Kartenglimp."

"Ik dank je Kippelaan."

"Geen dank! Pas du tout!--Onder vrienden!--Wat ik zeggen wou: De

majoor vraagt in dat briefje...."

"Of je hem 't antwoord heel spoedig wilt terugbrengen!"

"Welzeker, welzeker! Met alle plezier."

"Zeg hem dat het in orde zal zijn."

"In orde....? Maar wát?"

"De zaak die ik met hem te regelen heb."

"Dus een zaak....? Maar à propos, zonder de minste indiscretie:

is het waar amice, dat jij...."

"Ja _ja_, dát is waar;" zegt Helmond met een blik die den wauwelaar

een weinig doet terugtrekken. Kippelaan staat met geopenden mond:

"Wát? Wa.... blief?"--Enfin, hij hoopte het waar te nemen; en,

onwillekeurig terugtredend naar de deur: "Allerliefst in zoo'n

lab.... lab.... bretorium. Allerliefst! En vooral de complimenten aan

de geëerde familie. _Graven_ niewaar? Allemaal graven. Pardon!--Adieu!"

Hij wist niet waarom, maar in die laatste oogenblikken had hij

het benauwd gekregen. Zou dokter het toch ontdekt hebben van die

brieven?--Terug dan; terug! Hij wil hem alles meedeelen; specifiek

welzeker! Het brandt hem toch gedurig op de lippen.

--Terug--Nee nee Kippelaan, zwijg! Je zwarte hoed weerkaatste in

zijn oogen! En--wie weet, of nu de majoor niet iets loslaat. Wie

weet.... wie weet!

Heeft de poging om zich voor dien zotskap goed te houden, Helmond

zoozeer overspannen? Hij moet zich aan de toonbank vastklemmen.--Nu

gaat het beter. Hij mag in dit oogenblik slechts denken aan 'tgeen

hij met spoed heeft te doen. Jacoba wacht. Zij is in onrust.--Ha,

schokken als die der laatste uren zouden wel sterker gestellen een

oogenblik in de war kunnen brengen.--Doch zie maar, als Helmond

_wil_ dan _is_ hij krachtig. Wanneer hij handelen moet dan zal men

niets bemerken.... "Zullende anders onmiddellijk de sommatie bij

deurwaarders-exploit...."--Maar wat beteekent dat!? Is er dan geen

geld genoeg in de wereld om een ellendeling te voldoen; om....

Eensklaps schaart er zich een reeks van cijfers voor Helmonds starenden

blik; en dan, dan ontstelt hij. Hij hoorde gejuich. Hij roept:

"Thom!" en met verheffing: "Thom ben jij daar!?" Helmond houdt de

hand voor het licht en ziet naar de deur.

--Neen daar was niemand.

--'t Is vreemd dat hij zich telkens verbeeldt den ouden pleegvader

te zien binnenkomen. Hij weet immers dat het onmogelijk is. Maar

't kon nú Thom geweest zijn. Neen, Thom was het niet. Er was niemand.

Helmond heeft het kleine fleschje met den witten harstachtigen

inhoud uit het afzonderlijk hangende vergiftkastje genomen.--Met dien

inhoud moet men voorzichtig wezen; zeer voorzichtig.--De lamp met het

groene kapje van de toonbank nemend, zet hij haar in de hoogte op den

lessenaar. Een vaal groen kleurt nu Helmonds bleek gelaat. Hij houdt

het fleschje in de hoogte tegen 't licht, en keert en wendt het als

wil hij zich overtuigen dat hij zich niet vergist.

Nauwkeurig turend, en kloppend op het fleschje, schudt hij nu een zeer

_zeer_ kleine hoeveelheid op het koperen grein-schaaltje tegenover

het miniatuur-gewicht.--Zóó. Niet meer, zóó. Een twaalfde grein kan

hij telkens toedienen.... Zeven, ja zes greinen opeens zouden reeds

doodelijk zijn!!.... Ho--ho, niet meer... O God, wat vloekte hem een

oogenblik zoo woest door het hoofd! Wie.... wát is daar? Wie zingt

of schreit er....? Van waar dat luidruchtig rumoer?

--Hoor, een gansche bende nadert. Er klinkt muziek! Een schot knalt

voor het raam.

"O God!" Hij duizelt achterover; de kleine flesch slaat hem uit de

hand en valt aan duizend stukken op den vloer.

