Hij reed voort, twee dagen lang, langs de doodsche sneeuwwegen; soms
waren aan den kant de sombere dennenbosschen, dan weer lag de hei als
een onafzienbaar sneeuwveld. Het was maar zeer zelden dat hij een
mensch ontmoette in die eenzaamheid.
Maar het kon zijn moed niet neerslaan; wat deed hem ’t weer als alles
in orde kwam!
Hij overnachtte in een hoeve, halverwege Brogs, en trok den volgenden
dag vroeg weer verder.
Maar tegen den middag begon hij zich ziek te voelen; het weer was ruw,
de snerpende oostenwind sneed hem in ’t gezicht, en in zijn borst stak
het pijnlijk; het oude koortsgevoel van de laatste weken kwam erger
terug.
„Het is goed, dat ik gegaan ben,” dacht hij, rillend in de ijzige kou,
die, door niets tegengehouden, aanblies over de sneeuwvlakte,—„als ik
nu ziek word, heb ik tenminste rust.”
En hij was niet moedeloos; hij dacht aan Hester, en aan Fels; hij dacht
zelfs met dankbaarheid eraan terug, dat Maarten nog gekomen was, om hem
goedendag te zeggen.
Hij zag ook met zonderlinge helderheid, hoe hun leven daar in Fels zou
zijn, en hij stelde zich hun huis voor in allerlei kleine
bizonderheden.
De schemering viel vroeg in; juist toen, aan het eind van dien tweeden
dag, zag hij over de boomen de torens van Brogs, dat op een hoogte lag.
Een smal, stijgend pad leidde erheen, glibberig, onbegaanbaar bijna van
ijzel en modder; hij gaf zijn paard in een kleine hoeve, en ging te
voet verder.
Hij kwam maar langzaam vooruit; telkens stond hij stil in den scherpen
wind,—en vóór hem was de doodsche, stijgende weg, grijsglimmend van
nattige, half gesmolten en weer bevroren vuile sneeuw, met de kale
boomen aan weerszijden.
Een paar keer, in de beschutting van wat kreupelhout, ging hij zitten;
hij had het bestuur over zijn voeten verloren, het zweet liep van
vermoeidheid langs zijn gezicht; maar de wind was zóó ijzig, dat hij na
een oogenblik weer overeind tobde en verder ging.
Het was volkomen avond toen hij in de donkere straten van Brogs kwam,
het bouwvallige stadje met zijn onregelmatige huizenrijen, en sombere,
hooge torens.
Het was hier veel minder koud; hij kwam bij, en liep vlugger voort; en
vreemd bekend en toch van zóó lang geleden, leken hem de straten; hij
was hier ’t laatst geweest vóór hij naar Lode ging.
Zoo vond hij zijn moeders huis.
Een oude meid deed open; hij liep dadelijk door naar boven, de bekende
trap en gang uit zijn jongenstijd. Even dacht hij: „hier was ik toch
gelukkig.”
Hij klopte. Er kwam geen antwoord. Toen deed hij langzaam de deur open,
en een oogenblik stil op den drempel, zag hij rond.
In de kamer, waar geen licht op was, zat de vrouw van Jelle Bag bij het
vuur.
Zij zat stil, voorovergebogen; er was iets in haar zitten zoo, dat hem
even aan Hester deed denken.
Plotseling, iemands tegenwoordigheid voelend, keek ze om; het licht van
’t vuur viel op Eli’s bleek, mager gezicht en schitterende oogen.
Met een kreet sprong ze op, alsof ze op hem wilde toesnellen, maar ze
bleef staan en zag naar hem met een vreesachtigen blik.
„Moeder,” zei Eli—„ik ben het.”
Toen liep ze naar hem toe, en sloeg haar armen om hem heen, en kuste
hem hartstochtelijk.
„In zóó lang niet—zóó lang...” stamelde ze snikkend.
Hij hield haar stil vast, in een vreemde, hemzelf onbegrijpelijke
ontroering; maar hij voelde zich zwak en duizelig—en haar loslatend,
zocht hij een stoel.
Zij zaten nu tegenover elkaar en zwegen; maar er was geen verlegenheid
in hun zwijgen; zij zagen elkaar aan, en dachten scherp en snel.
Er was iets in haar, dat hem ontroerd had van het eerste oogenblik af,
toen hij hier binnenkwam, dat brak het vijandig koud gevoel, waarmee
hij altijd aan haar gedacht had; terwijl hij hier zat en haar aanzag
begreep hij op eenmaal:
Haar totale eenzaamheid,—de troostelooze onverschilligheid in die
kamer, zóó ongezellig en leeg, alsof geen vrouw haar bewoonde, waar
blijkbaar nooit eenige moeite werd gedaan om haar gezellig te maken;
hij zag zijn moeder vervallen, oud, het vroegere kindergezicht
gerimpeld, verlept, met zoekende, rustelooze oogen en gemelijken mond;
hij zag haar verwaarloosde kleeding, slordig, alsof elke zorg aan
zichzelf of haar omgeving besteed haar te véél was.
