Op het oogenblik dat men Helmond uit de stootende kar hielp, zweepte
een nieuwe stormbui een slagregen door de Briesborger straten, zoodat
er nu, in den laten avond, geen levend wezen meer te zien was.
Alleen voor de deur van _De Romein_--het Briesborger logement bij
uitnemendheid, en bovendien het toevluchtsoord voor wie naar publieke
genoegens verlangde--zag men nog leven en beweging.
Twee groote reiswagens werden er juist ontladen; de laatste koffers
of kisten draagt men naar binnen, en de dampende paarden die straks,
sterk rillend, het tuig deden kletteren, voeren nu de ledige gele
gevaarten door de groote koetshuispoort onder dak.
Helmond is bij het afstappen van de kar tot eenig zelfbewustzijn
gekomen. Althans hij beseft de noodzakelijkheid om zich niet langer
aan dien vreeselijken slagregen te blijven blootstellen. Dat huis aan
gene zij van de stadspoort is het logement. Ja; maar niemand zal daar
weten wie hij is: "Want de hagel die hem straks in het aangezicht
sloeg heeft hem geheel onkenbaar gemaakt."
In de groote gelagkamer van het logement was de kastelein met zijn
bediende druk bezig, om een aantal gasten te bedienen, die zooeven
met de groote reiswagens waren aangekomen. De meesten hadden het koud
en geeuwden.
"Nog al plaatsen genomen kastelein?" vroeg een gezet heer die het
erg koud scheen te hebben en daarom zijn lange pelsjas nog aanhield.
"Dat houdt niet over menheer Baars. Van middag waren er geloof ik vier
en twintig; maar, de lijst uit de sociëteitskamer is nog dáár.--Hei
Piet, ga jij die lijst eens halen."
"Zóó, vier en twintig!" zegt de tooneeldirecteur, en bromt
iets tusschen de tanden.--"Dat heb je van die kleine plaatsen,"
herneemt hij: "ze weten niet wat kunst is. Ze motten de poppenkast
zien. Gisteren te Zutfen had ik het huis stampend vol!"
"'t Kan nog bijspijkeren menheer Baars. Morgen worden de meeste
plaatsen genomen; en," vervolgt de kastelein nu zachtjes: "voor
het bericht in het Briesborger weekblaadje is gezorgd. Mijn neef de
schoolmeester heeft er geen inkt aan gespaard. Je nieuwe sujetten
heeft ie in de lucht gestoken van belang. 't Zou me niet verwonderen
dat er morgen zelfs Romphuizers kwamen. Dat volk is zoo arm dat ze
geen lokaal hebben half zoo groot als het mijne. Als het morgen wat
beter weer is menheer Baars, dan...."
"Tenminste 't moet heel wat beter worden dan den eersten keer, anders
zie je me niet weerom. Laatst kon ik er zestig gulden bij toeleggen;
daar sta je geen kou en ellende voor uit."
"Nee zeker niet;" zegt de kastelein, en dan zachtjes, nadat hij den
directeur op een bericht in een der groote nieuwsbladen heeft gewezen,
met een zijdelingsch knipoogje op een man die met een jonge vrouw
ginds aan een tafeltje koffie en brood zit te nuttigen: "Als _die_
bijten wou, hê?"
"Trotsche kerel!" bromt de tooneeldirecteur: "Ja, als _die_ bijten
wou!"--Eensklaps zich omwendend tikt hij den zooeven aangeduiden man
op den schouder, en zegt terwijl hij hem terzijde wenkt:
"Menheer Philippe, 'en woordje alsjeblieft? Pardon mevrouw, één
oogenblik maar!"
Philippe staat op; neemt een stoel; zet dien bij het tafeltje, en
zelf weder plaats nemend, zegt hij: "Ga zitten menheer Baars. Voor
mijn vrouw heb ik geen geheimen."
"Ja maar, ik wou je even alleen spreken; 't is een delicate vraag."
"Daar wil ik juist dat mijn vrouw van profiteeren zal. Zulke vragen
komen zelden voor."
