Het werk ging voort.
En de zomer—de warme nazomerdagen, matter in volsten bloei, rijper
neigend naar den herfst die komen ging.
Het scheen alles hetzelfde.
Maar de vlier bloeide niet meer voor het raam van de werkplaats van
Berend Ross.
De dikke, witte bloemtrossen spraken niet langer van jonge, blijde
lente—van zomerschoon dat nog te wachten stond.
Maar Berend Ross zag ’t niet, hij dacht er niet aan.
Hij arbeidde voort, onafgebroken, zwijgend, verfijnend de kleine houten
kunstvoorwerpen in grillige fantasie; en terwijl hij uitzag over de
hei, zag hij alleen de toekomst van zijn zoon...
Er was geen twijfel in hem, geen vrees; nederig geduldig had hij de
rest van zijn leven geofferd aan zijn zoon; voor hem moest hij werken,
dat was zijn plicht.
Want in hèm was de goddelijke gave...
En ook Tine Ross deerde het niet, dat de zomer zou vergaan.
Haar zoon was teruggekeerd; nu kon zij hem geven wat hij ontbeerd had,
haar zorg en liefde—nu zou zij ééns gelukkig kunnen sterven met haar
hoofd aan zijn borst.
Het deerde haar niet, dat hij den geheelen dag werkte, zwijgend, in
gedachten verloren, en als vergeten wat om hem was.
En soms niet hoorde, wat zij tot hem sprak...
Dat was niets.
En Maarten stond in de smidse, en werkte, dat het een lust was. Hèm kon
de diepe teleurstelling om zijn liefde niet bitter maken of mismoedig;
hij had Hester liefgehad—zóó—zonder zich rekenschap te geven—omdat hij
nu eenmaal niet anders kòn—omdat dit zoo zonnig en vol in zijn blij
hart was gevallen. En hij had gejuicht om die liefde, in onbezorgde
blijdschap, zooals de vogel zijn lied uitjubelt in de lente...
Nu droeg hij zijn smart om haar stil en gelaten; inderdaad was zijn
frissche leefkracht, zijn diep-blijde levensvreugde zoo overvloeiend in
hem, dat die, evenmin als bij Berend, makkelijk kon ondergaan in
teleurstelling of droefheid. En terwijl hij werkte met onvermoeiden
ijver, met alleen een zachter uitdrukking in zijn vroolijke oogen,
overdacht hij het op zijn rustige, gezonde wijze: „dat hij dit nu
eenmaal dragen mòest, en voor Hester kòn hij het dragen, omdat het was
voor háár geluk—en zijn liefde voor Hester kon niemand hem toch
afnemen...”
Maar voor ’t eerst wás Hester niet meer volkomen gelukkig; er was een
schaduw, die kwam uit het dorp tot haar, die zij verborg, verzweeg
tegen grootmoeder, tegen Maarten...
Het kwam tot haar uit de hutten—het kwam, zij wist soms zelf nauwelijks
hoe—maar zij wist, dat het bestond.
Het bestond—de angst, het wantrouwen om de Kloeve.
Wanneer de vrouwen ’s middags in de schaduw van hun huisjes zaten,
zeiden zij over, wat zij hoorden van hun mannen.
„De oogst op de Kloeve was slecht—het wàs waar...
„en als de Kloeve niet opbrengt, waar moet Eli dan voor den winter het
geld vandaan halen...?
„als Eli geen geld heeft om te blijven betalen—wat dàn?
„hij heeft onze mannen ervan afgehouden om te gaan werken bij vreemde
boeren.
„dan hadden wij geld kunnen overhouden voor den winter.
„nu hebben we niets.
„als dat waar is—zal Eli ervoor boeten, dat hij ons zoo bedrogen
heeft...
„hij bedriegt ons nòg! Waarom zegt hij niet eerlijk, dat hij niet
heeft, dan konden de mannen nòg gaan...
„maar—misschien is ’t niet waar, hééft hij wel geld.
„ja—als dàt waar was...”