Hij zag haar: verlaten, doelloos schepsel zonder een enkele
liefhebberij, hakend naar iets wat haar in haar verveling kon
verstrooien.
Zóó wist Eli haar, terwijl zij tegenover hem zat en weende met korte,
zenuwachtige snikjes,—en voor ’t eerst voelde hij, dat hij ook schuld
had aan háár, begreep hij den plicht, waarvan Adam Feke had gesproken.
Zij was diep ongelukkig, even ongelukkig als hijzelf, door haar aanleg,
haar zwakheid, haar onbevredigd verlangen.
Eindelijk sprak zij weer.
„Eli—hoe lang blijf je? Je ziet er zoo slecht uit, kind,—blijf nu hier,
dan zal ik voor je zorgen en je oppassen,—je hebt ’t noodig—en ik ook.”
Hij zweeg; nu hij haar hoorde spreken, met die groote klacht in haar
stem, voèlde hij verwantschap met haar; hij voelde nu weer hoe ver hij
stond van Hester, van allen daar en hoe hij in waarheid was: kind van
deze vrouw, met dezelfde bijna misdadige zwakheid van ’t oogenblik, en
het diepe lijden erna,—hetzelfde kwellende gevoel van eenzaamheid.
En tòch kon ook zij dit niet van hem wegnemen, zij kon hem niets
vergoeden ook, hij moest toch weer van haar weg, haar liefde kon nu
niets meer voor hem zijn.
Altijd hetzelfde...
Hij leunde plotseling terug, krimpend onder een hevige hoestbui; de
pijn in zijn borst maakte hem wee en flauw, rillend bij de hitte van
het vuur.
Zij zag het. Het volgend oogenblik lag zij naast hem op haar knieën.
„Eli, kind, je bent ziek! waar ben je geweest?—och, wat was je in een
tijd niet hier!—ik weet niets meer van je—die jaren waren zoo làng...”
Hij antwoordde niet, er kwam een gedachte, brandend in zijn ziek brein,
die hem opjoeg in koortsigen angst.
„Ik word ziek, ik word ziek—àls ik ’t nu niet meer kan.”
Uitgeput leunde hij in zijn stoel, trachtend zijn benauwdheid te boven
te komen.
Het duurde lang, hij legde, terwijl hij daar worstelde, zijn heete hand
op de hare als om steun.
Eindelijk kon hij weer spreken, zacht en heesch.
„Moeder—luister eens—ik moet ’t kort zeggen—ik heb daar—daar in Lode—de
heiontginning begonnen,—ik heb ’t moeten opgeven,—de Kloeve heeft niet
opgebracht,—ik had zelfs niet om den termijn uit te betalen,—ik ben in
schuld bij ’t volk,—zóó kan ik niet iets nieuws beginnen, wil u me
helpen...?”
Hij zat stil, in elkaar gedoken, uitgeput door de ellende, dit te
moeten zeggen.
Haar gezicht verstrakte; ze had hem losgelaten en staarde voor zich
uit, langzaam knikkend, als om het zichzelf duidelijk te maken.
„Hoeveel is het?” vroeg ze eindelijk.
Hij noemde de som.
Ze knikte weer,—toen stond ze langzaam op, en kreeg het geld uit de
groote eikenhouten kast—en gaf het hem.
„Dank u,” zei hij, en nam het met bevende vingers,—„dank u.”
Ze stond nog vóór hem en zag hem aan, en haperend, langzaam, zei ze het
zwaarste:
„Ben je daarvoor alléén gekomen—zou je—anders niet naar me toe gekomen
zijn?”
Stom zag hij haar aan; hij begreep nu, dat Adams woorden voor deze
vrouw geen waarheid konden zijn: zij kon niet dankbaar zijn, dat hij
tot háár kwam in zijn grootsten nood, dàt kon zij niet voelen,—zij
voelde het alleen als een vernedering.
Het licht, dat een oogenblik in haar ziel viel, was weer weg; en hij
peilde haar diepe grief: haar zoon kwam slechts tot haar, omdat hij
haar noodig had.
Hij begreep dit, want hijzelf had dit ook zoo gevoeld, langen tijd, en
Adams woorden niet verstaan—tòt hij hier binnenkwam en haar zag...
Hij strekte zijn armen uit, en trok haar naar zich toe, in bijna liefde
van medelijden.
Toen viel zij aan zijn borst, en weende uit haar armzalig leeg leven,
zich aan hem vastklemmend in hopelooze verlatenheid.
— — — — — — — — — — — — — —
Het duurde lang eer zij ophield met schreien, en hij hield haar stil
tegen zich aan;—voor ’t eerst was in hem een eerbied voor zijn moeder
om haar ongeluk. Eindelijk werd ze kalm, en zette zich naast hem neer.
Hij nam haar hand.
