ACHT EN DERTIGSTE HOOFDSTUK

't Verwonderde Eva dat de jonge Hardenborg, nadat hij over Helmonds

afwezigheid zijn leedwezen had te kennen gegeven, zoo afgemeten

was. Met geen enkel woord herdenkt hij de partij, die toch waarlijk

niet voor het feest op _De Poel_ heeft ondergedaan.--Maar, hoe kon

ze 't een oogenblik vergeten: 't zou niet kiesch zijn indien hij

ervan sprak. Immers hij was Helmond in die nare oogenblikken te hulp

gekomen. Doch waartoe? Zou het inderdaad niet delicater geweest zijn

wanneer hij buiten den koepel was gebleven? En dan, hoe kwam hij zoo

toevallig achter in den tuin? Had hij haar misschien bespied toen

zij zich voortspoedde? Heeft hij haar van ontrouw durven verdenken....?

--Weg, weg met die dwaze gedachten! Zij weet wel beter. Helmond

heeft haar meermalen gezegd dat Archibald Hardenborg een brave edele

jongen was.

--Voorzeker, hij heeft op dien avond de waarheid gegist. Hij kende

dien Kartenglimp. Later werkte hij er krachtig toe mee, om dien

vreeselijken man niet slechts uit hun huis te verwijderen, maar

ook om te zorgen dat hij haar goeden naam niet door leugenachtige

uitstrooisels in gevaar bracht.

--'t Was kiesch van Hardenborg dat hij niet van den feestavond

sprak.--Maar nu.... zou ze hem eens om raad vragen! Zal ze hem den

inhoud van dat pas ontvangen briefje meedeelen? Onder den indruk ervan

is ze zelve minder spraakzaam; ze gevoelt het.--'t Zal haar misschien

een goed denkbeeld geven, en tegelijk het gesprek beter doen vlotten:

"Ik wil het u niet verbergen luitenant.... daareven kreeg ik...."--Neen

neen! toch niet, ze spreekt er niet van: "Ik kreeg...."

"Slechte tijding misschien van _De Zonsberg_ mevrouw?"

--'t Is ook waar, Kaatje is haar, weinige oogenblikken voor Hardenborgs

komst, met een bedenkelijk gezicht komen vertellen dat de generaal,

volgens Bus, er slecht aan toe was.

"Ja, ja juist, _heel_ slechte tijding;" zegt Eva snel.

"Toch niet reeds....?"

Eva wist niet hoe het kwam; maar toen hij haar aanzag met een gelaat,

waarop zooveel vraagteekens geschreven stonden, toen kon ze 't niet

laten om reeds als _zeker_ te stellen 'tgeen toch zeer wel _mogelijk_

was. Ze vond er een zonderling genoegen in om al vast eens te toonen

"hoe ontzettend diep dat verlies haar zou schokken...."

"De generaal overleden?" zegt Archibald, en de gewoonlijk zoo vroolijke

uitdrukking van zijn prettig gelaat is nu geheel verdwenen.

--Eva kon 't niet helpen. Zij heeft letterlijk geen tijd gehad om een

reserve te maken. Ofschoon ze slechts door een gelaatsuitdrukking het

antwoord heeft gegeven, het speet haar nu reeds dat ze een onwaarheid

sprak. En--Maar nee, ze kon niet zoo aanstonds terug.

"Die fiksche oude man!" zegt Hardenborg: "Helmond zal zeer bedroefd

zijn. Hij hield veel van den generaal."

"O ja.... tenminste...." zegt Eva. En dan; ze wil nu toch zeggen dat

de luitenant haar verkeerd heeft begrepen. 't Is te dwaas dat zij "den

ridder van _De Zonsberg_ reeds van zijn aardsche schatten losmaakte,

terwijl hij misschien nog bestemd was om als een tweede Harpagon

op het wereldtooneel te schitteren". Ze wil hem zeggen bovendien,

dat Helmond noch zij, veel reden zouden hebben om zich een mogelijk

overlijden van den generaal bijzonder aan te trekken.

