervormigen
tuil opgroeiend uit een groote zilveren vaas, rozenranken langs het raam
van 't venster, en een karmijnen koningskroon in een blauwen,
familiairen tabakspot.... Aan den eenen kant zat de ijverige eekhoorn,
aan den anderen de dubbende ekster; maar het sijsje was er niet. Het
gansche portret was een eigenaardige menging van levend licht en doode
herinneringen, tegare gewisseld in een gladde verve van subtielen toon.
Johan Doxa borstelde aandachtig erlangs en eromme, slierde met haarfijne
nauwkeurigheid rond den bleeken dons van het vlezige aangezicht en
tooverde traag een vollen dag in de starende strakheid der glimlachende
oogen. Hij was bovenmatelijk in zijn schik. Het eekhoorntje draaide
binnen den zacht-ronkenden traliemolen. Maar aan Lieven Lazare zei hij
niets van dat alles. Hij hield in dien tijd niet veel van Lieven en
vluchtte zijne strenge redeneeringen. Er bleef van dat acute gepreek bij
Johan Doxa iets over, dat onduidelijk op wroeging leek en naar een
geducht berouw leiden moest. Het docht hem halvelings dat hij, met de
gebaren van zijne vreemde liefde, aldoor zondigde tegen de behagelijke
wetten van God. Lieven Lazare benaderde in slaande bewoordiging deze
zedelijke zwakheid en raadde precies de ongemakkelijke stemming, waar,
binst zulke oogenblikken, zijn vriend Johan gekluisterd zat. Hij liet
niet na hem hierover met goddelijke wreedheid te berispen.
--"Gij zijt, mijn jongen", sprak hij, "overvallen door de mistige
monsters der tempteering. Ik zie u spartelen tegen de satanische
belegering en uw hart schijnt me toe als een poppelend schuchterheidje,
een angstig asemtje, een gesmoorde kreet.... Zijt ge onkuisch mijn
vriend?"
Johan Doxa verklaarde haastig dat hij zuiver en gezond was gebleven. Hij
vreesde de sterke waarschuwingen, welke hij in den naam van God en langs
God's eigen woord ontving, en zoo kwam het, dat hij het gloeiend geheim
van zijne blijde gedachten voor zich zelf bewaarde, verborgen en eenzaam
op het lage zolderkamertje, tusschen het vlakke portret, de blauwe
tabakspot, de peinzende ekster en het triptrappende eekhoorntje.
* * * * *
Op een avond gebeurde echter een ongemeen geval. Johan Doxa wandelde om
de platte kaaien van de breede vaart. Het was een najaarstijd. Een
druppelende nevel hing over het water en de gele lanteernlichten vlekten
wijdopen op de dichte damplagen. De avond was dik en rot. Rappe menschen
schoven voorbij of een eenzame wagen waggelde gelijk een ruchtbare
schaduw door de grijze massale duisternis. Op de ijzeren brug die naar
de dokken leidt, bleef Johan stille staan. Hij staarde naar de klotsende
vaart waar het roode licht van een signaalbord roerend brokkelde. Een
stille zwarte boot gleed binnen de misten. Men hoorde het verre geronk
en de belrinkeling van een zoevende elektriektram. Johan Doxa dacht,
naar gewoonte, aan zijne heldere toekomst, want hij placht gaarne het
beeld van zijne liefde te verplaatsen in de zonnigheid van een komende
welvaart. Hij zag zeer duidelijk het huisje met de oranje luiken, den
wilden wingerd boven de deur, het zomerlicht op den drempel. Hij zag den
haard met de zoete warmte en den zoeteren vrede. Hij zag Julia. Een
stille boot voer, zwart en water-roerend, onder de brug, en het roode
signaallicht kronkelde langs de schokkende golfjes. Het sloeg negen uren
op den ouden Kathelijne-toren.... Hij kuierde de dokken voorbij, keerde
om naar de Vischmarkt en sloeg een smal steegje in, dat op den hoek van
het Zaterdagsplein uitzicht gaf. Hij had zijne handen in zijne
broekzakken gestoken en ging al fluitend. Op het Zaterdagsplein stond
een driearmige gaslanteern en, juist onder de gele klaarte, een
onbeweeglijke politie-agent. Johan Doxa zag hem pas als hij heel dicht
bij hem genaderd was, want de nevel dikte nu tallenkant zoo zwaar, dat
de straten op vierkante holten leken, waar verwijlde een vette smoor.