"Je toon menheer Philippe, tegenover je directeur is doorgaans
onvriendelijk. Ik weet niet waaraan ik dat verdien."
"Dat verdien je menheer, omdat je mijn vrouw wilt dwingen in een
stuk op te treden dat _gemeen_ is. Maar, voor een onmogelijk wulpsch
individu als Alma in _De Glorie der Boulevards_ zal ze niet spelen!"
"Tututu mijn beste jongen...."
"Ik ben je _jongen_ niet menheer Baars. Ik heet Philippe. Nog eens,
mijn vrouw zal er _niet_ voor spelen. Neem er juffrouw Lelie voor;
ze heeft toch bij uw gezelschap den naam van la Puritaine."
"Ik meen menheer Philippe, dat ons contract...."
"Ons contract zal nageleefd worden," valt Philippe in: "maar wanneer
de directeur ons onmogelijke rollen geeft, rollen waarin men zich
ten aanschouwe van 't publiek naakt uitkleeden of ophangen moet,
dan is de acteur die ze aanneemt immoreel of krankzinnig."
"Je overdrijft menheer Philippe. De Alma is een coquette, een...."
"Mijn vrouw speelt die rol _niet_! Dit is nu driemaal gezegd; en ik
hoop genoeg."
"We zullen zien, we zullen zien menheer! Ik meende dat het een
compliment was aan de schoonheid van mevrouw Philippe, dat ik in
overeenstemming met den regisseur, haar een rol gaf waar het publiek
bepaald plezier in zal hebben."
"Dan is het publiek verachtelijk! Wie een actrice toejuicht, die
zulk een rol speelt, zou ik in 't gezicht willen slaan, 't Is vreemd
menheer, dat je als directeur zoo weinig de roeping van het tooneel
begrijpt."
"Ja beste jong.... menheer Philippe,--wat zal ik je zeggen: we
moeten dubbeltjes slaan. Enfin, we kunnen er wel zoo'n beetje voor
zorgen dat je tevreden zult zijn.--Maar à propos--wat ik zeggen wou,
't was mijn plan om je appointement te verhoogen."
"Ei!"
"Je ziet ik voorkom je, ofschoon je weer in Zutfen hebt gemerkt hoe
allemachtig slecht de lui opkomen. Ja menheer je bent een acteur die
aanmoediging verdient. Ik geef je zeshonderd gulden meer. Ja, jawel;
maar op één conditie."
"En die is?"
"Zie, dat had ik nu juist liever onder vier oogen met je behandeld
beste jon...."
"Philippe, laat _mij_ dan even...." zegt de jonge vrouw terwijl
ze opstaat.
"Wil je liever van _mij_ hooren wat menheer Baars me te vragen
heeft? Zooals je wilt Virginie.--Nu, wát is de zaak directeur? Als
je zacht spreekt dan zijn we hier onder vier oogen."
"Je bent een man van karakter menheer, ja waarachtig, dat heb
ik dadelijk gezegd. Zonder karakter is de kunst niemendal, zonder
karakter is een talent mij geen knip voor den neus waard."
"De zaak menheer Baars?"
"Welnu, de zaak: een man van karakter schuilt niet achter een
pseudoniem. Dat doe _jij_ beste jongen, ja waarachtig, jij schuilt
achter een pseudoniem, dat weet je bl...... goed. Wil _ik_ je wat
zeggen: als je je eigen naam op de affiches laat zetten, dan geef ik
je zes--ziedaar dan geef ik je samen _achthonderd_ gulden meer."
"Mijn naam _is_ Philippe."
"Jawel juist, zooals mijn naam Leonard is, maar het _Baars_ erbij
doet de deur toe. Je naam is _Helmond_; ik weet het; ik wist het al
lang. Je moet dat geen liegen heeten mijnheer!"
"Wie zegt je dat ik dat liegen heet: Liegen is laag. Ik verzoek je
zoo iets niet te herhalen."