--Wanneer de luitenant soms door infame praatjes in de meening was

gebracht, dat men op een erfenis van Helmonds "edelen pleegvader"

hoopte, dan kon ze hem verzekeren dat dit een allerliefst misverstand

was. Men achtte het beneden zich om aan zoo iets te denken, en gevoelde

zich veel te hoog, en van te edele afkomst, om nog op een handvol

goud te speculeeren terwijl men, door zelf fortuin te bezitten,

dat armzalig gepotte geld gelukkig niet noodig had. Zij wil....

Doch zie, daar wordt de deur geopend.--Is het Helmond wel die

binnentreedt? Eva schrikt. Wat ziet hij bleek. Wat staan zijn oogen

strak. Misschien is hij naar _De Zonsberg_ geweest, en....

Snel vliegt zij haar August tegemoet, en omhelst en kust hem alsof

er geen vreemde bij was.

Archibald is mede getroffen door Helmonds voorkomen. Hij steekt hem

de hand toe en zegt:

"Mijn beste Helmond, ik kan me je smart begrijpen. 't Is hard den

ouden boom te zien vallen wanneer men als kind onder zijn lommer

mocht spelen, 't Zal je een droom zijn. Men wist ternauwernood dat

hij ernstig ziek was: en--nu al _dood_!"

't Was Helmond alsof een ijzeren vuist hem inwendig samenwrong.

Roerloos stond hij daar en zag den luitenant aan met een blik, waaruit

deze echter niet las dan een poging om zijn felle smart te bedwingen.

"_Dood!_ Wie meen je? Wat? _Wie_ is dood?"

Eva, hevig ontsteld, bekent met een schaamteblos dat er een misverstand

is. Mijnheer Hardenborg heeft zeker straks uit haar woorden of houding

opgemaakt dat de generaal reeds overleden zou zijn. Eva weet niet

meer wat zij gezegd heeft; maar juist had ze den luitenant beter

willen inlichten, toen Helmond is binnengekomen. Het spijt haar dat

zij onwillekeurig mijnheer Hardenborg in een dwaling en Helmond aan

't schrikken heeft gebracht. Maar Helmond zelf zou het immers beter

weten, want, zij kan het hem aanzien dat hij--al te goedaardig--er weer

is heen geweest, en er waarschijnlijk zeer onaangename oogenblikken

heeft doorgebracht.

--En ja, Helmond wist het beter.... Althans....? Maar hij moet zich

nu goedhouden. Ofschoon hij bij 't binnentreden niet op zulk een

nieuwen schok was voorbereid, hij zal de kracht niet missen om zijn

gewone kalmte ook nu te bewaren.--Schokken zijn voor Eva in hare

omstandigheden hoogstgevaarlijk. Zij heeft een teeder gestel.

"Ja, ik schrok ervan Eva; maar gelukkig, ik wist het

beter.... tenminste....!" En dan, alsof hij zich aan een sombere

droomerij, waarin hij opnieuw dreigt te vervallen, ontrukken wil:

"Hoe gaat het op _De Poel_, en--op _Brouwerscate_?"

Archibald zou er bijna toe gekomen zijn om, naar aanleiding van

die laatste vraag, weer op wat vroolijker toon te beginnen; maar,

Helmonds krachtige poging om zich goed te houden ontging hem niet.

Er zijn oogenblikken dat een vroolijke toon klinkt als hondengejank te

midden van een plechtig adagio. Er zullen er altijd zijn die _lachen_,

maar wie gevoel voor muziek heeft dien snijdt het door de ziel.

Hardenborg herinnert zich nu het doel van zijn komst, en, dewijl hij

bovendien vernam dat men nog dineeren moest, zou het zeer onbescheiden

zijn geweest indien hij de echtgenooten langer bleef ophouden.