Hester wist dit; zij voelde het, meer dan hijzelf, hoe het stille
wantrouwen steeg; zij zag, als zij buiten kwam, Larets kwaadaardigen
kop tusschen het volk, den wrevel rondom zaaiend,—Laret, met zijn
scherpe tong,—die was een der hunnen.
Maar Eli was een vreemdeling geworden. Zij zagen in hem niet meer den
zoon van Jelle Bag.
In dit volk was wat Eli niet kon begrijpen: het doel, het ideaal
waarvoor zij werkten was hun te ver, ze konden het niet zien, zooals
Eli het zag; zij waren er niet rijp voor, en Eli was niet de man, om er
hen rijp voor te maken.
En hij zag den ouden onwil weer terugkomen, hij zag ’t op de donkere
gezichten als hij hen aandreef, hoorde het in een norsch antwoord. En
het maakte hem prikkelbaar, onredelijk dikwijls, als hij den arbeid
niet genoeg gevorderd vond.
Hester voelde, dat hij eronder leed—maar niet volkomen hòe zwaar—want
zij kòn zich niet geheel indenken in zijn liefde voor het werk.
Dit wist Eli—en het deed hem zwijgen tegen haar.
Maar dit was Hesters grootste leed niet; zij kon hem altijd
verontschuldigen, honderd redenen vinden, waarom hij er niet tegen haar
over sprak; het erge was, dat zij in haar omgeving, onder het volk, het
vertrouwen in Eli weer verminderen zag, en in de verontwaardiging harer
diepe liefde, die àlles van hem geloofde, alles van hem hoopte, wachtte
zij met smartelijk ongeduld, dat hij zich verdedigen zou tegen al die
stille beschuldigingen, bewijzen dat hij waarlijk zeker was.
Bij dit alles dacht zij veel minder om het volk dan om Eli; haar angst,
dat de betaling niet zou geschieden, was om Eli, niet om het volk; en
zij voelde elk woord van wantrouwen tegen Eli als een scherpe
beleediging, waar zij niet twijfelen kon.
De lange Augustusavonden kwamen.
Hester en Eli zaten nu zelden meer bij de anderen; er was een onrust in
Eli, die hem dreef alleen te zijn met Hester: dan wandelden zij samen
den stillen, donkeren weg, als in den eersten tijd van hun liefde.
Ze liepen tot het kleine dennenbosch en gingen daar zitten.
Dit was van een groote, nooit te vergeten bekoring; onder de zoele
donkere lucht lag de hei verstorven en alom was de stille eenzaamheid.
En altijd, hier alleen met Hester, viel van Eli af de beklemming, de
gejaagdheid die des daags hem overheerschte.
Dan sprak hij tot haar van hun toekomst, van het werk—vertelde haar hoe
alles ging—hoe het vorderde...
Dan vergat hij, dat hij het misschien nooit zou voleinden.
„Als we eenmaal samen oud zijn, lieveling, en we kunnen dàn zeggen: dàt
is ons werk—dat hebben wij gedaan—Hester!”
Hij klemde haar in zijn armen en kuste haar in een gevoel van teedere
dankbaarheid—en zei haar zóó, hoe groot haar aandeel zou zijn in dien
levensarbeid.
Dan weer zwegen zij een lange poos—wijd om hen was de melancholieke
vrede van het duistere avond-land.
Er was geen geluid, geen schaduw, geen kleur.
Een enkelen keer brak een dor takje.
Daar was alleen de wind—zóó zacht, dat zij hem niet voelden.
Maar boven hun hoofd gleed hij door de kruinen der pijnen—en suisde
zijn eeuwig lied.
Zij hoorden het nauwelijks, zij wisten van geen wereld of menschen...
Soms luisterden beiden op. In al die stilte dreunde van verre de
dorpsklok de uren tot hen door; en zij luisterden, vreemd geheimzinnig
aangegrepen, naar dien verren toon—die waarschuwde den tijd—den
tijd—die verging...
Deze avonden waren van een grooten, zaligen vrede; ze waren later een
herinnering van innigheid en geluk, temidden van dezen tijd vol zorg.
Soms ook gingen ze niet zitten, liepen door naar de hut van Adam Feke.
Zij deden zoo op een avond dat een vrij hevige wind na zonsondergang
kwam opzetten, en plotseling deed denken aan herfst, aan kou...
