EEN EN VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Op het oogenblik dat men Helmond uit de stootende kar hielp, zweepte

een nieuwe stormbui een slagregen door de Briesborger straten, zoodat

er nu, in den laten avond, geen levend wezen meer te zien was.

Alleen voor de deur van _De Romein_--het Briesborger logement bij

uitnemendheid, en bovendien het toevluchtsoord voor wie naar publieke

genoegens verlangde--zag men nog leven en beweging.

Twee groote reiswagens werden er juist ontladen; de laatste koffers

of kisten draagt men naar binnen, en de dampende paarden die straks,

sterk rillend, het tuig deden kletteren, voeren nu de ledige gele

gevaarten door de groote koetshuispoort onder dak.

Helmond is bij het afstappen van de kar tot eenig zelfbewustzijn

gekomen. Althans hij beseft de noodzakelijkheid om zich niet langer

aan dien vreeselijken slagregen te blijven blootstellen. Dat huis aan

gene zij van de stadspoort is het logement. Ja; maar niemand zal daar

weten wie hij is: "Want de hagel die hem straks in het aangezicht

sloeg heeft hem geheel onkenbaar gemaakt."

In de groote gelagkamer van het logement was de kastelein met zijn

bediende druk bezig, om een aantal gasten te bedienen, die zooeven

met de groote reiswagens waren aangekomen. De meesten hadden het koud

en geeuwden.

"Nog al plaatsen genomen kastelein?" vroeg een gezet heer die het

erg koud scheen te hebben en daarom zijn lange pelsjas nog aanhield.

"Dat houdt niet over menheer Baars. Van middag waren er geloof ik vier

en twintig; maar, de lijst uit de sociëteitskamer is nog dáár.--Hei

Piet, ga jij die lijst eens halen."

"Zóó, vier en twintig!" zegt de tooneeldirecteur, en bromt

iets tusschen de tanden.--"Dat heb je van die kleine plaatsen,"

herneemt hij: "ze weten niet wat kunst is. Ze motten de poppenkast

zien. Gisteren te Zutfen had ik het huis stampend vol!"

"'t Kan nog bijspijkeren menheer Baars. Morgen worden de meeste

plaatsen genomen; en," vervolgt de kastelein nu zachtjes: "voor

het bericht in het Briesborger weekblaadje is gezorgd. Mijn neef de

schoolmeester heeft er geen inkt aan gespaard. Je nieuwe sujetten

heeft ie in de lucht gestoken van belang. 't Zou me niet verwonderen

dat er morgen zelfs Romphuizers kwamen. Dat volk is zoo arm dat ze

geen lokaal hebben half zoo groot als het mijne. Als het morgen wat

beter weer is menheer Baars, dan...."

"Tenminste 't moet heel wat beter worden dan den eersten keer, anders

zie je me niet weerom. Laatst kon ik er zestig gulden bij toeleggen;

daar sta je geen kou en ellende voor uit."

"Nee zeker niet;" zegt de kastelein, en dan zachtjes, nadat hij den

directeur op een bericht in een der groote nieuwsbladen heeft gewezen,

met een zijdelingsch knipoogje op een man die met een jonge vrouw

ginds aan een tafeltje koffie en brood zit te nuttigen: "Als _die_

bijten wou, hê?"

"Trotsche kerel!" bromt de tooneeldirecteur: "Ja, als _die_ bijten

wou!"--Eensklaps zich omwendend tikt hij den zooeven aangeduiden man

op den schouder, en zegt terwijl hij hem terzijde wenkt:

"Menheer Philippe, 'en woordje alsjeblieft? Pardon mevrouw, één

oogenblik maar!"

Philippe staat op; neemt een stoel; zet dien bij het tafeltje, en

zelf weder plaats nemend, zegt hij: "Ga zitten menheer Baars. Voor

mijn vrouw heb ik geen geheimen."

"Ja maar, ik wou je even alleen spreken; 't is een delicate vraag."

"Daar wil ik juist dat mijn vrouw van profiteeren zal. Zulke vragen

komen zelden voor."