Met de beste wenschen neemt Archibald afscheid. Alvorens echter de

kamer te verlaten--hij rekent erop dat Helmond hem zal uitgeleide

doen--moet hij, tegen zijn zin, de schoone Eva nog een oogenblik tot

raadsman dienen. Zij zegt hem, dat hij immers wel gaarne zal toestemmen

dat Helmond zich zelven en ook háár kwaad doet, met zich den loop der

wereldsche zaken zoo aan te trekken. Hardenborg moet beloven, vast

beloven, dat hij haar lieven man dikwijls zal komen opzoeken. Men

kon dan meteen eens over een plannetje spreken, dat ze--als alles

wèl blijft--gevormd heeft; namelijk, om samen dezen winter partij

te maken en wekelijks naar Briesborg te gaan als er comedie zou

zijn. Ze heeft dezen morgen juist in het Romphuizer blaadje gezien,

dat de troep die er speelde door _aanwinst_ van een nieuw acteur en

actrice zoo bijzonder zal voldoen.

"Niewaar luitenant," besluit Eva: "een dokter die later uit ambitie

maar dokteren blijft, ofschoon hij er niet tegen kan--nee, wie zich

alles zoo aantrekt _kan_ er niet tegen--die dokter moet een contrepoids

in afleiding zoeken?"

"Wel mogelijk mevrouw;" zegt Archibald: "Maar over dit alles later;

ik mag u niet ophouden. Bonsoir!" En, met een buiging verlaat hij

de kamer.

Archibald vond Eva lang zoo schoon niet als bij vroegere

gelegenheden. Maar, hij verkeert onder een indruk. Nu zal hij zekerheid

krijgen en zich verruimen meteen:

"Nee nee, eventjes moet je met me in je spreekkamer, mijn brave

reparateur. Noodzakelijk!"

Helmond volgt. 't Bevreemdt hem niet dat Hardenborg hem iets te

zeggen heeft. Hij zou zich op dit oogenblik over niets hebben

verwonderd. Wanneer men hem gezegd had dat hij niet bestond, en

dat de heele wereld een _niets_ was, hij zou het niet vreemd hebben

gevonden. Já, de heele wereld een ledig _niets_!

Zie, nu luistert hij toch. Ja zelfs aandachtig. Wat is dat? Fonkelen

zijn oogen van blijde verrukking; glinstert daar een traan....

"Dat is nu alles wat ik je te zeggen heb," besluit Archibald:

"Of de som wat grooter of kleiner is, mijn beste vrind, dat doet

er niet toe. Grootpapa Fontayn heeft indertijd zulke goede zaakjes

gemaakt, dat men op een enkel briefje van duizend gulden niet

behoeft te zien. Komaan Helmond, bedenk je geen oogenblik: als ik

raak heb geslagen dan zal het zoo zijn, en beschouw dan de geheele

geschiedenis als een herhaalde dankzegging van iemand die blij is dat

ie nog leeft.--O wat zou mijn engel hebben aangevangen in de wijde

wereld zonder haar dierbaren luitenant op nonactief!"

Nu 't pak hem van 't hart is ademt Hardenborg weer ruimer.--Had hij

vroeger zoo iets kunnen vermoeden, goede hemel, hij zou in overleg met

le bon papa al lang die narigheid uit de wereld hebben geholpen. Maar

eerst sedert gisteren vernam hij van alle zijden dat de arme vriend

zoo rondom in de schuld zat. Begrepen! Het teleurgestelde monster,

dat de zwakke zij der schoone vrouw, ter bereiking van zijn lage

oogmerk, heeft weten te streelen, nam _toch_ zijn wraak.

--Ha, begrijpt de laffe domoor dan niet dat Archibald Hardenborg

terstond heeft doorzien van wien het ongeteekend schrijven kwam,

'twelk men bij de familie Narwal, als waarschuwing tegen den "tot over

de ooren in de schuld stekenden Helmond", had ontvangen? Moest hij zóó

woord houden die zwarte blanke, en inweerwil van de ontvangen krasse

waarschuwing!--'t Besluit was aanstonds in stilte genomen: Als papa zou

toestemmen, dan reed hij invliegende vaart naar den vriend, om hem, zoo

't noodig mocht zijn, carte blanche te geven; en vervolgens naar dien

"talentvollen acteur" om hem nóg eens te zeggen--maar onbeschrijfelijk

kort--wáár 't op stond tusschen hem en den tweeden luitenant.