Thom en zijn moeder staan hun vriend reeds terzijde. Ze hebben hem

bijgebracht. Hij weet niet wat er met hem is voorgevallen. Maar

ja, nu is het weer beter; zie maar, heelemaal beter.--Zeker, hij

herinnert het zich. Straks was er een heele drukte voor de deur. Ah

juist, in de buurt wordt bruiloft gevierd--bruiloft! Met Huibert en

Geurtje in het midden, gaat men een walletje rond maken. Peters met

de klarinet, en Dirk met de harmonica zijn vooropgegaan; en vlak bij

het apotheekraam heeft een der gasten--zeker Careltje van den bakker,

die 't pistool nooit met rust kan laten--een schot gelost terwijl ze

zingend voorttrokken.

't Was zeer begrijpelijk dat dokter,--in groote onrust over den

treurigen toestand, waarin hij den generaal scheen gevonden te hebben,

nu van dat schot zoo hevig ontsteld is.

"Wat ons in gewone omstandigheden in 't geheel niet zal treffen,"

zegt de weduw: "dat schokt ons in zulke oogenblikken soms op 't

allerhevigst."

Helmond ziet naar Thom, die het gevallene heeft opgenomen, en het

afgewogene, op dokters weifelend bevel, in poeders gereedgemaakt.

"Bovendien," aarzelt de goede vrouw, terwijl de tranen haar in de

oogen springen: "men maakt het u moeilijk, men...."

"Wie?" zegt Helmond snel opziende, nadat hij Thom een wenk had gegeven,

om zich nu met het geneesmiddel zoo haastig mogelijk naar _De Zonsberg_

te spoeden.

"Waarom niet eerlijk met u gesproken!" zegt mevrouw Van Hake, zoodra

Thomas in allerijl is vertrokken: "Als zelfs de _kwade tongen_ zich

roeren, dan mag de _vriendentong_ toch zeker niet zwijgen; nee dan

zal en moet hij troost en raad geven. Dokter, vriend, u hebt je in

schulden gestoken...."

"Wie _wie_ zegt dat? Wie zegt u dat ik schulden heb? Heeft de roos

schuld omdat zij de schoonste bloem is en 't heerlijkst geurt? Heeft

de vogel schuld omdat hij het fijnste kleed draagt en er geen reiner

zang op de wereld is?" Helmond dacht aan Eva's lied.

"Beste dokter, ik zou u ook nú willen sparen, maar het mag en kan

niet. Men schijnt vrij algemeen te hebben vernomen, dat de notaris het

testament van den generaal ten uwen nadeele heeft moeten veranderen

of veranderen zal, en daarom...."

"Wie zegt dat? _Wie_? _Ik_ zeg u dat het _niet_ waar is. En al was

het zoo, wat gaat dit den menschen aan!"

"Dokter u hebt gelijk, wat gaat het den menschen, wat gaat het mij

aan? Maar of het waar is of niet, och dokter, ik heb een dringende

bede; als ge die verhoort dan ga ik dankbaar heen. Ziehier.... Het

zou mogelijk kunnen zijn dat men u eens lastig kwam vallen. Ja

't is wel weinig dokter, maar toch eerlijk gewonnen geld. Vijf

Russische spoorwegstukjes; ik heb niet ledig kunnen zitten terwijl

ik alles om niet genoot.--'t Was voor mijn braven Thom bestemd als

hij ooit.... Maar Thom wil er niets van weten. De goede jongen zegt

dat hij de dingen nog liever verbranden zag dan in de secretaire

liggen terwijl ze ú helpen konden. Och dokter, misschien kunnen

ze u steunen voor 't _oogenblik_, en dan dan... Ja ik moet _toch_

spreken, al zoudt u 't me nooit vergeven: Mijn vriend ik bezweer u,

ga met Eva zoo niet voort. Ik ben er zeker van, _met_ ú zal ze terug

_willen_, liever dan in 't einde _alleen_ te _moeten_. Helmond, zeg

haar alles. O hoor een vrouw van jaren. Verzwijg uw Eva niet dat je

haar, om haar zwakheid, uit liefde bedroogt. En dan.... Och zie mij nu

eens aan, mijn beste brave vriend, troost u en wees sterk. Al moesten

de zwaarste slagen u treffen: de dood van uw pleegvader en het verlies

van 't geen waarop u hebt gerekend,--ik weet het Helmond, slechts in

den laatsten tijd,--keer tot uw eigen eenvoudigheid terug. God zal

u steunen; ik ben er zeker van."