"Je toon menheer Philippe, tegenover je directeur is doorgaans

onvriendelijk. Ik weet niet waaraan ik dat verdien."

"Dat verdien je menheer, omdat je mijn vrouw wilt dwingen in een

stuk op te treden dat _gemeen_ is. Maar, voor een onmogelijk wulpsch

individu als Alma in _De Glorie der Boulevards_ zal ze niet spelen!"

"Tututu mijn beste jongen...."

"Ik ben je _jongen_ niet menheer Baars. Ik heet Philippe. Nog eens,

mijn vrouw zal er _niet_ voor spelen. Neem er juffrouw Lelie voor;

ze heeft toch bij uw gezelschap den naam van la Puritaine."

"Ik meen menheer Philippe, dat ons contract...."

"Ons contract zal nageleefd worden," valt Philippe in: "maar wanneer

de directeur ons onmogelijke rollen geeft, rollen waarin men zich

ten aanschouwe van 't publiek naakt uitkleeden of ophangen moet,

dan is de acteur die ze aanneemt immoreel of krankzinnig."

"Je overdrijft menheer Philippe. De Alma is een coquette, een...."

"Mijn vrouw speelt die rol _niet_! Dit is nu driemaal gezegd; en ik

hoop genoeg."

"We zullen zien, we zullen zien menheer! Ik meende dat het een

compliment was aan de schoonheid van mevrouw Philippe, dat ik in

overeenstemming met den regisseur, haar een rol gaf waar het publiek

bepaald plezier in zal hebben."

"Dan is het publiek verachtelijk! Wie een actrice toejuicht, die

zulk een rol speelt, zou ik in 't gezicht willen slaan, 't Is vreemd

menheer, dat je als directeur zoo weinig de roeping van het tooneel

begrijpt."

"Ja beste jong.... menheer Philippe,--wat zal ik je zeggen: we

moeten dubbeltjes slaan. Enfin, we kunnen er wel zoo'n beetje voor

zorgen dat je tevreden zult zijn.--Maar à propos--wat ik zeggen wou,

't was mijn plan om je appointement te verhoogen."

"Ei!"

"Je ziet ik voorkom je, ofschoon je weer in Zutfen hebt gemerkt hoe

allemachtig slecht de lui opkomen. Ja menheer je bent een acteur die

aanmoediging verdient. Ik geef je zeshonderd gulden meer. Ja, jawel;

maar op één conditie."

"En die is?"

"Zie, dat had ik nu juist liever onder vier oogen met je behandeld

beste jon...."

"Philippe, laat _mij_ dan even...." zegt de jonge vrouw terwijl

ze opstaat.

"Wil je liever van _mij_ hooren wat menheer Baars me te vragen

heeft? Zooals je wilt Virginie.--Nu, wát is de zaak directeur? Als

je zacht spreekt dan zijn we hier onder vier oogen."

"Je bent een man van karakter menheer, ja waarachtig, dat heb

ik dadelijk gezegd. Zonder karakter is de kunst niemendal, zonder

karakter is een talent mij geen knip voor den neus waard."

"De zaak menheer Baars?"

"Welnu, de zaak: een man van karakter schuilt niet achter een

pseudoniem. Dat doe _jij_ beste jongen, ja waarachtig, jij schuilt

achter een pseudoniem, dat weet je bl...... goed. Wil _ik_ je wat

zeggen: als je je eigen naam op de affiches laat zetten, dan geef ik

je zes--ziedaar dan geef ik je samen _achthonderd_ gulden meer."

"Mijn naam _is_ Philippe."

"Jawel juist, zooals mijn naam Leonard is, maar het _Baars_ erbij

doet de deur toe. Je naam is _Helmond_; ik weet het; ik wist het al

lang. Je moet dat geen liegen heeten mijnheer!"

"Wie zegt je dat ik dat liegen heet: Liegen is laag. Ik verzoek je

zoo iets niet te herhalen."

