NEGEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Buiten sloeg de torenklok acht.

Ofschoon gestadig ten prooi aan de akeligste droomen, heeft Helmond

bijna een kwartier geslapen.

Nu komt hij eensklaps overeind in zijn leger, opent ijlings de

ledikantgordijnen, en staart naar het donker onder Eva's prachtige

linnenkast. Ja zie maar, daar steekt een voet onder uit; daar ligt

de kerel; hij houdt zich schuil; hij heeft zich daar verborgen om

hem zoo aanstonds wanneer hij weer slapen zal, te overrompelen.

"Wie is daar! Wie!?"

Er komt geen antwoord. Toch--daar wordt gezucht. Hoor, men gromt en

zucht geweldig....

"Wie, wie is daar, _wie_!?" roept Helmond weder. Met beide handen

bedekt hij nu zijn gelaat.--Neen, daar was niemand. Het zuchten en

grommen is het geraas van den wind in den schoorsteen.--Hij roept:

"Eva!"

Zij komt niet.--Eva zal nog beneden zijn.--Indien zij 'twist dat men

hem zoekt; indien ze vermoeden kon dat men het huis omsingelt! Hoor

maar, de sabels rinkelen;--men fluistert....

--O God, als men Eva dan ook....

Helmond is het bed uitgevlogen. In weinige seconden heeft hij zich

aangekleed, gedurig starend naar het donker onder Eva's linnenkast.

--Wat doet hij? Opstaan, waarom? Nu weet hij het weer. Hij moet naar

_De Zonsberg_; geen oogenblik mag hij wachten; misschien heeft de

oude man reeds een poeder gebruikt, en ligt hij zieltogend neer.--Aan

Jacoba zal hij het zeggen. De lijder moet een tegengif hebben?--Spoed

Helmond, eer het te laat is!

IJlings, met het blakerlicht in de hand den corridor betredend,

ontstelt de dokter hevig. Een lange gedaante trad de deur van zijn

kamer uit. Is het een spookse?

"Bus, ben jij het?"

Bus, nog meer dan zijn meester ontsteld, slaat de oogen neer, en

antwoordt met trillende stem: "Jawel dokter."

Helmond keert tot zijn volle bewustzijn terug:

"Wat dee je in mijn kamer?"

De arme lange Bus geeft stotterend maar naar waarheid verslag van

'tgeen hij er deed: Sinds den morgen na de partij bij mijnheer

Debecque--toen hij dokters rok had schoongemaakt--heeft hij geen

rustig uur meer gehad. Och de verzoeking was zoo groot geweest. In

den linker-achterrokzak had hij zoo heel toevallig twee banknoten

van honderd gulden in een couvert gevonden. Och en als men dan

zooveel rijkdom ziet, en mevrouw dan zelve aan den kleermaker zegt

dat het geld er niet op aankwam als de livrei maar mooi was; ja,

als men dan een arme moeder en twee zusters zoo mager als palingen

had, niewaar....? Och, maar God was zijn getuige hoe hij gestreden,

en het niet gewaagd heeft om er een cent van uit te geven. Goddank,

toen hij van morgen bij het trouwen van Huibert en Geurtje, dominee

Hoogerberg zoo roerend hoorde zeggen: "Kinderen, vergeet uw eerste

gelofte niet", toen--de arme Bus kon haast niet verder spreken--toen

heeft hij zich voorgenomen om de briefjes stilletjes op dokters kamer

neer te leggen, en zie, dat had hij nu naar waarheid gedaan.

--Twee banknoten van honderd gulden!--Helmond weet wel dat hij

droomt. 't Is een droom dat Bus daar voor hem staat; 't is een droom

dat Archibald hem die wissels op Druter en Comp. heeft gegeven.

....Neen toch niet, zie, de wissels steken nog hier in den jaszak.

"Waar heb je dat geld dan gelaten Bus?"

"'t Ligt op m'nheers schrijftafel."

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 70 / 85 题