Johan blikte even naar den politie-agent op, dewelke, paalrecht onder
zijn opgestoken kapeline, rustig te rooken stond....
Maar ineens begon Johan Doxa te loopen, te loopen alsof hem een
schielijk gevaar op de hielen zat. Hij hield niet op vóór hij de
Zes-penningenstraat bereikte. Hij struikelde hijgend tegen het groene
hekje en sukkelde wild-blazend de trap op. De leuning piepte en de
trapberden kraakten. Hij stak op het zolderkamertje eene kaars aan,
die hij op den kant van de tafel plantte en zakte toen op zijne knieën,
geheel dooreen, als een halm door de zeis getroffen.
De ekster zat niet op haar rustige plaats. Ze vleugelde angstig over de
geel-bruine bedsargie en hare gloeiende oogjes blikkerden buitengewoon.
Ze trachtte met wippende sprongskens en klein gekrijt de aandacht van
haar bedrukten meester naar het spectakel van een leelijke gebeurtenis
te lokken. Johan evenwel lag op het plankier ineengedrongen en drukte in
zwijgende wanhoop zijne ellebogen op zijne knieën, en keek halsstarig
voor zich uit. In den geluidloozen tralietrommel hing het eekhoorntje,
dat dood was gegaan.
* * * * *
"Anatole", zei Johan Doxa, terwijl zijn bleeke vriend op den rand van
de ijzeren koets zijne nagels schoon maakte en, daarnaast, de witte
gezichten van Biebuyck en Donkerwolck boven de gele heupen van de viool
en cyther opgeschoten, "ik zeg het u, zoo lange dagen en dagen heb ik
over dat ding te zwoegen gezeten. Hebt ge de lieve madeliefjes gezien,
die ik langs een wiegend thema van blaadjes en knopjes op den steel
geschilderd heb? Gij waart vaak de verwonderde getuige van mijne
verduldigheid. Het groene sijsje zong perelend onder ginds vierkante
zonnelicht. Het eekhoorntje draaide. Ja, mijn vriend, ik heb dat werk
versierd met een warm stuk van mijn innigste gedachtenleven. In den
dikken nevel almeteens pletste het brutale mannengezicht open, gelijk
een vieze vloek. Het was op het Zaterdagplein onder den driearmigen
lantaarn. Hij rookte dus uit mijnen pijp. Vraag mij nooit iets meer
daaromtrent Anatole. Ik heb u immers alles verteld...."
Anatole vroeg evenwel nog hoelang ze met den politie-agent getrouwd was,
maar Johan wilde geen woord meer reppen. Hij stond leunend tegen het
kleine tafeltje. Zijn blonde krullen hingen verward over zijne ooren en
hij staarde op de vloer, waar de ekster een hoop witte kruimels uiteen
bekte. Anatole zong het liedje van de _Drie Gezellen_, en daarna
een ander nog, van het _Euverzwijn_. De dag was grijs en triestig
en de schaduwsluierde stille langs de muren.
* * * * *
Johan Doxa was nu een zeer onrustig mensch geworden. Des nachts sliep
hij niet en over dag liep hij het huis op en af, of drilde gichtig de
Lage Stad omme. Moeder Doxa merkte alweer dadelijk het vreemde verschil
en zij wist geen raad om haar pover kind tot een betere stemming te
brengen. De moedelooze toestand van Johan brak uit in zonderlinge
uitslagen. Hij werd gefolterd door pijnlijke verlangens en zijn
verbeelding was vol met duizelige tafereelen. Terwijl hij slapeloos op
zijn sponde lag, recht uitgestrekt, kwamen de mistige vormen van zijne
gedachten door de lauwte van het kamertje varen. Ze wiegelden in de
lucht zooals wuivende sluiers en ze hadden de kleur van de roomblanke
huid, waaronder zacht-roze vloeit het gloeiende bloed. Ze naderden zijne
heete lippen en hij hijgde ongelijk en de nacht rok zich uit, alsof
nooit de vrije dag zou klaren.
Anatole vertelde hem van het lichte leven en van de jolige jeugd. Hij
zag, bij elk woord dat zijn listige vriend fijn uitteekende met zijn
naakten mond, het gebaar en de weelde van die ongekende pleizieren,
waaronder vlamt en wappert het dansende vuur van rappe passie. Hij werd
nieuwsgierig, trachtte met oolijke wendingen de verscholen
bijzonderheden te kennen en zijn geest was altijd op zoek, een versch
beeld beloerend dat uit een ongezond toeval van detailleering kon
ontstaan. Hij vluchtte al meer en meer de bezoeken van Lieven Lazare,
die, met orakels en profetieën, zijn opgejaagde hersens in de war hielp,
maar des te gretiger liep hij het bleeke gezelschap van Anatole na.
