Toen Eva Helmond uit haar verdooving ontwaakte, toen wist ze niet
wat er met haar was voorgevallen. Ze begreep niet hoe het kwam dat
mevrouw Van Hake zoo bij haar naast de canapé zat....
"Wat doet ú hier?"
"Ik ben gekomen om misschien van dienst te kunnen zijn lieve Eva!"
Eva strijkt zich met de hand over de oogen en dan, haastig opziende:
"Waar is August?"
"Dokter is uit, Eva; hij zal.... waarschijnlijk wel gauw
terugkomen...."
"Waarschijnlijk....? Je zegt _waarschijnlijk_!? En waarom lig ik dan
hier; en waarom....?" Eensklaps komt ze overeind en snelt naar de deur,
roepend ja bijna gillend: "August, August! Helmond! waar ben je!?"
Mevrouw Van Hake komt Eva terzij:
"Als dokter _hier_ was Eva, dan zou hij zeggen: Kindlief je moet je
kalm houden; er zijn omstandigheden...."
Eva hoort haar niet. Zij staart strak naar den grond. En dan:
"Waar is dat briefje? Ik vraag waar dat briefje is! Was er _geen_
briefje?--Jawel, ik weet het _zeker._ Ik heb het gelezen..... ik
heb...."
"Eva, hou je van Helmond?"
"Houden! Mensch, je maakt me krankzinnig.--Ik wil dat briefje zien. Ik
wil weten.... Geef hier. Jij hebt het. Jawel, _jawel_, jij hebt het!"
"Eva, in je eigen--nee, in _dokters_ belang bid ik je kalm te zijn."
"Maar die brief, die brief!" roept Eva in dreigend smeekende houding:
"Ik weet het maar al te goed. Ik wilde zien of hij sliep. Hij was
er niet meer, En op zijn kamer vond ik toen dat schrift.... van een
krankzinnige; en zijn naam stond er onder. Ja _zijn_ naam. Ik wil
dien brief zien. Laat mij toch gaan; ik wil nu.... ik _wil_ naar
boven! Hoor je dan niet!"
Mevrouw Van Hake haalt het geschrift te voorschijn. 't Zou zeker--nu
de eerste schok was doorstaan--het verstandigste wezen om Eva zooveel
mogelijk de waarheid in het aangezicht te doen zien, en, terwijl men
haar bad om zich kalm te houden, een beroep te doen op haar verstand
en haar waarachtige liefde voor haar man:
"Hier is de brief die je zoo treffen moest Eva. Maar ik verwacht dan
ook dat je je krachtig zult toonen...."
Eva hoort haar niet; zij siddert, terwijl ze nogmaals die vreemde
volzinnen leest, waarin August haar schrijft dat hij haar bedrogen
heeft; dat een som--hij weet niet hoe groot--zijn schuld is; dat hij
aan gene zijde van de zee duizenden menschen van de gele koorts zal
genezen en tienduizendmaal het slachtoffer ervan worden wil; dat _zij_,
Eva, er het brood zal kneden en doen....
Eva kan niet verder lezen. Maar die vrouw in haar rouwkleed, wat
eischt ze dat ze bedaard zal blijven! Voelt het mensch dan niet
dat deze groote kamer haar te eng is; dat zij weten wil waar die
man--zooals ze zegt, in zijn ijlende koorts--is heengegaan; waar
hij toeft in dezen stormachtigen avond, terwijl de hagelsteenen met
zulk een vreeselijk geweld tegen de ramen kletteren! Begrijpt ze dan
niet dat ze hem achterna wil, dewijl niemand hem beter en eerder zal
vinden dan zij! Beseft ze niet dat een vrouw rust noch duur heeft
aleer.... O God, had ze zóó iets kunnen vermoeden toen ze meende dat
hij slechts wat vermoeid en overspannen naar bed ging. Eva _wil_,
Eva _moet_ naar buiten!
