De dag lag laag en grijs over het land.
Het volk, opgewekt door het koelere weer, werkte vlugger en krachtiger
dan de laatste dagen. De jongens Wirs en Baats waren onuitputtelijk in
kwinkslagen en grappen en hun schaterlach klonk telkens over de hei.
Het was de stemming, die Eli zoo graag om zich voelde, die hij noodig
had als een levensbehoefte; hij kòn niet leven in gedruktheid en
vijandelijkheid. Maar dezen morgen kon hun vroolijkheid zijn eigen
stemming niet verdrijven. Zwijgend stootte hij telkens weer de spade in
den harden bodem, met zoo’n kracht, dat de aardkluiten opsprongen; maar
hij dacht geen oogenblik aan wat hij deed, zijn gedachten waren diep in
zichzelf gekeerd.
De dagen na dien Zondag waren voor Eli onafgebroken geluk geweest, er
was niets dat hem kwelde, of zijn stemming verstoorde, hij dacht
alleen: Hester, die hem liefhad,—Hester, zijn vrouw. Maar zelfs in die
dagen voelde hij hoe verschillend zij was van hem; als hij haar sprak
van het werk, van zijn illusies erover, dan begreep hij instinctmatig,
ziende haar open, luisterend gezicht, dat zij absoluut vrouw was, in
haar onbegrensde toewijding aan het schepsel dat zij liefhad, maar
nooit, zooals hij, haar liefde kon geven aan zoovelen; zij dàcht niet,
als hij sprak, aan het volk; zij zag alleen hèm. En over zijn
verwondering heen, dat iemand zóó voelen kon, was heviger gelaaid de
warme blijdschap: dat zij hèm zoo liefhad, dat die liefde hém
behoorde...
Waarom had hij dat tevreden geluk niet kunnen houden? Waarom moest
altijd elk gevoel weer verdrongen worden door een nieuw?
Dat geluk lag alweer achter hem.
En nu kwamen erger terug de weifelingen, de angst, waarmee hem zijns
ondanks vervulde die alles gevende, alles verwachtende liefde,—angst,
dat hij daaraan niet zou kunnen voldoen.
Hij had nooit sterk ’t besef van verantwoordelijkheid gehad, dat voelde
hij nu; nu ondervond hij het, en het was hem bijna ondragelijk...
Hij wierp zijn spade neer, en stond een oogenblik, het hoofd in den
nek, als in benauwdheid te staren naar de grijze lucht.
„Was hij geen dwàas? Was er reden zoo te tobben? Kon hij dan niet
genieten wat er te genieten viel! Moest hij dan altijd zichzelf elke
vreugd vergallen!
„Hij wou niet—hij woù niet.”
Als een jongen liep hij om zes uur naar de smidse. Hester wachtte hem
binnen...
Later gingen ze samen voor ’t huis, waar de oude vrouw zat; Maarten was
naar de stad.
De zon ging nevelig onder; er was een stille, grijze vrede rondom over
het land; alleen de krekels sjirpten schel in het gras, over hun hoofd
vloog een zwaluw met snelle wendingen.
Dat was alles.
Toen voelde Eli, terwijl hij zat met Hesters hand in de zijne, die
groote, alomme rust in zich zinken; zijn twijfel van dien middag
verdween. Hij dacht, terwijl hij uitzag over het stille land, hoe
Hester bij zijn komst haar armen om zijn hals had geslagen, en hij had
gebeefd onder de hartstochtelijke kracht van haar omhelzing.
En in die herinnering zat hij roerloos, zonder spreken; voelend weer
alsof iets wonder-blijs, geheimzinnig moois over hem gebeurde, en hij
onderging dat gevoel in bijna-eerbied; hij zàg alleen Hester aan, en
sprak niet, vreezend het weer te verliezen...
De heele maand Juni was warm en mooi; Juli kwam.
En al dien tijd was Eli gelukkig.
Het volk was tevreden, bijna allen waren in Lode gebleven en hadden
geregeld gewerkt.
’s Avonds was Eli altijd bij de Rossen: voor hem was de dagelijksche
omgang met deze menschen van grooten invloed; misschien de grootste
invloed, die hem ooit voor een tijd had kunnen beheerschen.
Tine Ross hield van hem, omdat ze hem gekend had van klein kind af,
omdat ze tegen hem spreken kon over Berend; ze zei nooit veel, maar met
een enkel woord sprak ze soms tegen hem haar verlangen uit, voelend dat
hij dit begreep.
Eli hield van haar en van Maarten, om de groote rust, die van hen
uitging.
Maarten!
