V.

De dag lag laag en grijs over het land.

Het volk, opgewekt door het koelere weer, werkte vlugger en krachtiger

dan de laatste dagen. De jongens Wirs en Baats waren onuitputtelijk in

kwinkslagen en grappen en hun schaterlach klonk telkens over de hei.

Het was de stemming, die Eli zoo graag om zich voelde, die hij noodig

had als een levensbehoefte; hij kòn niet leven in gedruktheid en

vijandelijkheid. Maar dezen morgen kon hun vroolijkheid zijn eigen

stemming niet verdrijven. Zwijgend stootte hij telkens weer de spade in

den harden bodem, met zoo’n kracht, dat de aardkluiten opsprongen; maar

hij dacht geen oogenblik aan wat hij deed, zijn gedachten waren diep in

zichzelf gekeerd.

De dagen na dien Zondag waren voor Eli onafgebroken geluk geweest, er

was niets dat hem kwelde, of zijn stemming verstoorde, hij dacht

alleen: Hester, die hem liefhad,—Hester, zijn vrouw. Maar zelfs in die

dagen voelde hij hoe verschillend zij was van hem; als hij haar sprak

van het werk, van zijn illusies erover, dan begreep hij instinctmatig,

ziende haar open, luisterend gezicht, dat zij absoluut vrouw was, in

haar onbegrensde toewijding aan het schepsel dat zij liefhad, maar

nooit, zooals hij, haar liefde kon geven aan zoovelen; zij dàcht niet,

als hij sprak, aan het volk; zij zag alleen hèm. En over zijn

verwondering heen, dat iemand zóó voelen kon, was heviger gelaaid de

warme blijdschap: dat zij hèm zoo liefhad, dat die liefde hém

behoorde...

Waarom had hij dat tevreden geluk niet kunnen houden? Waarom moest

altijd elk gevoel weer verdrongen worden door een nieuw?

Dat geluk lag alweer achter hem.

En nu kwamen erger terug de weifelingen, de angst, waarmee hem zijns

ondanks vervulde die alles gevende, alles verwachtende liefde,—angst,

dat hij daaraan niet zou kunnen voldoen.

Hij had nooit sterk ’t besef van verantwoordelijkheid gehad, dat voelde

hij nu; nu ondervond hij het, en het was hem bijna ondragelijk...

Hij wierp zijn spade neer, en stond een oogenblik, het hoofd in den

nek, als in benauwdheid te staren naar de grijze lucht.

„Was hij geen dwàas? Was er reden zoo te tobben? Kon hij dan niet

genieten wat er te genieten viel! Moest hij dan altijd zichzelf elke

vreugd vergallen!

„Hij wou niet—hij woù niet.”

Als een jongen liep hij om zes uur naar de smidse. Hester wachtte hem

binnen...

Later gingen ze samen voor ’t huis, waar de oude vrouw zat; Maarten was

naar de stad.

De zon ging nevelig onder; er was een stille, grijze vrede rondom over

het land; alleen de krekels sjirpten schel in het gras, over hun hoofd

vloog een zwaluw met snelle wendingen.

Dat was alles.

Toen voelde Eli, terwijl hij zat met Hesters hand in de zijne, die

groote, alomme rust in zich zinken; zijn twijfel van dien middag

verdween. Hij dacht, terwijl hij uitzag over het stille land, hoe

Hester bij zijn komst haar armen om zijn hals had geslagen, en hij had

gebeefd onder de hartstochtelijke kracht van haar omhelzing.

En in die herinnering zat hij roerloos, zonder spreken; voelend weer

alsof iets wonder-blijs, geheimzinnig moois over hem gebeurde, en hij

onderging dat gevoel in bijna-eerbied; hij zàg alleen Hester aan, en

sprak niet, vreezend het weer te verliezen...

De heele maand Juni was warm en mooi; Juli kwam.

En al dien tijd was Eli gelukkig.

Het volk was tevreden, bijna allen waren in Lode gebleven en hadden

geregeld gewerkt.

’s Avonds was Eli altijd bij de Rossen: voor hem was de dagelijksche

omgang met deze menschen van grooten invloed; misschien de grootste

invloed, die hem ooit voor een tijd had kunnen beheerschen.

Tine Ross hield van hem, omdat ze hem gekend had van klein kind af,

omdat ze tegen hem spreken kon over Berend; ze zei nooit veel, maar met

een enkel woord sprak ze soms tegen hem haar verlangen uit, voelend dat

hij dit begreep.

Eli hield van haar en van Maarten, om de groote rust, die van hen

uitging.

Maarten!