Het kostte mevrouw Van Hake de grootste inspanning om Eva te doen
beseffen dat haar liefde-ijver nu onverstandig was. Waar immers zou zij
hem zoeken in den stormachtigen avond! Zij, in hare omstandigheden,
zou ze zich wagen daarbuiten aan een tasten in 't blinde! Bovendien:
alles wordt er gedaan om den lieven zieke zoo spoedig mogelijk in
zijn huis en in 't warme bed terug te brengen. Wanneer dokter--'tgeen
men niet voor onmogelijk hield--nog met den laatsten trein naar
Amsterdam was vertrokken, dán zelfs kon men tamelijk gerust wezen;
men zou dan in den trein al spoedig bemerken dat hij ongesteld was,
en bij aankomst zeker voor hem zorgen.
Helaas, mevrouw Van Hake wist wel dat zij Eva met deze hoop misleidde,
doch, haar taak was geen lichte.--Eva vloog immers gedurig weer op
van haar stoel, en wilde hem zoeken; zij _moest_ hem vinden; ja, wie
eerder dan _zij_! Neen, zij heeft het wel toegegeven dat zij haar
ouders niet vóór den nacht verontrusten wil, immers men wist zeker dat
de dokter er dezen avond niet geweest is; maar op _De Zonsberg_! Ja,
't waarschijnlijkste is toch dat hij, in zijn ijlende razernij, nog
eens naar _De Zonsberg_ is gegaan.--Men heeft hem er niet gevonden,
maar door de duisternis misleid, kon hij gemakkelijk van den weg
zijn gedwaald. O, misschien ligt hij nu in doodsgevaar op een dier
naargeestige kronkelpaden van het erf, waar een verwaten gierigaard,
nog aan den rand van het graf, den goeden zieke durfde vervloeken,
terwijl deze ten koste van eigen gezondheid hem redden en behouden wil.
"Jawel, op de Zonsberger paden zal ik hem vinden!" barst Eva na een
korte stilte weer los: "En als hij er _niet_ wezen mocht, dan vlieg
ik naar den woekerenden trotschaard, en zal hem zeggen dat zijn lage
vervloeking slechts kan terugkeeren op zijn eigen grijs en zondig
hoofd; dat hij dien goeden man heeft mishandeld door beleediging op
beleediging; dat hij hem heeft _vermoord_; hem en mij, ja, hém en mij,
en het kind onzer liefde."
"Zoover is het nog niet gekomen Eva. Men zal den goeden dokter
gemakkelijk vinden. Thom was hem, zooals hij bij 't heengaan zeide,
immers reeds op 't spoor. Dokter zal òf in de buurt wezen en gevonden
worden, of--'t zij dan wat verder af--welwillend zijn opgenomen,
en waarschijnlijk toch spoedig terug zijn."
"Waarschijnlijk! altijd _waarschijnlijk_!" roept Eva: "Maar als... o
God! als men hem _niet_ vond, wanneer hem in zijn ijlende koorts
daarbuiten een onheil was overkomen! Zeg, mensch vol flegma,
vol verstand en wijsheid, zeg, is dán die gierigaard ginds, zijn
moordenaar niet? En ook, is hij de oorzaak niet van den angst die
mij huiveren doet en de minuten tot eeuwigheden maakt!"
Mevrouw Van Hake ziet haar liefdevol aan en blijft het stilzwijgen
bewaren.
"Maar spreek dan, spreek!" zegt Eva, doch op minder heftigen toon,
want de liefdevolle blik der zwijgende vrouw heeft haar zonderling
getroffen.
"Ik weet het niet Eva. We willen daar nu niet naar vragen. Het eenige
wat ons vervult is toch de hoop dat we den goeden dokter spoedig
zullen terugzien; en--dan zullen wij hem oppassen en verzorgen en
alles doen om, met de hulp van God, zijn dierbaar leven te behouden."
"Ja! ja!" zegt Eva snel, en dan, na een oogenblik van stilte: "Och,
waarom bleef ik niet bij hem toen hij naar bed was gegaan!" Schreiend,
doch straks weer heftig: "Maar ik wist niet dat het zoo erg was. Nee
nee, ik wist het niet! Wie zal zeggen dat _ik_ hem niet liefhad;
wie!? 't Is alles de schuld van dien oude, dien schijnheiligen man!"
