Dikwijls in den vroegen morgen zag Eli Berend Ross voorbij zijn huis
gaan, met langzame, vaste schreden den kant op naar Brogs, tot waar de
weg zich in tweeën splitst; daar lag de woning van Geert Dule, het
kleine mannetje met slimme bewegelijke oogen als van een aap, dat hem
zijn werk afkocht, om het zelf weer in de stad te verkoopen.
Geregeld deed hij den tocht, keerde in den namiddag terug met vermoeide
voeten, het geduldige, moedige gelaat opgeheven naar de strakke lucht.
En Eli, als hij hem zoo zag gaan, dacht na over dien man en zijn
grooten arbeid, waarmede hij hoopte te verkrijgen voor den zoon, wat
hemzelf levenslang was ontzegd; en hij zag tegelijk duidelijk en helder
hoe dit was in al de Rossen, in verschillenden vorm, maar bij allen
hetzelfde: geheel zich kunnen geven met een taaie, geduldige volharding
aan één enkel iets, zonder een oogenblik aarzelen het zich gestelde
doel volgend, zonder klagen wanneer zij erdoor moesten lijden.
Dit was geweest in Tine; in zwijgende berusting had zij haar groote
wacht uitgeleden; het was in Berend, die in zijn grijsheid kracht vond
voor het eenmaal verachte werk zijner jeugd. En Hester had die taaie
volharding bezeten in haar lang onuitgesproken liefde voor hem...
O! zij was geboren uit dat ijzeren geslacht van krachtige gezonde
menschen, voor wie afwijking van plicht, of van het eens gestelde doel
een onmogelijkheid was, met den geduldigen, rustigen moed van den
waarlijk sterke.
En langzaam was weer in Eli een twijfel gestegen aan den voortduur van
zijn geluk; hij wist, dat Hester hem zag zooals zij zelf was—uit haar
eigen forsche natuur, dat zij hem niet inderdaad kènde, niet zijn
wankel karakter, zijn overgevoelige ziel. En hij vreesde, dat zij heel
moeilijk zou kunnen begrijpen zijn ware natuur, schuilend onder zijn
opgezweepte wilskracht, met zijn eeuwigen strijd tegen zijn zwakheden,
zijn lagere driften—de feilen van een heel geslacht rustend op zijn
schouders.
In die mismoedige buien kwam terug het oude gevoel, een tijdlang
verloren in zijn liefde; dat hij niets had in ’t verleden, niet in zijn
kindsheid, niet in zijn jongelingsjaren, niet van zijn vader, niet van
zijn moeder, waarop hij steunen kon, waaraan hij zich kon vasthouden.
Hij had ’t gevoel, alsof hij geheel los van alles, door ’t leven
zwierf, of er niets bestond of bestaan had, dat werkelijk met hem
verbonden was; of hij een éénling was, afgescheiden van menschen.
Zèlfs van Hester...
Er waren dagen, dat die gewaarwording heel zwak was; dat hij zelf niet
begrijpen kon, hoe hij er soms onder kon lijden.
Maar de dagen kwàmen, dat hij er zóó onder gebukt ging, dat het hem
ziek maakte en ongeschikt voor elken arbeid, elke inspanning; en dan
kwam tegelijk terug de vrees, die hij eens gehoopt had hier te zullen
overwinnen, de oude vrees: te worden als zijn vader.
De oude vrees, die nooit was weggegaan, en hem niet losliet.
En het was erger geworden.
Het was—wat hijzelf nog niet begreep—niet meer de vage vrees, maar de
aanvechting zelf, het was het verlangen naar drinken zelf, dat onbewust
nog tot hem sprak, dat zich aan hem opdrong in vernederende kwelling.
Het gebrek, dat zijn voorvaders allen in meer of mindere mate hadden
bezeten, was voor hen geweest een tijdverdrijf; maar Eli had bij hun
gebreken niet hun grove natuur; hij zag als een afschuw het geestelijk
lager en lager zinken, en hij streed als een wanhopige. Uiterlijk
zoowel als innerlijk geleek hij op zijn grootvader Eli Bag; in dien
zonderling was ook dat zoeken geweest naar iets beters—dien had het in
de eenzaamheid gedreven.
Eli voelde zelf, het zou minder erg geweest zijn, als hij er met iemand
over had kunnen spreken, maar van allen stond hij daarin te ver af.
Het verst van Hester.
Hij besefte, hoe de gedachte aan zoo iets niet bij haar kon opkomen; en
hij dacht bitter dat de vrouw, die hem zóó liefhad, die hem dacht te
kennen, hem zóó ver stond, dat hij zelfs niet waagde haar zijn lasten
te klagen.
„Waarom dacht zij hem zoo groot! Het ware beter geweest, als ze hem had
liefgehad in weten van duizend feiten en tekortkomingen: dan had hij
rustig kunnen zijn.”
Daar was nog iets anders.
De Kloeve.
In langen tijd was hij er niet geweest, maar de opzichters waren
gekomen, en hadden gesproken van ziekte in het graan, van den slechten
oogst die te wachten stond.
Den volgenden morgen reed hij erheen.