En nu, 't is jammer, _jammer_ dat de fielt geen onwaarheid heeft

geschreven. De arme Helmond! Maar Goddank, Goddank! dat hij em helpen

kan.--Archibald krijgt het warm, zeer warm. Hij voelt zich de hand

vatten, die drukken met vuur, en.... Neen, woorden verneemt hij

niet. Dat is pijnlijk, verdord! Dat is.... Hij zou geen "schouder

geweer!" kunnen roepen als 't noodig was.

"Ben je gek Helmond; je drukt me die hand veel te hard. Weet je wat: je

stopt dus, met wat wissels op onzen Amsterdamschen kassier, de scheuren

maar heelemaal toe. Met dominees en dokters daar kun je zoo van die

grappen mee hebben, zei le bon papa: die beste vrinden repareeren je

van binnen en van buiten zoo goed als voor niemendal.--Kom, ben je

gek vent; je trekt me de hand uit het lid."

"Archibald, ik ben op dit oogenblik niet instaat...."

"Nee dat hoeft ook volstrekt niet."

"Hardenborg, ik _mag_ en _kan_...."

"_Mogen_ daar denken we niet aan, _kunnen_ da's iets anders; maar om

't je wat gemakkelijk te maken, heeft papa alvast een stuk of wat

van die dingen meegegeven. Zieje, hier. Jij vult van de blanco's de

cijfers maar in, enz. enz. Aan de achterzij je naam. Nu dat is toch

zoo'n heksenwerk niet. Tot weerziens; adieu!"

Toen Helmond opzag was hij alleen. De voordeur hoorde hij dichtslaan;

en, een rijtuig ratelde langs het marktplein voort.

--Heeft hij 't gedroomd!? Toont hem weer een grijnzende sater een

schotel vol goud? Neen, hier, hier liggen ze.... de bewijzen. Zie

maar. Hahaha, hahaha!!--Stil, dat lachen klinkt akelig; 't doet hem

pijn, ja pijn, pijn overal! Maar toch, hij zou nog eens kunnen lachen.

"O God, ik dank u! mijn naam; mijn kind! mijn Eva!"

--Eva,--stil, zij mag niets weten. Als zij 't wist.... en als zij 't

niet wist.... en als de wind tegen den molen blaast dan jagen de wieken

elkander als krankzinnigen na, en die vermolmd zijn breken af, en slaan

neer en verpletteren het huis met alles wat daarin is.--Waar dacht ik

aan?--Ja, ik ben ziek; ik heb koorts. Maar met een vasten wil kan men

zich zelf beheerschen. Goddank ik mag weer vrijer ademen. Goddank! nu

zal alles vereffend worden, en dan.... Wees kalm Helmond; verontrust

nu je zelf en Eva niet. Zie wat te eten. Zij roept je. Hoor:

"Er is gediend August, kom!"

--Krachtig dan, krachtig!

Eva zag wel dat August niet heel fiksch was; dat hij bijna niets

gebruikte, en dat er gedurig een vreemde uitdrukking op zijn gelaat

kwam, nu eens alsof hij lachte, en dan weer alsof hem de somberste

denkbeelden door het brein spookten.

--De goede Helmond is al te gevoelig voor een man, denkt Eva: Hij

gaat er _vreeselijk_ onder gebukt dat die oude heer 't commando gaat

neerleggen. Enfin, God heeft de wereld geschapen, en den mensch zooals

hij is. Maar deze beste overgevoelige mensch werd door _mijn_ toedoen

toch zeker nog meer van streek gebracht dan hij 't reeds was. Die

voorbarige condoléance van Hardenborg trof hem geweldig. Ja 't was

_mijn_ schuld. Misschien kalmeer ik dien goeden man nog het best

door mij voor 't oogenblik maar over mijn grieven heen te zetten;

't zal hem hinderen dat ik in 't geheel niet naar dien "dierbaren

pleegvader" vraag. Welnu dan:

"Was het zoo heel erg met.... den generaal, August?"