"Maar één ding is toch zeker, óf je schaamt je je naam, óf je schaamt

je je betrekking menheer Philippe. Het eerste kan niet waar zijn, dat

weet ik. U hebt evenals _ik_, heel wat grootheid in de familie. Maar

wat duivel, ik en een ander we komen voor onze namen uit. Ik zeg:

_Baars_! 't Gezelschap van _Baars_ en _Kogel_, wáárom niet!"

"Een geslachtsnaam is geen particulier eigendom;" antwoordt Philippe.

"Maar men is toch vrij om zijn naam te noemen waar men wil."

"Wie zijn naam onteert, schandvlekt een heele famile."

"Schandvlekken!" zegt Baars heftig. En dan weer kalmer: "Maar nee, ik

wil geen ruzie met je maken. Je hebt je rollen met talent gespeeld;

en je vr... mevrouw Philippe, speelt lief, jawel, allerliefst. Maar

als het je dan waarachtig ernst met de kunst is, en je waarlijk

helpen wilt om ons tooneel te releveeren menheer, waarom onthou je

ons dan je besten steun, je _naam_! Als de menschen meer en meer

namen als Baars en Helmond onder de oogen krijgen--van Kogel wil ik

niet spreken, diens heele paremantatie was figurant--ik zeg, _dán_

zullen ze begrijpen menheer, dat we van één bloed en nieren zijn. Nu,

wát zeg je: achthonderd gulden er nog bij; 't Is geen kleintje?"

"Nee ik moet je bedanken, menheer Baars;" zegt de jongere Helmond,

strak voor zich heen ziende--want inderdaad, achthonderd gulden méér,

't zou hem in staat stellen zijn lieve vrouw en zijn kind....

--Maar neen, hij herhaalt op stelligen toon: "Ik dank je. _Ik ben en

blijf Philippe._"

"Achthonderd gulden!" hengelt de directeur: "Watblief, nog een

benefiet voor je vrouwtje erbij; een doorloopende vrijkaart voor je

heele familie! Watblief, doe ik niet meer dan ik kan?"

Philip Helmond ziet den directeur eenige oogenblikken stilzwijgend

aan.--Een vrijkaart voor zijn heele familie! Ha, kon het anders of

een sarkastische glimlach moest een oogenblik die lippen plooien?

--Een vrijkaart voor den generaal Van Barneveld!--Nu is 't genoeg:

"Ik waardeer je goeden wil menheer Baars, maar ik moet

weigeren. Wanneer alleen stukken gespeeld werden zonder _slijk_;

zonder acties en volzinnen die den man en vooral de vrouw verlagen,

ja dan zou ik met een dwaas vooroordeel willen breken, en door het

noemen van mijn naam misschien ook anderen uit mijn stand bewegen om

ons tooneel te helpen verheffen. Maar nu, nee!"--Eensklaps opstaande,

gaat hij naar zijn vrouw die, niet ver van de deur bij een kleine tafel

staat, en de courant inziet, welke er zooeven door den kastelein was

neergelegd.--Ofschoon het nieuwsblad aan de schoone Virginie weinig

belangstelling inboezemt, zoo las zij toch, op het oogenblik dat

Philip haar naderde, met de meeste aandacht.

"Ei, zoozeer in de politiek verdiept?" zegt de jongere Helmond.

"Philip, zie eens hier, zie...."

En hij leest; en een blos overdekt zijn gelaat. Het nieuwsblad

bevatte het bericht dat Dr. A. Helmond genoemd werd als candidaat

voor de vaceerende betrekking van hoogleeraar in de medische faculteit

te L.....

"Hij! hij!!" zegt Philip. En dan: "Ha, dat ontbrak er nog aan!"

Eensklaps bemerkend dat de directeur hem terzij is gekomen, herneemt

hij, terwijl hij op het bericht wijst en hem streng in de oogen ziet:

"Ha! was het daarom!"

En de directeur zeer kalm:

"Ja, welzeker; dat was tenminste een reden te meer. Dat zou

waarschijnlijk wat trekken, de _broer van den professor_! Zeg, wat

dunkt je, zullen we er duizend van maken? Duizend meer, duizend blanke

guldens boven het tegenwoordige appointement; twee benefieten en drie

plaatsen vrij voor menheer den professor....?"

