XXIII.

’s Avonds ging Eli nog naar Adam; hij wilde hem zeggen, dat hij naar

Brogs ging.

Had Adam zijn stap gehoord? Hij stond aan zijn deur en wachtte hem op.

„Wou je naar mij gaan?—ik kwam je zeggen, dat ik morgen naar Brogs ga.”

Adam zag hem aan; zijn oogen lichtten zonderling in zijn bewegelijk

gezicht; Eli’s woorden scheen hij niet te hooren, want met zachte stem

zei hij:

„Eli—vanmorgen is het wonder gebeurd—toen—toen is hij gekomen...”

Eli deed een stap terug; Adams gezicht zei hem wie.

„Geert?!”

Adam knikte.

„Vanmorgen. Hij kwam van ver, zijn voeten waren doorgeloopen. Ik wist

wel, dat hij éénmaal hier komen zou,—en ’t is mijn àngst geweest, dat

ik er dan niet meer zou zijn.”

„En?”

„Nou is hij er.”

„Ja—ik zag ’m opeens, zooals ik ’m gezien had op dien avond in

Augustus;—hij stond voor me—en hij zei... dat zij nu gestorven was,

Eli, en hij kwam met ’n boodschap...”

„Wat was dat?”

Adams trekken werden heel zacht.

„Dat hij haar al dien tijd gelukkig heeft gemaakt... dat was ’t eenige

waarmee hij bij mij kon terugkomen, en daarmee heeft hij zijn schuld

aan me afgedaan,—want ik heb ’r altijd liefgehad, Eli,—dat kan je

misschien niet gelooven, maar ’t is zoo—tòt nu—en nu nòg...

„Dat waren de woorden die ik in mijn droom niet verstond;—ik heb dat

eerst langzaam moeten leeren,—’t ging moeielijk,—ik heb er m’n heele

leven over moeten doen...

„Maar nou is ’t goed; als hij morgen weer weggaat...”

Hij brak af; achter hem zag Eli een anderen ouden man; hij was forscher

dan Adam en leek jonger, met vuriger oogen en ongeduldig-bewegelijken

mond.

„Kent hij mij?” vroeg hij, en wees op Eli.

„Het is Eli Bag,” zei Adam.

Geert Feke zag Eli aan met zijn wonderlijke, sterke oogen; een donkere

kleur steeg langzaam op in zijn brons gezicht, en langzaam stak hij

zijn hand uit naar Eli.

„Hij zegt, hij houdt van je of je zijn zoon was.”

Meer zei hij niet; het was een onuitgesproken dank aan Eli, dat hij nog

eenig geluk en liefde had gebracht in het leven, door hem vernield.

Eli keek van hem naar Adam, die daar stond, zoo rustig en stil, alsof

nu niets hem meer deren kon; en in hartelijke liefde sloeg hij zijn arm

om Adams tengere gestalte, en nam hem mee naar buiten.

Een poos stonden zij stil zoo; eindelijk zei Adam:

„Het is goed, dat je gaat—alles zal nou voor je in orde komen.”

Eli rilde in den kouden wind, een scherpe hoest doorschokte zijn borst.

„Dat zei Hester ook—en ik geloof het ook.”

Toen hij een paar stappen ver was, riep Adam hem terug.

„Groet Maria Bag van mij,” zei hij.

Dit was voor den eersten en laatsten keer.

In den vroegen wintermorgen reed Eli heen.

Er was dien nacht een weinig sneeuw gevallen, die de velden even

bedekte; doodsch en bar lag het wijde land.

Hij was te paard, vreezend, als de wegen slechter werden, met den wagen

niet voort te kunnen.

Bij de kromming van den weg naar Boge stond Maarten Ross.

„Goede reis,” zei hij, „ik heb je plannen gehoord, ik hoop, dat alles

goed komt.”

Er was iets in Eli, dat hem een oogenblik de hand deed vasthouden, die

trouw en zwaar zich om de zijne sloot.

„Dank je,” zei hij onzeker—„en zeg Hester nog eens goeden dag.”

Toen reed hij voort.

Bij ’t eind van den dwarsweg hield hij nogmaals stil, en zag om.

Maarten Ross liep daar nog op den weg; en in grooten winterrust lag het

dorp.

Hij zag rechts; daar was de hut van Adam. Wat bekend leken al die

dingen en tòch vreemd.

Hij zag alles in grooten weemoed, alsof hij nu ging om nooit terug te

keeren; en dat gevoel deed hem weifelen op de plek, en staren met

gretige, droevige oogen—alsof hij niet weg kòn.

„Maar vier, hoogstens vijf dagen,” zei hij tot zichzelf.

Zijn moed kwam terug; als hij hier wéér kwam was de zorg voorbij!

En hij reed voort.

Het beloofde land · 第 30 / 33 题