"Maar één ding is toch zeker, óf je schaamt je je naam, óf je schaamt
je je betrekking menheer Philippe. Het eerste kan niet waar zijn, dat
weet ik. U hebt evenals _ik_, heel wat grootheid in de familie. Maar
wat duivel, ik en een ander we komen voor onze namen uit. Ik zeg:
_Baars_! 't Gezelschap van _Baars_ en _Kogel_, wáárom niet!"
"Een geslachtsnaam is geen particulier eigendom;" antwoordt Philippe.
"Maar men is toch vrij om zijn naam te noemen waar men wil."
"Wie zijn naam onteert, schandvlekt een heele famile."
"Schandvlekken!" zegt Baars heftig. En dan weer kalmer: "Maar nee, ik
wil geen ruzie met je maken. Je hebt je rollen met talent gespeeld;
en je vr... mevrouw Philippe, speelt lief, jawel, allerliefst. Maar
als het je dan waarachtig ernst met de kunst is, en je waarlijk
helpen wilt om ons tooneel te releveeren menheer, waarom onthou je
ons dan je besten steun, je _naam_! Als de menschen meer en meer
namen als Baars en Helmond onder de oogen krijgen--van Kogel wil ik
niet spreken, diens heele paremantatie was figurant--ik zeg, _dán_
zullen ze begrijpen menheer, dat we van één bloed en nieren zijn. Nu,
wát zeg je: achthonderd gulden er nog bij; 't Is geen kleintje?"
"Nee ik moet je bedanken, menheer Baars;" zegt de jongere Helmond,
strak voor zich heen ziende--want inderdaad, achthonderd gulden méér,
't zou hem in staat stellen zijn lieve vrouw en zijn kind....
--Maar neen, hij herhaalt op stelligen toon: "Ik dank je. _Ik ben en
blijf Philippe._"
"Achthonderd gulden!" hengelt de directeur: "Watblief, nog een
benefiet voor je vrouwtje erbij; een doorloopende vrijkaart voor je
heele familie! Watblief, doe ik niet meer dan ik kan?"
Philip Helmond ziet den directeur eenige oogenblikken stilzwijgend
aan.--Een vrijkaart voor zijn heele familie! Ha, kon het anders of
een sarkastische glimlach moest een oogenblik die lippen plooien?
--Een vrijkaart voor den generaal Van Barneveld!--Nu is 't genoeg:
"Ik waardeer je goeden wil menheer Baars, maar ik moet
weigeren. Wanneer alleen stukken gespeeld werden zonder _slijk_;
zonder acties en volzinnen die den man en vooral de vrouw verlagen,
ja dan zou ik met een dwaas vooroordeel willen breken, en door het
noemen van mijn naam misschien ook anderen uit mijn stand bewegen om
ons tooneel te helpen verheffen. Maar nu, nee!"--Eensklaps opstaande,
gaat hij naar zijn vrouw die, niet ver van de deur bij een kleine tafel
staat, en de courant inziet, welke er zooeven door den kastelein was
neergelegd.--Ofschoon het nieuwsblad aan de schoone Virginie weinig
belangstelling inboezemt, zoo las zij toch, op het oogenblik dat
Philip haar naderde, met de meeste aandacht.
"Ei, zoozeer in de politiek verdiept?" zegt de jongere Helmond.
"Philip, zie eens hier, zie...."
En hij leest; en een blos overdekt zijn gelaat. Het nieuwsblad
bevatte het bericht dat Dr. A. Helmond genoemd werd als candidaat
voor de vaceerende betrekking van hoogleeraar in de medische faculteit
te L.....
"Hij! hij!!" zegt Philip. En dan: "Ha, dat ontbrak er nog aan!"
Eensklaps bemerkend dat de directeur hem terzij is gekomen, herneemt
hij, terwijl hij op het bericht wijst en hem streng in de oogen ziet:
"Ha! was het daarom!"
En de directeur zeer kalm:
"Ja, welzeker; dat was tenminste een reden te meer. Dat zou
waarschijnlijk wat trekken, de _broer van den professor_! Zeg, wat
dunkt je, zullen we er duizend van maken? Duizend meer, duizend blanke
guldens boven het tegenwoordige appointement; twee benefieten en drie
plaatsen vrij voor menheer den professor....?"