"Eva," zegt mevrouw Van Hake met zachte stem: "weet je wel lieve,
_wie_ ik in deze oogenblikken het meest beschuldig?"
Eva ziet haar niet aan.
"Ik beschuldig waarlijk _mij zelve_ het meest." Nu ziet Eva haar aan:
"U, ú beschuldigt...."
"Mij zelve. Ja Eva, ja!"
"Maar ik begrijp niet....?"
"Eva, ik heb in den laatsten tijd zijn weldaden aangenomen, ofschoon
ik er bijna zeker van was dat hij de middelen om ze te kunnen verleenen
niet meer bezat."
Een vuurrood vliegt over Eva's gelaat. Zij spreekt niet, maar blijft
met angstig gespannen blik mevrouw Van Hake aanstaren.
"Ik bewoonde zijn huis," herneemt de weduwe: "en at zijn brood,
en had hem lief als een moeder, en toch ... ik deed slechts een
zwakke poging om hem terug te brengen van een weg, die ik vreezen
moest dat op uw beider verderf zou uitloopen.--Lieve Eva, als gij
_iemand_ beschuldigt, doe het dan _mij_.--De man dien ge uw vijand
noemt heeft immers gewaarschuwd; misschien te krachtig gewaarschuwd,
maar _gewaarschuwd_!"
"Ik weet niet wat je zegt;" roept Eva, en slaat de handen voor de
oogen. En dan, dan loopt zij de groote kamer op en neer, en bijna
kermend klinkt het iets later:
"Zou alles dan _waar_ zijn! Alles, alles!? En heeft hem _dát_ spooksel
benauwd en verdreven!--Maar nee, nee! dat is onmogelijk!" vervolgt
ze terwijl zij eensklaps voor de weduwe blijft staan: "Heeft hij dan
zelf niet door zijn daden getoond, en met zijn woorden bevestigd...."
"Eva," valt mevrouw Van Hake in, en ziet haar onbeschrijfelijk
liefdevol aan: "ja, die al te goede man toonde door zijn daden wat
de wenschen van zijn geliefde waren, en sprak de woorden die zij het
liefst van hem hoorde.--Eva, ik zie het, nú voor het eerst geloof je
de _waarheid_!"
--De _waarheid_!?--Ach, hoe zou het mogelijk zijn dat ze nú de volle
waarheid reeds geheel doorzag!
--Was dan alles een leugen; alles wat haar omgaf in den laatsten
tijd? Dit huis, die meubels, de diamanten, die familiepapieren,
alles leugen, leugen!
--Maar gerechte hemel! wat zijn blinkende meubels of schitterende
steenen bij den doodsangst die haar weer eensklaps overstelpt
en benauwt? O! men kan haar vrij dat alles ontnemen, ja, alles,
_alles_, indien hij maar terugkomt; wanneer ze maar weet dat die
arme kranke niet langer omdoolt in de gure lucht; wanneer ze hem maar
aanstonds mocht sluiten in haar koesterende armen!--Zie, het pakket
familiepapieren ligt daar nog op haar schrijftafel. Nu roert ze het
aan; maar neen, toch neemt ze het niet, om aan die vluchtige opwelling
te voldoen en alles in 't vuur te werpen.--Zij luistert.... Daar
buiten klonken stemmen. Ha, God! men komt, ha!
Reeds is Eva de gang ingevlogen, en heeft ze de voordeur geopend.
Met luidruchtig gepraat nadert van de Hoenderveldsche straatzijde
een langzaam voortgaande menigte. Een kleine handwagen ratelt in
haar midden.
--Hoor! Een vrouwenstem klinkt luide van de hooge stoep naar beneden
en tegen den snijdenden hagelwind in.
Men weet niet wat zij vraagt.