"Zwijg, geen woord meer hierover!" zegt Philip met smadenden lach! "Ik

veracht mijn familie; maar ik wil niet dat ze reden zal hebben om het

_mij_ te doen. Ik mag haar naam niet blootstellen aan de kans om in

één adem met: _De Glorie der Boulevards_ te worden genoemd."

"Des te beter," zegt Baars: "als je familie zoo verachtelijk is, welnu

dan traiter je ze 'tmeest met rondeman voor je naam uit te komen."

Baars vergeet dat hij door het geven van dezen raad, wat al te veel

laat doorschemeren dat hij met het aanbieden van de vrijkaarten,

den schijn heeft willen aannemen, alsof hij werkelijk meende dat

Helmonds familie er zich niet in 't minst aan ergeren zou wanneer

hij onder zijn waren naam ging optreden.

Helmond beschouwt den directeur met een bliksemend oog:

"Ik veracht mijn familie, ja! maar wien men veracht dien _traitert_

men niet; men draait hem den rug toe. Bah!"--Philip heeft de daad bij

het woord gevoegd, en zijn vrouw bij de hand vattend wil hij met haar

zijn plaats gaan hernemen.

"Wie is dat? Wie staart hem op eenigen afstand van de halfgeopende

deur, uit het vrij donkere voorhuis zoo onbeweeglijk aan. Is

dat.... August?--Neen, dat moet verbeelding zijn; natuurlijk;

dat is....

"Philip! ben jij 'et?" klinkt het fluisterend op bijna angstigen toon.

De jongere Helmond twijfelt niet meer. De hand van Virginie beeft

in de zijne. Ook zij heeft gezien, en de stem van Philips broeder

herkend. Ja, ze weet het nu zeker; daar staat de man wiens naam

men zooeven in het nieuwsblad vermeld vond, en die voor haar man

een vervloeking is geworden. Daar staat hij de broeder, van wien

Philip, sinds dien morgen in de Tuinstraat, rechtstreeks niets meer

vernam; maar die--zooals men verhaalde--in afwachting van mijnheer

Van Barnevelds dood, zijn praktijk verwaarloost en de ergerlijkste

schulden maakt, alleen ter wille van een ijdele vrouw, waaraan hij

zich ter kwader ure verbond.

--Ja, hij was het wel. Ook Philip is er zeker van. Een doodelijk wit

overdekt zijn gelaat. Maar, nog eer dokter Helmond nu de deur kon

bereiken, heeft de jongere broeder haar dichtgedaan, en keert hij

haastig met zijn vrouw naar het straks verlaten tafeltje terug.

De oudere Helmond--uit den fel gezweepten regen en den droevig donkeren

October-avond onder een welbekend dak en in "veiligheid" gebracht,

mocht bij het staren naar dat bekend gelaat de angstige visioenen,

die hem gedurig voor den geest spookten, voor een oogenblik vergeten.

--Dat was Philip, de redder van zijn leven toen ze nog knapen waren;

dat was de vurige Philip met zijn snel bruisend bloed; maar ook de

trouwe, wiens woord een onverbrekelijk zegel was. Daar stond hij,

hand aan hand met de schoone vrouw, die hem op dien morgen zoo roerend

heeft gezegd: "Ons kindje slaapt!"

--Stil, stil dan, het kindje slaapt, heeft dokter Helmond onwillekeurig

_gefluisterd_, waarna hij--om zich te vergewissen dat hij zich niet

bedroog, den geliefden broeder bij zijn naam riep.

--Maar neen, hij kon het niet zijn. Zie, de deur deed hij dicht.--Als

het Philip was, dan.....

"Wilt u logeeren menheer?" zegt Piet die voor den patroon de

komedielijst uit de sociëteit heeft gehaald, en weer in de gang kwam.

"Ja logeeren. Een kamer achteraf waar niemand komt."