"Zwijg, geen woord meer hierover!" zegt Philip met smadenden lach! "Ik
veracht mijn familie; maar ik wil niet dat ze reden zal hebben om het
_mij_ te doen. Ik mag haar naam niet blootstellen aan de kans om in
één adem met: _De Glorie der Boulevards_ te worden genoemd."
"Des te beter," zegt Baars: "als je familie zoo verachtelijk is, welnu
dan traiter je ze 'tmeest met rondeman voor je naam uit te komen."
Baars vergeet dat hij door het geven van dezen raad, wat al te veel
laat doorschemeren dat hij met het aanbieden van de vrijkaarten,
den schijn heeft willen aannemen, alsof hij werkelijk meende dat
Helmonds familie er zich niet in 't minst aan ergeren zou wanneer
hij onder zijn waren naam ging optreden.
Helmond beschouwt den directeur met een bliksemend oog:
"Ik veracht mijn familie, ja! maar wien men veracht dien _traitert_
men niet; men draait hem den rug toe. Bah!"--Philip heeft de daad bij
het woord gevoegd, en zijn vrouw bij de hand vattend wil hij met haar
zijn plaats gaan hernemen.
"Wie is dat? Wie staart hem op eenigen afstand van de halfgeopende
deur, uit het vrij donkere voorhuis zoo onbeweeglijk aan. Is
dat.... August?--Neen, dat moet verbeelding zijn; natuurlijk;
dat is....
"Philip! ben jij 'et?" klinkt het fluisterend op bijna angstigen toon.
De jongere Helmond twijfelt niet meer. De hand van Virginie beeft
in de zijne. Ook zij heeft gezien, en de stem van Philips broeder
herkend. Ja, ze weet het nu zeker; daar staat de man wiens naam
men zooeven in het nieuwsblad vermeld vond, en die voor haar man
een vervloeking is geworden. Daar staat hij de broeder, van wien
Philip, sinds dien morgen in de Tuinstraat, rechtstreeks niets meer
vernam; maar die--zooals men verhaalde--in afwachting van mijnheer
Van Barnevelds dood, zijn praktijk verwaarloost en de ergerlijkste
schulden maakt, alleen ter wille van een ijdele vrouw, waaraan hij
zich ter kwader ure verbond.
--Ja, hij was het wel. Ook Philip is er zeker van. Een doodelijk wit
overdekt zijn gelaat. Maar, nog eer dokter Helmond nu de deur kon
bereiken, heeft de jongere broeder haar dichtgedaan, en keert hij
haastig met zijn vrouw naar het straks verlaten tafeltje terug.
De oudere Helmond--uit den fel gezweepten regen en den droevig donkeren
October-avond onder een welbekend dak en in "veiligheid" gebracht,
mocht bij het staren naar dat bekend gelaat de angstige visioenen,
die hem gedurig voor den geest spookten, voor een oogenblik vergeten.
--Dat was Philip, de redder van zijn leven toen ze nog knapen waren;
dat was de vurige Philip met zijn snel bruisend bloed; maar ook de
trouwe, wiens woord een onverbrekelijk zegel was. Daar stond hij,
hand aan hand met de schoone vrouw, die hem op dien morgen zoo roerend
heeft gezegd: "Ons kindje slaapt!"
--Stil, stil dan, het kindje slaapt, heeft dokter Helmond onwillekeurig
_gefluisterd_, waarna hij--om zich te vergewissen dat hij zich niet
bedroog, den geliefden broeder bij zijn naam riep.
--Maar neen, hij kon het niet zijn. Zie, de deur deed hij dicht.--Als
het Philip was, dan.....
"Wilt u logeeren menheer?" zegt Piet die voor den patroon de
komedielijst uit de sociëteit heeft gehaald, en weer in de gang kwam.
"Ja logeeren. Een kamer achteraf waar niemand komt."
