't Verwonderde Eva dat de jonge Hardenborg, nadat hij over Helmonds
afwezigheid zijn leedwezen had te kennen gegeven, zoo afgemeten
was. Met geen enkel woord herdenkt hij de partij, die toch waarlijk
niet voor het feest op _De Poel_ heeft ondergedaan.--Maar, hoe kon
ze 't een oogenblik vergeten: 't zou niet kiesch zijn indien hij
ervan sprak. Immers hij was Helmond in die nare oogenblikken te hulp
gekomen. Doch waartoe? Zou het inderdaad niet delicater geweest zijn
wanneer hij buiten den koepel was gebleven? En dan, hoe kwam hij zoo
toevallig achter in den tuin? Had hij haar misschien bespied toen
zij zich voortspoedde? Heeft hij haar van ontrouw durven verdenken....?
--Weg, weg met die dwaze gedachten! Zij weet wel beter. Helmond
heeft haar meermalen gezegd dat Archibald Hardenborg een brave edele
jongen was.
--Voorzeker, hij heeft op dien avond de waarheid gegist. Hij kende
dien Kartenglimp. Later werkte hij er krachtig toe mee, om dien
vreeselijken man niet slechts uit hun huis te verwijderen, maar
ook om te zorgen dat hij haar goeden naam niet door leugenachtige
uitstrooisels in gevaar bracht.
--'t Was kiesch van Hardenborg dat hij niet van den feestavond
sprak.--Maar nu.... zou ze hem eens om raad vragen! Zal ze hem den
inhoud van dat pas ontvangen briefje meedeelen? Onder den indruk ervan
is ze zelve minder spraakzaam; ze gevoelt het.--'t Zal haar misschien
een goed denkbeeld geven, en tegelijk het gesprek beter doen vlotten:
"Ik wil het u niet verbergen luitenant.... daareven kreeg ik...."--Neen
neen! toch niet, ze spreekt er niet van: "Ik kreeg...."
"Slechte tijding misschien van _De Zonsberg_ mevrouw?"
--'t Is ook waar, Kaatje is haar, weinige oogenblikken voor Hardenborgs
komst, met een bedenkelijk gezicht komen vertellen dat de generaal,
volgens Bus, er slecht aan toe was.
"Ja, ja juist, _heel_ slechte tijding;" zegt Eva snel.
"Toch niet reeds....?"
Eva wist niet hoe het kwam; maar toen hij haar aanzag met een gelaat,
waarop zooveel vraagteekens geschreven stonden, toen kon ze 't niet
laten om reeds als _zeker_ te stellen 'tgeen toch zeer wel _mogelijk_
was. Ze vond er een zonderling genoegen in om al vast eens te toonen
"hoe ontzettend diep dat verlies haar zou schokken...."
"De generaal overleden?" zegt Archibald, en de gewoonlijk zoo vroolijke
uitdrukking van zijn prettig gelaat is nu geheel verdwenen.
--Eva kon 't niet helpen. Zij heeft letterlijk geen tijd gehad om een
reserve te maken. Ofschoon ze slechts door een gelaatsuitdrukking het
antwoord heeft gegeven, het speet haar nu reeds dat ze een onwaarheid
sprak. En--Maar nee, ze kon niet zoo aanstonds terug.
"Die fiksche oude man!" zegt Hardenborg: "Helmond zal zeer bedroefd
zijn. Hij hield veel van den generaal."
"O ja.... tenminste...." zegt Eva. En dan; ze wil nu toch zeggen dat
de luitenant haar verkeerd heeft begrepen. 't Is te dwaas dat zij "den
ridder van _De Zonsberg_ reeds van zijn aardsche schatten losmaakte,
terwijl hij misschien nog bestemd was om als een tweede Harpagon
op het wereldtooneel te schitteren". Ze wil hem zeggen bovendien,
dat Helmond noch zij, veel reden zouden hebben om zich een mogelijk
overlijden van den generaal bijzonder aan te trekken.