Helmond waant zich eensklaps zeer sterk.--Wat wil men toch? Is hij

met _haar_ geen millionair? Zijn er geen rijke vrienden die met de

duizenden spelen als kinderen met knikkers? Men schijnt zeer veel

te babbelen over hem en de zijnen.--Ja, zijn oogen werden vochtig

toen de brave vrouw hem daareven die krakende blauwe papieren

in de hand wilde drukken. Groote God! was het dan zóóver met hem

gekomen, dat een arme weduwe die hij sinds jaren onderhield, hem in

stilte haar bijeengegaarden schat als een aalmoes kwam in de hand

stoppen!--Edele ziel, of hij niet gevoelig is voor zooveel goedheid? O

hij zou u omhelzen willen; hij zou schreien kunnen aan uw moederlijke

borst. Maar, als hij bekende? Op wie zou de vloek komen? Op haar, o

God, op Eva, zijn dierbare vrouw!--Weg, weg dan met alle zwakheid. Men

liegt! Wie is er die geen schulden heeft? Maar de schulden _hier_,

zullen betaald worden; dat is genoeg. Blijf krachtig Helmond, nú

vooral.--_Ellendeling!_

--Wie heeft hem dat woord zoo onverwacht in 't oor geblazen? Helmond

beefde. Maar dat duurde slechts een oogenblik.

Nu zegt hij zeer ernstig terwijl hij mevrouw Van Hakes hand aan zijn

lippen drukt:

"De menschen zijn zeer belangstellend; maar niet allen op uwe wijze. Ik

ben u dankbaar trouwe vriendin; maar.... uw vermoeden is ongegrond. Ik

ben.... ik heb.... Wordt daar aan de deur geklopt?"

Mevrouw Van Hake ging naar de deur en opende die. Neen er was niemand.

"Men spreekt onwaarheid!" herneemt Helmond op zonderling geheimzinnigen

toon: "Ik heb 't u vroeger al gezegd: wij hebben een bron van

inkomsten.... Zij, ja _zij_.... Niet ik...." Hij ziet haar zeer strak

in de oogen: "En als hij sterft, dan.... ja!"--Ellendeling! klinkt

liet weder, doch alleen voor hem verstaanbaar. En zich haastig

afwendend zegt Helmond, dat hij nu naar huis moet. 't Was reeds zeven

geslagen. Eva zal wachten en verlangen; ja, zij zal _zeer_ verlangen.

Mevrouw Van Hake staarde nog met bezorgden blik in de richting der

deur, toen de dokter haar reeds verlaten had.

Ja, de uren duurden Eva vreeselijk lang. Ze wist niet dat de zieke,

waarheen August zich zoo ijlings had moeten begeven, de generaal

was, ofschoon ze wél weet dat hij ziek is. Sinds haar verjaardag

werd de naam van "dat heer" op haar uitdrukkelijk verlangen--neen,

op haar dringend verzoek, niet meer genoemd. Ze denkt niet aan hem;

't is haar de moeite niet waard.

Maar aan haar besten August denkt ze. Sedert zij straks naar beneden

ging, moest zij--na dien curieusen droom--den _heelen tijd_ aan hem

denken. Zij heeft somwijlen een gevoel alsof het mooie plafond op haar

zal neerkomen als het bovendeksel van een kist. Aan haar toestand mag

ze het toeschrijven dat ze zulke nare droomen heeft. Straks had ze

ook erg voorover gezeten terwijl ze sliep.--'t Was een mooie scène:

Onze Lieve Heer boven een _bal masqué_! Hoe komt men aan zulke zotte

profane droomen? En de hand, die den Elfenkoning zoo onbarmhartig

wegnam, wat was die hand onbegrijpelijk groot, en toch precies een

gewone hand; ja zelfs, in den vorm, was het de hand van papa....--Papa

heeft haar gisteren zeer zonderling ontvangen, en gezegd.... Nu

ja, maar papa is geen evangelie. Papa is onaangenaam, en Louise is

een malle zottin. Als Eva dan zelve uit goedhartigheid bijna al de

heerlijke overblijfsels van zoo'n feest naar haar ouders huis brengt,

dan is het onaardig dat men iemand tot dank met allerlei onnoodige

predikatiën verveelt, en halsstarrig weigeren blijft om van al die

onbekende heerlijkheden iets te gebruiken.--Bah! wat gaat het _haar_

aan; maar verwijtingen uit jaloezie, uit....

