XXVI.

Eli lag nu in zware rust; hij wist de weldadige warmte van een vuur om

zich—en Adams zorg—en voor ’t oogenblik niets meer.

Langzamerhand verwonderde hij zich over iets—hoe kwam Adam bij hem...?

„Hoe wist je...?” vroeg hij zwak.

Adam legde zijn hand op Eli’s hand.

„Ik wist het—’t werd me gezegd, Eli... ik zat hier in ’t vuur te

kijken, en dacht aan je—en opeens zag ik den weg, ik zag den wagen en

’t paard stilstaan in de sneeuw en jou erin liggen...

„Toen ging ik aan de deur en wou uitzien—maar ik kon niks zien door de

sneeuw—en ik wist dat je ’r zijn moest—want ’t was me gezegd—en toen

liep ik den kant naar Boge en vond je... je was vlak bij...”

Eli luisterde zwak; er was nòg iets, dat hem verwonderde.

„Je droeg me,” zei hij met een glimlach.

„Ik droeg je—ik droèg je—ik weet niet hoe—ik weèt de dingen niet

meer—’t gebeurt...”

„Ja—en alles is in orde Adam,—ik heb—en nou zal—en...”

Hij werd bewusteloos—een langen tijd lag hij, en mompelde

onverstaanbare woorden...

Eéns deed hij zijn oogen wijd open.

„Hester,” zei hij... ’t Volgend oogenblik ijlde hij weer.

Adam zat bij hem, en legde versche sneeuw op zijn hoofd... En onderwijl

dacht hij aan Hester, en zag uit, of er iemand langs kwam, om ’t haar

te gaan zeggen.

Niemand kwam—de uren gingen.

Eli ijlde niet meer, hij lag stil.

Het sneeuwde ook niet meer; helder en wit lagen de velden.

Toen kwam van verre iemand aan; het was een herdersjongen.

Adam riep hem.

„Loop hard naar Hester Ross, Jozef, en zeg haar, dat Eli Bag hier

is—hij is ziek.”

De jongen zette het op een draf.

En Adam zat weer naast Eli—en wachtte.

Soms kwam Eli even tot bewustzijn; in een van die oogenblikken zei

Adam:

„Ik heb om Hester gestuurd.”

Eli knikte; de dolle koorts sloopte hem snel.

In zijn heldere oogenblikken was hij zich bewust, dat hij op iets

wachtte... iets goeds—en hij ging weer over de wijde velden, in den

koelen, blauwen herfstdag... Dan weer zag hij Adam zitten, klein,

grauw.

Hij dacht éven, dat dit nòg eens zoo geweest was...

En wàt moest er komen—waar wachtte hij op...?

Hij gleed weer weg.

— — — — — — — — — — — — — —

Lang—héél lang.

Tot hij ééns zich bewust was, dat er iets bij hem was—iets

liefs—goeds—waarvan hij de aanwezigheid voelde, zonder ’t besef te

hebben om op te zien...

Een stem die fluisterde,—een hand op zijn machtelooze hand.

Het was er al làng...

Hij was weg, kwam weer bij—maar altijd blééf dat.

Eens was ’t een stem, luider, dringender!

„Lieveling—Eli...”

Hij zàg...

Dàt was het—Hester!

Er brandde een lamp achter hem; ’t was schemerachtig, gedempt licht—’t

moest avond zijn.

„Hester,” fluisterde hij.

Zij schoof haar arm onder hem en kuste hem.

Hij glimlachte.

„Zie je wel—’t is goed dat ’k gegaan ben,—nou zou ’k te ziek zijn...”

Ze snikte het uit, en klemde hem aan zich in haar sterke jonge armen,

en kuste zijn gelaat, haar nooit zoo dierbaar als nu in zijn

hulpeloosheid,—en ze herhaalde in zichzelf wanhopig weer hetzelfde:

„Ik kàn ’m niet missen—’k kàn niet...”

Hij lag haar verwonderd aan te zien; „ze hoefde niet om hem te huilen,

hij was nu niet ongelukkig meer...”

„Ik hèb ’t geld—’t is alles in orde...” Haar hoofd lag naast ’t zijne;

hij voelde haar tranen langs zijn wang.

Hij begreep ’t niet—hij wilde wel een grap zeggen, om haar gerust te

stellen—maar hij wist niets...

En hij gleed weer weg.

Hester en Adam waakten samen.

Eéns hief de oude man ’t hoofd op; in zijn vreemd, stil gezicht zagen

strak de oogen.

„Het beste voor Eli—gaat nu gebeuren, Hester.”

Hester sprong op; bevend, haar handen op haar borst gedrukt, zag zij

van Eli naar Adam.

„Adam!” hijgde ze; haar gezicht was wit en verwrongen.

Adam Feke zag haar aan; een wonderlijke rust scheen over hem gekomen.

„Weet je, wat hij eens zei—van ’t beloofde land, toen hij hier

kwam?—dit is ’t voor hèm—dit ’t éénige—voor hèm...”

Maar zijn stem brak, zijn oogen werden dof; het gezicht in zijn handen

verborgen, weende hij stil over Eli Bag.

Iemand kwam en vulde het vertrek met frissche sneeuwlucht.

’t Was Maarten.

Maar Hester zag hem niet.

Met strakke, wijde oogen zat ze gebogen over Eli.

En kon zèlfs niet weenen.

Tot middernacht zaten zij drieën en wachtten.

Toen kwam Eli tot bewustzijn.

Met iets van den ouden stralenden glans in zijn oogen, zag hij Hester

aan.

„Heerlijk, dat je hier bent—ik heb me zoo gehaast thuis te komen,—ik

heb aan Fels gedacht—jij...”

Zij zag hem veranderen; plotseling zag ze wreed-helder: het beste, dat

gebeuren ging.

Adam zat onbewegelijk; zijn gezicht was gespannen, alsof hij aandachtig

naar iets luisterde.

Toen kwam in Hester een begrip van wat ze nu doen moèst.

Eli lag te wachten,—hij verlangde van haar woorden van hoop, van blijde

verwachting,—alles waarvan zij wist, dat het nooit komen zou.

En in haar wanhoop kòn zij het zeggen:

„Ik heb er ook zooveel aan gedacht, toen je weg was,—nu gebeurt ’t,

Eli! nu zijn we zonder zorgen,—ik verlang er zoo naar om daar samen te

zijn...”

Ze brak af.

Hij zag haar aan—en glimlachte, een helderen glimlach, als van een

kind.

Zwak, ontoerekenbaar als een kind was hij door ’t leven gegaan,—en

onwetend was over hem gebeurd het Wonder: voor ééns en altijd te hebben

gewonnen het Hoogste, het Reinste—dat nooit kon vergaan—een absolute

liefde.

En hij glimlachte...

De wijde, wijde velden—en het blauwe, rustige licht...

Hij lichtte zijn stervende handen op—en trok haar gelaat neer op ’t

zijne.

En ging zoo heen.

Het beloofde land · 第 33 / 33 题