Op het bovenportaal eener kleine woning aan den Buitenkant te Amsterdam
staan twee mannen; de een staat bij de deur der kamer, waaruit hij
zooeven gekomen is; de ander op de bovenste trede der steile trap
met de hand aan de leuning.
"Ik herhaal je menheer Baars, dat ik in _geen_ geval aan je onbillijken
eisch zal voldoen;" zegt de eerste op gedempten toon.
"Onbillijk!" herhaalt de tooneeldirecteur met smadenden lach: "Denk je
dan dat we ons dáármee 't hoofd kunnen breken? 't Zou wat moois wezen
als de een niet wou spelen omdat z'n neef 'en zinking op 't oog had,
of 'en ander omdat z'n zuster aan eksteroogen leed!"
"Die zoutelooze aardigheden zijn ongepast. 't Geldt hier een
doodzieken broeder, die al gedurende twee dagen en nachten in gestadige
ijlkoortsen ligt, en door niemand dan mij wil geholpen zijn."
"Ja, dat is allemaal tot je dienst, maar daar kan een directeur zich
niet om bekreunen. God beware! Toen m'n eigen vader op sterven lag,
toen speelde ik 's-avonds wel voor Thomas-Vaer in de Bruiloft van
Kloris en Roosje; en toen ik m'n moeder 's-morgens begraven had...."
"Toen hadt je je 's-avonds in je rol moeten ophangen!" snerpt Philip
op dof schrillen toon. En dan: "Maak dat je wegkomt!"
"Maar sakkerloot, een acteur moet...."
"Een acteur moet niet vergeten dat hij _mensch_ is. Ik heb nooit
begrepen dat dit een eisch was dien men hem stelt. Nog eens: Zoolang
ik in zorg ben over mijn broeder speel ik _niet_!"
"Haha, dat is dan die hooggeroemde _trouw_!"
"Wanneer ik onwetend mijn woord gaf voor iets, dat beneden mij is,
dan breek ik dat woord. Ga heen! Ik zeg u voor 't laatst dat ik _niet_
spelen zal. Ik _kan_ en _wil_ het niet."
"Dát zullen we zien!" zegt Baars met een dreigend gebaar, en als
hij nog wil voortgaan om het "onwillig sujet" op weinig kiesche
wijze aan zijn verplichting te herinneren, dan wordt de deur der
ziekenkamer haastig maar behoedzaam geopend, en spreekt een zachte
stem op bewogen toon:
"Als je een afgetobden lijder een oogenblik van verademing, ja
misschien een rustig _sterven_ gunt, doe dan wat mijn man u vraagt
menheer Baars, en ga heen."
De directeur van het reizend tooneelgezelschap is een man zonder
beschaving en zelfs zonder eenig kunstgevoel. Slechts het "slaan
van dubbeltjes" is de kunst die hij liefheeft en beoefent met hart
en ziel. Nochtans, toen hij na de woorden van mevrouw Philippe,
zacht pruttelend naar beneden ging, toen plooide een rimpel zijn
voorhoofd. 't Speet hem eensklaps dat hij die leugen heeft verzonnen
om hem over te halen.
Wat moest hij wel denken van iemand, die op zijns vaders sterfdag
een klucht ging vertoonen? Nu ja, als het hier zóó erg gesteld was
dan.... In 's-hemelsnaam! de Casper Lariefarie moet Lowee dan maar
spelen. Men kan geen ijzer met handen breken. Iemand die sterven
ging! Enfin, dat doet men maar eens!
Zachtjes op de teenen loopend, is Philip nu met zijn vrouw in de
voorkamer teruggetreden, die wel aan de vroeger door hem bewoonde
bovenkamer in de Tuinstraat herinnert, doch--ofschoon grooter en niet
zoo somber--nu kleiner schijnt door het breede ledikant 'twelk er in
't midden geplaatst is.
"Goddank! hij slaapt," zegt Philip, terwijl hij den doodsbleeken
August, met pijnlijk gesloten lippen, schier voor het eerst na zoo
vele uren van angstig waken en tobben, naar 't uiterlijke kalm ziet
nederliggen: "Ja Virginie, hij slaapt Goddank!" herhaalt de jongere
Helmond, en geeft zijn geliefde een zoen. En dan: "Wacht, blijf jij
nu even hier; ik moet het oogenblik waarnemen om óók een zoen aan
ons ventje te geven."