--Dokter Helmond? O nee, dien hadden ze niet, en moesten ze ook
niet hebben. Dokter Helmond mocht de champagne nog in 't hoofd
zitten, en slapen misschien in den zijden sleep van zijn vrouws
japon!--Nee, ze gingen met den armen majoor, dien ze na lang tobben
uit de gracht hadden gehaald, regelrecht mee naar 't huis van dokter
Biermans.... dokter Biermans die er al dadelijk was bijgehaald:
"Vooruit maar jongens; vooruit, eer dat ie genachtsamen zeit! Van
'en schotje _los kruit_: Wie zou 't gelooven!"
Eva weet niet wat men nog verder in 't voorbijtrekken zegt.
Nu bevindt zij zich weer in de groote huiskamer. Een ontzettende angst
doet haar als ineenkrimpen terwijl ze klappertandend bij het vlammende
vuur staat.--Haar haren, die buiten nat zijn geworden, hangen sluik
langs de bleeke wangen neer. Strakker en strakker staart ze, totdat
ze eensklaps opziende half luide mompelt:
"Ik wist het, ja ik wist het! Hij heeft het mij dikwijls gezegd;
en nu...."
Haar oog viel in datzelfde oogenblik weder op het pak
"familiepapieren", en, Eva grijpt het weg van de tafel, en--werpt
het in den breeden haard.
En de hoog opflikkerende vlam doet een rooden gloed spelen op
het rose kleed 't welk Eva nog in den vooravond tegen het zwarte
heeft verwisseld.--O God, het had dan toch een zwart, een rouwkleed
moeten zijn! En als het vuur nog hooger opvlamt en ter rechterzij
haar schier verstorven wang met zachten gloed komt streelen, en zij,
klappertandend, met saamgeperste handen murmelt: "Ik wist het; ja mijn
God, maar ik geloofde het niet!" dan, o dàn gevoelt zij eensklaps
een nóg weldadiger gloed aan de zij van het hart haar verwarmen:
Een moeder was er niet om haar kind te troosten: maar toch, zie,
nu rust en nu schreit en nu snikt ze..... aan de moederlijke borst
van een trouwe vriendin.
De nacht van storm en hagel die door Eva Helmond in duizend angsten is
doorwaakt, moest toch in 't einde wijken voor een kalmeren morgen. De
October-zon dook vriendelijk op uit haar valen sluier, en terwijl
ze al spoedig haar kracht zou beproeven aan den hier en ginds langs
velden en wegen bijeengegrienzelden hagel, zond ze ook een zachten
straal in het vertrek waar de grijze Van Barneveld op zijn hard leger,
met gesloten oogen en saamgevouwen handen neerlag. Daar ging de deur
open. Zachtjes, zeer zachtjes.
En zie, Goddank, nu gaan die oogleden open en keeren zich zijn oogen
naar het licht.--En het zonnetje 't welk door de deur naar binnen kwam,
werkte misschien nog weldadiger dan het hemellicht, 't welk door het
venster er in blijft gluren.
"Alweer Jacoba! Als je je volstrekt geen rust gunt dan zul je ziek
worden. Ik had niets noodig kind!"
"Maar _ik_ had behoefte beste pa, om weer eens even te zien hoe het u
ging, en u nog een glaasje melk te komen brengen. O, sinds de tuinman
mij gezegd heeft dat er voor die nare benauwdheden niets zoo goed
is als melk, zal ik er u mee vervolgen totdat u weer heelemaal beter
zult zijn."
"Ei Coba, zou je denken dat _melk_ voor zoo'n kwaal....?"
"O ja, jawel papa, welzeker; melk moet daar heel goed voor zijn. 't
Is ook zoo natuurlijk, zoo iets van een dier. _Melk_ hé ja, dat vind
ik nu _erg_ natuurlijk!"
"Och, als je 't graag hebt lieve kind...." Van Barneveld drinkt,
en Jacoba houdt er van terzij het oog op gevestigd.
"'t Is alweer hetzelfde!" zegt Van Barneveld.
"U bedoelt...."
"De vreemde smaak."
"Vreemd; hé, dat begrijp ik toch niet."
"Niet Coba....? 't Is me telkens alsof ik iets van amandelen drink."
Jacoba heeft het glas aangenomen en proeft de laatst ingebleven
droppels:
"Hé dat moet toch verbeelding zijn lieve pa. Ik proef.... nee, ik
proef er niemendal van."
