VEERTIGSTE HOOFDSTUK.

Naar den kant van Briesborg aan de westelijke zij van het stadje,

wanneer men de laatste boerenhoeve voorbij is, wordt de weg zeer

eenzaam. De straatweg klimt dan tot aan het zoogenaamde Romphuizer

Hondsbosch, en gaat er vervolgens met een kleine kromming doorheen. Aan

gene zij van het bosch ziet men links van den straatweg nog een

armoedige hut, ofschoon de voerbak die er vóór staat moet aankondigen,

dat men binnen _Het Roode Zoodje_ toch wel eens "opsteken" kan. Is

men de hut aan den zoom van het bosch voorbijgegaan, dan heeft men,

na het kleine tuintje, met zijn luttele kromgegroeide appel- en

pruimeboomen in 't midden van wat kool en andijvieplanten, niets

meer te zien dan een eindeloos breede heivlakte. Ter rechter- en

linkerzij van den straatweg golft die vlakte voort, hier en daar

slechts afgebroken door een kronkelend karrespoor, of een jachtpaal

naast een grooten steen met wat braamstruiken, of ginds door een lager

gelegen waterplas met de duizenden indruksels van schapepootjes er in

't ronde, terwijl men recht voor zich uit, op een twintig minuten

afstands, het zoogenaamde Briesborger Kattenbosch ziet, waarachter

het stadje Briesborg zich verschuilt.

Sinds de mist tegen den avond was opgetrokken, hebben er zich in 't

Noordwesten zwarte legermachten saamgepakt. Straks zullen ze zich in

beweging stellen; legioen voor legioen. Ze zijn reeds in aantocht. Ha,

ze zullen vrij spel hebben dezen nacht. Over de breede hei gaat het

onverlet op woud en steden los.

Trompetters vooruit! Den aanval geblazen!

Dat was een schrikkelijke bui!

Grauwe Toon uit _Het Roode Zoodje_ zette het geweer, 'twelk

hij oppoetste, in een hoek, en keek naar de vuurplaat waarop de

hagelsteenen, zoo groot als erwten en bikkels, kletterend neervielen

om straks te sissen in 't vuur onder den pot met kokende aardappels.

Met een ruwen vloek zei grauwe Toon, dat Onzelieveheers hagel lang

zoo best niet was als de zijne.

De vrouw, die naar de aardappels kwam zien, lachte om de "geestigheid"

van Toon, en zei te vreezen dat het morgen met dat ruwe weer een

slechte dag voor de jacht zou worden. En dan, eensklaps opziende:

"Ik hoor wat! Ze kloppen aan 't raam. Smijt die hazen en hoenders in

't hok."

Grauwe Toon nam een zestal hazen en eenige patrijzen van den grond

en wierp ze in 't aangewezen hok.

"'t Zal Jaap zelf zijn om het zootje van vandaag," zegt hij: "misschien

is 't buiten zoo donker dat hij de deur niet kan vinden."

Een vreeselijke stormwind joeg naar binnen toen de man de deur opende

om eens even te gaan zien.

"Is daar iemand?" schreeuwde Toon naar buiten in de richting van

het raam.

Twee mannen kwamen al spoedig den hoek der hut om.

Zelfs toen ze binnentraden zagen Toon en z'n vrouw niet wie het waren;

de wind had de lamp uitgedoofd. Toen de deur gesloten was en de lamp

weer brandde, vroeg de man op wat minder ruwen toon dan hij gewoonlijk

sprak, wat menheer verlangde, want, ofschoon de menheer er niet erg

voornaam uitzag, hij had een knecht in livrei bij zich. Die vreemden

kwamen Toon wel bekend voor, maar thuisbrengen kon hij ze niet.

--Ah! nu is hij er achter. En Toon en zijn vrouw geneerden zich niet,

ze schaterden van 't lachen:

"Ben jij Bus, de lange pijp drop! O lieve heer, in een apen-

en hondenrok! Goeje hemel!" Toon hield zich den buik vast van 't

lachen. Het wijf meende te bezwijken, want zie, een pand van die

livrei-jas hing als een flard naar beneden.

Bus wreef aan z'n langen neus; de hagelsteenen hadden hem ouwerwets

geraakt; 't water droop hem van 't lijf, en hij rilde van kou. Toen

hij nu dat lachen hoorde, en zag dat het wijf naar het pand van zijn

jas wees, keek hij over den schouder naar beneden en nam het afhangende

flard onder den arm.

