Daar wordt aan de buitenzij een grendel verschoven. De deur knarst
open.
Een groote stallantaarn die nevens kartuigen aan een haak tegen
den wand hangt, werpt een weifelend licht over een oude kapsjees,
een paar hooge gele wagens benevens een kar die met de boomen op den
grond rust.--Ter rechterzij is het een zwarte massa, waarin het licht
slechts grillige en onbestemde figuren teekent, maar toch duidelijk
genoeg twee grauwe koppen boven den nu onzichtbaren lijkwagen doet
grijnzen. Een hooi en mestlucht vervult de ruimte.--Nabij de groote
deur trappelen paarden. Ze zijn voor een vigilante gespannen. Een
man die zooeven hielp om de tuigen te gespen, trekt nu in allerijl
een jas met drie lange mantelkragen aan; wischt zich het zweet van
het voorhoofd, en trekt zich een bonten nachtpet over de ooren.
"Hier Gerrit, geef me de zweep! Vervoerd, dát heet haasten."
"Moet jij naar Utrecht menheer?"
"Ik ja, voort! Om Godswil voort!"
Het portier der vigilante was reeds geopend. Dokter Helmond verdwijnt
in het donkere rijtuig.
"Rij maar op Jan!" roept de man die het portier met kracht weer
dichtslaat: "D'r zal zeker een goeje fooi op overschieten; er is
'en haast van geweld!"
"Vort poppetjes, vort!" zegt Jan op den bok. De paarden trekken
aan. Uit het groote koetshuis van _De Romein_ komt de vigilante in
de straat. Jan doet de zweep klappen. En zie de paarden zijn wakker
al is het vrij donker daarbuiten; ze schieten in een krassen draf,
en verdwijnen al spoedig met het ratelend rijtuig om den hoek der
Utrechtsche straat in den stormachtigen nacht.
Binnen de algemeene hotelkamer heerschte weinige minuten later een
zeer ongewone opschudding.
't Was onmogelijk om het rijtuig nog in te halen, 't welk door den
vreemden reiziger was besteld, doch waarmee de dokter van Romphuizen
zich uit de voeten heeft gemaakt.
Na al wat men vernam en 't geen de schenker nu bovendien heeft
moeten aan 't licht brengen, is het zoo goed als zeker dat, met den
_kolonel_ die, volgens den reiziger, in Romphuizen zou vermoord zijn,
de _generaal_ Van Barneveld was bedoeld.--Wat wisten de Romphuizers
van 't militair!--En, meer dan zeker was het ook dat zijn pleegzoon,
dokter Helmond, de schuldige moest wezen; immers Piet heeft hem
onder andere zelf hooren zeggen:, Spreek zacht Philip; als men ons
hoorde!" en later heel duidelijk, ofschoon van verre, nog de woorden:
"O God!", en "moordenaar."
De reiziger, die zulk een haast had, was woedend, maar zou in allerijl
op een andere manier worden geholpen. 't Ergste van alles, zei de
kastelein, bleef de ontzettende geschiedenis zelve, waarvan--hoe kon
men onschuldig ergens inloopen--het laatste bedrijf nu in het alom
geëerde logement _De Romein_ was voorgevallen.
De mannen in de gelagkamer spraken luid met gefronste wenkbrauwen,
en schudden het hoofd; de vrouwen luisterden, en zagen bleek.
"'t Is de broer van Philippe. De broer van den nieuwen trotschen
confrère;" zoo luidde het onder de acteurs overal.
De commis-voyageurs spitsten de ooren; en die er brieven schreven,
stelden postcriptums, waarin ze de ontzettende gebeurtenis vermeldden.
Toen August hem straks alleen liet, en hij, hevig ontsteld,
hem een oogenblik later wilde opsporen om hem naar het kamertje
terug te brengen, toen spoedde hij zich naar het voorhuis, want
aan een achterdeur heeft hij niet gedacht. Doch nergens mocht hij
hem vinden.--Philip wist niet dat August reeds buiten de stad was,
toen hij in 't eind ook in het koetshuis naar hem kwam onderzoek doen.
--Was dan August Helmond--zijn _broeder_, een moordenaar; de moordenaar
van _dien geliefden_ pleegvader!?
--Wondere menschenwereld!
--De lammeren onder hen worden wolven wanneer de nood hen dringt.
--Bloeddorstige doggen leggen zichzelf aan den ketting en lijden
gebrek!
--Ja, ik wist dat hij verachtelijk was, ik wist het! Maar zoo!--Ach
God, zou het wel waar zijn!
"De commissaris van politie kan met mij meerijden," zegt de vreemde
zeer overluid tot den kastelein: "tenminste wanneer hij hier in de
sociëteit is. Als hij den moordenaar snapt is zijn fortuin gemaakt.