"Diezelfde smaak was gisterenmiddag ook aan de...."
"Aan de rijst. O ja, dat hebt u gezegd. Maar het zal toch aan uw
smaak liggen: of dat er misschien iets aan de melk is...."
"Wat zou er aan de melk zijn Coba?"
"O, weet u wát ik denk: de koe zal buiten langs den stalmuur zijn
gegaan, en daar aan de perzikbladeren hebben geknabbeld. Dat lusten
de koeien wel, nietwaar pa?"
"Doe je er suiker in Coba?"
"In de melk? O ja, een heel _heel_ klein beetje."
"Zoo--dan is die suiker slecht. Er is altijd een bezinksel."
"Och, tegenwoordig wordt alles vervalscht. Ik vrees dat er geen betere
te krijgen is. Maar--die melk met een bijsmaak en wat slechte suiker
heeft u toch geen kwaad gedaan lieve beste vader. Nee, ze heeft u
veel _veel_ beter gemaakt, niewaar?"
"Dat heeft _God_ gedaan Jacoba."
"Maar God gaf ook die melk, mijn beste papa."
"En Hij geeft mij mijn lieve kind, en...."
De grijsaard sloeg wel den arm om haar fijne middel heen, doch het
gelaat wendde hij naar de zij van den muur. Zij mocht het niet zien
dat zijn oogen met tranen zijn gevuld.--Een oogenblik later richt de
oude krijgsman zich in zijn bed overeind, en zegt, terwijl de zware
knevel boven zijn lippen trilt, en hij Jacoba strak maar toch met
liefde beschouwt:
"Ik weet nu zelf niet Coba, of je liegen _zonde_ of _deugd_ is."
Jacoba's bleek gezichtje is bloedrood geworden.
"Ik weet het niet!" herhaalt de oude man. En een oogenblik later
zegt hij: "Jacoba, geef mij de poeders in 't vervolg zonder rijst of
melk. Ze hebben mij _misschien_ goed gedaan. Als kind heb ik eens
geproefd van de medicijn die je grootmoeder moest gebruiken. Dien
smaak vergat ik niet."
Jacoba schreide aan de borst van haar grijzen vader.
"Och lieve papa, u zoudt het goede middel anders niet hebben ingenomen,
en u ziet toch dat soms een vooroordeel...."
Maar zij vervolgde niet.--Misschien was zij reeds te ver gegaan;
althans er vloog een donkere wolk over haars vaders voorhoofd.
_Vooroordeel!_ Neen, van dien vereeuwigden geliefde heeft ze niet
willen spreken; dat was voorbij.--Maar kon ze het dan nu niet wagen
om nog één enkel woord te doen hooren in 't belang van haar dierbaren
pleegbroeder? Was het dan óók geen vooroordeel om een zoon te haten,
die zich na zulk een vervloeking wreekt: door aanstonds het beste
middel uit te denken 't welk ter genezing kan worden aangewend,
zonder dat het zich voor den man, die geen medicijnen wil gebruiken,
door een te hevig bitter verraadt?
"Zwijg Jacoba, niets meer over hem;" zegt Van Barneveld een oogenblik
later: "Mijn kind moet mij niet willen leeren wat mijn plicht is."
"Beste papa, dat was mijn bedoeling niet."
"Het had er allen schijn van Coba.--Nu, mijn kleine meisje, wees niet
bang, en schrei niet langer. Wie heeft gezegd dat dokter Helmond _ten
eenenmale_ een verworpeling is voor God!?--Ik niet!--Zoodra hij den
moed zal hebben om zijn vrouw den kanker van ons volksbestaan, die
bij haar reeds een verpestenden stank heeft, uit de borst te snijden,
dan.... Maar wij spreken hierover niet meer.--Ga nu nog wat slapen
Coba. Jawel, en slaap maar gerust. Nooit _nooit_ wil ik hem weerzien;
maar, met de helft van het onze, zal tóch, mettertijd, dokter Helmonds
geneesmiddel betaald worden. Is het nu goed klein meisje? Ga nu en
slaap nog wat."
