VI.

Hoort!

De oude zwerver, die eens wegtrok uit het stille dorp.

Hoort!

Hoe hij verhalen zal! Van de verre landen, waarheen hij is getogen,

waar hij geleefd heeft het leven van vreemde volken, en zijn mond heeft

gesproken taal van een onbekenden klank.

Waar zengende lucht zijn gelaat heeft gebrand—waar zijn oogen hebben

gevlamd en zijn ziel heeft gejuicht bij het zien van veel dat zóó

schoon was.

Hoort!

Hoe hij verhalen zal! Tot de ouden van dagen een bitter gemis voelen,

als zij denken aan hun eigen eentonig vergaan leven; en de jongeren

opspringen, en uitzien met gretig verlangen over de verre vlakte.

Hoort!

Want schooner dan iéts hier, schooner dan de verre, strenge heide, die

bloedrood ligt in de ondergaande zon—zijn ginds de bergen, de reuzen,

die heffen hun kruin tot de wolken...

Schooner dan de vrede van het oude dorp, waar loom en zwaar de geur van

den lindebloesem hangt over den stillen hof—waar ’s avonds de menschen

zitten en elkaar vertellen de oude dierbare verhalen...

Schooner dan dat alles zijn de vroolijke, lichte steden, waar het

geraas der machines den klank van een menschenstem verdooft—waar ’s

avonds de hemel rood ziet van den vonkengloed der fabriekspijpen, alsof

een groote luchtbrand woedde over de woelende stad.

Hoort dan!

Maar Berend Ross, de moede, spreekt niet.

In de kleine kamer zit hij—en rust voor ’t eerst—en ziet uit, met

oogen, zwaar van de jaren, door het kleine raam, waar hij als knaap

door keek met onrustig verlangen.

Want daar is veel wat hem kan doen vertellen—maar nog meer wat hem

zwijgen doet.

De herinnering aan al dat verre schoon, dat eens onweerstaanbaar hem

tot zich trok. Niemand weet hoé zijn vurige ziel heeft genoten en

gejuicht bij dat heerlijke, dat hij reeds waande zijn deel.

En niemand weet, hoe bitter de eerste teleurstelling is gevallen in die

zonnige ziel, en hoe zwaar de harde zorgen zijn gezonken in zijn groot

blij hart.

Niemand weet dit; want Berend Ross zwijgt.

Enkelen trachten hem aan ’t praten te krijgen—beginnen zelf, hoe

heerlijk toch dat alles moet geweest zijn, waarnaar zij zoo verlangen.

Berend Ross glimlacht; een langzamen, melancholieken glimlach, die doet

denken aan veel ongeweende tranen.

Hij denkt, hoe hij—eindelijk vermoeid van alles—terugzag een oud

visioen, bijna vreemd van oudheid maar zóó goed en zóó rustig.

En terug ging.

Maar dit weten zij niet, de ouden die betreuren, de jongen die

verlangen...

Wat zij hebben, kunnen zij blind niet waardeeren—en wat zij verlangen,

zullen zij nooit bezitten.

— — — — — — — — — — — — — —

Berend Ross legde zijn forsche hand op de kleine gerimpelde van zijn

moeder—en zag haar aan.

En hij wist, dat één ding nooit was veranderd voor hem.

Dat zij geduldig, berustend op hem gewacht had, zonder wankelen, zonder

twijfel.

Dat hòe hij ook zou zijn teruggekomen, zij hem met onveranderde liefde

tot zich had genomen...

Het was alles zoo goed hier ... zoo rustig ... zoo van heel lang

geleden.

De lamp brandde flauw—het oude licht, dat scheen op haar kalm gezicht

en op het zijne.

Buiten lag de hei—koud—donker.

Als toen hij een knaap was...

Het beloofde land · 第 11 / 33 题