Tot Philip sprak men niet.--Nu is hij verdwenen.--Hij vliegt naar
zijn vrouw, en zegt haar zijn plan, en wat háár te doen staat.
Een klein kwartier later joegen twee vigilantes in den donkeren
nog altijd door zware buien verdeelden voornacht, op den straatweg
tusschen Briesborg en Utrecht.
In het voorste rijtuig ligt een mensch onbewust dat er een wereld om
hem heen is.
In het rijtuig dat volgt, zitten twee mannen die over gruwelijke
moorden spreken, en over dokter Helmond en zijn ijdele vrouw.
Op den bok van dat tweede rijtuig zit, naast den koetsier, een man in
een glimmende regenjas. Voor een goede fooi heeft de voerman aan dat
heerschap vergund om naast hem mee te rijden. Hij spreekt geen woord;
maar telkens als de reiziger die vóór twaalven in Utrecht moet wezen,
zijn stem verheft en schreeuwt om wat harder te rijden, dan zegt de
man in de regenjas, dat men ter wille van een _mensch_ zijn paarden
toch niet doodjagen mag. De voerman geeft hem gelijk.
Omstreeks kwart voor twaalven--ongeveer een half uur later dan de
eerst uit Briesborg vertrokken vigilante--rijdt de tweede vigilante
de grijze Bisschopsstad in.
Teneinde den reiziger, die zulk een haast had, geen oogenblik op te
houden en aanstonds te brengen waar hij wezen moest, is men bij het
binnenrijden van de stad een geheel anderen weg ingeslagen dan dien
naar het kleine logement waar men straks stallen zou, en 't welk
de koetsier met de zweep heeft aangewezen.--De man in de regenjas
is dáár--en alzoo in de nabijheid van het logement waar het eerste
rijtuig zeker reeds was aangekomen--van den bok gesprongen.
Mijnheer Hagel, de commissaris uit Briesborg, is echter in het rijtuig
gebleven, om, na den vreemde op de plaats zijner bestemming te hebben
gebracht, even bij het politiebureel aan te rijden en er een paar
agenten te verzoeken om eens even met hem mee te gaan.
Toen--weinige seconden na de aankomst der tweede vigilante in
Utrecht, een heer in een glimmende regenjas het kleine logement is
binnengestapt, toen heeft hij op zijn vragen, van een half slapenden
schenker ten antwoord gekregen, dat er, jawel, met het rijtuig uit
Briesborg een heer was aangekomen, die onderweg zwaar ziek moet zijn
geworden, want, zoo wit als een lijk had hij in den wagen gelegen.
De juffrouw-eigenaresse van dit logement had eerst zwarigheid gemaakt
om hem op te nemen, maar hij had er zoo akelig en toch zoo goedaardig
uitgezien dat zij heeft toegegeven; en nu geloofde de schenker dat
er iemand naar 't gasthuis was gegaan om een dokter te halen, hoewel
het al op slag van twaalven is.
--Hê!--Of de knecht dan niet begreep dat hij--de man in de regenjas--de
dokter zelf was'? Men behoefde niet meer naar 't gasthuis te
zenden. Hij heeft geweten dat deze heer hier komen zou.
--O, ahzoo; of dokter dan maar bliefde mee te komen? Hier beneden in
het tuinkamertje was de zieke menheer. In nummer drie.
--In de hevigste onrust staat Philip Helmond eenige oogenblikken
later bij de kleine sofa, waarop de oudere broeder als
wezenloos neerligt.--Philip ziet naar de deur. Hij vergat haar te
sluiten. IJlings snelt hij terug naar de deur, luistert, en draait
den sleutel om.--Maar nu, wat moet hij beginnen? Slechts door een
snelle ademhaling geeft August teekenen van leven; doch, wat Philip
ook beproeft om hem te doen ontwaken en hem op de wijze zooals hij zijn
plan maakte, tot een spoedige vlucht te bewegen, neen--dat gelukt hem
niet.--Kan die ongelukkige dan hier blijven terwijl binnen weinige
minuten de commissaris in dit logement het allereerst naar hem zal
onderzoek doen!
"August, August! in 's-hemelsnaam, keer toch tot je zelf. Verman je,
August. Men zal je vatten. Sta op, ik ondersteun je. 't Zijn geen
twintig schreden tot buiten de deur, en dan nog een paar stappen tot
om den hoek der straat. August in Godsnaam word wakker!"
Maar 't is vergeefs. Zijn krachten schijnen uitgeput. Een pijnlijke
glimlach speelt er om zijn mond.--Doch nu, eensklaps opent hij de
oogen, en fluistert met een akelige stem: "Vergif, vergif! Pas op
Eva. Voort! weg!"