"Ah zoo" zegt Toon nog lachend: "ben jij Van Hake, de winkelknecht

van dien knoeier!"

Bus wist niet wat hij wringen zou, en wrong aan het flard van zijn

livrei-jas.

Thomas Van Hake trilt over zijn gansche lichaam; doch, hij houdt zich

in; hij begreep dat het parels voor de zwijnen zouden zijn om hier

Helmonds eer te gaan verdedigen.

"Ik vraag je Toon, of je ons helpen wilt om den dokter te zoeken? _Je_

kent de wegen in 't bosch."

"Hêt z'n mooie zoetelief 'em de deur uitgeschopt? Wel, óf ze gelijk

had; zoo'n domme kinkel! Als ie geen centen had en toch en gebraaien

haan wou uithangen, waarom dan niet dien ouwen lands-palfrenier van

_De Zonsberg_ goejen nacht gezeid! Nou, alsof jelui er niet _alle

dagen_ eenigen voor grof geld naar de eeuwigheid helpt! Als _ik_

het een schraal konijn doe, dan roepen ze moord en brand; maar zoo'n

stommen dokter, sakkerhelp! dien laten ze z'n gang maar gaan!"

Van Hakes oogen fonkelden. In een oogenblik was hij nabij den haard,

waar Toon straks zijn jachtgeweer heeft neergezet. Hij grijpt het;

neemt het met beide handen bij den loop; en dan, de kolf omhoogheffend,

roept hij in woede:

"Schelm! trek je woorden in, of in je eigen nest verpletter ik je

den grauwen kop!"

Bus liet het pand van zijn jas los en greep naar een stoel.--Toons

vrouw gilde weer van 't lachen. De strooper keek vergenoegd. Met zijn

kolossale hand vatte hij het jachtgeweer bij de kolf, en--slechts

een kleine draai was voldoende om het Thomas uit de hand te wringen.

"Waarachtig, jij bevalt me!" grinnikt Toon: "Nou zie ik dat je pit in

je ziel hebt, aldat je een pil bent en verkleumd van de kou. Griet,

lach niet meer en tap drie borrels klare. De lange heer met z'n

bedorven goud op 't lijf is er goed voor.--Ei zeg, en wàt wou je

dan nou?"

Toon van _Het Roode Zoodje_ zal niet alles vernemen. De vreeselijke

vermoedens die Thomas koesterde, ofschoon hij ze gedurig met

kracht van zich afstiet, ze zullen hem niet over de lippen. Zelfs

Bus,--ofschoon hij de aanleidende oorzaak is dat men den dokter zoekt

op te sporen,--hij zal niet vernemen wat Thomas vreest ofschoon hij 't

zelf niet gelooven kan.--Bus weet dat dokter zonderling had gepraat,

precies als iemand die.... in de war is. De vigilante, die hij op

dokters bevel heeft moeten bestellen, had volgens order aan den stal

gewacht; vijf--tien--twintig--dertig minuten; en, toen is men naar 't

doktershuis gereden. Nadat men daar een oogenblik was vóór geweest,

is Kaatje komen aanhollen met de boodschap, dat ze mevrouw met een

papier in de hand, stijf van haar zelve op menheers kamer gevonden

heeft, en de dokter was dan ook nergens te zien, ofschoon hij een

half uur geleden naar bed was gegaan.