Eli duwde de deur van de hut open, en Wolf, Adams groote hond sprong
blaffend naar buiten, met zijn forsche voorpooten op Eli’s schouders en
likte zijn gezicht.
Maar binnen voor het gedoofde vuur zat Adam—en bleef zitten en zag niet
op.
Een oogenblik stonden Hester en Eli stil, half bevreesd.
Toen loeide plotseling een hevigen windvlaag aan over de vlakte, dat de
deur ratelend wijd opensloeg.
Adam zag op; zijn oogen zagen scherp uit over hen heen, zijn lichaam
boog als luisterend naar één kant.
„Hoor...” zei hij.
Maar er was niets.
Na een poos zag hij op, zag hen.
„Hé Adam!” riep Eli, met een poging tot scherts.
„Jullie...?” zei Adam langzaam en hij zag Eli en Hester aan als een pas
ontwaakte.
„Er kwam iemand...” begon hij vaag.
„Dat waren wij, Adam! Je hebt geslapen, houd je maar niet groot!”
Hij knikte rustig, niet op hun woorden lettend.
„Als je oud bent—dan droom je soms—het kwam van den wind—die kan
wonderlijke dingen zeggen, vooral ’s nachts. Jullie zijn jòng—hoóren
den wind niet, begrijpen niet... ik hóór hem ...”
Hij sprak alsof hij alleen was—tòch hen aanziende.
„Ik droomde—ik hoorde den wind en ik zag alles van vroeger, van
Geert—van ... ja àlles...”
De smart trok over zijn gelaat, hij maakte een vage handbeweging.
Eli zat stil, hij wist Adams geschiedenis. Adam had hem die eens zelf
verteld.
„Toen zag ik mijzelf en Geert—ik zag hem komen—ik hoorde zijn stap—dien
ken ik—en hij stond in de deur—en zag me aan—en zei woorden—die ik niet
begreep; ik joeg hem niet weg, zooals ik altijd gedacht had dat ik zou
doen... en hij lag hier en sliep op mijn bed,—maar de woorden, die hij
zei, die verstond ik niet...”
„Adam—is Geert niet al lang dood?” vroeg Eli zacht.
Adam schudde het hoofd.
„Dat zeiden ze—het is niet waar,—ik weet nu dat hij ééns komen zal.”
Hij zweeg weer.
Eli en Hester zaten stil, vreemd-beklemd in die halfdonkere hut.
„Ik wou je iets zeggen, Adam,” begon Eli plotseling.—„Jozef Laret is
weggegaan—ze zeggen voor goed—en Bas Vorst werkt nu in zijn plaats;—als
ik hem voor goed kwijt was, zou het volk beter te leiden zijn.”
Adams oogen flikkerden scherp op; hij was terug in het dagelijksch
leven.
„Is hij weg? Maar je bent hem niet kwijt...”
„Jawel—hij hindert me niet meer in ’t werk...”
„Hij is je vijand...” zei Adam met dezelfde scherpe oogflikkering—„hij
laat niet af van je, al is hij uit je oogen.”
„Wat kan hij doen—wat zou hij me kunnen doen voor werkelijk kwaad!”
„Hij kan je honderd dingen doen die je niet voorziet—hij is een vijand
die niet loslaat.”
Eli haalde zijn schouders op—en begon verder te vertellen van het werk.
Hester was heel stil. Adam luisterde; een enkele maal zag hij lang
Hester aan, zag haar bezorgd, bleek, naar Eli gekeerd gelaat.
Eindelijk stonden zij op om heen te gaan.
Adam bleef aan de deur en zag hen na—waar zij gingen,—twee lange
gestalten, de armen om elkaar geslagen, kampend tegen den nu hevigen
wind.
„Zij heeft kracht,” mompelde hij halfluid,—„wàt ’n kràcht van liefde.”
Hij zag op in de donkere lucht; om hem was de groote donkere
verlatenheid van de hei.
Maar hij kende die eenzaamheid—hij verstond haar.
De hond likte zijn handen en jankte zachtjes.
Toen ging hij terug in zijn hut.