Op het oogenblik dat Jacoba de kamer zal verlaten, hoort ze zich
terugroepen. Van Barneveld ligt weder met het aangezicht naar den
muur gekeerd; doch met de hand naar Coba's zijde tastend, herneemt hij:
"Als er soms nog iets voor dat monument mocht noodig zijn, zeg dan
aan tante dat _ik_...."
Jacoba zinkt eensklaps voor het ijzeren bed op hare knieën neer; vat
de hand van dien grijzen vader, drukt er haar voorhoofd in, en schreit.
--O God, ze schreit; maar toch, een oogenblik zóó zalig als _dit_,
ze had het nog niet beleefd.
"Bedaar, bedaar, klein onverstandig meisje. Kom, ga nu gauw wat
rusten. Den ganschen nacht heb jij voor je vader gezorgd, maar hij,
niewaar mijn goed kind, _hij_ heeft toch ook de _melk gedronken._"
Zoodra de October-zon dien morgen de luiken en blinden binnen
Romphuizen voor 't meerendeel heeft doen openen, heerschte er een
buitengewone levendigheid op het kantoor van den Rijkstelegraaf. Het
gerikketik klonk er bijna zonder ophouden. De metalen draad naar de
zij van Briesborg en Utrecht had geen oogenblik rust.
En zeker, het groote Romphuizer Hondsbosch vermoedde niet dat er door
den dunnen draad die--den kronkel van den straatweg volgend, langs
zijn takken gespannen was, een aantal vragen en antwoorden vlogen,
voor 't meerendeel met betrekking tot den man die gisteren in den
guren avond tusschen zijn stammen en struiken heeft rondgedwaald.
De beide spreeuwen die zooeven uit het boschje op den grauwen draad
waren neergestreken, ze vlogen er nu eensklaps van weg. Hadden zij
't gevoeld dat onder hun teere pootjes de vraag van de Briesborger
zijde als een bliksemstraal heenschoot:
"Is generaal Van Barneveld vergiftigd? Reeds overleden? Vermoedens
op dokter Helmond?"
Natuurlijk die diertjes gevoelden het niet. Vroolijk in den zonneschijn
vlogen ze stoeiend en zwenkend voort.... tot op het dak van _Het Roode
Zoodje_, en trippelden daar op het verweerde riet, en gebruikten straks
in den voerbak, die voor de deur stond, hun ontbijt, zóó luchtig en
opgeruimd, alsof ze 't nu toch werkelijk vermoedden dat daarboven,
door dien draad langs de palen, het antwoord gleed:
"Generaal Van Barneveld bijzonder wel. Van vergiftiging in Romphuizen
geen sprake. Zekere majoor Kartenglimp dood.--Dokter Helmond
vermoedelijk ziek."
't Was misgeschoten. Toen grauwe Toon straks buiten kwam en een
vijftal lijsters, die juist de laatste roode bessen aan gindschen
hoek van het bosch hadden genuttigd, op den telegraafdraad hun siësta
zag houden, toen heeft hij de verzoeking niet kunnen weerstaan,
en.... paf! Maar, een ondeelbaar oogenblik te voren was het vijftal
den draad ontvloden.... Zou het mogelijk zijn dat het bericht 't
welk--rapper dan hun vleugels--onder hen heenvlood hen heeft geschokt:
"Mevrouw Helmond in doodsangst; Zet onderzoek voort in haar
belang.--Spoed, Spoed!"
En de dépêches, die in Romphuizen werden aangeboden en moesten bezorgd
worden, gunden het personeel aan den Rijkstelegraaf gedurende den
ganschen voormiddag geen rustig oogenblik.
"Goddank menheer," zei de besteller tot den telegrafist toen deze in
den namiddag het kantoor sloot: "Goddank, dat we nu toch weten dat
ie in Amsterdam zit, en--dat het hier beperkte dagdienst is.--O ja,
complement van menheer Kippelaan," vervolgde de man: "en of u van avond
na sluiting plezier hadt om een kopje thee bij hem te komen drinken?"