Philip verlaat nu de kamer en treedt in het kleinere vertrek
ernaast. 't Is de slaapkamer der ouders van den kleinen Prits. En
ginds zit hij in zijn tafelstoel, de blonde halfjarige guit met zijn
groote blauwe oogen. De althea-wortel glijdt weg uit zijn mondje,
en de rammelaar aan een blauwzijden lint valt eensklaps uit de kleine
hand: Met de poezele armpjes naar den vader uitgestrekt, kraait het
jongske van pret.
--Ja 't was ook hard! Met de reis naar Zutfen en Briesborg meegerekend,
had het lieve blonde ventje zijn vader in zes dagen zoo goed als in
't geheel niet gezien; die vluchtige keeren in de laatste dagen telden
niet mee.--Ja ja, nu zal hij den stoel uit. Ja, nu moet hij weer eens
zoo heel hoog naar boven worden getild en dan, ploef, ineens heel laag
naar beneden!--Hoor hoor hem eens kraaien vol ongeduldige blijdschap;
en, wat de vader het jongske--misschien niet verstandig--alreeds
zocht te leeren: het noemen van zijns vaders voornaam, het klinkt nu
mede met ongeduldig opspringen in den stoel: "Fiffie, Fiffie!" en,
hij kraait en hij springt weer.
--Neen, nu de deur maar dicht is, nu kan de zieke het niet hooren.
"Moest jij er voor lijden mijn arm klein Fribbeltje!" zegt Philip,
en neemt het kind uit den stoel, en tilt hem hoog _hoog_ en ploft
hem dan tot op den grond; en weer in de hoogte en weer naar beneden,
totdat.... Philip werd eensklaps zoo duizelig.--Hij hield den kleinen
Frits goed vast, maar staakte het spel, en trok zich terug tot aan
het groote ledikant.--Zóó op den rand zittend ging het beter. Fritsje
wiegde in zijns vaders armen vóór- en achterover.--De vader wist echter
niet wat hij deed.--Fritsje weet niet wat een schommel is, maar hij
vond het prettig. Een beetje later is 't hem alsof hij in zijn wiegje
ligt. En de vader--hij wist wel wat een schommel was, en meende dat
hij met klein Fribbeltje erin zat. Hij hield hem _stevig_ vast.... maar
't ging zóó hoog, zóó hoog, dat hij de oogen moest sluiten; en.... toen
liet hij zich glijden, en.... hij weet niet meer wat.
Uitgeput van vermoeienis naar lichaam en geest, is de jongere Helmond
in slaap geduizeld; maar het kleine ventje houdt hij toch altijd stevig
vast. En Fribbeltje pinkt en dubt met de lange donkere oogwimpers,
en.... slaapt dan mede--in de armen van zijn lieven Fiffie!
Virginie Helmond had den wensch van Philip begrepen. Ach ja, nu dokter
August wat rustiger is geworden, nu mocht de goede jongen wel een
oogenblik tot verademing komen.--Dien tijd kan zij waarnemen om hier in
haar woonkamer de schromelijke wanorde een weinig te herstellen, die
er, door den toestand, waarin men zoo onverwachts geraakte, wel moest
ontstaan.--'t Is onbegrijpelijk hoe die trouwe Philip dat alles, en
bijna geheel alleen, heeft beredderd.--Dat gebroken kopje op den vloer,
en die groote scheur in het ledikantgordijn, ze bewijzen genoeg dat er
vreeselijke momenten zijn geweest. En dan, wat zielsangsten moet de
arme Philip hebben doorstaan! In de vaste meening dat dokter August,
ten einde raad, zich aan dien ouden generaal had vergrepen, heeft
Philip schier het onmogelijke gedaan om den lijder--na hun aankomst
in Amsterdam--niets slechts te verzorgen, maar hem ook voor den blik
der politie te vrijwaren. Toen eindelijk, door de tusschenkomst van
den heer Woudberg, die schrikkelijke verdenking was opgeheven, en
Virginie bij haar aankomst nog mede de onwaarheid ervan heeft mogen
bevestigen, toen was de blijdschap van Philip zoo groot geweest,
dat hij het bijna te kwaad had gekregen.
Het ledikant, 'twelk in allerijl van een voornamen uitdrager was
ontboden, moest hier in de nette woonkamer worden opgeslagen--maar
zonder levenmaken.--Den eerste die leven maakte smeet hij de trap af!