--_Als het waar_ was! Maar het is _niet_ waar. Men kan mij toch niet

opdringen dat wit zwart is....--Zwart!--Waarom heb ik een zwarte

japon aan vandaag? 't Is een doodsche kleur. Ik wil niet in 't zwart

zijn als Helmond thuiskomt. De rose barège ziet hij zoo graag. Ja,

en dan zal ik hem vragen ....

Er wordt geklopt. Eva ontving weder een briefje.

Onder het lezen ervan betrok haar gelaat. Mevrouw Helmond werd

beleefdelijk verzocht om de familie-papieren der graven Van Armeloo,

"die zij zich had toegeëigend", nog dezen avond terug te zenden,

zullende anders de zaak in handen van den kantonrechter worden

gesteld.... Het briefje was met een _K_ onderteekend.

Dat waren _de_ laatste krachtelooze sprongen van een geketend monster.

Van uur tot uur was Ronner-Kartenglimp er sedert dien avond op

bedacht geweest om zich te wreken. De zoete prooi was hem ontgaan,

helaas door eigen schuld!--Waarom is men toch altijd onvoorzichtig

wanneer een doel, waar de wereld niet mee van noode heeft, moet

bereikt worden, al zal men ook dagen en weken lang zijn plan hebben

gewikt en gewogen? Was het geen verregaande roekeloosheid, om haar

op den avond van het feest in dien koepel te lokken? Neen, dronken

van genot en glorie, zoo heeft hij berekend, zal ze het willigst den

prijs betalen voor de grootste eer en de schitterendste toekomst. Ha,

die schoone vrouw! Ha!! Maar alles is voorbij. De begoocheling is nu

verdwenen. Inplaats van de zaligste genietingen, waren zeer benauwde

oogenblikken het loon geworden voor al zijn moeite tot het spannen

van een "zekeren strik", en het oefenen van een geduld, waartoe hij

vroeger onmachtig zou geweest zijn, maar nu, door zijn vurige "liefde"

instaat was gesteld.

--En nu wát wil de "blancbec" die hier ter kwader ure uit Indië

kwam overwaaien? Ronner heeft het wèl verstaan: die melkmuil

zal zijn instructiën vragen. En dan....? Maar tot zóólang kan

niemand hem deren.--Hij beval hem van die ontmoeting in den koepel

te zwijgen.--Nu, dat zou hij doen; 't mocht toch maar ten zijnen

nadeele worden uitgelegd. 't Was een charade; welzeker, een charade;

haha!--Maar die dwang om zich ziek te houden, of althans zich nergens

te vertoonen? Wat vermeet zich die kwajongen, die indringer; om een

_majoor_ daartoe te durven dwingen! Op dat oogenblik in den koepel,

en later hier op zijn eigen kamer, was hij te zeer onder den indruk

van die teleurstelling om zich te kunnen toonen; welzeker! Maar nu,

voor den d.... als hij nú hier was, hij zou hem een anderen toon

leeren aanslaan; hij zou hem, ha! een degen door 't karkas jagen,

en dan uitlachen om al zijn heldenmoed!--Nochtans, dewijl kalmte voor

zijn gestel hoogstnoodzakelijk is, heeft Ronner toch besloten om zich

in den eersten tijd bedaard te houden. Waartoe noodelooze opspraak

te verwekken? Aan Kippelaan en een paar andere bekenden, die hem een

bezoek brachten, heeft hij wel bemerkt dat er niets van die scène

is uitgelekt. Den tijd, dien hij nu beschikbaar heeft, kan hij niet

beter gebruiken dan zich te vermaken met het schrijven van eenige

briefjes; ze zullen dan toch bewerken dat dien edelen braven dokter,

aan de zij van dat prachtige vrouwtje, het angstzweet zal uitbreken,

en dat die weerspannige zelve in 't eind.... hahihaha!