„Ik wou, dat ik ook iets voor u doen kon, moeder,—u weet niet wat een
groote weldaad u aan me gedaan hebt; als u me niet had kunnen helpen,
had ik naar vreemden moeten gaan...”
Ze zag plotseling verheugd, met tranenschitterende oogen naar hem op.
„Ik had ’t gisteren geïnd, ik had ’t liggen—hadt je anders naar
vreemden moeten gaan?”
„Ja—maar die zouden me misschien niet willen helpen.”
Ze knikte; langzaam begon het tot haar door te dringen, dat zij hem had
geholpen—zij alleen had dat gedaan.
„Ik zal met Hester bij u komen, vóór we...”
„Ik weet bijna niets van Hester...”
De koorts brandde door zijn lichaam, maar hij hield zich op, en
vertelde haar van Hester, van zijn werk, zijn strijd, zijn wanhoop—voor
’t eerst liet hij haar zien in zijn leven.
Ze luisterde stil, haar hand op zijn hand, altijd met die
verheugd-dankbare schittering in haar schreiende oogen; ze begreep
volstrekt niet den omvang van wat hij geleden had om dat werk, ze zag
ook niet hoè ontzaglijk veel Hester van Eli moest houden, dàt waren
voor háár woorden, klanken,—ze dacht alleen: hier zat hij nu bij haar,
en hij vertelde haar alles, als andere zoons aan hun moeders...
En zij wist niet dat zij nu altijd hetzelfde leed, wat Eli als kind
geleden had,—de voortdurende vergelijking met anderen.
Hij leunde uitgeput achterover.
„Ik ben ziek,”—hijgde hij,—„en ik moet morgen weer weg...”
„Niet als je ziek bent,—je moet hier bij me blijven,—ik zal je oppassen
tot je weer heelemaal gezond bent,—mijn arme jongen,—je bent zoo mager
geworden,—kijk je handen—maar je hebt nog altijd je mooie
gezicht.—Blijf nou hier...”
„Nee moeder—ik moet naar Hester.”
Ze zag, hoe hij met moeite in zijn stoel zat.
„Ik zal hier een bed voor je maken—’t is hier warm—en ik zal bij je
blijven.”
Hij knikte dankbaar, te ziek om nog iets te zeggen; hij voelde, dat hij
hoe langer hoe erger werd.
— — — — — — — — — — — — — —
In den langen, donkeren nacht waakte zij bij hem; en zij dacht over
alles, wat hij haar verteld had.
Die vrouw—Hester—waarvan hij zoo veel hield, die alles voor hem was,—en
dat groote werk, waarvoor hij zoolang getobt had,—dat groote, heerlijke
werk, zooals hij het noemde...
Dat leek haar alles zoo vreemd ver van haarzelf—het gaf haar een vaag
zelfbesef, dat zij dat niet begrijpen kon; zij verlangde ook niet
Hester te zien, of te leeren kennen—ze wilde alleen Eli hebben—zooals
nu...
Eli was heel onrustig; telkens hoestte hij zich wakker en dan was zij
altijd bij hem, gaf hem water, legde natte sponsen op zijn brandend
hoofd.
Eerst tegen den morgen sliep hij even in.
Toen hij wakker werd, was het licht; hij lag daar en zei tot zichzelf:
nu moet ik weg, moet ik naar huis, dáár kan ik ziek zijn—hier heb ik
geen rust.
Langzaam en moeielijk kleedde hij zich aan; Maria stond er hulpeloos
bij, zich weer overbodig voelend nu, nà den nacht, toen zij iets voor
hem had kunnen zijn.
„Ga je toch weg?” vroeg ze zacht.
„Ja—maar ik kom terug.” Hij trachtte te lachen.
„Gauw?” drong ze, „gauw?”
„Ja—in ’t voorjaar—heusch.”
Zij ging met hem mee naar beneden.—Het grauwe ochtendlicht viel
weifelend in de breede gang; hij zag het, in een wanhoop bijna, naar
buiten te moeten.
„Morgen ben ik thuis,” zei hij hardop; en ondanks zijn dood-ziek gevoel
kwam een blijde, zalige moed in hem; zij zouden nu werkelijk opnieuw
beginnen.
Toen kuste hij haar vaarwel.
„Dank u, moeder,—zal u... als ik weg ben, moeder,—zal u er dan aan
denken, dat u het is, die me geholpen heeft?”
Ze lachte tegen hem, en keek toen bezorgd naar buiten.
„Wat ’n weer!”
Maar hij, koortsig-tobberig, hield als een angstig kind vast aan dat
ééne.
„Zàl u daar aan denken, moeder?”
„Ja—ja.”
Ze kuste hem weer en toen ging hij.
Eenmaal nog zag hij om en zóó zag hij haar voor ’t laatst: onbewegelijk
in den donkeren, grauwen morgen, hem naziend met haar bleek, vervallen
gelaat, waarover langzaam de tranen neervielen.