En uit de diepe kast in de achterkamer, waarin hij den broeder met
de uiterste zorg een leger gespreid en tot nu toe verborgen had,
heeft hij hem toen naar deze kamer overgebracht. Hier, _hier_ zou hij
herstellen; hier zou Philip hem bewaken en verzorgen al moest hij
er zelf hij neervallen. Hier zou hij den "armen duivel" liefhebben
totdat.... totdat hij weer heelemaal gezond vertrekken kon.
Terwijl Virginie Helmond zonder eenig geraas de orde in de kamer
herstelt, blijft het rustig in het groote ouderwetsche ledikant.
--'t Was toch zonderling; dat die voorname zwager daar nu neerlag
in _hare_ woning, en geheel alleen overgelaten aan de zorg van den
verguisden Philip en zijn verachte vrouw.
--Slaap gerust arme zieke, denkt de jeugdige echtgenoot van den vurigen
Helmond, terwijl ze met de hand aan het fijnbesneden gelaat naar de zij
van het ledikant tuurt: Slaap gerust! Ik heb verplichting aan u. O! 't
geeft een zalig gevoel wanneer men iemand die ons.... wanneer men
"iemand als ú", met zorg en liefde omringen kan. En dat gevoel heb
ik leeren kennen door mijn eenige, mijn trouwe! O God, als hij het
niet zoo dikwijls herhaalde, dat er zonder mij geen geluk voor hem
kon bestaan, ja, dán zou ik misschien al gestorven zijn van smart
over het lot dat hij door mij te dragen kreeg. Maar stil, was het
misschien ook voor hém een bron van stille vreugd, dat hij een arm
en onervaren kind aan zich verbond, om haar een trouw te leeren die
in haar omgeving helaas, maar al te weinig gevonden wordt.
--O dokter Helmond, je wist niet wat kostelijken schat je in je
broeder hebt bezeten, en dat zijn waarachtige trouw vaststaat als
een rots in zee. Maar nú dokter, nú zul je het weten, nu zul je dan
ondervinden wie mijn Philip is.
Eensklaps ontstelt Virginie geweldig. In gedachten verzonken naar het
ledikant turend, ziet ze de oogen van den lijder strak en glinsterend
om den hoek der gordijn haar aanstaren.
"Wil je wat drinken dokter?" zegt Virginie, zich herstellend, maar
houdt de lange zwarte wimpers toch naar den grond geslagen.
"Neem weg! Grijp weg!" roept de zieke op angstigen toon; en nog eens
met verheffing van stem: "Eva grijp weg!--Zie je niet? Dáár! Ze willen
hem levend met mij begraven!--Laat vallen die diamanten, laat los;
los! Grijpt hem! O God, daar hebben ze ons kind.... O God, en _hij_
heeft het niet gedaan. _Ik_ heb hem vergift gegeven, _ik_! Zie maar,
bloed, bloed!" En vreeselijk gillend: "Bloed!"
Philip is reeds toegesneld. Hij waakte al slapend. Een half uur slapens
heeft toch zijn krachten verfrischt.--Weinige oogenblikken later is hij
er in geslaagd den zieke tot kalmte te brengen. Zijn Virginie geeft hij
te drinken, en verzoekt haar dan zich te verwijderen.--Hoor, 't is nu
nog treffender dan zooeven. Aanhoudend, zonder een enkel oogenblik
rust, klinkt het nu uit zijn mond: "Eva kom, Eva kom!" en altijd
weder hetzelfde op dien angstig jagenden toon: "Eva kom, Eva kom!"
Maar Eva kwam niet.
Neen, reeds vier- vijfmalen was Philip naar het venster gegaan,
maar telkens reed het rijtuig, 'twelk hij had hooren aankomen
voorbij. En toch, wanneer men na 't ontvangen van het laatste
telegram--dat Woudberg ter volkomene opheldering naar Romphuizen
heeft gezonden--_aanstonds_ vertrokken was, dan had men reeds met den
sneltrein kunnen hier zijn. Maar, of een vrouw als Eva Armelo zich zoo
bijzonder zou haasten....? Althans Philip ziet alweder naar buiten,
doch--Eva komt niet.
