Langzamerhand, in de morgenuren, als zij beiden alleen waren, vertelde
hij haar alles.
Als zij daar zat tegenover hem, en hem zag veranderd, verouderd, en
toch dezelfde, kwam de bewustheid van het wonderbaarlijke, dat hij
werkelijk wàs teruggekomen, over haar; en zij luisterde naar wat hij
vertelde, als betooverd haar eenvoudige verbeelding, gespannen door al
dat vreemde, waarvan hij sprak.
Langzamerhand zei hij haar alles—kwamen de woorden, de gedachten, die
hij altijd teruggedrongen had, die hij had leeren zwijgen.
Zij kwamen nu—en meer en meer herleefde in hem de herinnering.
Hij sprak van den eersten tijd, die heerlijke jonge jaren van zwerven
hier en daar, moeielijk levend van het weinige dat hij verdiende.
Maar altijd gelukkig.
En daarna de jaren van onafgebroken, ingespannen arbeid, toen hij nog
alles hoopte van dien arbeid, droomde van de heerlijke scheppingen in
marmer, die ééns zijn hand wrochten zou.
Tòen was hij gelukkig; hij wist het nu weer hòe gelukkig! Hij zag
terug—dingen làng vergeten, die opdaagden nu,—tot hem spraken met zoete
herinnering...
Maar langzaam was teleurstelling gekomen—het bitter begrijpen, dat hij
nooit zou kunnen waarnaar hij streefde—niet met al zijn
arbeidskracht...
Maar hij had het niet kunnen opgeven óók; tòch was nooit één oogenblik
de gedachte in hem geweest, terug te keeren naar ’t kalme leven op ’t
oude dorp; nooit had hij iets anders gedacht zelfs in zijn grootsten
tegenspoed, dan dat hij voortwerken mòest en zòu.
En de jaren kwamen, dat hij wanhopig streed met zijn moed, zijn
werkkracht, zijn schoonheidsgevoel tegen zijn eigen kùnnen; maar hij
kon nooit bereiken het eenige waarnaar hij streefde; een waarlijk groot
werk.
Het leek alles nu zoo ver—niet meer alsof het een heel menschenleven
geweest was...
Niemand onder degenen, die daarginds zijn werk eerbiedigden, omdat het
sprak van eeuwig onbevredigd, altijd hooger smachtend kunstgevoel,—die
medelijdend aanzagen den vroeg grijzen werker, voortzwoegend zonder
omzien, zonder weifelen, in enorme volharding en arbeidskracht,—kon ten
volle begrijpen de smart, geleden onder dien arbeid, terwijl hij
jongeren zich zag voorbijstreven, en meesterwerk zag van tijdgenooten;
zij kònden niet begrijpen dien strijd van hèm, den sterke, die zich
niet neerleggen kòn—en dùlden zijn onmacht...
De jaren van tegenspoed hadden zijn illusies verstoven, en zijn hoop
telkens en telkens tot niets gemaakt, maar zijn forsche moed was niet
verslagen; de levensblijheid was in hem gedood, maar de levenskracht
scheen onverwoestbaar in hem.
Want niets had ooit kunnen verslaan die eene groote liefde in hem—de
liefde voor zijn kunst, die zijn leven gericht, zijn leven beheerscht
had; hij had zijn werk lief als een levend wezen, want ’t had al zijn
illusies gedragen, hij had er voor gezwoegd en geleden, het was als een
dierbaar kind, dat hem nooit anders dan smart had gegeven, en dat hij
temeer liefhad om de opofferingen, die hij er zich voor had getroost.
En in die liefde was de eeuwige bron van smart: dat hij nooit zijn werk
kon volmaken, dat hij het altijd wilde opvoeren tot ongeëvenaarde
schoonheid—en altijd moest eindigen met het te verkleinen.
Hij had zijn vrouw en zijn zoon liefgehad, maar dat was niet de gouden
liefde voor zijn kunst, die onveranderd zijn grootste toewijding bezat;
zijn vrouw en zijn zoon had hij lief als een mensch, maar zijn kunst
had hij lief als een god.
Vertrouwend als een kind, aanbiddend, had hij altijd dat ééne gevolgd,
dat voor hem uitstraalde boven al het andere. Rein van elke gedachte
aan zichzelf, had hij zich gegeven zonder ooit te klagen of te
wankelen, en onwetend had hij zijn vrouw laten deelen in die
opoffering, niet eens vermoedend zelfs, dat zij iets anders zou kunnen
verlangen of noodig hebben.
Dit wist hij nòg niet—en hij zou ’t nooit begrijpen.
En hij sprak van zijn jonge, vroeg gestorven vrouw—van de smart om haar
dood...
Maar van de smart om zijn kunst sprak hij niet—die kon niet verdragen
het medelijden der menschen.
Toen was er iets anders gekomen in zijn leven, zijn zoon.
In hèm was de gave—de gróóte gave, die de vader zag en voelde—en hij
wachtte van hèm wat hijzelf niet had kunnen volbrengen.
En, in zijn geest van taaien werker, had zich het plan vastgezet:
voortaan te moeten arbeiden voor zijn zoon; de jongen moest geen
geldzorg hebben, hij moest alleen en onbezorgd kunnen leven voor zijn
kunst; hij zou voor zijn kind effenen, wat voor hem niemand had kunnen
doen. En hij gaf zichzelf volkomen aan dat kind, omdat hij in hem zag
het goddelijk genie; hij gaf ootmoedig en berustend, in eerbiedige
bereidwilligheid zijn eigen dierbaren arbeid; voortaan zou hij slechts
arbeiden voor geld, alleen zich toeleggen op het houtsnijwerk, dat de
menschen zoo graag duur betalen. Werk om geld alleen...
Maar zijn zoon zou het hoogste bereiken...
Toen was hij op eenmaal zeer moede geweest—daar in dat vreemde land.
En hij was teruggekomen.
— — — — — — — — — — — — — —
Zij zaten stil tegenover elkaar. De oude Tine Ross zag naar Berend waar
hij zat als in moede berusting...
Hij had niet geklaagd tegen haar, maar zij had vaag gevoeld, dat hij
veel had gezwegen. En haar scherp moedergevoel zeide haar wat het voor
hèm moest zijn terug te keeren zonder te hebben volbracht; wat hij
moest hebben gestreden, eer hij terugkwam en rustig kon spreken over
het verachte handwerk, dat hij zou verrichten om gèld.
Moeder—ik weet nu, er is iets, sterker dan al het andere.
Eéns de klank van een oude, dierbare stem—niet verdoofd door zooveel
honderden luider stemmen.
Eéns de rustige, nooit veranderde liefde in zachte, oude oogen—niet
verduisterd door zooveel schitterender beelden in later tijd.
Moeder! Wat mij deed verlangen, toen ik niet wist dat ik nog verlangen
kòn.
Moeder! Wat mij geen rust liet, eer ik zou voelen uw hand op mijn moede
oogen.
En uw goede stem—en uw dierbaar gezicht als een aanraking van troost in
mijn droef hart.
Moeder! Tot ik wist, dat ik teruggaan zòu.
Dat dit het éénige was...