--Wanneer de luitenant soms door infame praatjes in de meening was
gebracht, dat men op een erfenis van Helmonds "edelen pleegvader"
hoopte, dan kon ze hem verzekeren dat dit een allerliefst misverstand
was. Men achtte het beneden zich om aan zoo iets te denken, en gevoelde
zich veel te hoog, en van te edele afkomst, om nog op een handvol
goud te speculeeren terwijl men, door zelf fortuin te bezitten,
dat armzalig gepotte geld gelukkig niet noodig had. Zij wil....
Doch zie, daar wordt de deur geopend.--Is het Helmond wel die
binnentreedt? Eva schrikt. Wat ziet hij bleek. Wat staan zijn oogen
strak. Misschien is hij naar _De Zonsberg_ geweest, en....
Snel vliegt zij haar August tegemoet, en omhelst en kust hem alsof
er geen vreemde bij was.
Archibald is mede getroffen door Helmonds voorkomen. Hij steekt hem
de hand toe en zegt:
"Mijn beste Helmond, ik kan me je smart begrijpen. 't Is hard den
ouden boom te zien vallen wanneer men als kind onder zijn lommer
mocht spelen, 't Zal je een droom zijn. Men wist ternauwernood dat
hij ernstig ziek was: en--nu al _dood_!"
't Was Helmond alsof een ijzeren vuist hem inwendig samenwrong.
Roerloos stond hij daar en zag den luitenant aan met een blik, waaruit
deze echter niet las dan een poging om zijn felle smart te bedwingen.
"_Dood!_ Wie meen je? Wat? _Wie_ is dood?"
Eva, hevig ontsteld, bekent met een schaamteblos dat er een misverstand
is. Mijnheer Hardenborg heeft zeker straks uit haar woorden of houding
opgemaakt dat de generaal reeds overleden zou zijn. Eva weet niet
meer wat zij gezegd heeft; maar juist had ze den luitenant beter
willen inlichten, toen Helmond is binnengekomen. Het spijt haar dat
zij onwillekeurig mijnheer Hardenborg in een dwaling en Helmond aan
't schrikken heeft gebracht. Maar Helmond zelf zou het immers beter
weten, want, zij kan het hem aanzien dat hij--al te goedaardig--er weer
is heen geweest, en er waarschijnlijk zeer onaangename oogenblikken
heeft doorgebracht.
--En ja, Helmond wist het beter.... Althans....? Maar hij moet zich
nu goedhouden. Ofschoon hij bij 't binnentreden niet op zulk een
nieuwen schok was voorbereid, hij zal de kracht niet missen om zijn
gewone kalmte ook nu te bewaren.--Schokken zijn voor Eva in hare
omstandigheden hoogstgevaarlijk. Zij heeft een teeder gestel.
"Ja, ik schrok ervan Eva; maar gelukkig, ik wist het
beter.... tenminste....!" En dan, alsof hij zich aan een sombere
droomerij, waarin hij opnieuw dreigt te vervallen, ontrukken wil:
"Hoe gaat het op _De Poel_, en--op _Brouwerscate_?"
Archibald zou er bijna toe gekomen zijn om, naar aanleiding van
die laatste vraag, weer op wat vroolijker toon te beginnen; maar,
Helmonds krachtige poging om zich goed te houden ontging hem niet.
Er zijn oogenblikken dat een vroolijke toon klinkt als hondengejank te
midden van een plechtig adagio. Er zullen er altijd zijn die _lachen_,
maar wie gevoel voor muziek heeft dien snijdt het door de ziel.
Hardenborg herinnert zich nu het doel van zijn komst, en, dewijl hij
bovendien vernam dat men nog dineeren moest, zou het zeer onbescheiden
zijn geweest indien hij de echtgenooten langer bleef ophouden.
Met de beste wenschen neemt Archibald afscheid. Alvorens echter de
kamer te verlaten--hij rekent erop dat Helmond hem zal uitgeleide
doen--moet hij, tegen zijn zin, de schoone Eva nog een oogenblik tot
raadsman dienen. Zij zegt hem, dat hij immers wel gaarne zal toestemmen
dat Helmond zich zelven en ook háár kwaad doet, met zich den loop der
wereldsche zaken zoo aan te trekken. Hardenborg moet beloven, vast
beloven, dat hij haar lieven man dikwijls zal komen opzoeken. Men
kon dan meteen eens over een plannetje spreken, dat ze--als alles
wèl blijft--gevormd heeft; namelijk, om samen dezen winter partij
te maken en wekelijks naar Briesborg te gaan als er comedie zou
zijn. Ze heeft dezen morgen juist in het Romphuizer blaadje gezien,
dat de troep die er speelde door _aanwinst_ van een nieuw acteur en
actrice zoo bijzonder zal voldoen.