En Eva? Ach, van het oogenblik, waarin zij zekerheid bekwam dat
Helmond zich te Amsterdam ten huize van haar zwager bevond, was haar
opgewonden koortsachtig drijven om te vertrekken zóó sterk geweest,
dat haar oude vriendin er ternauwernood in geslaagd was om haar een
weinig tot kalmte te brengen, en te doen gevoelen dat men niets won
met een paar uren vroeger per rijtuig te vertrekken, indien men toch
met geen vroegeren trein te Amsterdam kon aankomen. Toen men in 't
einde tot vertrekken gereed was, toen heeft de kapitein Armelo God
in stilte gedankt dat mama had besloten maar thuis te blijven.
De "bespottelijke" ingenomenheid van Eva met die weduwe Van
Hake, ekskuseerde haar, zooals zij beweerde, om "van de partij te
zijn".--"Neen", heeft mama gezegd: "een moeder, die zóó met ondank
wordt beloond, kan haar hart geen geweld aandoen, en meegaan om een
schoonzoon op te passen, die de heele familie bedrogen en haar kind
het hoofd heeft op hol gebracht."
Ja waarlijk, Armelo is blij geweest dat mama tot dat besluit is
gekomen.--Eva verstond letterlijk geen rede tenzij die weduwe haar
bemoedigde en troostte. Ja, ja zeker, ze luisterde ook wel naar hem
als hij haar courage zocht in te spreken, en haar herinnerde hoe
hij zelf na 't jaar 40 een pil te slikken kreeg, en de ritmeester
Van Disse hém toen getroost heeft met te wijzen op het houten been,
waarmee die oude kameraad sedert 30 moest rondspringen; maar hij
wist toch al spoedig niet meer wat hij zeggen zou, en Eva werd er
ook maar weinig door getroost. Nee die goede mevrouw Van Hake was
hem inderdaad een reddende engel; zij had zoo den slag.... ze was
zoo bedaard; ze praatte niet _mee_, en toch ook niet _tegen_. Ja,
ze was zoo lief voor zijn kind; en dat kind--ach, ze heeft toch
zooveel goeds, en is nu wel diep te beklagen.--Wát zal men er van
zeggen!? Eigen schuld! _Eigen schuld!?_ Maar wie heeft er _geen_ schuld
in de wereld? Eva was zoo jong; zooveel jonger dan hij, Armelo zelf,
in den tijd toen mama.... op een kleiner schaal jawel....
"Stil maar Eefje-lief," heeft hij gezegd toen men dan eindelijk in
de vigilante zat, die hen naar 't station zou brengen: "stil lieve
Eva; vergeet niet dat je een militaire-kind bent. Je moet je in den
spoorwagen goedhouden. De sergeant Wagenaar placht te zeggen...."
Maar Eva hoorde hem niet; ze stak het hoofd uit het portier en riep
vol onrust:
"Vooruit dan koetsier, vooruit! of we komen te laat aan den trein!"
En Philip Helmond snelt opnieuw naar het raam. Hij heeft weer een
rijtuig gehoord. Het kwam nader. Ja zie, de voerman tuurt naar
de nummers der huizen.--Philips hart klopt vol onrust. Nu is de
vigilante de woning genaderd. Zij houdt stil voor de deur. Zal zij
er uitkomen? Zij! de vrouw die hij haat. Zal zij zich hier bevinden,
_hier_, binnen weinige seconden....!
"Eva kom, Eva kom!" klinkt het nog altijd van August's lippen, doch
nu telkens flauwer en straks nauwelijks hoorbaar.
"Ja kom dan, in Godsnaam, kom!" zegt Philip bij zich zelven, en perst
de lippen opeen, en hoort gestommel op de trap, en.... staart naar
de deur, maar mist toch de kracht om die te gaan openen.
"Voorzichtig kindlief, niet zoo haastig;" zegt Armelo: "Laat mij nu
voorgaan Eva; de trap is steil; en,--ik dien toch te vragen of we
hier waarlijk terecht zijn."
Maar Eva heeft niet naar den vader geluisterd. Op een paar treden na is
ze reeds boven.--Doch nu, bijna had zij naar evenwicht verloren. De
sleep van haar kleed is aan een spijker blijven haken. Met een
krachtigen ruk, die een groote scheur in dien sleep maakt, heeft ze
zich aan de klem ontworsteld.--Wat, _wát_ geeft ze nu om japonnen
met slepen!
Vreeselijk bonst haar het hart terwijl ze nu schier in hetzelfde
oogenblik de hand naar gindschen deurknop uitstrekt. Zij voelt,
ze weet het, daar, dáár moet hij zijn.
