VII.

Langzamerhand, in de morgenuren, als zij beiden alleen waren, vertelde

hij haar alles.

Als zij daar zat tegenover hem, en hem zag veranderd, verouderd, en

toch dezelfde, kwam de bewustheid van het wonderbaarlijke, dat hij

werkelijk wàs teruggekomen, over haar; en zij luisterde naar wat hij

vertelde, als betooverd haar eenvoudige verbeelding, gespannen door al

dat vreemde, waarvan hij sprak.

Langzamerhand zei hij haar alles—kwamen de woorden, de gedachten, die

hij altijd teruggedrongen had, die hij had leeren zwijgen.

Zij kwamen nu—en meer en meer herleefde in hem de herinnering.

Hij sprak van den eersten tijd, die heerlijke jonge jaren van zwerven

hier en daar, moeielijk levend van het weinige dat hij verdiende.

Maar altijd gelukkig.

En daarna de jaren van onafgebroken, ingespannen arbeid, toen hij nog

alles hoopte van dien arbeid, droomde van de heerlijke scheppingen in

marmer, die ééns zijn hand wrochten zou.

Tòen was hij gelukkig; hij wist het nu weer hòe gelukkig! Hij zag

terug—dingen làng vergeten, die opdaagden nu,—tot hem spraken met zoete

herinnering...

Maar langzaam was teleurstelling gekomen—het bitter begrijpen, dat hij

nooit zou kunnen waarnaar hij streefde—niet met al zijn

arbeidskracht...

Maar hij had het niet kunnen opgeven óók; tòch was nooit één oogenblik

de gedachte in hem geweest, terug te keeren naar ’t kalme leven op ’t

oude dorp; nooit had hij iets anders gedacht zelfs in zijn grootsten

tegenspoed, dan dat hij voortwerken mòest en zòu.

En de jaren kwamen, dat hij wanhopig streed met zijn moed, zijn

werkkracht, zijn schoonheidsgevoel tegen zijn eigen kùnnen; maar hij

kon nooit bereiken het eenige waarnaar hij streefde; een waarlijk groot

werk.

Het leek alles nu zoo ver—niet meer alsof het een heel menschenleven

geweest was...

Niemand onder degenen, die daarginds zijn werk eerbiedigden, omdat het

sprak van eeuwig onbevredigd, altijd hooger smachtend kunstgevoel,—die

medelijdend aanzagen den vroeg grijzen werker, voortzwoegend zonder

omzien, zonder weifelen, in enorme volharding en arbeidskracht,—kon ten

volle begrijpen de smart, geleden onder dien arbeid, terwijl hij

jongeren zich zag voorbijstreven, en meesterwerk zag van tijdgenooten;

zij kònden niet begrijpen dien strijd van hèm, den sterke, die zich

niet neerleggen kòn—en dùlden zijn onmacht...

De jaren van tegenspoed hadden zijn illusies verstoven, en zijn hoop

telkens en telkens tot niets gemaakt, maar zijn forsche moed was niet

verslagen; de levensblijheid was in hem gedood, maar de levenskracht

scheen onverwoestbaar in hem.

Want niets had ooit kunnen verslaan die eene groote liefde in hem—de

liefde voor zijn kunst, die zijn leven gericht, zijn leven beheerscht

had; hij had zijn werk lief als een levend wezen, want ’t had al zijn

illusies gedragen, hij had er voor gezwoegd en geleden, het was als een

dierbaar kind, dat hem nooit anders dan smart had gegeven, en dat hij

temeer liefhad om de opofferingen, die hij er zich voor had getroost.

En in die liefde was de eeuwige bron van smart: dat hij nooit zijn werk

kon volmaken, dat hij het altijd wilde opvoeren tot ongeëvenaarde

schoonheid—en altijd moest eindigen met het te verkleinen.

Hij had zijn vrouw en zijn zoon liefgehad, maar dat was niet de gouden

liefde voor zijn kunst, die onveranderd zijn grootste toewijding bezat;

zijn vrouw en zijn zoon had hij lief als een mensch, maar zijn kunst

had hij lief als een god.

Vertrouwend als een kind, aanbiddend, had hij altijd dat ééne gevolgd,

dat voor hem uitstraalde boven al het andere. Rein van elke gedachte

aan zichzelf, had hij zich gegeven zonder ooit te klagen of te

wankelen, en onwetend had hij zijn vrouw laten deelen in die

opoffering, niet eens vermoedend zelfs, dat zij iets anders zou kunnen

verlangen of noodig hebben.

Dit wist hij nòg niet—en hij zou ’t nooit begrijpen.

En hij sprak van zijn jonge, vroeg gestorven vrouw—van de smart om haar

dood...

Maar van de smart om zijn kunst sprak hij niet—die kon niet verdragen

het medelijden der menschen.

Toen was er iets anders gekomen in zijn leven, zijn zoon.

In hèm was de gave—de gróóte gave, die de vader zag en voelde—en hij

wachtte van hèm wat hijzelf niet had kunnen volbrengen.

En, in zijn geest van taaien werker, had zich het plan vastgezet:

voortaan te moeten arbeiden voor zijn zoon; de jongen moest geen

geldzorg hebben, hij moest alleen en onbezorgd kunnen leven voor zijn

kunst; hij zou voor zijn kind effenen, wat voor hem niemand had kunnen

doen. En hij gaf zichzelf volkomen aan dat kind, omdat hij in hem zag

het goddelijk genie; hij gaf ootmoedig en berustend, in eerbiedige

bereidwilligheid zijn eigen dierbaren arbeid; voortaan zou hij slechts

arbeiden voor geld, alleen zich toeleggen op het houtsnijwerk, dat de

menschen zoo graag duur betalen. Werk om geld alleen...

Maar zijn zoon zou het hoogste bereiken...

Toen was hij op eenmaal zeer moede geweest—daar in dat vreemde land.

En hij was teruggekomen.

— — — — — — — — — — — — — —

Zij zaten stil tegenover elkaar. De oude Tine Ross zag naar Berend waar

hij zat als in moede berusting...

Hij had niet geklaagd tegen haar, maar zij had vaag gevoeld, dat hij

veel had gezwegen. En haar scherp moedergevoel zeide haar wat het voor

hèm moest zijn terug te keeren zonder te hebben volbracht; wat hij

moest hebben gestreden, eer hij terugkwam en rustig kon spreken over

het verachte handwerk, dat hij zou verrichten om gèld.

Moeder—ik weet nu, er is iets, sterker dan al het andere.

Eéns de klank van een oude, dierbare stem—niet verdoofd door zooveel

honderden luider stemmen.

Eéns de rustige, nooit veranderde liefde in zachte, oude oogen—niet

verduisterd door zooveel schitterender beelden in later tijd.

Moeder! Wat mij deed verlangen, toen ik niet wist dat ik nog verlangen

kòn.

Moeder! Wat mij geen rust liet, eer ik zou voelen uw hand op mijn moede

oogen.

En uw goede stem—en uw dierbaar gezicht als een aanraking van troost in

mijn droef hart.

Moeder! Tot ik wist, dat ik teruggaan zòu.

Dat dit het éénige was...

Het beloofde land · 第 12 / 33 题