"Ja waarachtig voort!" zegt Philip.--O mijn God, maar _hoe_ dan! en hij
werpt een angstigen blik naar de deur. Immers, hij kan den ongelukkige
toch niet door de gang het huis uit _dragen_. Wat zou men denken als
men 't zag! Ha, wanneer die kleine glazendeur uitkwam op een tuintje,
waarmee men in een achterstraat kon komen....! In een oogwenk is Philip
bij die deur. Zij is goed gesloten; hij trekt en wringt. Open _zal_ ze,
open _moet_ ze.--Neen neen, hij _kan_ niet--neen!--Ha, den pook bij de
kleine kachel!--Hij luistert.--Nadert daar een rijtuig---? Ja, o God,
men komt, het is te laat!--Welnu, met dien pook zal hij hem verdedigen;
den eerste die de band naar den armen drommel durft uitsteken, dien
vermorzelt hij den kop.--Hoor het rijtuig is.... neen.... het rolt
voorbij.--Goddank, hij heeft nog tijd.
Philip mag een oogenblik herademen.--Wacht, met dien pook kan hij
toch die tuindeur dwingen. Fiks! krachtig!--Ha, met een weerspannig
geschrijn barst het slot vaneen.--De deur is open. Hij ziet naar
buiten. Inweerwil van de duisternis bemerkt hij dat het werkelijk een
ten deele geplaveid tuintje is. Scherper ziende bespeurt hij eenig oud
vaat- en mandenwerk, 't welk naast steenkolen en wijnflesschenhokken
bijeenstaat, en door de verhagelde en afgewaaide bladeren van een
kastanjeboom overdekt wordt.
--Is daar een uitgang? Hij bespeurt er geen. Wat zal hij nu
beginnen! 't Ware nóg beter in de kamer te blijven, dan August ginds
in een dier hokken of achter die manden te verbergen. Immers men zou
hem er aanstonds vinden, en dan....! Philip voelt zich eensklaps als
met een ijsbad overgoten.
"Wie daar! Wat mot je?" roept een schrille stem uit een keukendeur
in het tuintje uitkomende.
De jongere Helmond heeft zich geheel hersteld. Wie weet..... het geluk
had hem straks in de gedaante van een halfslapenden huisknecht gediend.
"De zieke moet lucht hebben mevrouw;" klinkt zijn antwoord: "'t Is
noodig, volstrekt."
"Ben uwe de dokter....? Ahzoo. Maar was die tuindeur dan niet
gesloten? Wel lieve hemel, u deed me schrikken. M'n eerste denkbeeld
was dat ze hier inbraken. Is die passagier zoo erg, dokter?"
"Ik vrees.... dat zijn benauwdheden op een rotkoorts zullen uitloopen."
"Maar mijn hemel, dan hou ik hem geen uur in m'n huis. Rotkoorts! God
beware!"
"Zoodra ik hem zag," herneemt de vermeende dokter snel doch schijnbaar
kalm: "begreep ik dat je hem niet houden kondt."
"Nee, nee!" schudt de dikke dame, en volgt den dokter aarzelend in
de tuinkamer.
"'t Was aanstonds mijn plan om hem mee naar het gasthuis te nemen,
maar ik liet toevallig mijn koetsje hier aan de achterzij van je huis
staan; en...."
Philips hart sloeg met felle slagen. Immers hij wist niet of er
werkelijk een straat achter dat tuinmuurtje was; bovendien gevoelde
hij de ongerijmdheid dat hij als dokter, nog na middernacht zijn
eigen rijtuig zou rijden, en zoo ja, dan niet tot voor de deur der
woning waar hij wezen moest.
"O, hierachter op 't Singel; jawel, wat buiten den wind," helpt de
hospita: "Ik wou dat j'em d'r in hadt dokter; de ziekte is 'em wel
duidelijk aan te zien."
"Kan ik hierachter door den tuin op het Singel komen?" vraagt Philip
terwijl zijn hart nog feller bonst voor een mogelijk _Neen_!
--Maar, God zij dank:
"Welzeker;" klinkt het antwoord. En dan: "Ja dokter, als je hem meenam
dat zou me een pak van het hart zijn. Morgen met de markt dan wist
ik geen raad. Verbeelje, rotkoorts in huis. Lieve hemel!"
"Als ik er je _plezier_ mee doe....?" zegt Philip.
--Maar dan; hoe zal hij alleen dien machteloozen mensch naar buiten
krijgen?
--De juffrouw zou haar knecht roepen.
--Nee, _nee_,--er was geen oogenblik tijd te verliezen,--dat moet zij
niet doen. De knecht moest liever niet weten dat de juffrouw zoo'n
haast had gemaakt om een ongelukkigen zieke kwijt te raken. 't Was
niet goed voor haar naam. Och, indien zij den armen man, die nu heel
stil was, en nog wel een uur zoo zou blijven--jawel dat kon bij haar
vast verzekeren--indien ze hem nu even aan den anderen kant wilde
ondersteunen, dan kon men hem gemakkelijk op 't Singel buiten de
tuindeur brengen. Die deur was immers open.....!?