Op dit oogenblik verlangde Ronner naar iemand dien hij inderdaad

veracht, ofschoon die persoon hem--onbewust--reeds dikwijls een

dienst heeft bewezen.--En zie, nu men hem hebben wilde, nu kwam

hij niet. Ronner wil weten hoe de zaken staan; welke uitdrukking

er zich op Helmonds gelaat teekende toen Kippelaan hem dat briefje

overhandigde. Hij wil weten hoe het met dien ouden generaal is; of

de notaris er reeds een testament heeft gemaakt; hij wil weten of de

jonge doktersvrouw.... Ha! wat gloeit hem weer eensklaps het hoofd;

hij wil weten of zij nu, ja nú thuis is.... _alleen_. Wat raakt het

hem of hij zijn woord aan dien jongen gaf. Zal een gepensioneerd majoor

zich laten ringelooren door zulk een individu; door een.... die hem de

epaulet.... Stil, dat weet niemand; dat raakt niemand.--O! indien hij

bij die vrouw nog herstellen kon wat hij bedierf. Hij zal haar zeggen

dat hij al de schulden van haar man wil vereffenen; dat hij haar voor

die gewaande vrouweneer de hoogste eer zal doen geworden.--Zou hij

lafhartig zijn en op 't bevel van dien kwajongen nog langer arrest

houden! Hardenborg is toch 's-avonds niet in de stad en niemand weet

van dat,--uit overspanning, maar al te gewillig aanvaard arrest.

--Voort, het brandt hem vanbinnen. Voort!

Terwijl de avond viel was de mist van lieverlede verdwenen. 't Was

guur weer geworden, zeer guur. De Romphuizer straten verkeerden zoo

goed als in volslagen duisternis, want men verwachtte over een half

uur--volgens den almanak--de maan.

En, in den omtrek van het groote doktershuis zwierf onbespied een

zwarte gedaante rond.

--'t Is wel zeker dat ze zich daarbeneden, in die zijkamer, moet

bevinden, denkt hij, terwijl hij onder de boomen van het marktplein

staande, naar een venster tuurt, waarvan de blinden nog niet vast zijn

gesloten, zoodat er in 't midden een groote lichtstreep naar buiten

glanst.--Is ze daar? Alleen?--Ronner doet een paar schreden terzij, en,

schrikt dan geweldig. Onwillekeurig had hij de hand tegen den killen

ijzeren slinger van een stadspomp gestooten.--'t Is niet goed voor

zijn gestel zoo alleen in 't duister. Men kon schrikken; er zou iets

kunnen gebeuren. Maar als zij dan dáár alleen is! Immers die brave

man zal wel weer naar _De Zonsberg_ zijn,--haha, nu het er op aankomt!

--Ja, als zij dan daar werkelijk geheel alleen was....

Ronner staat nu voor het raam, en houdt de hand boven de oogen.--Hij

ziet haar door den kier. Zeker is zij alleen, want ze tuurt en staart

voor zich uit. Wat is ze schoon, wat is ze betooverend schoon! Voort

dan!

Reeds heeft hij de stoep beklommen, en.... Wat hoort hij? Komt er een

rijtuig van de Hoenderveldsche straatzijde? Ja, twee glimmende oogen

grijnzen hem van verre aan: 't zijn de lantarens. Het rijtuig nadert

naar deze zijde. Terug Ronner, wanneer het die Indiër ware. Terug!

Zoo snel 't hem mogelijk is, spoedt hij zich de stoep weer af, en

gaat den hoek van het huis om.--Toch moet hij zien of hij zich niet

bedroog.--Het rijtuig houdt stil voor de stoep. Men schelt. Zie, hij

wipt de wagentree af. Het schijnsel uit de opengaande deur verlicht

voor een oogenblik zijn gelaat. Ja, hij is het. Vervloekt, hij is

het! Zou die blancbec inderdaad bij haar....? Ja, ja, natuurlijk!

--Ha! is _alle_ vrouwendeugd bedrog, dan is het _zeker_ de deugd van

zulk een ijdel wezen! Ah zoo, ze heeft dan voortreffelijk haar rol

in dien koepel gespeeld! Maar ha, nú zal ze het boeten, nú zal hij

zich wreken op die allen tegelijk.--Spoed Ronner, ze zullen nu allen

tezamen boeten. Voort!

Ronner heeft zijn plan in hetzelfde oogenblik gevormd: Twee regels

zal hij schrijven aan dien goedaardigen echtgenoot. Twee regels: "Ga

naar huis en vind uw geliefde in de armen van een dapperen huichelaar!"