"Niewaar luitenant," besluit Eva: "een dokter die later uit ambitie
maar dokteren blijft, ofschoon hij er niet tegen kan--nee, wie zich
alles zoo aantrekt _kan_ er niet tegen--die dokter moet een contrepoids
in afleiding zoeken?"
"Wel mogelijk mevrouw;" zegt Archibald: "Maar over dit alles later;
ik mag u niet ophouden. Bonsoir!" En, met een buiging verlaat hij
de kamer.
Archibald vond Eva lang zoo schoon niet als bij vroegere
gelegenheden. Maar, hij verkeert onder een indruk. Nu zal hij zekerheid
krijgen en zich verruimen meteen:
"Nee nee, eventjes moet je met me in je spreekkamer, mijn brave
reparateur. Noodzakelijk!"
Helmond volgt. 't Bevreemdt hem niet dat Hardenborg hem iets te
zeggen heeft. Hij zou zich op dit oogenblik over niets hebben
verwonderd. Wanneer men hem gezegd had dat hij niet bestond, en
dat de heele wereld een _niets_ was, hij zou het niet vreemd hebben
gevonden. Já, de heele wereld een ledig _niets_!
Zie, nu luistert hij toch. Ja zelfs aandachtig. Wat is dat? Fonkelen
zijn oogen van blijde verrukking; glinstert daar een traan....
"Dat is nu alles wat ik je te zeggen heb," besluit Archibald:
"Of de som wat grooter of kleiner is, mijn beste vrind, dat doet
er niet toe. Grootpapa Fontayn heeft indertijd zulke goede zaakjes
gemaakt, dat men op een enkel briefje van duizend gulden niet
behoeft te zien. Komaan Helmond, bedenk je geen oogenblik: als ik
raak heb geslagen dan zal het zoo zijn, en beschouw dan de geheele
geschiedenis als een herhaalde dankzegging van iemand die blij is dat
ie nog leeft.--O wat zou mijn engel hebben aangevangen in de wijde
wereld zonder haar dierbaren luitenant op nonactief!"
Nu 't pak hem van 't hart is ademt Hardenborg weer ruimer.--Had hij
vroeger zoo iets kunnen vermoeden, goede hemel, hij zou in overleg met
le bon papa al lang die narigheid uit de wereld hebben geholpen. Maar
eerst sedert gisteren vernam hij van alle zijden dat de arme vriend
zoo rondom in de schuld zat. Begrepen! Het teleurgestelde monster,
dat de zwakke zij der schoone vrouw, ter bereiking van zijn lage
oogmerk, heeft weten te streelen, nam _toch_ zijn wraak.
--Ha, begrijpt de laffe domoor dan niet dat Archibald Hardenborg
terstond heeft doorzien van wien het ongeteekend schrijven kwam,
'twelk men bij de familie Narwal, als waarschuwing tegen den "tot over
de ooren in de schuld stekenden Helmond", had ontvangen? Moest hij zóó
woord houden die zwarte blanke, en inweerwil van de ontvangen krasse
waarschuwing!--'t Besluit was aanstonds in stilte genomen: Als papa zou
toestemmen, dan reed hij invliegende vaart naar den vriend, om hem, zoo
't noodig mocht zijn, carte blanche te geven; en vervolgens naar dien
"talentvollen acteur" om hem nóg eens te zeggen--maar onbeschrijfelijk
kort--wáár 't op stond tusschen hem en den tweeden luitenant.