"'t Is ook niet vooraan wat er open is menheer. Veel commis-voyageurs

met 't najaar, en de troep van Baars en Kogel. Ga binnen menheer." Piet

strekt de hand naar den deurknop uit, maar voelt zich den arm

weerhouden.--Neen, die heer wilde liefst niet binnengaan, 't Was daar

zoo vol, maar er was toch iemand dien hij spreken moest, in 't geheim;

een bleek blond heer--nog jong.

"Philippe....?"

"Ja ja, Philip; ja juist," zegt Helmond met schitterende oogen:

"maar zeg hem dat ik hem zeer in 't geheim moet spreken. Hij mag er

niemand iets van zeggen. Niemand verstaje.....

De schenker beschouwt den gast een oogenblik met meer opmerkzaamheid,

en valt dan uit:

"Sakkerloot, neem me niet kwalijk menheer, heb ik 't plezier dokter

Helmond uit Romphuizen te zien? Ik kende u warempel zoo gauw niet."

Helmond is op het oogenblik dat Piet hem zoo aanzag en zijn naam

noemde, angstig een schrede achteruitgegaan.... O God! Als men hem

herkende. Maar hoor, hoor Goddank!

--Piet zou hem niet verklappen. Piet begreep er alles van.-- Jawel, als

dokter hier logeeren wil, zonder dat iemand--behalve die één, jawel,

begrepen--er iets van merkte, dan zou hij hem wel helpen. Achter de

comediezaal, bij 't koetshuis, daar was nog een net kamertje:

"Kom maar mee dokter," vervolgt de schenker: "ik vat de reden van

uw komst wel.--'t Is menheer zijn eigen broer niewaar? Compris!--De

patroon en Baars zijn op één hand; natuurlijk! Maar ik kan me begrijpen

dat 'et schandaal-maken is.--Ja ik zal wel zorgen dat u hem ongezien

te spreken krijgt; laat dat maar aan Piet uit _De Romein_ over."

"Zoo, zul jij zorgen dat niemand, _niemand_ me ziet?" zegt Helmond;

en, gedurig rechts en links turend, volgt hij den schenker die met

een blaker vooruitgaat, door een zeer lange zijgang, en eindelijk

na een plaatsje te zijn overgegaan, en nogmaals een smal gangetje te

hebben doorloopen, in een kleine doch nette kamer.

't Was gelukkig voor den armen dokter dat de kleinsteedsche

hotelbediende de zaken, zooals hij dat noemde, "altijd

zoo juist in hun verband beschouwde." Piet had het aanstonds

begrepen.--heelemaal! Dokter Helmond uit Romphuizen heeft gehoord dat

zijn broer--die eigenlijk een gemeen sujet is en z'n zelvers bij Baars

en Kogel verengageerd heeft--morgen hier zal meespelen. Jawel en nu

komt hij hem uit naam van de heele familie bewegen om z'n eigen toch

niet te vergooien. Welzeker, de dokter zal slagen als ie bij z'n broer

maar over de brug komt; en, Baars zal woedend zijn; maar dat kan Piet

niet schelen. Piet heeft er eigenlijk een hekel aan dat zijn patroon

den troep van Baars en Kogel in de _Romein_ neemt. 't Was al van 't

minste soort; en toch, al die spullen 't gaf een behei en geherrie,

waardoor 'en mensch altijd uit zijn gewonen doen raakt.

--Enfin, geen haan zal er naar kraaien dat de dokter Van Romphuizen,

met zulk een doel hier is. Piet moet den directeur geen kans laten

om dien Philippe door een hooger bod te winnen. Niemand zal tusschen

beiden komen, en als morgen die voorstelling fout loopt--omdat Philippe

en z'n vrouw niet meespelen--dán, dan lacht Piet in z'n vuistje, want

de troep zal dan zeker hier voor het laatst geweest zijn.--Spoed nu,

men wacht op de lijst. Maar stil, eerst met een lucifer de kleine

kachel aangestoken, waarin reeds wat spaanders met een vuurmaker

op de bezielende vonk hebben gewacht. Dokter scheen het zeer koud

te hebben; zijn kleeren waren erg nat. De dokter was afgevallen;

althans voordeelig zag hij er niet uit,--Of dokter Helmond ook iets

gebruiken zou....... een glas warmen grog!?

