XXV.

Eli kwam langzaam vooruit.

De wind was gaan liggen, maar nu en dan vielen groote vlokken.

Hij liep moeielijk den gladden, dalenden weg; bij de kleine hoeve

haalde hij zijn paard op, en reed nu verder.

In ’t begin was ’t hem een rust te zitten,—maar langzamerhand hinderde

hem meer en meer het op-en-neer schokken, en hij moest telkens zijn

paard laten stappen om het uit te houden.

„Zóó kom ik er nooit,” dacht hij dof...

Hij was veel zieker dan den vorigen dag,—zijn hoofd hamerde en belette

hem geregeld te denken, in zijn borst piepte het met een zagende pijn.

En toch voelde hij zich op dezen ellendigen tocht geen enkelen keer

ongelukkig; als hij weer thuis was, zou alles geleden zijn.

De sneeuw begon dichter te vallen; rondom lag het land verlaten en wit.

Hij had de dennenbosschen nog lang niet bereikt, als een zwarte streep

lagen zij van verre...

Toen in die barre eenzaamheid begon een wilde angst hem voort te jagen.

„Als ik hier eens viel, en bleef liggen,—ik moet hard doorrijden, dat

ik vannacht in Boge kom... God, als ik hier bleef liggen...”

Hij gaf zijn paard de sporen, en rende voort, met duizelende,

verdwaasde oogen.

Hij dacht nu zonderling verwarde dingen, aan zijn moeder, aan Berend

Ross, aan Fels en aan Hester...

Tot hij met een schok tot helderheid kwam:—„’t is onzin, ik kan niet

meer denken—wat doe ik toch...”

Tegen donker zag hij een eenzame hoeve; Boge was nog ver, hij kon zelfs

in de donkere lage lucht den toren niet zien.

„Daar maar heen,” en hij reed nu weer beschut tusschen de donkere

dennenbosschen.

„Hier heb ik met Hester gezeten,” dacht hij verkeerd, en zocht om de

plek te herkennen... „toèn was ’t toch niet zoo ver.”

Hij wist niet meer waar hij was; hij zag dennen en verwarde ze met de

bosschen bij Lode; half bewusteloos reed hij aan op de hoeve.

Hij kon zich ook niet herinneren, wie er woonde; hij zag mannen buiten

komen, die een lantaarn ophielden, en hij hoorde zijn naam noemen.

„’t Is Eli Bag!”

Hij verwonderde zich flauw; hij ondervond, hoe ze hem van ’t paard

hielpen, en hem brachten in een weldadig warme kamer—en hij hoorde

zeggen:

„Hij is ziek—hoe heeft hij nog gereden.”

Hij poogde ook niets uit te leggen; in zijn doffen, droomerigen

toestand wist hij niet eens, wie om hem waren. Menschen hielpen hem

uitkleeden, en spraken zacht,—een vrouwestem vroeg hem iets. Hij wist

geen antwoord—begreep niet...

Zoo kwam hij in bed, en alleen een flauw gevoel van dankbaarheid kwam

over hem, dat hij lag.

Om hem bleven de menschen nog; hij bekommerde zich niet om hen, niet om

iets; na een poos zonk hij weg in droomen.

Het waren zonderlinge droomen; hij ging over wijde, wijde velden, en om

hem was de blauwe damp van een koelen, rustigen herfstdag... wanneer

was dat óók zoo geweest? De lucht ook was koel en blauw, maar de nevel

voor hem was toch dicht,—en hij ging er door, langzaam, altijd maar

verder over de velden... hij moest ergens naar toe,—waarheen—dat wist

hij niet—maar ’t was iets goèds—iets goèds—en hij haastte niet—hij ging

langzaam, langzaam door de blauwe nevels...

In den morgen gingen de droomen weg; wakker, lag hij dof te zien naar

het donkere licht van den wintermorgen.

„Dat blauwe—dat was weg... nu wist hij het weer—hij moest verder;—hoe

kwam hij hier...?”

Hij herinnerde zich flauw iets; tweemaal probeerde hij op te staan, en

viel weer om.

„Ik moèt,” zei hij, terwijl ’t angstzweet hem uitbrak,—„ik wil naar

Hester.”

Hij stond, en kleedde zich aan, zich overal aan vastgrijpend.