En nu, 't is jammer, _jammer_ dat de fielt geen onwaarheid heeft
geschreven. De arme Helmond! Maar Goddank, Goddank! dat hij em helpen
kan.--Archibald krijgt het warm, zeer warm. Hij voelt zich de hand
vatten, die drukken met vuur, en.... Neen, woorden verneemt hij
niet. Dat is pijnlijk, verdord! Dat is.... Hij zou geen "schouder
geweer!" kunnen roepen als 't noodig was.
"Ben je gek Helmond; je drukt me die hand veel te hard. Weet je wat: je
stopt dus, met wat wissels op onzen Amsterdamschen kassier, de scheuren
maar heelemaal toe. Met dominees en dokters daar kun je zoo van die
grappen mee hebben, zei le bon papa: die beste vrinden repareeren je
van binnen en van buiten zoo goed als voor niemendal.--Kom, ben je
gek vent; je trekt me de hand uit het lid."
"Archibald, ik ben op dit oogenblik niet instaat...."
"Nee dat hoeft ook volstrekt niet."
"Hardenborg, ik _mag_ en _kan_...."
"_Mogen_ daar denken we niet aan, _kunnen_ da's iets anders; maar om
't je wat gemakkelijk te maken, heeft papa alvast een stuk of wat
van die dingen meegegeven. Zieje, hier. Jij vult van de blanco's de
cijfers maar in, enz. enz. Aan de achterzij je naam. Nu dat is toch
zoo'n heksenwerk niet. Tot weerziens; adieu!"
Toen Helmond opzag was hij alleen. De voordeur hoorde hij dichtslaan;
en, een rijtuig ratelde langs het marktplein voort.
--Heeft hij 't gedroomd!? Toont hem weer een grijnzende sater een
schotel vol goud? Neen, hier, hier liggen ze.... de bewijzen. Zie
maar. Hahaha, hahaha!!--Stil, dat lachen klinkt akelig; 't doet hem
pijn, ja pijn, pijn overal! Maar toch, hij zou nog eens kunnen lachen.
"O God, ik dank u! mijn naam; mijn kind! mijn Eva!"
--Eva,--stil, zij mag niets weten. Als zij 't wist.... en als zij 't
niet wist.... en als de wind tegen den molen blaast dan jagen de wieken
elkander als krankzinnigen na, en die vermolmd zijn breken af, en slaan
neer en verpletteren het huis met alles wat daarin is.--Waar dacht ik
aan?--Ja, ik ben ziek; ik heb koorts. Maar met een vasten wil kan men
zich zelf beheerschen. Goddank ik mag weer vrijer ademen. Goddank! nu
zal alles vereffend worden, en dan.... Wees kalm Helmond; verontrust
nu je zelf en Eva niet. Zie wat te eten. Zij roept je. Hoor:
"Er is gediend August, kom!"
--Krachtig dan, krachtig!
Eva zag wel dat August niet heel fiksch was; dat hij bijna niets
gebruikte, en dat er gedurig een vreemde uitdrukking op zijn gelaat
kwam, nu eens alsof hij lachte, en dan weer alsof hem de somberste
denkbeelden door het brein spookten.
--De goede Helmond is al te gevoelig voor een man, denkt Eva: Hij
gaat er _vreeselijk_ onder gebukt dat die oude heer 't commando gaat
neerleggen. Enfin, God heeft de wereld geschapen, en den mensch zooals
hij is. Maar deze beste overgevoelige mensch werd door _mijn_ toedoen
toch zeker nog meer van streek gebracht dan hij 't reeds was. Die
voorbarige condoléance van Hardenborg trof hem geweldig. Ja 't was
_mijn_ schuld. Misschien kalmeer ik dien goeden man nog het best
door mij voor 't oogenblik maar over mijn grieven heen te zetten;
't zal hem hinderen dat ik in 't geheel niet naar dien "dierbaren
pleegvader" vraag. Welnu dan:
"Was het zoo heel erg met.... den generaal, August?"