Vliegend is men toen naar Van Hake gereden. De provisor was daarop

ijlings met zijn moeder naar het doktershuis gegaan, en heeft Bus met

de vigilante naar _De Zonsberg_ gezonden om te zien of dokter dáár

soms wezen mocht.--Doch tevergeefs. Een half uur later zat Thom in

de vigilante, en Bus naast Jozef uit _De Arend_ op den bok, om dokter

Helmond zoo mogelijk in de richting van Briesborg te vinden. Op raad

van mevrouw Van Hake, zou men aan het onderzoek de minstmogelijke

ruchtbaarheid geven. Men kon immers zeggen niet zeker te weten welken

patiënt de dokter nog buitenaf heeft moeten bezoeken, en dat men hem

nu een vigilante zond, omdat het weer zoo guur was geworden. Alvorens

naar den kant van Briesborg te rijden, was Thomas haastig naar het

station gegaan, teneinde, zonder rechtstreeks te vragen, er zich te

vergewissen of Helmond niet misschien met den trein--omstreeks een

kwartier geleden--vertrokken was. Nadat hij daar bemerken mocht dat

men den dokter in 't geheel niet gezien had, werd hij al spoedig

overtuigd dat Helmond zich werkelijk in de richting van Briesborg

op weg had begeven. Op zijn terugweg, nog even vóór de Zijperbrug,

heeft hij Hanna van _De Schebbelaar_ aan den arm van naar vrijer

ontmoet. Ach, Hanna had het heel naar gevonden dat dokter in den

laten avond, met dat slechte weer, nog zoo ver weg naar een zieke

moest. Ja, een minuut of tien geleden was zij hem tegengekomen, en

ofschoon dokter erge haast scheen te hebben, hij had háár en Evert

toch ieder nog een hand gegeven en vast beloofd dat hij tegen 't

voorjaar op hun bruiloft zou komen: "Zoo'n best en zoo'n nederig man!"

Weinige oogenblikken nadat Toon uit _Het Roode Zoodje_ zijn vraag

heeft gedaan weet hij in hoofdzaak, wat het geval en waar het

om te doen is. Dokter Helmond, die ziek te bed had gelegen, was,

waarschijnlijk in een ijlende koorts, opgestaan, en zonder dat iemand

het bemerkte, dezen weg opgeloopen. Zoo spoedig mogelijk is men hem

met de vigilante nagereden. Op een paar honderd schreden afstands

van hier, heeft men--nog even vóór dien geweldigen hagelslag--ondanks

de duisternis in 't bosch, een persoon gezien die, bij het vernemen

van een naderend rijtuig ijlings ter linkerzijde van den weg het

bosch was ingegaan. Bus heeft het voor zeker gehouden dat het de

dokter geweest is--"precies zoo'n figuur".--Aanstonds hebben Van

Hake en Bus toen het rijtuig verlaten, en den meester en vriend bij

zijn naam geroepen zoo hard als ze konden; maar, die vreeselijke bui

heeft gewis hun schreeuwen overstemd. Door struiken en bramen heen,

hadden ze zich een weg gebaand, en ondanks de duisternis, getracht

den zieken man te ontdekken; doch, toen ze eindelijk met gehavende

kleeren hier aan den zoom van het boschje zijn gekomen, toen waren

ze bitter teleurgesteld; ze hadden niets gevonden, en zoover als hun

oog over de hei nog reikte, ook niets bespeurd wat op een menschelijk

wezen geleek. Ze hebben hier aangeklopt in de hoop dat Toon, die met

de kleinste paadjes in het bosch en op de hei bekend was, hen tegen

een goede belooning zou willen behulpzaam zijn, en in alle geval een

lantaarn leenen, waaraan men in het bosch de grootste behoefte had.

De zwarte wolken-kolonne, die met vliegende vaandels en donderend

gekletter is voorbijgegaan, laat een oogenblik het laatste kwartier

der maan in het hagelijs blinken, 'twelk hier en ginds de wijde

heivlakte bedekt.

Angstig omziende naar het donkere bosch waarin men "om een moordenaar

te vatten van alle zijden is binnengedrongen," daalt Helmond, terwijl

hij zich een weg door struik- en braamgewas baant, een kleine helling

af, en spoedt zich nu voort op de breede hei. Het vluchtige licht

der maan wijst hem een zandweg.--Dien moet hij kiezen, want als hij

een anderen weg neemt dan verdwaalt hij in 't duister en overrompelt

men hem. O, indien hij maar wist dat ze hem ineens zouden treffen

in 't hart, ja, dan zou hij wel terug willen keeren naar dat bosch,

waarin ze hem schreeuwend opjaagden als een wild dier. Maar dat doen

ze niet: Ze leggen hem handboeien aan, en dan bouwen ze een schavot,

en dan.... Hu! wat is dat? Welk een vurig oog flikkert daar achter

hem over de hei? O God, het schiet bliksemende stralen uit! Dat is het

oog van de slang uit het paradijs; en, drie zwarte wezens verspreiden

zich.--Voort dan, voort!

Buiten de deur der hut op een kleine verhevenheid gekomen, heeft Toon

de lantaarn in de hoogte gehouden en, over de donkere hei ziende,

beweerd, dat hij niets kon ontdekken; maar ook, dat de dokter, als

hij met z'n zieke lichaam het bosch was ingegaan, er nóg wel wezen zou.