* * * * *
Op een dag werd besloten dat Johan Doxa naar de _Old Curiosity Shop_ de
kameraden Donkerwolck en Biebuyck vergezellen zou. Er was dien avond een
klein concert in de bovenzaal en Johan moest den triangel slaan. Zoo kon
hij alles eens goed aflonken en er zich een eigen oordeel over maken.
Ze gingen met hun drieën. Ze bereikten de bovenzaal langs een klein
diensttrapje en dit was gelukkig, want er zat veel ruchtig volk in de
grootere consommatiekamer en Johan zou nooit de krasse uitroepingen te
boven gekomen zijn, waarmede men daar zijn drollig-vet voorkomen en zijn
zeldzaam aangezicht hadde gegroet. Hij werd tusschen Biebuyck en het
klavier geplaatst en hij keek beteuterd rond. De zaal was zeer helder
verlicht. Groote elektrische klokken hingen tallenkant, gelijk ongemeene
bloemen, te stralen. De wanden waren behangen met een scharlaken
brokaat, dat tegen de zoldering langs gouden festoenen en kleine
empirekransen fronste. Spiegels hingen links en rechts in zilveren
lijsten te klateren. Drie kleine tafels stonden op het karmozijne tapijt
en groote krysanten pronkten er tenden den glimmenden hals van hooge
porseleinen vazen. Een lakei in groene livrei liep in drukte rond,
schikte de satijnen zetels en de sofa's waar rustten, als vlekken zon,
ronde hard-gele kussens. Het was erg warm. Men hoorde, in de
benedenkamer, het geraas van het drinkende volk. Een klein uur
vervloog....
Toen werd het teeken gegeven dat de muziek spelen moest. Ze klonk
ongezellig binnen deze ledige kamer en Johan Doxa voelde in zich eene
holle ellende, gelijk een kelder vol triestigheid. Maar de dubbele deur
werd opengeduwd en eenige bejaarde heeren traden binnen. Ze babbelden
ondereen en waren hier thuis. Ze zetten zich in de mooie zetels en de
lakei bracht kaarsen en sigaren en ze begonnen te rooken. Koffie werd
opgediend. Enkele dronken gulden cognac uit fijne hooge glaasjes. Dan
kwamen de dames.
Ze kwamen langzaam en glimlachend. Hunne stemmen zilverden boven de
muziek heen en hunne blikken blonken dwaas door de geweldige verlichting.
Ze waren in lichte bonte dracht, bespikkeld met de glanzen van duizenden
gesteenten, en hunne armen, hunne amberen schouders, hunne ronde halzen
waren bloot. Hun boezem was beschaduwd door de mauve doezeling van een
rankje bloemen of met een teere sluier gekleurd. Ze groetten en knikten
en de heeren slurpten aandachtig aan de witte randden van de nauwe
kopjes koffie, die krullend opdampte langs hun roode gezichten.
De lakei stond kaarsrecht, bij de dubbel deur, in heerlijk Veronèse-
groen.
Het was omtrent dien tijd dat ook de ekster stierf op een morgen van
dien grijzen winter. Johan Doxa lag op zijn bed en zag in de rijzende
ochtendklaarte hoe zij al meteens te vleugelen begon. Ze klampte zich
ongedurig vast aan de gladde randen van den blauwen tabakspot, zakte
plots ineen, stortte voorover en rolde op haar rug. Nog bibberden hare
pootjes. Ze rok een laatste maal hare keel uit, over het berd van de
tafel, en roerde daarna niet meer.
Johan stond in zijn hemd bij de tafel. De ekster bekeek hem met hare
scherpe oogen en het was of ze, in haar uiterste vuur, zeggen wou:
"Kerel! Kerel! wat ga-je nu doen zonder mij?" Ze stierf.
Het zolderkamertje werd hem sindsdien een duisterheid zonder genade.
Hij kon er niet meer zitten, zooals eertijds, want, al had hij ze ook
weggegooid, daar hingen altijd het vogelmuitje en de tralietrommel en
daar zat, op zijn blauwen buik, de glanzende tabakspot. Hij sprak
hierover met de goede moeder Doxa, achter de toog van het vunzige
poppenwinkeltje, en, de volgende week, verhuisde hij. Hij betrok een
kleine kamer onder het dak, in het oude huis van de Papenveste en
schikte er zijn ijzeren bed en zijn verschilligen schildersboedel.
