Een schot, waarop nog verscheiden andere volgden, werd hun nagezonden.—

Raffles zag, hoe uit den schoorsteen van den kruiser dikke rookwolken

opstegen en wist, dat deze stoom zette om hen te vervolgen.

„Voorwaarts, jongens!” riep hij zijn matrozen toe. „Wij moeten den

Engelschman toonen, dat wij, Amerikanen, tegen hem zijn opgewassen.

„Gij kent het schip, en weet wat het vermag. Wij moeten den Engelschman

achter ons laten!”

De Engelsche pantserkruiser deed wanhopige pogingen om het zeiljacht in

te halen.

Maar het hielp hem niets.

Steeds grooter werd de afstand en eindelijk was van het jacht niet meer

dan een witte plek, zoo groot als een meeuw, te zien.

Toen viel de duisternis en het jacht was geheel en al verdwenen.

Den volgenden morgen dook aan de Chineesche kust Shanghai op.

Doch in een groote bocht vermeed Raffles de kust van Shanghai en het

scheen, alsof hij de haven niet wilde binnenloopen.

In de buitenhaven wemelde het van vaartuigen van alle naties.

Douanebooten vlogen heen en weer en maakten aanstalten om het zeiljacht

op te zoeken.

Hij had in de kajuit, in den borstzak van den gedooden Chineeschen

klerk, de brieven gevonden, die Wou-Wang aan zijn vriend in Shanghai

had gericht.

Op eenige mijlen afstands liet Raffles de boot in een stille bocht

varen en begaf zich den volgenden dag op een klein bootje, dat zij in

Nagasaki van Wou-Wang hadden gekregen, aan land.

Hij wilde probeeren, een der Chineesche kooplieden, wier adressen hij

uit de brieven kende, in Shanghai op te zoeken.

Dicht bij het strand bevond zich een klein visschersdorp.

Onder de visschers vond hij een, die zooveel Engelsch sprak, dat hij

zich tegenover hem verstaanbaar kon maken en dezen nam hij als gids mee

naar Shanghai.

Het was na middernacht toen hij voor het huis van den koopman aankwam

en dezen door een bediende liet wekken.

Sam-Li, een oude Chinees, verscheen ontstemd in de voorhal van zijn

huis en vroeg Raffles naar diens verlangen.

Hij sprak vloeiend Engelsch.

Het viel Raffles dus niet moeilijk, met hem te praten.

„Ik kom van Wou-Wang” begon de Groote Onbekende, „en ben kapitein van

het zeiljacht „Carmenrita.””

Nauwelijks had de Chinees deze woorden gehoord, of hij vertrok zijn

gelaat tot een vriendelijken lach en noodigde Raffles, diens matrozen

en gids uit, binnen te komen.

Binnen een half uur was Raffles het met hem eens en de Chinees

verklaarde zich bereid het bedrag voor de zending aan hem uit te

betalen.

Een uur later vertrok een karavaan muildieren en arbeiders om nog in

den nacht de kostbare lading te gaan halen.

Lord Lister No. 0051: De veertig dieven · 第 13 / 17 题