Eli kon denken met een bijna pijnlijke verwondering over die forsche
natuur, altijd volkomen in evenwicht, het leven nemend zooals het was,
blijmoedig gerust; bedaard en tevreden-vroolijk deed hij zijn werk,
dreef hij het fijne smeedwerk, dat in Brogs en verder door de
winkeliers werd gekocht.
En niemand wist het geheim, dat hij stil en trouw in zijn hart besloot:
de groote illusie van zijn leven, die gebroken was—Hester, die Eli
liefhad, Eli!
Zij had ’t hem gezegd, denzelfden avond nog, zooals zij gewoon was
àlles aan hem te vertellen, altijd verlangend naar zijn medevoelen.
Maarten had een poos niets gezegd, hij stond voor ’t raam en zag uit,
zonder iets te zien...
„Eli—Eli! En wat hij altijd gedacht had, zóó zeker, dat ’t hem
natuurlijk toescheen—dat was niets dan verbeelding geweest...”
En in de eenvoudige goedheid van zijn hart vroeg hij zichzelf af met
smartelijke verwondering: „Hoe komt ’t dat ’k daar nooit aan gedacht
heb—ik dacht altijd, dat zij ’t zelfde wou als ik...” Eindelijk zei
hij:
„Waarom—heb je me dat nooit gezegd...?”
„Wat?”
„Dat—van Eli...”
Ze zag hem lang aan.
„Ik weet niet—dat weet ik zelf niet.”
Hij zweeg weer—toen zei hij haperend:
„Zal je mij—al is Eli er nu—toch ’t zelfde blijven beschouwen—ik bedoel
net als vroeger...”
Ze kreeg tranen in haar oogen; snel stond ze op en kuste hem.
„Natuurlijk—dat kàn immers niet veranderen—jij en grootmoeder...”
Dàt was ’t—hij en grootmoeder—dat was ’t zelfde—het andere was voor
Eli...
Hij kuste haar niet terug, dat kòn hij nu niet meer; een oogenblik
hield hij haar vast—toen ging hij weer aan zijn werk.
De avonden waren van een groote bekoring. Dikwijls bleven Hester en Eli
samen thuis, en zaten uit te zien over het vredige landschap. Maar ook
dikwijls joeg Eli’s onrust hen op; hij had dagen dat hij Hester geheel
voor zich wilde hebben, jaloersch op ieder die haar een oogenblik van
hem wegnam.
Dan liepen ze samen den weg op naar Boge, een heel eind ver,
doorwandelend onvermoeid, tot zij eindelijk verwonderd stilstonden en
rondzagen; en zij zeiden tot elkaar: „Zóó ver al—ik had er niets van
gemerkt...” En ze lachten met een stil, zalig lachje, en langzamer nog
liepen zij den langen weg terug—elkaar zeggend met zachte, afgebroken
woorden hun liefde...
Soms stonden ze stil; dan nam Eli Hester in zijn armen, en klemde haar
aan zijn borst en kuste haar gelaat met lange, gretige kussen...
Eindelijk gingen zij weer voort, zwijgend nog langen tijd... bevend,
overweldigd door de herinnering aan dat oogenblik...
Zoo gingen de dagen, de een na den ander; en over hun geluk straalde de
volle warme zomer.
De zomer met vreugdige gouden zonneschittering aan strakblauwen hemel;
één juichend feesttij—weer elke dag, die aanbrak...
En in de kleine tuintjes van het volk bloeide nog laat dezen zomer de
vlier; de wind voerde den zoeten geur ver over de heide....
Maar ’s avonds was de hei van een wondere schoonheid, als een
tooverland onder vlammende luchten.
Adam Feke zat voor zijn deur en zag uit in al die heerlijkheid. Dan
speelde hij niet; hij zat daar stil tot de roode gloed was
verstorven—en de avondster kwam...
Eli had hem van zijn liefde verteld.
Hij had alleen gezegd: „Dat is goed—dat is goèd...”
Sinds kwamen Hester en Eli dikwijls samen.
En Adam, als hij haar zag met Eli, dacht: „Zij is sterk—zij heeft wat
Eli mist... het is heèl goed...”
De zomer ging voort.
Tine Ross zag Hesters geluk; en zij sprak nu niet meer tot háár van
haar eigen smart en vreeze...
Zij zweeg—en zag elken avond weer rijzen over een vergeefs verbeiden
dag.
En zij wist niet, hoe dichtbij het was.
Want eer de heistruiken aan den rand van den weg zich paars gingen
kleuren—kwam Berend Ross terug in het dorp.