* * * * *
Het was daar een raar leventje. Straatvloers woonde de herbergier, op
de eerste verdieping huisde Julia met haren nieuwen echtgenoot, op de
tweede lawaaide de weduwe Sikkel, met hare negen kinderen, en hooger op,
onder de pannen, nestte Johan Doxa, geheel alleen. Deze verandering van
midden was hem zeer voordeelig. Hij werd rustiger, stilde in zijn
hersens de ziekelijke opgejaagdheid, die er eene monsterachtige
verbeelding voedde, en hernam zijn ronde palet. Allengerhand begon hij
klaar te zien in de troebele gronden van zijn hart en hij geraakte tot
een helder zicht van zijne liefde. Hij legde dit uit in een kort gesprek
met Anatole:
--"Alles om mij", zei hij, "bezakt en bedaart. Begrijp goed, mijn
vriend, dat ik een ben, die de geschoren stoppelhaartjes van een baard
te tellen pleeg. Hoe heeft me die spijtige gebeurtenis beroerd en
gekoterd, ach! Stel u dat onweder voor. Nu is de roes gezonken. Ik kan
weer schilderen. Ik bemin Julia meer dan ooit, maar nu weet ik precies
hoe vurig en hoe lang. Ik ben nu ook veel gelukkiger. Wel ja! wat
glimlacht ge? Ik ga langzaam de trap op en af, en soms hoort ze mij,
en ze trekt haar deurtje open en ze knikt liefelijk of zegt met
onuitsprekelijke innigheid: "Hoe vaart ge, mijnheer Doxa?" Andermaal
ontmoet ik haar beneden, in den gang vóór de herbergzaal. Ze loopt me
nooit onbeleefd voorbij, zooals zij wel het recht zou hebben te doen,
zal u toch dunken. Zij komt ook aleens op mijn kamertje en zij wil mijne
schilderijen goed vinden. Ik werk veel om haar wat te kunnen toonen;
maar ik verkoop ongaarne, wat zij met hare lieve oogen heeft opgemerkt.
Zij zet mij nochtans tot verkoop aan, en ik kan haar niets weigeren.
Zij is, sinds haar huwelijk, zeer arm. Ik ben blij dat ik haar soms een
beetje helpen kan al is zij ook daarom uitermate verlegen. Zoo leven
wij, mijn beste jongen. Och ja! En de man, de politieagent, die is
insgelijks vrij aardig. Wij zijn goede kennissen en gaan reeds op een
vriendschappelijken voet om met mekaar. Wij drinken bij gelegenheid een
half-en-half bij den herbergier beneden.
"Hij houdt veel van duiven, en hij doet mee aan prijskampen. Ik heb hem
dees gedeelte van mijne kamer afgestaan en, zie maar, hij heeft er een
groot duivenkot opgetimmerd dat met een witten kijker uitzicht geeft
op het dak. Wat kan het mij schelen? Ik doe dien mensch pleizier. 's
Morgens, al heel vroeg, terwijl ik nog te bed lig, komt hij de duiven
eten brengen. Ik laat mijn deur maar open en hij kan gemakkelijk binnen.
Hij kruipt op een stoel, ontgrendelt het kot en spreekt zachtaardig de
zoete beesten aan. Gaarne hoor ik de maïskorrels dansen op de houten
berden en de duiven aroetekoeën van genot. Daarna kan ik somwijlen weer
wat inslapen. Alleen de reuk hindert me.... Ja, inderdaad, mijn waarde
vriend, dat is hinderlijk. Het komt bij wijlen met vieze walmen omlaag.
Kijk! dan zet ik het venster open en loop een uurtje langs de dokken, en
'k zie nog het snoezig lachje van Julia in het deurgat, gelijk een vol
gestreel van de zomerzon. Haar man heet Firmien. Ik ben nu aan een doek
bezig dat ik voor hem bestem: het verbeeldt, in een krans van
voorjaarsbloemen, het liefdegedoe van twee aschblauwe rasduiven. Ik moet
zijne twee bestvliegers uitschilderen, zegt hij. Dat zal ik doen. Hij
wil het schilderij laten in een kostelijken lijst ophangen boven zijn
bed, en daar past het waarlijk voor. En zoo, Anatole jongen, komt de
trage vriendschap de onstuimigheid van tijdelijk misbaar vereffenen, zoo
loopt, al spelend, het zangerige beekwater de ruige keien glad. Des
Zaterdaags ga ik met Firmien in de Halve Maan een paar uren kaarten. Ik
ben hem dankbaar. Hij doet het voor mij, zegt hij, want hij zelf heeft
altijd het noodige geld niet op zak om de verloren pinten te betalen.