"Erg, ja Eva, ja. Maar spreek er niet van. Als ik niet beter wist,
dan zou ik zeggen dat hij dáár zat, dáár naast je. Ik weet het wel
beter, maar...." Helmond ziet weer voor zich neer. Hij wist niet
wat hij zeggen wilde. Hij weet gedurende een paar oogenblikken zelfs
niet recht waar hij zich bevindt, en wie het is die daar zit.--O ja,
nu weet hij 't weer, dat is zijn dierbare vrouw, die miskend werd en
gescholden door een pleegvader, wiens laatste woorden een vervloeking
zijn geweest over 't hoofd van een pleegkind dat hem altijd eerde
en liefhad.--_Ellendeling!_
--Wat kijkt hij weer akelig strak, en wat is bij toch bleek; denkt Eva.
Opstaande komt ze hem terzij; zoent hem op het voorhoofd, en zegt
dan vleiend:
"Moet men zich dat zóó _vreeselijk_ aantrekken! Hou je dan waarlijk
meer van dien zieke, dan van je Eva, mijn beste man?"
"Nee mijn liefste, zekerlijk niet!" zegt Helmond op kalmen toon.--O,
die zoete omhelzing deed hem zoo goed. Hij herinnert zich nu weder
dat hij in hare tegenwoordigheid onder alle omstandigheden kalm moet
blijven. Eva mag niet vermoeden wat er omgaat in zijn binnenste; welke
spooksels hem vervolgen, en wat ze hem gedurig al grijnzend toeroepen.
"Dan willen we ons maar altijd vaster aaneensluiten mijn August, en wat
ons dan ook ontvalle niewaar, twee en één en nog eentje blijven één,
en voor elkander genoeg.--Maar nu, op mijn beurt ga _ik_ nu eens voor
dokter spelen. Je bent zenuwachtig en erg vermoeid, en daarom heb je
weinig gegeten. Als je nu langer opblijft, dan zul je ziek worden,
en dat wou ik om geen tien generaa.... ik meen voor geen geld van de
wereld. Kom mijn beste; zie me nu eens even wat vroolijker aan.--Zóó
ja,--dat gaat nog al. Zwaarmutserij daar doen we niet meer aan; is
't wel mijn lieve August?--Hé, wat komt daar uit dien zak gluren?
Het hoofd terzij houdend, en het papier uit den borstzak van zijn jas
een weinig naar boven schuivend, leest ze luide het gedeelte van den
wissel, 't welk nu te voorschijn is gekomen; en dan, dreigend met
den vinger:
"Ondeugd! Evertje Zwaarmuts!! Nu moet het er één weer wagen om me
met zotte babbelpraatjes aan boord te komen! Over jou, over mijn
royalen man!--Kom, van avond geen vertoogjes meer! Gauw tot rust
komen mijn lieve; en morgen dan hooren we dat die generaal weer voor
zes jaren geteekend heeft. Want--onkruid vergaat niet;" voegt ze
er onhoorbaar bij. En weder luide: "En dan ben jij een heel ander,
een uitgerust kereltje; en dan heb ik je een heeleboel te vertellen;
van iets fataals dat me van avond letterlijk een oogenblik van streek
bracht, maar dat we vinden zullen, ook in 't belang van ons schatje,
al moet het wezen á force d'argent. Nee nee, geen muizenesten meer! We
bepalen dan, bij een helder zonneschijntje, den dag waarop we onze
equipage gaan halen--met den trein er naar toe, welzeker--en spreken
te Briesborg meteen over de plaatsen in de comedie;--natuurlijk als
mijnheer Alexander V. B. weer inhuurt, natuurlijk!"
't Was Helmond bij den woordenstroom van Eva alsof er op zijn
gloeiend voorhoofd heete droppelen vielen. Hij weet niet wat hij
gehoord heeft....--O ja: _ons schatje_, heeft ze gezegd. Ha! ons
schatje! Groote God, is hij toch niet zalig in dezen stond! Zijn
gansche wereld van liefde en heil rust aan zijn hart. Eva streelt
hem de wang; zij zoent hem op dat moede hoofd; zij dringt hem om nu
te gaan slapen; over niets zal ze meer spreken; geen muisje zal zich
bewegen in huis; en, zacht den eersten regel van een wiegelied zingend,
dwingt ze hem op te staan terwijl ze alvast met haar fijne vingers
hem den halsboord losknoopt, want, ze meent te hebben bespeurd dat
de drukking ervan hem zooeven benauwde.