Philip Helmond staat onbeweeglijk. 't Is hem alsof hij versteend
is.--Nu zal ze komen.--En, de deur ziet hij opengaan.
Met gejaagden doch onhoorbaren tred, kwam daar een vorstelijk schoone
gestalte naar binnen. Nadat zij de kleine voile had opgeslagen,
heeft ze hem vluchtig aangezien; en, in hetzelfde oogenblik naar
het ledikant wijzend, is ze ijlings zonder te spreken er heengesneld.
--En, dát is ze dan.... dat is dan de ijdele vrouw die de zijne
veracht....--Maar hoor--O God, dat moet wel een steen vermurwen; dat
perst hem met geweld de tranen in 't oog. Hoor, eensklaps zwijgt het
jagend geroep van den armen lijder; een lange zucht glijdt er van zijn
lippen; de matte van koortsgloed schitterende oogen slaat hij naar haar
op; 't is alsof een glimlach zijn doodsbleek gelaat overtrekt. En zij,
uitbarstend in bitter geween, roept weder met nokkende stem:
"Ach ja, mijn August, mijn liefde, mijn alles! Hier hen ik; je Eva!"
Neen, Philip Helmond heeft aan die eerste opwelling toch geen gevolg
kunnen geven. Een oogenblik was hij er bijna toe gekomen, om haar
terzij te snellen en haar de hand te drukken, vol innigen dank omdat ze
gekomen is en den armen broeder dien weemoedigen glimlach op 't lijdend
gelaat heeft getooverd. Maar, 't was zóó beter; hij heeft het niet
gedaan. De vrouw kan haar man liefhebben, en toch verachtelijk zijn.
De jongere Helmond wordt nu afgeleid. Er waren nog twee personen naar
binnen gekomen. Dat moeten haar ouders wezen. Hij spreekt fluisterend
met hen, maar, hij zal hun niet toonen dat hij medelijden heeft
met hun kind. Dat kind, die dochter, veracht zijn vrouw, _zijn_
schat, en daarom.... Philip staat nu weder alleen. De oude man en
die dame in 't zwart zijn naar het ledikant gegaan, en.... Neen,
het was te verwachten, de arme August herkende hen niet. Maar ook,
helaas, de oogenblikkelijke kalmte, die Eva's komst had bewerkt,
is reeds voorbijgegaan.
Op het zien van den ouden kapitein is August eensklaps overeind
gerezen, en terwijl hij het hoofd terugtrekt naar de binnenzij van
het ledikant, ijlt hij weder:
"Vermoord! dood! vergift! Voor duizend, voor tienduizend gulden
vergift!" en in woeste opgewondenheid gaat hij met ijlen voort, en
doet de omstanders sidderen, en Eva, marmerwit geworden, terugdeinzen
en het gelaat met beide handen bedekkend jammeren:
"O God! o groote God!" Doch, meer te spreken vermag zij niet.
Weinige minuten later ontwaakt Eva uit een korte bezwijming. Zij rust
met het hoofd tegen den schouder der jonge vrouw, die ijlings uit de
andere kamer was toegeschoten. De man, dien zij bij haar binnentreden
het eerst heeft gezien, stond aan haar zij en verfrischte haar
met eau-de-cologne. En ofschoon ze eensklaps haar volle bewustzijn
herkreeg, ze moet nu de oogen toch sluiten..... Een oogenblik later
zegt ze zacht:
"Ik dank u.... 't Is nu voorbij.--Ik zal sterk zijn. Ach, laat mij
nu met hem alleen?"
't Sprak vanzelf dat een vermeerdering van drie personen het kleine
vertrek wat al te vol deed worden.
De dokter, die den patiënt kwam bezoeken, liet zich met een paar
woorden hierover uit. In 't belang van den zieke waren lucht en stilte
noodzakelijk. 't Was hier wel wat klein.
Weinige oogenblikken later bevindt Virginie Helmond zich in het
benedenhuis, en spreekt er met haar hospita. De hospita schudde eerst
geweldig het hoofd om aan te toonen dat de zaak niet te vinden zou
zijn; maar toch, haar hart was "plooizaam" wanneer het noodig was,
en--ze zou doen wat ze kon.
Nadat Virginie, weder boven gekomen, zeer vluchtig op het portaal met
Philip heeft gesproken, treden die beiden de ziekenkamer weer in,
terwijl ze nog op den drempel een snellen blik van verstandhouding
wisselen.