Men tapt in de Halve Maan een uitmuntend bier. Vooral de geuze is
lekker, maar ge moet hem aan de ton bestellen en hem stille drinken. Hij
perelt gelijk een julimorgen en hij vloeit zooals het licht van de maan,
wanneer het, bij diep-blauwen najaarsnacht, lui en weelderig uit de
violetten hemelvaten neerspoelt,--lui, en weelderig, en geluideloos."
* * * * *
Johan Doxa zou het nooit over zijn hart krijgen om kinderen onzacht te
behandelen. Hij leefde in groote kameraadschap met de negen kinderen van
mevrouw Sikkel. Mevrouw Sikkel zond hem de lieve bende--met uitzondering
van de drie oudsten die school gingen--telkens als ze buiten huis op
boodschap moest uitloopen. Dit had ze ook nu, binst dezen mooien
Lentenanoen, gedaan en, om de gewone dienstwilligheid van Johan niet te
misbruiken of te belasten, had ze het kleinste bengeltje medegenomen.
De kinderen lawaaiden binnen het gekalkte kamertje en ze werden wilder
naarmate ze merkten dat Johan vrede ermee had. Ze zetten de stoelen
opeen, klauterden op de tafel, verfden mannekens op den muur en speelden
paardje op de buis van den kachel. En paar hadden voorgenomen om in het
duivenkot te kruipen, maar dit werd streng verboden. Ze hadden de kast
opengetrokken en kleedden zich aan met hemden en vesten. Ze maakten een
heerlijke pret en Johan Doxa glimlachte genoeglijk bij die leute van het
rumoerig volkje. Hij liet de heimelijke pagadders, alsof hij 't niet
merkte, aan zijne broekpijpen snokken. Hij speelde eindelijk zelf mee,
zat, op zijne knieën naar de kleinen te grabbelen en lengde zich soms
plat uit op zijn buik. De snoezige lievertjes sprongen op zijn rug,
knepen in zijne billen, trokken met zijn haar, vielen hem al tegelijk
aan en begonnen te stampen en te vuisten. Hij richtte zich moe en
zweetend op ten halve en wreef, dwaaslachend, over de roode vlekken,
welke in zijn gelaat waren geschart. Een jongetje liet een verfpot
omvallen en streek de roode kleur met een kleerborstel open. Een ander
knipte met een beroeste schaar in een fluweelen borstdoek, en had zich,
om tot dit aandachtig bedrijf gemakkelijk te zitten, op het hoofdkussen
van het bed gezet. De zon stortte door het dubbele dakvenster en de
duiven, achter de riekende berden, troetelden vertrouwelijk. Toen werd
de deur ruw opengestoken en Julia stoof rokwaaiend binnen, zoodat het
luttel kindergepeupel versteend bleef in vreezachtige roerloosheid en
Johan, als verslagen, daar onbeweeglijk zich te schamen lag. Hij sprong
dan recht en Julia viel schreiend in zijne armen.--"O Johan! mijn lieve
Johan!"
Het was een roerend schouwspel en Johan, die alle bewustzijn verloor,
streelde met zijne bevende vingeren over haar hoofd en op hare
schouders. Pas na een dikke stonde begreep hij uit de stootende woorden
van de hopelooze Julia dat de politieagent schielijk op straat aan
beroerte gestorven was. Hij begon stille te weenen en zijn hart was zeer
aangedaan.
* * * * *
De dagen, die hierop volgden, slierden langs een grijze reke voorbij en
Johan Doxa herkende zijn eigen niet. Hij zat op zijn kamertje te dubben
en zijn ongemak bleef duren. Hij at niet, telde de morgens en de avonden
niet en de nachten vervulden zijn geest met beelden van onredelijke
verschrikking. Lieven Lazare kwam hem opzoeken, sprak hem van de
goddelijke inzichten, die hem hadden tot een vod van schande gemaakt.