Van Hake meende echter heel in de verte iets zwarts te hebben gezien.

"Ik zeg je van nee!" beweerde Toon: "hij zit in het bosch."

"En ik wil zekerheid hebben!" riep Van Hake, en greep den forschen

man, die daarop niet voorbedacht was, de lantaarn uit de hand,

en spoedde zich voort in de richting waar hij meende dat zich iets

zwarts had bewogen.

"Jammer dat die kerel 'en pil is!" grinnikte Toon: "Vooruit dan lange

livrei-dragonder!" en hij gaf Bus een slag op den schouder zoodat

deze hevig schrok, en nog minder plezier in den tocht had dan straks

toen hij met den provisor alleen was.

"Wat 'en lucht komt er weer opzetten;" zei Bus, die nog maar half

van den schrik was bekomen. En dan, dan ziet hij in de richting van

den straatweg, waar Jozef zeker nog op dezelfde plaats in 't bosch

met de vigilante zal wachten.--Toen hij straks op dien bok zat, ja

toen was hij niemendal bang; maar nu!--Die Toon moest bovendien een

slechte vent wezen. Er liep een verhaal dat hier eens een weggevluchte

juffrouw uit Briesborg zou verdwenen zijn--spoorloos.--Lieve hemel! En

menheer van Hake rende daar de hei op, alsof er geen eenzaamheid en

geen nacht en geen gevaar in de wereld was.

"Ben jij bang?" roept Toon die Bus ziet achterblijven.

"Bang! nee nee, volstrekt niet." Maar, Bus was _dubbel_ bang, én voor

zich zelf, én voor zijn goeden meester.

Een vreeselijk wolkenheer heeft nogmaals hemel en aarde in een nacht

gehuld, zwarter dan het gesloten graf. Met woedend stormgeloei rukte

het tweede legioen aan, en spelt dood en vernietiging aan 't rijk van

den zomer.--Een ontzettende hagelslag snort door de lucht en rakkelt

op de hei, en doet het haas en konijn opschrikken en de lepels spitsen

in hun onderaardsche legers.

Geen mensch is instaat om tegen zulk een gezweepten steenregen het

hoofd en den schouder te zetten. Toon zegt dat het tempeest hem de baas

zou worden; maar niemand hoort hem, want Bus, die het afgescheurde

flard nu boven zijn hoofd houdt, bevindt zich reeds op den terugweg

in de richting van de hut, en--Van Hakes licht flikkert een gansch

eind verder al flauwer en flauwer.... zie, nú is het uit.

"Is daar iemand?" schreeuwt Thomas met geweld, want hij meent op

korten afstand iets zwarts te zien bewegen, en 't is hem toch bijna

onmogelijk om tegen dien hagelslag in, nog verder te gaan of zich

naar eisch te doen hooren.

Een geweldig groote hagelsteen sloeg juist op dat oogenblik een der

lantaarnruiten aan stuk, en het flikkerende licht was aanstonds

uitgedoofd.--Thom aarzelt. Nu roept hij weder; maar krijgt geen

antwoord. Toch wil hij weten of hij zich vergiste. Zóó vóórtgaan kan

hij echter niet. IJlings trekt hij de jas uit en bedekt er het hoofd

en ten deele het aangezicht mee.

Ach, hoe bitter moest Thoms teleurstelling wezen: Reeds meende hij

zich zeker van zijn zaak, toen de zwarte massa, die hij nu werkelijk

genaderd was, hem op zeer laconischen toon ten antwoord gaf: dat ie

zich vergiste als ie meende dat hier 'en dokter Helmond was. Hij

was niks meer als Jochem van den boer van 't Kraaiennest achter

Briesborg. Met den mist die 's-middags gevallen was, had hij een jong

schaap verloren, en, nu hij "den rakker" hier juist bezijden den plas

achter het opschot van wat struikhout heeft teruggevonden, nu wilde

hij liefst zoo gauw mogelijk naar huis, "want," zoo besloot hij: "Onze

Lieve Heer zal van nacht den duuvel 'en strop um den hals hoalen!"

Blê, riep het schaap, Mêêê! En de man voor Thomas onverstaanbaar:

"Stil stil kleine rakker; 'k zal oe kriegen a'j wéér wegloopen durft!"