Mevrouw van Hake, die zooeven een goedkeurend woord van den
Amsterdamschen dokter over het aanwenden van een afleidend middel
heeft ontvangen, zegt nu fluisterend tot Eva:
"Niet zoo onophoudelijk schreien lieve Eva. 't Is niet goed. Zie,
hij ligt nu weer kalm."
"Maar _hoop_! Zou er _hoop_ wezen?"
"Waarom zou die er _niet_ zijn? Maar dan moet ook alles gedaan worden
wat in zijn belang noodzakelijk is."
Op dit oogenblik komen Philip en Virginie in de kamer terug. Terwijl de
eerste naar Eva ziet, doch op een afstand blijft staan, gaat Virginie
naar het venster waar de kapitein Armelo reeds een geruimen tijd stond,
en er gedurig eens naar buiten keek.
Het was hem eigenlijk alsof hij droomde terwijl hij daarbeneden die
gansch ontwende drukte zag, en, voor zich uit, dat breede spiegelgladde
IJ, tintelend in de zon, met al die zeil- en stoomschepen, en de af-
en aanvarende roeibootjes er tusschen door. Ja, 't was hem alsof hij
droomde. Maar telkens, en altijd weder wanneer hij uit die droomerijen
ontwaakte, kwam hem de vraag voor den geest: Is het dan háár schuld;
de schuld van dat arme kind? Zie, haar _moeder_ is thuis gebleven, en
die _vreemde_ is meegegaan. Haar moeder heeft bij 't afscheid gezegd,
dat zij--alles nu daargelaten--ook wel thuis blijven _moest_. Mama
zou in Eva's afwezigheid toch het bestier van 't groote huis wel
dienen op zich te nemen.
--Maar--zou het dan _moeders_ schuld zijn alleen, en volstrekt niet
de _zijne_.....?
Armelo heeft het eensklaps zeer warm gekregen. Ja, hij had daar immers
juist het kind weer aangezien, het lieve kind met haar roodgeschreide
oogen; en.... phu! de oude polonaise met de nauwe mouwen heeft hij toen
wat losgeknoopt. Maar zie, nu de onderjas daardoor aan 't licht kwam,
nu werd Armelo's oog onwillekeurig naar beneden getrokken. Wát was
dat!--Toen hij zich voor die overhaaste reis naar Amsterdam heeft
gekleed, toen moet mama hem--natuurlijk met den meesten spoed, de
groote "tiendaagsche ruzie" en de "vijf en twintigjarige" op de reeds
wat kaal geworden Zondagsche jas nebben genaaid.
--Goeje hemel, dat hij daar eerder niets van gezien heeft! Is _dit_
nu een gelegenheid.... dit!?
Zoo spoedig mogelijk heeft Armelo zijn pennemes uit den zak gehaald.
Geheel en al afgewend, bijna met hoofd en handen tegen het vensterglas
gedrukt, tarnt hij nu die monsterdingen los.
Op het oogenblik dat de kapitein hiermee bezig was, trad Virginie op
hem toe. Zoo snel hij kon deed hij nu de polonaise weer dicht, maar kon
het niet verhinderen dat de "tiendaagsche ruzie" er onderuit en voor
zijn voet op den grond viel.--Dat was hem nog eens gebeurd.--Gelukkig,
zij ziet het niet. Armelo zet er haastig den voet op.
"Watblieft u mevrouw?"
Terwijl Virginie Helmond den kapitein verzoekt om--voor zoolang als hij
hier zal blijven--van een der beide benedenvertrekjes die haar hospita
wil inruimen, gebruik te maken, is Eva--na een aarzeling--opgestaan,
en, tot Philip genaderd, zegt ze fluisterend met neergeslagen blik:
"Ik wilde u iets vragen. Het betreft...."
Ofschoon Philip bij deze onverwachte toespraak eensklaps zeer bleek
is geworden, zoo bespeurt Eva echter zijn ontroering niet, en, zich
aanstonds herstellend, opent hij de deur van het kleinere achtervertrek
en zegt:
"Ga in deze kamer mevrouw. Hij mocht ons hooren misschien."