--"God heeft mij den weg gewezen naar uw sponde, Johan" zei hij. "Ik heb
gevoeld dat ik u vinden zou in onzeggelijke vertwijfeling en daar ligt
ge nu--een wrak van zielloos vleesch op de baren van uw opgebiechte
zinnelijkheid. O mensch, ik herhaal en ik herhaal het u: eene kwaal van
helschen oorsprong bijt u, gelijk een kanker, aan het hart. Raad ik het
niet? Maar neen, de ingevingen van den Eersten Persoon, welke mij op dit
oogenblik bezielen zijn onbedrieglijk en gij moogt niet langer weigeren
uwe zonden te biechten. Red u, als er nog tijd toe is."
Het bleek genoeg uit de koppige stilzwijgendheid van Johan, dat hij alle
poging tot redding opgegeven had. Op een schoonen dag van het voorjaar
werd het huwelijk van Johan en Julia in de kleine Kathelijnekerk door
een korten priester gezegend. Ze kwamen op het zolderkamertje inwonen en
sleten er een gemengd leven van geluk en trage treurigheid. Johan ging
alle nanoenen slenteren langs de hooge stad, gejaagd drillend door de
straten van de Kappellewijk of opkruipend naar de steile gangen van het
massale Gerechtshof. Zijn haar wippelde haast ongekamd over zijne ooren
en zijne broek slodderde op zijne kuiten. Hij luisterde naar de piepende
muziek der draaiorgels en tuurde naar de doening van kinderen en honden
en citroenwijven. Hij had willen een schilderij maken vol met engels en
heiligen en hij peinsde dikwijls op de rijke borduursels welke hij met
goud en edelsteenen zinnens was heel ommendom de bonte fluweelen mantels
te versieren. Maar hij nam zijne ronde palet niet meer op. Hij liep de
Hooge Stad rond en daalde daarna naar de Priemstraat. Zoo volgde hij de
zware bierwagens, die er op en neer daverden, en hij deed, voor de
welriekende herbergen, de ledige tonnen klinken, aandachtig het uiterste
bier opvangend in een rood-bekleurd tomatendoosje, hetwelk hij op al
zijne wandelingen binnen zijn diepen vestzak mededroeg.
* * * * *
II
JOHAN DOXA
LICHTMIS
Het leven van Johan Doxa was zeer ellendig geworden, maar hij beleed het
met prijzenswaardige langmoedigheid en kinderlijken eenvoud. Julia zijne
vrouw, welke hij eerst zoo verduldig had liefgekregen, begon hij stilaan
te eerbiedigen. Het ontzaglijke karakter van Julia was daaraan niet
vreemd. Zij handhaafde hare autoriteit met een vreeselijk geweld en haar
mond was telkens vol schrikkelijke woorden. Nooit kwam oproerlust in het
langzame hart van Johan Doxa zwellen. Hij herkende de oppermacht van
zijne vrouw en verdroeg zoetekens hare aanvallen. Zoo verdraagt het
goede riet de ruzie van den stormenden wind....
Maar alopeens--in 't putje van den winter--werd Julia ziek. Zij had, na
den zomer, een korte valling opgedaan en de vele drankmiddeltjes,
geleerde pillen en geheimzinnige baaibaden, die zij te gelijk of
overhand gebruikte, brachten haar geen beternis. Met Februari moest ze
te bed blijven liggen en het uitzicht van de kamer veranderde meteen.
Het deed Johan Doxa zeer aan, hoewel zijne vrouw door hare ziekte in
geen deele belet werd lucht te geven aan haar krakeelzuchtig gemoed.
Integendeel, zij was daarbij heviger en scherper dan vroeger, en Johan,
haar dikke man, zat dikwijls haar aan te kijken, zonder luisteren,
idioot van dubben of zeggend in zijn benauwd binnenste:--Zij is krank.
Zij moet doorgaan. Zij kan 't niet gebeteren.... En misschien heb ik
ongelijk ook?!..
Als het te hevig werd en de kinderen van Mevrouw Sikkel, op het andere
verdiep, meehuilden in koor, drumde Johan Doxa de kamer uit en zakte
stillekens de trappen af, de straten door, langs de Hooge Stad, op den
dool tonneklinkend.
* * * * *
Den Zondag van Half-Vasten kwam Anatole aan bij Johan Doxa, even na
noenstond, Anatole was de tapper van _The Old Curiosity Shop_, de
nachtbar der Bisschopstraat. Hij vond zijn vriend Doxa aan de sponde
van de gillende Julia, dewelke, seffens bij Anatole's inkomst met
aandoenlijke wanhoop te snikken begon.