Hij draafde op den open weg, met de heide aan de eene, de donkere
dennenbosschen aan de andere zij. De lucht was frisch en aan den
horizont trok langzaam de witte nevel op.
Herfstnevel al.
De herfst, die zachtkens kwam in teere witte nevels, en koelere
luchten, en onmerkbaar in de nog warme dagen den zomer verdrong. En de
hei donkerde paars, zoo ver het oog reikte, een weelde van gloed tegen
het dennengroen.
Maar in Eli, terwijl hij voortreed en dacht aan de Kloeve, was een
groote zorg.
De Kloeve, die de laatste jaren van slechte oogsten maar weinig had
opgebracht: de Kloeve, die hem dit jaar schadeloos moest stellen, wilde
hij den arbeid voortzetten.
„Niet kunnen voortzetten!”
De gedachte joeg plotseling het bloed naar zijn hoofd. Hoe kwam het,
dat hij nooit te voren in ernst hieraan had gedacht.
Het was zijn onberedeneerde natuur; hij kon zich toeleggen met allen
ijver, heel zijn wilskracht op één ding, en onderwijl tien meer noodige
verwaarloozen.
En hij had de Kloeve verwaarloosd; hij hield niet van het goed; zijn
lust, zijn kracht gaf hij aan ’t werk in Lode, maar de Kloeve liet hij
over aan opzichters.
Hij hield zijn paard in, reed langzaam voort; voor ’t eerst stond het
hem helder voor, dat de opbrengst van de Kloeve over zijn werk zou
beslissen. Niet hijzelf, niet de arbeiders, maar dàt!
In Lode niet kunnen voortbetalen den winter, dat beteekende: nu
dadelijk het werk te moeten staken—en het volk raden zich te verhuren
bij vreemde boeren.
Den arbeid doen ophouden....
De arbeid, dien hij gezworen had te voleinden—dien hij lièf had.
— — — — — — — — — — — — — —
Toen hij terugreed in de late middagzon, wist hij het.
Niemand had ’t hem hoeven te zeggen, hij had ’t gezien met eigen
oogen—daar was niets van den oogst te wachten.
Eli reed langzaam, in zijn bleek gelaat staarden de oogen dof, zonder
te zien.
Een moede afmatting was nu in hem, de terugslag van zijn plotseling
opbruisende woede, toen de opzichters daarginds hem den stand van zaken
hadden duidelijk gemaakt...
Zij hadden hem aangezien, in stille vrees, toen hij daar stond en zweeg
in machtelooze drift—en hadden gesproken van een deel, dat nog terecht
kon komen—misschien,—het stuk bezuiden Boge, daar was de ziekte nog
niet in het graan.
Eli had niets geantwoord, niets gevraagd,—zij waren hem gevolgd, en
hadden toegezien hoe hij rondliep langs de vernielde akkers; hij had
toèn geleken op Jelle Bag in zijn jeugd, als hij in zijn buien van
woedende drift rondliep, en zijn onderhoorigen deed sidderen door zijn
zwijgen.
En eindelijk was hij weggegaan. Hij wist het nu.
De arbeid, die moest ophouden...
Hij zou geen geld hebben om het beloofde loon te betalen—niemand zou
geld willen geven op de reeds zoo bezwaarde Kloeve! Het loon niet
betalen! Er was een tijd geweest, dat hij dit lichter zou geteld
hebben—toen had hij durven hopen, dat zij vertrouwen genoeg in hem
hadden om ’t werk te hervatten, zoodra hij weer kon.
Hij wist nu, dat het prompt betaalde loon het eenige was wat hen bond;
liefde voor ’t werk had hij niet in hen vermogen te wekken—dat wist hij
sinds dien Zondag, nu twee maanden geleden al.
Hij keek uit naar de kant van Lode, waar zijn arbeid was, zijn geluk en
zijn trots. Nu voelde hij eerst hoe hij eraan gehecht was, hoe hij
liever tegenwerking wilde verdragen, dan zijn mooien droom te moeten
opgeven.
Misschien zou hij ’t nu nooit voleinden. Hij zat stil, dieper gebogen
dan te voren.
Het was voor Eli erger dan het voor menig ander zou geweest zijn; het
was, behalve de overheerschende smart om den arbeid, zijn diep
gekrenkte trots, die niet dragen kon, dat al zijn werken, zijn willen,
zijn eerlijk pogen van wat waarlijk was een groote en goede daad, tot
niets werden gemaakt door een blind noodlot.
Was ’t een mensch geweest, die hem in den weg trad! Maar dit! Dat hij
moest dulden.
Hij kòn niet—hij zòu niet!
Was hij een dwaas, dat hij zonder strijd zich zou overgeven? Was dan
niets waard zijn eerlijke arbeid, zijn streven, dat allen tegenspoed
had getrotseerd?
Hij gaf ’t niet op; de arbeid zou voortgaan.
Geld was er nu nog—en in ’t najaar, dan zoù er geld zijn ergens van—hij
zou opnemen of wat dan ook.
Maar hij zou volhouden.
Hij bewees het volk geen dienst met hen heen te laten gaan bij vreemde
boeren.
Hij deed ’t niet—het moest maar gaan zooals ’t ging—tegen dien tijd zou
hij weten te handelen.