En daar staan ze nu tegenover elkander. Eva is zeer gejaagd. Bij
haar diepe smart pijnigt haar niets zoo geweldig als de gedachte,
dat ze zich nu in de woning van dien Philip en zijn vrouw bevindt,
en van hunne weldaden en hun genade afhankelijk is. Bovendien, in
den laatsten tijd zeer aan ruime vertrekken gewoon, is het haar hier
onmogelijk klein en benauwd. Met den sleep van haar kleed vult ze
bijna de geheele ruimte van dit hokje.
't Is toch alsof dat gevoel haar nog uit een andere oorzaak
hindert. Eensklaps vat zij de overvloedige ruimte van haar japon en
trekt die naar boven.
"Wat wenscht u mevrouw?" zegt Philip en zijn stem klinkt ongevoelig.
--Is dat dezelfde man die haar straks met zijn hulp heeft terzij
gestaan! Maar toch, dien toon kan zij nu beter verdragen: Koudwater
dient haar; hoe killer hoe liever.
"Wij zijn u tot last," vangt ze aan terwijl ze--nog bezig met dien
sleep van haar kleed--de oogen steeds naar omlaag houdt: "Uw woning
bestaat uit deze twee kamers niewaar?"
Philip geeft geen antwoord. Eva vervolgt:
"De dokter heeft gezegd dat de voorkamer, met het oog op mijn lieven
zieke, wel wat klein is. 't Zal hem kwaad doen als wij daar gedurig
tezamen zijn.... Ik wenschte.... Ik zal in het dichtstbijgelegen
logement een paar ruime kamers bestellen, en dan...."
Eva zwijgt.--Philip zwijgt mede; doch, na eenige oogenblikken van
stilte ziet hij haar met gefronste wenkbrauwen aan, en herhaalt op
vragenden toon hare laatste woorden: "En dan....?"
"Dan wilde ik Helmond erheen laten brengen," herneemt Eva: "tenminste
wanneer de dokter het goedvindt. Natuurlijk met alle voorzorg; in
een welgesloten rijtuig. En...."
Eva zwijgt weder.
"En....?" herhaalt Philip.
"Ja, en ik zou u dan hartelijk.... willen.... dankzeggen, voor..."
"Voor....?" vraagt Philip even koud.
"Voor alles wat u deedt in 't belang van mijn lieven man; en u
verzoeken...."
Droefheid en verlegenheid werken samen tot het te voorschijn roepen
der tranen die Eva weer snikkende schreit. Philip komt haar een
schrede nader:
"Mevrouw," zegt hij zeer bedaard: "op dit oogenblik treffen uw tranen
mij minder dan ik wenschen zou. Vergeef mij, ik kan niet altijd
zwijgen, 't is mijn gebrek. Maar 't was toch mijn plan niet u hard te
vallen. Tegen uw wil en tegen den mijne kwaamt u in deze woning. Geloof
me, ik zal de wetten der gastvrijheid--en nú vooral--geen oogenblik
schenden. Er is voor gezorgd dat uw vader en de doktersweduwe met
u in deze woning kunnen blijven zoolang als zij 't verkiezen. Voor
wie bij August moet waken zal mede op de voorkamer een bed worden
gespreid. Niet meer dan één of twee personen tegelijk behoeven bij
den zieke te zijn. Ik vrees geen oogenblik dat een verblijf hem hier,
op die wijze, nadeelig zou kunnen worden. De lucht is hier frisch aan
het IJ.--Ik bid u laat mij uitspreken: Mijn vrouw en ik, we beschouwen
u van dit oogenblik afaan als meesteresse in die voorkamer, dáár. Wat u
noodig hebt 't zal er wezen. Ik ben een zeer rijk man op dit oogenblik
mevrouw. Maar," vervolgt hij zacht doch met klem: "tenzij de _dokter_
gebood dat August in 't belang zijner herstelling naar elders moest
vervoerd worden--'tgeen ik voor onmogelijk houd--zal ik niet toestaan
dat hij ergens anders dan in deze woning herstelt of.... sterft. Ik
herhaal u, _dat zal ik niet toestaan_. Misschien kent u beter dan ik
de oorzaken mevrouw, die hem een _rijke_ woning deden ontvluchten."
