PHILIPPE."

"Lees Virginie," zegt de jongere Helmond, en geeft haar het schrift.

De lange zwarte wimpers der actrice gingen naar beneden. Zij

las. Philip bleef haar aanstaren.--Nu zij gelezen heeft zegt ze:

"Die brief mag hem niet onder de oogen komen Philip. _Ik_ kon evengoed

de Alma spelen, als _jij_ hem dien brief sturen."

"Wat meen je?"

"Je oordeelt en veroordeelt zonder onderzoek."

"Weet ik dan niet....?"

"Je weet lieve man, dat de dokter _hier_ is, en dat hij je spreken wil:

maar, wàt hij te vragen heeft dat weet je _niet_."

"Maar dat spreekt immers van zelf; het heeft geen onderzoek noodig. Ik

veracht den afgezant van dien generaal.--Geef me den brief Virginie."

"Als je hem dadelijk wilt verscheuren.... ja, maar anders nee!"

De jongere Helmond ziet zijn vrouw eenige oogenblikken met gefronste

wenkbrauwen aan:

"Laat mij den brief nog eens zien Virginie."

"Als je hem verscheuren wilt, anders NEE!"

Na een oogenblik van inwendigen strijd zegt Philip:

"Hij zal hem _niet_ lezen. Geef hier."

Zonder de geringste aarzeling reikt Virginie haar man nu den

brief toe, en Philip.... nadat hij het geschrift nog eens vluchtig

heeft doorloopen, ziet haar aan met een pijnlijk zoeten glimlach,

en--verscheurt den brief.

Nu roept hij den schenker:

"Breng me bij den dokter van Romphuizen. 'k Zal toch den man even

spreken." En tot zijn vrouw: "Virginie ga mee, ik breng je dan met

een naar onze kamer."

Het gesprek der jonge echtgenooten zou misschien de aandacht der

aanwezigen hebben getrokken, indien niet weinige oogenblikken te

voren een reiziger ware binnengekomen, die veler belangstelling had

opgewekt. In luidruchtige bewoordingen verhaalde de man hoe hij te

Romphuizen den laatsten trein was misgeloopen, en--omdat hij volstrekt

vóór middernacht in Utrecht moest wezen, er een rijtuig genomen

had. Onderweg, met dat noodweer, was men echter met één armzaligen

knol zóó bitter langzaam vooruit gekomen, dat hij den kastelein nu

dringend moest verzoeken om hem aanstonds van hier een ander rijtuig

met een "uitgeslapen tweespan" te geven.

Juist toen Philip en Virginie de gezelschapskamer hebben verlaten,

vraagt de kastelein, nadat hij zijn bevelen voor het rijtuig had

gegeven, of er dan te Romphuizen in _De Gouden Arend_ geen "goed spul"

meer te krijgen was. Daarop heeft de vreemde verhaald dat men in _De

Arend_ geen rijtuig had kunnen geven, want de beide vigilantes waren

uit. Er was in het stadje een heele opschudding geweest. Een kolonel,

of zoo iets, moest heel subiet overleden zijn; en een dokter die hem

vermoedelijk bestolen had, zou de vlucht hebben genomen, hij wist er

het rechte niet van, maar 't heeft hem ook niet kunnen schelen; morgen

stond het toch in alle couranten. Voor 't oogenblik had hij maar één

gedachte, namelijk de vrees van te laat in Utrecht te zullen komen.

Dokter Helmond zit in zijn afgelegen vertrekje bij de kleine

kachel. Achter hem brandt een bougie op de tafel. Helmonds gelaat,

't welk met een donkerrood is overdekt, valt daardoor weinig te

zien. Zijn handen gloeien. Zijn geheele lichaam brandt. Zijn oogen

schitteren van koortsvuur.

--O God men komt!--"Wie is daar....!?"

"Hier is mijnheer Philippe;" zegt de schenker, en wil nog eens even

wat hout en turf op de kachel doen.... Maar, de jongere Helmond ziet

hem aan en.... kijkt hem de deur uit.

"Je woudt me spreken. Wat is er?" zegt Philip.

August Helmond blijft in dezelfde houding bij de kachel neerzitten,

en 't klinkt op geheimzinnigen toon:

"Ben jij het Philip? Spreek zacht. Als men ons hoorde...."

"Niemand hoort ons;" antwoordt Philip, en dan terwijl hij naar de deur

gaat en die eensklaps weer opendoet, zoodat hij den luisterenden knecht

er bijna mee achterover werpt; "En niemand neemt het in zijn hersens

om ons te beluisteren."--Dan de deur weer dichtdoende vervolgt hij

tot August: "Maar wat je mij te zeggen hebt, 't zal toch taal moeten

zijn die iedereen desnoods hooren mag, of anders--zou ik je nog dieper

verachten dan ik het nu doe."

August is opgestaan. Bij het schijnsel der kaars kan Philip nu eerst

dat gloeiend gelaat en het van koortsgloed fonkelend oog beschouwen.

De jongere Helmond doet een schrede terug.

"Ik zie het wel, je weet het; je schrikt van me niewaar?" fluistert

de oudste: "Ja er kleeft bloed aan mijn handen. Daar staat hij,

zie zijn oogen puilen uit de kassen.... zie je wel Philip!--O God,

en hij heeft ons vervloekt!"

"August, wát.... wát zeg je?" stottert Philip, plotseling doodsbleek

geworden: "Is hij dood....? Heb jij, jij...?"

"Ja, zie je dat niet? Zie je dan niet dat ik zijn moordenaar ben!? O

God! daar vliegt mijn kind op me aan. Hou tegen, hou tegen! 't Steekt

met een mes. O Eva, Jezus! God! O! weg, weg!"

Eer de jongere Helmond zich van de ontzetting kon herstellen, die

hem schier aan den grond heeft genageld, was de oudere broeder uit

de kamer gevlucht en sloeg de deur met geweld achter zich toe.

't Was een donker portaaltje waarin de vluchteling zich nu

bevond. Rechts is de smalle gang die over het plaatsje, nogmaals door

een langere gang naar het voorhuis leidt.--Neen, op dezen weg liggen

de gerechtsdienaars in hinderlagen. Voort! Ter linkerzij loopt de

smalle gang op een achterdeur uit.--'t Is donker! Waar is de knop van

die deur?--Wie heeft den sleutel? Wie houdt haar gegrendeld?--O God,

daar komen ze. Hoor maar, paardengetrappel.--Hoor!

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 75 / 85 题