Eli kon denken met een bijna pijnlijke verwondering over die forsche

natuur, altijd volkomen in evenwicht, het leven nemend zooals het was,

blijmoedig gerust; bedaard en tevreden-vroolijk deed hij zijn werk,

dreef hij het fijne smeedwerk, dat in Brogs en verder door de

winkeliers werd gekocht.

En niemand wist het geheim, dat hij stil en trouw in zijn hart besloot:

de groote illusie van zijn leven, die gebroken was—Hester, die Eli

liefhad, Eli!

Zij had ’t hem gezegd, denzelfden avond nog, zooals zij gewoon was

àlles aan hem te vertellen, altijd verlangend naar zijn medevoelen.

Maarten had een poos niets gezegd, hij stond voor ’t raam en zag uit,

zonder iets te zien...

„Eli—Eli! En wat hij altijd gedacht had, zóó zeker, dat ’t hem

natuurlijk toescheen—dat was niets dan verbeelding geweest...”

En in de eenvoudige goedheid van zijn hart vroeg hij zichzelf af met

smartelijke verwondering: „Hoe komt ’t dat ’k daar nooit aan gedacht

heb—ik dacht altijd, dat zij ’t zelfde wou als ik...” Eindelijk zei

hij:

„Waarom—heb je me dat nooit gezegd...?”

„Wat?”

„Dat—van Eli...”

Ze zag hem lang aan.

„Ik weet niet—dat weet ik zelf niet.”

Hij zweeg weer—toen zei hij haperend:

„Zal je mij—al is Eli er nu—toch ’t zelfde blijven beschouwen—ik bedoel

net als vroeger...”

Ze kreeg tranen in haar oogen; snel stond ze op en kuste hem.

„Natuurlijk—dat kàn immers niet veranderen—jij en grootmoeder...”

Dàt was ’t—hij en grootmoeder—dat was ’t zelfde—het andere was voor

Eli...

Hij kuste haar niet terug, dat kòn hij nu niet meer; een oogenblik

hield hij haar vast—toen ging hij weer aan zijn werk.

De avonden waren van een groote bekoring. Dikwijls bleven Hester en Eli

samen thuis, en zaten uit te zien over het vredige landschap. Maar ook

dikwijls joeg Eli’s onrust hen op; hij had dagen dat hij Hester geheel

voor zich wilde hebben, jaloersch op ieder die haar een oogenblik van

hem wegnam.

Dan liepen ze samen den weg op naar Boge, een heel eind ver,

doorwandelend onvermoeid, tot zij eindelijk verwonderd stilstonden en

rondzagen; en zij zeiden tot elkaar: „Zóó ver al—ik had er niets van

gemerkt...” En ze lachten met een stil, zalig lachje, en langzamer nog

liepen zij den langen weg terug—elkaar zeggend met zachte, afgebroken

woorden hun liefde...

Soms stonden ze stil; dan nam Eli Hester in zijn armen, en klemde haar

aan zijn borst en kuste haar gelaat met lange, gretige kussen...

Eindelijk gingen zij weer voort, zwijgend nog langen tijd... bevend,

overweldigd door de herinnering aan dat oogenblik...

Zoo gingen de dagen, de een na den ander; en over hun geluk straalde de

volle warme zomer.

De zomer met vreugdige gouden zonneschittering aan strakblauwen hemel;

één juichend feesttij—weer elke dag, die aanbrak...

En in de kleine tuintjes van het volk bloeide nog laat dezen zomer de

vlier; de wind voerde den zoeten geur ver over de heide....

Maar ’s avonds was de hei van een wondere schoonheid, als een

tooverland onder vlammende luchten.

Adam Feke zat voor zijn deur en zag uit in al die heerlijkheid. Dan

speelde hij niet; hij zat daar stil tot de roode gloed was

verstorven—en de avondster kwam...

Eli had hem van zijn liefde verteld.

Hij had alleen gezegd: „Dat is goed—dat is goèd...”

Sinds kwamen Hester en Eli dikwijls samen.

En Adam, als hij haar zag met Eli, dacht: „Zij is sterk—zij heeft wat

Eli mist... het is heèl goed...”

De zomer ging voort.

Tine Ross zag Hesters geluk; en zij sprak nu niet meer tot háár van

haar eigen smart en vreeze...

Zij zweeg—en zag elken avond weer rijzen over een vergeefs verbeiden

dag.

En zij wist niet, hoe dichtbij het was.

Want eer de heistruiken aan den rand van den weg zich paars gingen

kleuren—kwam Berend Ross terug in het dorp.

Het beloofde land · 第 10 / 33 题