"'t Is ook niet vooraan wat er open is menheer. Veel commis-voyageurs
met 't najaar, en de troep van Baars en Kogel. Ga binnen menheer." Piet
strekt de hand naar den deurknop uit, maar voelt zich den arm
weerhouden.--Neen, die heer wilde liefst niet binnengaan, 't Was daar
zoo vol, maar er was toch iemand dien hij spreken moest, in 't geheim;
een bleek blond heer--nog jong.
"Philippe....?"
"Ja ja, Philip; ja juist," zegt Helmond met schitterende oogen:
"maar zeg hem dat ik hem zeer in 't geheim moet spreken. Hij mag er
niemand iets van zeggen. Niemand verstaje.....
De schenker beschouwt den gast een oogenblik met meer opmerkzaamheid,
en valt dan uit:
"Sakkerloot, neem me niet kwalijk menheer, heb ik 't plezier dokter
Helmond uit Romphuizen te zien? Ik kende u warempel zoo gauw niet."
Helmond is op het oogenblik dat Piet hem zoo aanzag en zijn naam
noemde, angstig een schrede achteruitgegaan.... O God! Als men hem
herkende. Maar hoor, hoor Goddank!
--Piet zou hem niet verklappen. Piet begreep er alles van.-- Jawel, als
dokter hier logeeren wil, zonder dat iemand--behalve die één, jawel,
begrepen--er iets van merkte, dan zou hij hem wel helpen. Achter de
comediezaal, bij 't koetshuis, daar was nog een net kamertje:
"Kom maar mee dokter," vervolgt de schenker: "ik vat de reden van
uw komst wel.--'t Is menheer zijn eigen broer niewaar? Compris!--De
patroon en Baars zijn op één hand; natuurlijk! Maar ik kan me begrijpen
dat 'et schandaal-maken is.--Ja ik zal wel zorgen dat u hem ongezien
te spreken krijgt; laat dat maar aan Piet uit _De Romein_ over."
"Zoo, zul jij zorgen dat niemand, _niemand_ me ziet?" zegt Helmond;
en, gedurig rechts en links turend, volgt hij den schenker die met
een blaker vooruitgaat, door een zeer lange zijgang, en eindelijk
na een plaatsje te zijn overgegaan, en nogmaals een smal gangetje te
hebben doorloopen, in een kleine doch nette kamer.
't Was gelukkig voor den armen dokter dat de kleinsteedsche
hotelbediende de zaken, zooals hij dat noemde, "altijd
zoo juist in hun verband beschouwde." Piet had het aanstonds
begrepen.--heelemaal! Dokter Helmond uit Romphuizen heeft gehoord dat
zijn broer--die eigenlijk een gemeen sujet is en z'n zelvers bij Baars
en Kogel verengageerd heeft--morgen hier zal meespelen. Jawel en nu
komt hij hem uit naam van de heele familie bewegen om z'n eigen toch
niet te vergooien. Welzeker, de dokter zal slagen als ie bij z'n broer
maar over de brug komt; en, Baars zal woedend zijn; maar dat kan Piet
niet schelen. Piet heeft er eigenlijk een hekel aan dat zijn patroon
den troep van Baars en Kogel in de _Romein_ neemt. 't Was al van 't
minste soort; en toch, al die spullen 't gaf een behei en geherrie,
waardoor 'en mensch altijd uit zijn gewonen doen raakt.
--Enfin, geen haan zal er naar kraaien dat de dokter Van Romphuizen,
met zulk een doel hier is. Piet moet den directeur geen kans laten
om dien Philippe door een hooger bod te winnen. Niemand zal tusschen
beiden komen, en als morgen die voorstelling fout loopt--omdat Philippe
en z'n vrouw niet meespelen--dán, dan lacht Piet in z'n vuistje, want
de troep zal dan zeker hier voor het laatst geweest zijn.--Spoed nu,
men wacht op de lijst. Maar stil, eerst met een lucifer de kleine
kachel aangestoken, waarin reeds wat spaanders met een vuurmaker
op de bezielende vonk hebben gewacht. Dokter scheen het zeer koud
te hebben; zijn kleeren waren erg nat. De dokter was afgevallen;
althans voordeelig zag hij er niet uit,--Of dokter Helmond ook iets
gebruiken zou....... een glas warmen grog!?