En naarmate de slang met het bliksemend oog--het schijnsel van Thoms

lantaarn--den armen Helmond straks al sterker achtervolgde, ja een paar

malen schier op geen honderd schreden afstands was nabijgekomen, klom

zijn geestverwarring tot den hoogsten trap: 't Was Satan zelf die hem

achtervolgde, en God steenigde hem.--Met een nauwelijks hoorbaren kreet

is hij neergezegen op den killen, met hagelijs overdekten grond. Toen

viel er een nacht, een korte maar misschien een weldadige nacht over

dien vermoeiden geest.

De tweede bui, die de hevigste van dien avond zou wezen, was voorbij.

Het laatste kwartier gluurde weer vluchtig naar beneden, en spiegelde

zich even in den kleinen plas, die straks geschuimd heeft terwijl

het noodweer hem zweepte en voedde.

En niet verre van daar toont ook somwijlen het maanlicht de plek,

waar het bleek gelaat van een slapende de hagelsteenen, die hem ten

hoofdkussen strekken, langzaam smelten doet.

.... Hoor, daar schreit een kind. Neen, het lacht en zie, nu speelt

het met een blatend schaap.--Eva in een paars katoenen kleed, komt

daar de voordeur van het huis aan den wal uit; en ze ziet naar het

smalle perk met rozen; en zij plukt een bloem; en roept het kind, en

liefkoost en kust hem; en versiert dan het schaapje met de bloem die

ze plukte. Maar zie, het jongske trekt de roos weer uit den halsband,

en vliegt er mee naar.... hém; ja naar hém; en kust hem, en trekt

zijn Ma'tje erbij, en omstrengelt ze beiden, zijn vader en moeder.

En--ginds van verre staat het schaapje en blaat als schreiend: Mê blê,

mê blê!

Jochem van 't Kraaiennest was geschrokken.--En "mansmins" voor je voet

te vinden op de hei, en in den laten avond, daar zou de "trankielste

z'n eigen over verdoen."--Nochtans, hij bracht dien vond al spoedig

in verband met de ontmoeting die hij daar straks heeft gehad: 't Was

zeker de dokter van Romphuizen die verdwaald moest zijn.

Helmond is wakker geworden, maar, hij weet niet waar hij zich bevindt

en wat er met hem is voorgevallen. En terwijl hij eenige oogenblikken

later met dien man naar de zij van den straatweg voortgaat, is

het hem alsof hij zooeven nabij _De Schebbelaar_ van een paard is

gevallen. Maar ofschoon hij een vreeslijke pijn door al zijn leden

gevoelt, en bijna niet voort kan,--toch zal hij zich goedhouden;

immers hij moet een zieke te Briesborg bezoeken, en den zieke zal hij

dood vinden, evenals boer Dirksen met vergif om het leven gebracht,

door hém. Stil, niemand mag dat vermoeden, stil!

Weinige oogenblikken later heeft men den dokter op de kleine

kar geholpen, waarmee een boerenarbeider den schaapherder op den

straatweg heeft gewacht. En als Helmond er neerzit naast het lam,

en het voertuig voortboldert over de steenen, dan weet hij niet wat

er met hem gebeurt.--Is het de aarde die gestadig dreunt, en, ratelt

de donder zonder ophouden voort?

--En, O God, zie.... het lieve kind speelt daar nog altijd voort

op de glooiing van den wal met het blanke schaap. Hoor maar, hoor

hoe het blaat! "Eva, om Godswil," roept Helmond angstig: "neem ons

jongske weg. Eva, voorzichtig, een slang!.... Eva!"

Jochem de scheper, die naast den boerenarbeider op het voorbankje van

de stortkar zit, meent dat de dokter iets zegt, en omziende, beweert

hij dat menheer het maar goed heeft getroffen; op dat stroo "zat ie

naast den kleinen rakker krek als op moeders schoot. De kar stootte

wel een beetje maar dat was niets voor de kou. Als het goed was dan

zou ie menheer te Briesborg, vlak voor de stad, van het karretje

laten, want zóó op een mestkar mee binnen te rijden dat ging toch

niet. In alle geval zou ie menheer den raad geven om z'n eigen naar

Romphuizen met een rijtuig weerom te laten brengen. 'En mins was net as

'en schoap. 't Gebeurt soms dat ie afdwoalt en 't spoor biester roakt,

moar--'en scheper weet 'et te vinden."

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 73 / 85 题