Dát, en niets meer; maar 't zal genoeg zijn. Voor een paar kwartjes

is Hannes de harddraver die aan den wal woont, zeker gemakkelijk te

vinden om den dokter, binnen een kwartier--'t zij aan de apotheek

waar hij moet geweest zijn, 't zij op _De Zonsberg_--het bericht in

handen te spelen. Hannes kon zwijgen; Hannes is iemand op wien men

vertrouwen kan. Ronner weet het bij ondervinding.

Met het voornemen om dat briefje ter bespoediging maar even in

Hannes' woning te schrijven, spoedt de majoor zich nu haastig naar

den wal. Hannes woonde daar niet ver van de Hoenderveldsche Poort of

brug, en zijn woning lag, evenals het oude doktershuis, een weinig

in de diepte.

Het kleine huisje is wel te vinden. Ronner kent het. Op den wal was

het toch iets lichter dan onder de boomen op de markt. En, ofschoon

de wind onaangenaam koud is en de duisternis hem weinig bevalt,

Ronner heeft weldra het eind der straat bereikt.--Zoo, dezen hoek om;

nu de glooiing op. Dit is de wal; rechts en links zijn boomen. Daar,

in dat huisje, waar nog licht brandt, moet hij wezen.

--Wat is dat?--Welk woest rumoer en getier nadert van gindsche

zijde? Wat wil men? Heeft die luitenant hem gezocht misschien--op

zijn kamers, bij Helmond, overal, en niet gevonden? Komt hij nu met

een ganschen drom....?

--Nee, stil; vrees is kinderachtig. 't Zijn vroolijke menschen. Hoor,

zij zingen.--Ze maken muziek.--Maar toch, zij komen naar dezen

kant. Dat volk is dikwijls dronken; men kan niet weten....! Als ze

hem hier in de duisternis zoo alleen zien, dan zullen ze denken

dat hij iets kwaads in 't zin had. Ze zouden hem in hun overmoed

of dolle dronkenschap een onheil kunnen toebrengen. Hij wil hen uit

den weg gaan. Als hij zich achter dien dikken lindeboom verschuilt,

dan gaat de troep hem voorbij zonder hem te bemerken....

Hij klemt zich vast aan den boom, want de walkant is glibberig

nat.--Hoor, ze komen al nader. Hoor, ze zingen:

"Nooit geen nood,

Nooit geen nood.

Zoetelief trouw, tot in den dood."

En de dansende stoet kwam al nader:

"Daar niet van,

Daar niet van,

Allevrouw pakt 'er eigen man.

"Nooit geen rouw,

Nooit geen rouw,

Alleman zoent z'n eigen vrouw."

Ze komen al nader. Ze zullen hem zien; en als ze hem zien, hier achter

dien boom, dan zal men nog eerder denken dat hij iets kwaads in 't

zin had. Maar toch, hij durft niet zoo eensklaps van achter den boom

te voorschijn komen.

En al dichterbij klinkt het:

"Nooit geen nood,

Nooit geen nood,

Werken trouw voor 't daaglijksch brood.

"Hop hop hop,

Hop hop hop,

Schelmen trappen ze op den kop;

Schelmen smijten ze uit de deur;

Albeneur,

Albeneur!"

De stoet, is op een paar schreden afstands, den boom genaderd. De

majoor Ronner trilt over al zijn leden. Hij duikt een weinig naar

omlaag. Maar zie, een vurige tong vloog op hem af. Een vreeselijke

knal dreunde hem in 't oor; en....

--O God wat is dat! Wat kreet heeft zich daar met het pistoolschot van

Careltje, en een blij hoezee der bruiloftsgasten vermengd? Wat plofte

daar van den tamelijk steilen wal in de nauwe half droge gracht? Wat

zou het wezen?

"Kom, niemendal; een dood stuk hout," riep er een.

"Wat raakt het ons!" zei een ander. En opdat de feestvreugde niet zou

verstoord worden, blaast Peter luider en scheller op de klarinet, en

roert Dirk de harmonica nog sterker, en op een paar enkelen na die hier

't ergste vreezen, trekt de feeststoet verder, weer zingend met klem:

"Hop hop hop,

Hop hop hop,

Schelmen trappen ze op den kop."

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 68 / 85 题