Zoo vonden de menschen hem.

Ze zagen hem verwonderd aan, en vroegen, of hij niet wilde blijven.

Hij zag nu: er was een vader, een stoere oude boer, en een stevige

roode jongen; de moeder was klein en gerimpeld.

En hartelijk, met hun schaarsche woorden zeiden ze hem te blijven.

„Waarom blijf je niet hier? M’n zoon herkende je—je was heel ziek.”

Eli trachtte te blijven staan.

„Ik dank jullie—ik ben nou weer beter—ik moèt in Lode zijn.”

„’t Is onmogelijk,” zei de oude boer, „je kan geen uren achter elkaar

op ’t paard zitten.”

„Vader, geef ’m den wagen,” zei de jongen.

„Zie je, wij kunnen je niet brengen, we moeten naar Brogs straks, maar

den eenen wagen kan je krijgen.”

„Als de weg niet te slecht is...”

„Dat is ie niet—” zei de jongen,—„de sneeuw ligt niet hoog, ’t is

alleen glad...”

„Vooruit dan maar,” en ze gingen den wagen inspannen.

Onderwijl bleef de oude vrouw bij Eli.

„Een heel eind nog in zoo’n weer,” en ze zag medelijdend naar Eli, die

hijgend ineengedoken op zijn stoel zat.

„Ik ben gauw thuis,” zei Eli meer tot zichzelf dan tot haar... „bij

Hester...”

„Hester Ross—ik dacht eigenlijk, dat ze je vrouw al was,—maar och, je

leeft hier zoo afgezonderd.”

„Van ’t voorjaar.”

Hij glimlachte; een wonderlijke blijmoedigheid bezielde hem door zijn

ellendigen, zieken toestand heen.

De vrouw zag hem oplettend aan, en dacht:

„Hij ziet er niet uit als een, die alles verloren heeft, en ook niet om

de menschen te bedriegen,—maar ze vertellen zoo véél,—je moet eigenlijk

van ’m houden als je ’m aanziet, ’t gaat me aan mijn ziel om ’m te

laten gaan...”

„De wagen is er,” kwam de man zeggen.

Ze hielpen hem nu in den wagen, en dekten hem met een warm kleed en

zeiden hem vaarwel met vriendelijke, korte woorden.

Eli dankte de goede menschen—den wagen zou hij terug laten brengen.

„Dàt komt terecht—goeie reis.”

Het was beter nu in den wagen; hij was meer beschut tegen den fellen,

scherpen wind.

Hij zat, leunend tegen den zijkant, en hield het paard met slappe

teugels.

Toen hij een half uur gereden had, werd hij weer veel erger; hij kon

niet meer berekenen waar hij was,—hij liet ’t paard den rechten weg

gaan, zonder éénig vermogen het te besturen.

Zoo reed hij langen tijd, zonder besef voort. Uren en uren.

Eéns zag hij op met loodzware oogen en onderscheidde flauw de eerste

schaapskooien. Het paard stapte, brieschend, den kop gebogen tegen de

jachtsneeuw.

Was hij nog ver?

Het leek late middag te zijn,—’t werd schemer. Had hij zóó lang

gereden?

Hij wist niet hoe dicht hij nu bij Lode was, hij wist niets meer; dof

staarde hij over het sneeuwveld zonder iets te herkennen.

Hij verlangde te liggen... moe liet hij zich op zij vallen, de teugels

nog in de hand.

Het paard voelde den ruk—en stond nu stil.

Eli merkte het niet; de droomen van dien nacht kwamen terug... hij ging

weer over de wijde velden in den blauwen nevel—langzaam en rustig...

naar iets goèds—iets heerlijks...

— — — — — — — — — — — — — —

Hij kwam tot bewustzijn door iets donkers voor zijn oogen.

En voelde dat hij werd opgebeurd, van den wagen getild en weggedragen.

Moeielijk lichtte hij zijn hoofd op, om te zien.

Adam...

Met een snik van zich veilig voelen sloot hij de oogen.

Adam Feke droeg hem met sterke armen, met snelle, vaste schreden naar

zijn hut; hij droeg Eli met lichte kracht, Eli, die zooveel grooter en

zwaarder was dan hijzelf.

Zoo had hij ook eens Jelle Bag gedragen.

Het beloofde land · 第 32 / 33 题