"Ja ja, dat is goed; maar, noem mijn naam niet; men zal toch hiernaast

niet kunnen hooren....?"

"Volstrekt niet dokter; geen de minste nood. Als dokter 't verkiest

dan kan hij vertrekken zoo laat en zoo vroeg als hij wil, door 't

achterdeurtje naast de concert- en comediezaal. Dit is het zoogenaamde

cachet-kamertje dokter, 't ligt heel appart."

Eenige oogenblikken later is Piet in de algemeene logementkamer

teruggekeerd, en heeft al spoedig den heer Philippe in 't oor

gefluisterd, dat er iemand was die hem noodzakelijk spreken moest;

maar in 't geheim; heel dood in 't geheim.

"Ik ben niet te spreken;" heeft Philippe geantwoord.

Piet moest hem toen de duimschroeven aanzetten:

"'t Is uw eigen broeder menheer; dokter Helmond uit Romphuizen."

"Wie zegt jou dat ik anders heet dan er op 't affiche staat?"

"Nou!" zegt Piet, met een zeer vrijmoedigen zijdelingschen ruk van

het hoofd, en laat er zachtjes op volgen: "Als u z'n eigen broer

niet waart, dan zou die goeje dokter zeker niet door zoo'n heidensch

weer heelemaal uit Romphuizen komen om u te spreken. Hij heeft

iets heel gewichtigs menheer Philippe, en".... met een knipoogje:

"geld als water."

De jongere Helmond ziet den schenker aan alsof hij hem door den grond

wilde boren! Die vent is hem geen antwoord waard:

"Geef papier en inkt!" zegt hij gebiedend.

Piet zet groote oogen.

"En inkt....? Asjeblief menheer."

Helmond schrijft:

"Men moest niet vergeten dat Philippe Helmond gewoon is zijn

woord te houden. Hij houdt het aan een tooneeldirecteur zoowel

als aan de vrouw zijner keuze.

"Men moest begrijpen dat men zich verachtelijk maakt met

openlijk eerbied voor trouw en rechtschapenheid te veinzen,

en in 't geheim den meineed te komen aanvuren. Men moest zich

schamen den steen te werpen op een onervaren kind--wier zonde

het was dat ze bouwde op een mannenwoord, terwijl men zelf

in verwijfden dommel wordt meegesleurd door een Sirene.

"Men moest zich bloedrood schamen, slechts dán van zich te

doen hooren, wanneer men--zelfs badend in de weelde--week

wordt voor een oogenblik; of, door eigenbelang gedreven, wél

handen vol gelds zou willen wegwerpen om een naam te redden

voor 't oog der wereld, maar geen stap zal teruggaan op den

weg der verguizing.

"Dokter Helmond zal bemerken dat ik weet waarom hij mij spreken

wil, en dat ik begrijp wat hij mij te vragen heeft. Hem te

woord te staan doe ik niet, Maar toch dokter, keer blijmoedig

naar huis terug: Ofschoon er acteurs zijn en actrices die ik

als vrienden de hand druk, _nobele zielen_--nobeler helaas,

dan het eerste kind onzer moeder,--wees gerust, ik zal den

naam van onzen vader niet huwen aan een kunst zoolang ze nog

den cancan in haar wapen voert.--Welaan keer met verruimden

zin naar de vetpotten van een godzaligen pleegvader, en de

omarming eener welopgevoede vrouw terug. Zelfs _zonder_ dat

men hem behoeft om te koopen zal de neef van een generaal

en de broer van een hooggeleerden professor misschien, het

geheim zien te bewaren dat hij _gemeen_ acteur is.

"Ik eindig.--Philip Helmond bestaat niet meer; maar de acteur

Philippe, die geen broeder meer heeft, hij haat den man die

al dieper zinkt naarmate hij hooger rijst in de schatting

der wereld; hij veracht den man die, misschien uit naam van

een grijzen schijnvrome, hem geld komt bieden voor 't breken

van zijn woord.

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 74 / 85 题