"Ja ja, dat is goed; maar, noem mijn naam niet; men zal toch hiernaast
niet kunnen hooren....?"
"Volstrekt niet dokter; geen de minste nood. Als dokter 't verkiest
dan kan hij vertrekken zoo laat en zoo vroeg als hij wil, door 't
achterdeurtje naast de concert- en comediezaal. Dit is het zoogenaamde
cachet-kamertje dokter, 't ligt heel appart."
Eenige oogenblikken later is Piet in de algemeene logementkamer
teruggekeerd, en heeft al spoedig den heer Philippe in 't oor
gefluisterd, dat er iemand was die hem noodzakelijk spreken moest;
maar in 't geheim; heel dood in 't geheim.
"Ik ben niet te spreken;" heeft Philippe geantwoord.
Piet moest hem toen de duimschroeven aanzetten:
"'t Is uw eigen broeder menheer; dokter Helmond uit Romphuizen."
"Wie zegt jou dat ik anders heet dan er op 't affiche staat?"
"Nou!" zegt Piet, met een zeer vrijmoedigen zijdelingschen ruk van
het hoofd, en laat er zachtjes op volgen: "Als u z'n eigen broer
niet waart, dan zou die goeje dokter zeker niet door zoo'n heidensch
weer heelemaal uit Romphuizen komen om u te spreken. Hij heeft
iets heel gewichtigs menheer Philippe, en".... met een knipoogje:
"geld als water."
De jongere Helmond ziet den schenker aan alsof hij hem door den grond
wilde boren! Die vent is hem geen antwoord waard:
"Geef papier en inkt!" zegt hij gebiedend.
Piet zet groote oogen.
"En inkt....? Asjeblief menheer."
Helmond schrijft:
"Men moest niet vergeten dat Philippe Helmond gewoon is zijn
woord te houden. Hij houdt het aan een tooneeldirecteur zoowel
als aan de vrouw zijner keuze.
"Men moest begrijpen dat men zich verachtelijk maakt met
openlijk eerbied voor trouw en rechtschapenheid te veinzen,
en in 't geheim den meineed te komen aanvuren. Men moest zich
schamen den steen te werpen op een onervaren kind--wier zonde
het was dat ze bouwde op een mannenwoord, terwijl men zelf
in verwijfden dommel wordt meegesleurd door een Sirene.
"Men moest zich bloedrood schamen, slechts dán van zich te
doen hooren, wanneer men--zelfs badend in de weelde--week
wordt voor een oogenblik; of, door eigenbelang gedreven, wél
handen vol gelds zou willen wegwerpen om een naam te redden
voor 't oog der wereld, maar geen stap zal teruggaan op den
weg der verguizing.
"Dokter Helmond zal bemerken dat ik weet waarom hij mij spreken
wil, en dat ik begrijp wat hij mij te vragen heeft. Hem te
woord te staan doe ik niet, Maar toch dokter, keer blijmoedig
naar huis terug: Ofschoon er acteurs zijn en actrices die ik
als vrienden de hand druk, _nobele zielen_--nobeler helaas,
dan het eerste kind onzer moeder,--wees gerust, ik zal den
naam van onzen vader niet huwen aan een kunst zoolang ze nog
den cancan in haar wapen voert.--Welaan keer met verruimden
zin naar de vetpotten van een godzaligen pleegvader, en de
omarming eener welopgevoede vrouw terug. Zelfs _zonder_ dat
men hem behoeft om te koopen zal de neef van een generaal
en de broer van een hooggeleerden professor misschien, het
geheim zien te bewaren dat hij _gemeen_ acteur is.
"Ik eindig.--Philip Helmond bestaat niet meer; maar de acteur
Philippe, die geen broeder meer heeft, hij haat den man die
al dieper zinkt naarmate hij hooger rijst in de schatting
der wereld; hij veracht den man die, misschien uit naam van
een grijzen schijnvrome, hem geld komt bieden voor 't breken
van zijn woord.