--Nee, de juffrouw moest die eerst losgrendelen.
De oogenblikken waren voor den angstig wachtenden broeder zoo vele
uren.
Hij meent nu weer heel in de verte een rijtuig te hooren. Ja, jawel,
't komt nader....
"Mevrouw, mevrouw!" roept Philip naar buiten.
"Hier ben ik dokter. De poortdeur ging wat moeielijk open."
"Als ú hem nu aan dien kant onder den arm woudt nemen mevrouw.--Komaan
Augu....--Komaan menheer; u moet je wat meegeven. We zullen je goed
en wel in 't gasthuis brengen.--Asjeblief mevrouw. Geheel alleen zou
't mij onmogelijk zijn."
Het rijtuig kwam al nader en nader.
"Ja, maar rotkoorts dokter ... U moet me niet kwalijk nemen; om nu
een mensch met rotkoorts aan te vatten ... nee ..."
Het rijtuig kon slechts weinige huizen meer van de woning verwijderd
zijn.
"Maar hij _heeft_ ze nog niet. Als u weigert dan blijft hij hier. Ik
heb haast."
De dikke juffrouw aarzelt, en dan....
Maar neen, 't was niet noodig. De lijder staat eensklaps overeind.... O
God, wat ziet hij haar aan.
"Neem dat gif weg Thom! Weg er mee!--Zes grein!--Eva, Eva, voort,
voort!"
"Dat is de koorts die komt opzetten;" zegt de jongere Helmond, en
vat zijn broeder onder den arm; en diens laatste woorden herhalend,
dwingt hij hem naar de zij der geopende tuindeur.
--Hoor! O goede God, het rijtuig houdt reeds stil voor de deur. Men
komt.--Philip wil haastig voortgaan.
August Helmond rukt zich eensklaps los en, in de kamer terugkeerend
en met angstig gebaar naar de hospita wijzend, fluistert hij schril:
"Zeg haar dat zij ons kind het mes moet afnemen, zie je niet....? Zie,
dat, dát, dát moorddadige mes!"
Philip hoort gerucht in de gang; voetstappen van meer dan één persoon.
Met overspanning van krachten grijpt hij den broeder onder den arm. Zoo
kalm als 't hem mogelijk is, zegt hij: "Goeden avond mevrouw!" en,
straks de tuindeur van de buitenzij dichtwerpend, voert hij met
vreeselijke gejaagdheid den ijlenden broeder tot buiten de tuinpoort
op den verlaten singel.
Ofschoon het terrein hem geheel onbekend is, toch zou Philip al spoedig
bemerken dat het doel, 't welk hij zich voorstelde, zal bewerkt
worden. Slechts weinige schreden voorbij dien muur, ziet hij links
in de vaart weer de trekschuit die men straks is voorbijgereden en
waarvan de voerman heeft gezegd dat het de nachtschuit op Amsterdam
was. Om twaalf uren, ruim, voer ze af.
De groote Domklok bromt twaalf.
De hospita uit het kleine logement, niet weinig ontroerd door het
gebeurde, en straks geheel van streek door hetgeen ze uit den mond
der politie zal vernemen, ze zegt in gemoede: dat die vluchteling
zich werkelijk _zóó_ ziek heeft weten te houden dat zelfs de dokter
er _dupe_ van werd en hem mee naar het gasthuis heeft genomen. Den
naam heeft ze niet gevraagd; maar 't was de dokter van 't gasthuis.
En terwijl nu de Briesborger commissaris vol ijver zijn nasporingen
in de Utrechtsche gasthuizen begint, om echter al spoedig andere
vermoedens te koesteren--glijdt de nachtschuit op Amsterdam langs
de laatste gaslantaarns en woningen buiten de stad. Aan het roer
staat de schipper, en, als hij even in de voorkajuit duikt om zijn
kort eindje pijp op te steken, dan slaat hij zijdelings een oog op
de beide passagiers die--"ter wille van een vrouw die erg ziek is,
zoo haastig naar Amsterdam moeten."
Bij het schijnsel der wiegende hanglamp kan hij hen zien, daar ginds
in den hoek der kajuit; en hij twijfelt er niet aan of het moet al een
heel erg geval wezen, want, de oudste dier beide mannen is mede geheel
van streek.--Zie maar, als een geest zoo wit ligt hij achterover,
en tegen den schouder van den jongste, die hem het liggen al zachter
en gemakkelijker maakt, terwijl die jongste zelf zich gedurig het
zweet van de slapen wischt.