Eva sidderde.--Moest zij zoo iets hooren, zoo iets van hem! Waar
is haar vader; waar blijven ze dan om haar te beschermen! O, nu hij
haar hier _alleen_ heeft, nu durft de man, die haar straks voor 't
oog van anderen zoo liefdevol bijstond, haar wel waarheden zeggen
die.... Hoe! Eva beeft nog sterker.--Heeft hij haar _waarheden_
gezegd!? O God! Haar ontroering zal ze nu toch verbergen. Moet ze
het dan hooren, van die lippen, dat ze zelve.... Neen, hoor:
"Maar naar die oorzaken vraag ik niet. Ik wilde u slechts zeggen,
dat ik August op mijn weg heb ontmoet. Van zijn onschuld was ik niet
overtuigd. 't Sprak vanzelf dat ik hem in bescherming nam, en een
eed zwoer dat men den armen zieke _niet_ vatten zou. Ha, daar was
een middel!" vervolgt Philip, en zijn oogen glinsteren ofschoon
hij dat middel niet noemt. Goddank, 't was onnoodig geweest zich
inplaats van zijn broeder, den vluchteling te noemen: "Maar noodig
was 't wèl dat ik hem hier bracht: Zijn eenige "trouwe vriend" kon
hem niet opnemen. 't Was om de "lieve kleinen" zei Woudbergs vrouw;
men vreesde voor een epidemische ziekte.--Nú is hij hier: 't zal u
vrijstaan mevrouw, te blijven of te vertrekken naar goedvinden; maar,
ik zeg 't u nóg eens: hier zal hij beter worden of--sterven!--En,
als er niemand mocht zijn om hem te verzorgen, al moest het ook
weken en maanden lang duren"--Philips stem bekwam eensklaps iets
trillends, iets onbeschrijfelijk roerends: "dan, zie,--dan zouden
wij hem toch terzij blijven, _mijn vrouw_ en _ik_; en aan niets,
nee, zoo waarachtig als hier een hart klopt, aan niets zou het hem
ontbreken, al moest het laatste stuk uit ons huis, ja, al moest de
wieg waar ons kind in slaapt, er voor verkocht worden."
--O God, die tranen in dat oog.... Eva weerstaat ze niet.
"Philip!" zegt ze en grijpt de hand van dien vurigen man; en weder:
"Philip!"
En hij?--O, dat klinkt als muziek.--Maar neen, dat heeft hij niet
bedoeld; niet gewild; en.... Ha, gelukkig, een zachte kreet van den
ontwakenden kleine geeft hem het recht om snel zijn hand uit die van
Eva terug te trekken. Nu spoedt hij zich voort naar de wieg. Zie,
het wakker geworden jongske, met zijn frissche koontjes door den
slaap gekleurd, het lacht en kraait zijn lieven vader weer toe.
"Sust sust Fritsje, stil! geen leven maken mijn kleine man!" zegt
Philip, en neemt het blondkopje uit de wieg, dien lieven kleinen
mol! En als hij nu zijn lippen op die lachende koontjes drukt, dan
strekt het kind de kleine poezele handjes naar Eva uit, en wiegt
onrustig met het lijfje naar die zij; en ziet haar aan met zijn
lokkende blauwe kijkers.
--O welk een engelachtig kind! Zie, zie, hoe het haar toelacht. Met een
snelle beweging wischt Eva zich de tranen af; en--als ze het kind, dat
zich al meer en meer naar haar vooroverbuigt en bijna het evenwicht zou
verliezen, nu met de beide handen heeft opgevangen, dan zegt ze zacht:
"Dat is je zoontje, niewaar Philip?"
"Ja," klinkt het op zonderlingen toon: "_en het kindje van Virginie_."
Terwijl Eva het jongske zoent, heft ze haar schoone oogen tot den
broeder op, en dan.... dan wil ze iets vragen....
Maar 't was niet noodig. Terwijl het in de voorkamer rustig bleef,
scheen de moeder te hebben gevoeld dat haar kind was ontwaakt.
Virginie kwam zachtjes den hoek der deur om, in het achtervertrek. Ze
zag haar Fritsje in Eva's armen. En:
"Virginie.... zuster!" zegt Eva met bevende stem. Meer zeide ze
niet. Maar 't was genoeg.
En, als het spartelende jongske een oogenblik later op den arm
der moeder zijn Fiffie, Fiffie! roept, dan heeft Eva den strijd
gestreden. Ze had op de bleeke wang dier moeder een zoen gedrukt,
een zoen van dankbare liefde.
't Was nu omstreeks een half jaar geleden. Aan Philips eisch was
voldaan: August had _zijn vrouw geroepen_ en--hun jongske heeft _nú_
niet _geslapen_.