Buiten sloeg de torenklok acht.
Ofschoon gestadig ten prooi aan de akeligste droomen, heeft Helmond
bijna een kwartier geslapen.
Nu komt hij eensklaps overeind in zijn leger, opent ijlings de
ledikantgordijnen, en staart naar het donker onder Eva's prachtige
linnenkast. Ja zie maar, daar steekt een voet onder uit; daar ligt
de kerel; hij houdt zich schuil; hij heeft zich daar verborgen om
hem zoo aanstonds wanneer hij weer slapen zal, te overrompelen.
"Wie is daar! Wie!?"
Er komt geen antwoord. Toch--daar wordt gezucht. Hoor, men gromt en
zucht geweldig....
"Wie, wie is daar, _wie_!?" roept Helmond weder. Met beide handen
bedekt hij nu zijn gelaat.--Neen, daar was niemand. Het zuchten en
grommen is het geraas van den wind in den schoorsteen.--Hij roept:
"Eva!"
Zij komt niet.--Eva zal nog beneden zijn.--Indien zij 'twist dat men
hem zoekt; indien ze vermoeden kon dat men het huis omsingelt! Hoor
maar, de sabels rinkelen;--men fluistert....
--O God, als men Eva dan ook....
Helmond is het bed uitgevlogen. In weinige seconden heeft hij zich
aangekleed, gedurig starend naar het donker onder Eva's linnenkast.
--Wat doet hij? Opstaan, waarom? Nu weet hij het weer. Hij moet naar
_De Zonsberg_; geen oogenblik mag hij wachten; misschien heeft de
oude man reeds een poeder gebruikt, en ligt hij zieltogend neer.--Aan
Jacoba zal hij het zeggen. De lijder moet een tegengif hebben?--Spoed
Helmond, eer het te laat is!
IJlings, met het blakerlicht in de hand den corridor betredend,
ontstelt de dokter hevig. Een lange gedaante trad de deur van zijn
kamer uit. Is het een spookse?
"Bus, ben jij het?"
Bus, nog meer dan zijn meester ontsteld, slaat de oogen neer, en
antwoordt met trillende stem: "Jawel dokter."
Helmond keert tot zijn volle bewustzijn terug:
"Wat dee je in mijn kamer?"
De arme lange Bus geeft stotterend maar naar waarheid verslag van
'tgeen hij er deed: Sinds den morgen na de partij bij mijnheer
Debecque--toen hij dokters rok had schoongemaakt--heeft hij geen
rustig uur meer gehad. Och de verzoeking was zoo groot geweest. In
den linker-achterrokzak had hij zoo heel toevallig twee banknoten
van honderd gulden in een couvert gevonden. Och en als men dan
zooveel rijkdom ziet, en mevrouw dan zelve aan den kleermaker zegt
dat het geld er niet op aankwam als de livrei maar mooi was; ja,
als men dan een arme moeder en twee zusters zoo mager als palingen
had, niewaar....? Och, maar God was zijn getuige hoe hij gestreden,
en het niet gewaagd heeft om er een cent van uit te geven. Goddank,
toen hij van morgen bij het trouwen van Huibert en Geurtje, dominee
Hoogerberg zoo roerend hoorde zeggen: "Kinderen, vergeet uw eerste
gelofte niet", toen--de arme Bus kon haast niet verder spreken--toen
heeft hij zich voorgenomen om de briefjes stilletjes op dokters kamer
neer te leggen, en zie, dat had hij nu naar waarheid gedaan.
--Twee banknoten van honderd gulden!--Helmond weet wel dat hij
droomt. 't Is een droom dat Bus daar voor hem staat; 't is een droom
dat Archibald hem die wissels op Druter en Comp. heeft gegeven.
....Neen toch niet, zie, de wissels steken nog hier in den jaszak.
"Waar heb je dat geld dan gelaten Bus?"
"'t Ligt op m'nheers schrijftafel."