"Erg, ja Eva, ja. Maar spreek er niet van. Als ik niet beter wist,

dan zou ik zeggen dat hij dáár zat, dáár naast je. Ik weet het wel

beter, maar...." Helmond ziet weer voor zich neer. Hij wist niet

wat hij zeggen wilde. Hij weet gedurende een paar oogenblikken zelfs

niet recht waar hij zich bevindt, en wie het is die daar zit.--O ja,

nu weet hij 't weer, dat is zijn dierbare vrouw, die miskend werd en

gescholden door een pleegvader, wiens laatste woorden een vervloeking

zijn geweest over 't hoofd van een pleegkind dat hem altijd eerde

en liefhad.--_Ellendeling!_

--Wat kijkt hij weer akelig strak, en wat is bij toch bleek; denkt Eva.

Opstaande komt ze hem terzij; zoent hem op het voorhoofd, en zegt

dan vleiend:

"Moet men zich dat zóó _vreeselijk_ aantrekken! Hou je dan waarlijk

meer van dien zieke, dan van je Eva, mijn beste man?"

"Nee mijn liefste, zekerlijk niet!" zegt Helmond op kalmen toon.--O,

die zoete omhelzing deed hem zoo goed. Hij herinnert zich nu weder

dat hij in hare tegenwoordigheid onder alle omstandigheden kalm moet

blijven. Eva mag niet vermoeden wat er omgaat in zijn binnenste; welke

spooksels hem vervolgen, en wat ze hem gedurig al grijnzend toeroepen.

"Dan willen we ons maar altijd vaster aaneensluiten mijn August, en wat

ons dan ook ontvalle niewaar, twee en één en nog eentje blijven één,

en voor elkander genoeg.--Maar nu, op mijn beurt ga _ik_ nu eens voor

dokter spelen. Je bent zenuwachtig en erg vermoeid, en daarom heb je

weinig gegeten. Als je nu langer opblijft, dan zul je ziek worden,

en dat wou ik om geen tien generaa.... ik meen voor geen geld van de

wereld. Kom mijn beste; zie me nu eens even wat vroolijker aan.--Zóó

ja,--dat gaat nog al. Zwaarmutserij daar doen we niet meer aan; is

't wel mijn lieve August?--Hé, wat komt daar uit dien zak gluren?

Het hoofd terzij houdend, en het papier uit den borstzak van zijn jas

een weinig naar boven schuivend, leest ze luide het gedeelte van den

wissel, 't welk nu te voorschijn is gekomen; en dan, dreigend met

den vinger:

"Ondeugd! Evertje Zwaarmuts!! Nu moet het er één weer wagen om me

met zotte babbelpraatjes aan boord te komen! Over jou, over mijn

royalen man!--Kom, van avond geen vertoogjes meer! Gauw tot rust

komen mijn lieve; en morgen dan hooren we dat die generaal weer voor

zes jaren geteekend heeft. Want--onkruid vergaat niet;" voegt ze

er onhoorbaar bij. En weder luide: "En dan ben jij een heel ander,

een uitgerust kereltje; en dan heb ik je een heeleboel te vertellen;

van iets fataals dat me van avond letterlijk een oogenblik van streek

bracht, maar dat we vinden zullen, ook in 't belang van ons schatje,

al moet het wezen á force d'argent. Nee nee, geen muizenesten meer! We

bepalen dan, bij een helder zonneschijntje, den dag waarop we onze

equipage gaan halen--met den trein er naar toe, welzeker--en spreken

te Briesborg meteen over de plaatsen in de comedie;--natuurlijk als

mijnheer Alexander V. B. weer inhuurt, natuurlijk!"

't Was Helmond bij den woordenstroom van Eva alsof er op zijn

gloeiend voorhoofd heete droppelen vielen. Hij weet niet wat hij

gehoord heeft....--O ja: _ons schatje_, heeft ze gezegd. Ha! ons

schatje! Groote God, is hij toch niet zalig in dezen stond! Zijn

gansche wereld van liefde en heil rust aan zijn hart. Eva streelt

hem de wang; zij zoent hem op dat moede hoofd; zij dringt hem om nu

te gaan slapen; over niets zal ze meer spreken; geen muisje zal zich

bewegen in huis; en, zacht den eersten regel van een wiegelied zingend,

dwingt ze hem op te staan terwijl ze alvast met haar fijne vingers

hem den halsboord losknoopt, want, ze meent te hebben bespeurd dat

de drukking ervan hem zooeven benauwde.

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 69 / 85 题