Zonder eenig beletsel werd de opiumlading aan land gebracht.
De Chineesche koopman overhandigde Raffles daarvoor 8 zakken, die met
goud gevuld waren en het bedrag van 1½ millioen dollars
vertegenwoordigden.
Tegen den morgen reeds lichtte het jacht zijn ankers en voer nu met
volle zeilen de haven van Shanghai binnen.
Ook hier wekte het de algemeene bewondering op.
Nauwelijks waren de ankers uitgeworpen, of een Amerikaansche
consulaatsboot naderde en de Amerikaansche consul Brown kwam aan boord.
„Mr. Lister”, riep hij, toen hij voor Raffles stond.
„Yes, Sir, wat wenscht gij van mij?”
De consul haalde een telegram te voorschijn en sprak:
„Ik heb van mijn regeering een telegram gekregen, waarin mij wordt
bevolen, acht te geven op een zeiljacht, waarvan gij de kapitein zijt
en dat sinds eenige weken is verdwenen.
„Zijt gij dat werkelijk?”
„Ja, Sir”, antwoordde Raffles weer. „Wij waren in een taifun en konden
ons slechts met moeite redden.”
„Ontvang dan mijn gelukwenschen met den goeden afloop.”
Nu verliet de consul het jacht en de Chineesche douanebeambten kwamen
aan boord zonder iets te vinden.
Den volgenden dag ontsloeg Raffles zijn matrozen, nadat hij hen goed
had beloond en liet zich door een agent nieuwe manschappen bezorgen.
Maar een enkelen ontsloeg hij niet en dat was Tylar, dien hij in zijn
hut gevangen hield.
Nadat hij vier dagen in de haven had gelegen en al het ontbrekende voor
het schip had gekocht, nam hij zijn koers naar het Westen.
Charly Brand echter ontving op dien tijd een telegram in New-York van
den volgenden inhoud:
„Mr. Brand, Usterhotel,
New-York.
Vaar heden van Shanghai naar Londen. Hoop, dat pruik succes heeft
gehad. Beste groeten aan de dames Delma en aan Señor Delma.