August."

--Wat is dat? Wie komen daar?

Angstig ziet de arme koortslijder naar den donkersten hoek van het

groote vertrek.--Bedriegt hij zich niet?.... Men is daar bezig met boer

Dirksen te begraven. En zie, het lijk richt zich eensklaps overeind,

en terwijl het hem verachtelijk aanziet, wijst het op hém--Nu zinkt

het lijk achterover.--En daar, meer van nabij, daar ziet hij een

doodsbleeke vrouw. Ja hij kent haar wel, 't is de vrouw van den

kuiper Sturk. Zij slaapt--den eeuwigen slaap. Zie, ook zij richt

zich op, en.... Neen, Goddank, Goddank! zij stapt van het leger

af; zij lacht hem vriendelijk toe; zij groet hem nog met de hand

en.... verdwijnt in de diepe duisternis.--Ja zie, daar roert alweder

iets van verre.--Men schreeuwt--O God! aan _dien man_ heeft hij in een

paar jaren niet gedacht.... dat is die oude pleegvader. Zie, men heeft

zijn lichaam geopend; men onderzoekt zijn ingewanden; zie maar en al

de koppen van Rembrandts Ontleedkundige Les ze staren hem aan alsof ze

vragen.... "Ben jij de moordenaar....??"--"O mijn God!" roept Helmond

als in doodsangst nog eens. Aan dien grijsaard heeft hij straks niet

gedacht. Maar, ja, de kleine lamp met de groene kap brandde boven

op den lessenaar in de apotheek; en toen.... toen is er een schot

gevallen.--Maar, hij zal nog niet dood zijn. O als hij dood was! Neen

_neen_, dat kan niet! Voort dan, voort, naar _De Zonsberg_!

Een oogenblik later slaat Helmond de hand aan den deurknop. Hij zal

zich uit zijn woning verwijderen zonder dat iemand het bemerkt. Eva

zou hem weerhouden.--Maar, _hoe_ komt hij erheen? Ha, hij heeft immers

een rijtuig besteld. Ja hij herinnert het zich: Bus was zooeven hier

en.... Bus heeft hem tweehonderd gulden gegeven die hij verloren had;

en dat geld....--O Goddank, dat hij het zich mede herinnert: _Donerie's

monument_! Dat is de eenige smet; dat geld moet nog aangezuiverd,

dat moet aanstonds worden afgedaan!

Weinige oogenblikken later heeft Helmond zijn kamer verlaten.

En 't was stil, doodelijk stil in huis.

Eva zit in de Oranjezaal aan haar keurig bewerkte schrijftafel.

Haar besluit was genomen: Zij schrijft:

"Aan den Weledelgestr. Heer Van Dubbe,

Kantonrechter alhier.

"Weledelgestr. Heer en Vriend!

"De majoor Kartenglimp vordert van mij familiepapieren terug,

vermoedelijk op grond dat hij zich eenige moeite gaf om die van

elders te doen komen. Een opvatting tegen mijn echtgenoot,

aangezien deze hem na het ongeval op onze partij, niet

_zelf_ mee naar huis bracht, 'twelk hem echter als gastheer

onmogelijk was, heeft den majoor een zoo hostile houding

doen aannemen.--Ik wensch daarin volstrekt geen verandering

te zien gebracht. Wie mijn echtgenoot beleedigt door hem

het eens geschonken vertrouwen te ontnemen--hij wordt mij

een _individu_!

"Intusschen wensch ik van UEdelgestr. te vernemen, of

ik geen recht heb om papieren, die mij inderdaad werden

_aangeboden_--zij het tegen een belooning--als mijn eigendom

te beschouwen.

"Het recht eener familie op haar familiepapieren kan _mijns_

inziens niet twijfelachtig zijn.

"Indien UEdelgestr. mij als rechter en als vriend het bezit

der genoemde papieren--liefst zonder openbaarmaking--wildet

waarborgen, het zou mij zeer aangenaam wezen. Mocht het

noodig zijn daarvoor kosten te maken, dan geef ik u gaarne

carte blanche. In de hoop dat gij u in deze zaak voor mij

partij zult willen stellen, noem ik mij, enz., enz...."

--Goed zoo! denkt Eva met vergenoegden lach: Ik zal je bij de

rechterlijke macht vóórkomen, monstermensch! En, mocht de zaak op

den breeden weg moeten, welnu, mijn beste man draagt wissels van

duizenden in den zak.

En terwijl zij nu den brief sluit, zingt ze--eerst zeer zacht, maar

al spoedig luider:

"Tra lálala!

Tra lálala!

Daar komt hij de graaf van Tourloyette,

Vite donc, chapeaux bas;

Vite donc, placez vous là;

Daar komt hij de graaf met zijn jeune eega!"

--Chut, chut! schrikt Eva eensklaps van haar eigen zang. Die dwaze

roulades mochten eens tot boven doordringen en den armen goeden August

wakker maken. Stil, hij is zoo bedroefd; en, ondanks zich zelve zingt

ze toch weder, doch nu binnensmonds:

"Tra lálala!

Tra lálala!

Daar komt hij de graaf van Tourloyette,

Vite donc, chapeaux bas;

Criez un vif hourah!

Daar komt hij de graaf met zijn jeune _Evá_."

--Men zou zich kunnen laten inhalen. Ja, waarom niet!

En Helmond sloop met ingehouden adem door het holle reeds donkere

voorhuis; en hij hoorde.... haar zingen.

--Ha! zij zingt.--Goed, zij zingt!

Buiten was de wind koel. Ondanks zijn poging om de deur zeer zachtjes

toe te trekken.... ontstelt Eva van een plotselingen slag.

Maar, er was niets in het voorhuis. De wind zal een luik hebben

dichtgeslagen.--Foei, hoe kon een onnoozele speling van den wind haar

zoo doen ontstellen, foei!--En nu naar den lieven man!

"Tra lálala!

Tra lálala!

Daar komt hij de graaf van Tourloyette."

Eva verdween in de donkere gang.

Ternauwernood is Helmond buiten gekomen, of een naderend rumoer doet

hem zijn haastigen tred verkorten.--Wie komen daar? Wat wil men van

hem....? Neen, in de duisternis bemerkt men hem niet. Hoor:

".... Ze zeggen dat ie al dood is; geweldig om zóó aan z'n eind

te komen."

"Ga jij naar Biermans, ik loop naar den kantonrechter."

Een benauwde kreet ontsnapt er aan Helmond lippen; maar men hoorde

hem niet. De wind speelde met den ijzeren ketting van den lepel aan

de stadspomp.

--O God! daar komen ze! De handboeien houden ze

gereed. Dood! _dood_! _dood_! _Een lijk_!--Et satan conduit le

bal.--Voort! vlucht! Ellendige moordenaar, _vlucht_!--En, Helmond

verdwijnt in de donkere straat.

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 72 / 85 题