"Ik dank je Kippelaan."
"Geen dank! Pas du tout!--Onder vrienden!--Wat ik zeggen wou: De
majoor vraagt in dat briefje...."
"Of je hem 't antwoord heel spoedig wilt terugbrengen!"
"Welzeker, welzeker! Met alle plezier."
"Zeg hem dat het in orde zal zijn."
"In orde....? Maar wát?"
"De zaak die ik met hem te regelen heb."
"Dus een zaak....? Maar à propos, zonder de minste indiscretie:
is het waar amice, dat jij...."
"Ja _ja_, dát is waar;" zegt Helmond met een blik die den wauwelaar
een weinig doet terugtrekken. Kippelaan staat met geopenden mond:
"Wát? Wa.... blief?"--Enfin, hij hoopte het waar te nemen; en,
onwillekeurig terugtredend naar de deur: "Allerliefst in zoo'n
lab.... lab.... bretorium. Allerliefst! En vooral de complimenten aan
de geëerde familie. _Graven_ niewaar? Allemaal graven. Pardon!--Adieu!"
Hij wist niet waarom, maar in die laatste oogenblikken had hij
het benauwd gekregen. Zou dokter het toch ontdekt hebben van die
brieven?--Terug dan; terug! Hij wil hem alles meedeelen; specifiek
welzeker! Het brandt hem toch gedurig op de lippen.
--Terug--Nee nee Kippelaan, zwijg! Je zwarte hoed weerkaatste in
zijn oogen! En--wie weet, of nu de majoor niet iets loslaat. Wie
weet.... wie weet!
Heeft de poging om zich voor dien zotskap goed te houden, Helmond
zoozeer overspannen? Hij moet zich aan de toonbank vastklemmen.--Nu
gaat het beter. Hij mag in dit oogenblik slechts denken aan 'tgeen
hij met spoed heeft te doen. Jacoba wacht. Zij is in onrust.--Ha,
schokken als die der laatste uren zouden wel sterker gestellen een
oogenblik in de war kunnen brengen.--Doch zie maar, als Helmond
_wil_ dan _is_ hij krachtig. Wanneer hij handelen moet dan zal men
niets bemerken.... "Zullende anders onmiddellijk de sommatie bij
deurwaarders-exploit...."--Maar wat beteekent dat!? Is er dan geen
geld genoeg in de wereld om een ellendeling te voldoen; om....
Eensklaps schaart er zich een reeks van cijfers voor Helmonds starenden
blik; en dan, dan ontstelt hij. Hij hoorde gejuich. Hij roept:
"Thom!" en met verheffing: "Thom ben jij daar!?" Helmond houdt de
hand voor het licht en ziet naar de deur.
--Neen daar was niemand.
--'t Is vreemd dat hij zich telkens verbeeldt den ouden pleegvader
te zien binnenkomen. Hij weet immers dat het onmogelijk is. Maar
't kon nú Thom geweest zijn. Neen, Thom was het niet. Er was niemand.
Helmond heeft het kleine fleschje met den witten harstachtigen
inhoud uit het afzonderlijk hangende vergiftkastje genomen.--Met dien
inhoud moet men voorzichtig wezen; zeer voorzichtig.--De lamp met het
groene kapje van de toonbank nemend, zet hij haar in de hoogte op den
lessenaar. Een vaal groen kleurt nu Helmonds bleek gelaat. Hij houdt
het fleschje in de hoogte tegen 't licht, en keert en wendt het als
wil hij zich overtuigen dat hij zich niet vergist.
Nauwkeurig turend, en kloppend op het fleschje, schudt hij nu een zeer
_zeer_ kleine hoeveelheid op het koperen grein-schaaltje tegenover
het miniatuur-gewicht.--Zóó. Niet meer, zóó. Een twaalfde grein kan
hij telkens toedienen.... Zeven, ja zes greinen opeens zouden reeds
doodelijk zijn!!.... Ho--ho, niet meer... O God, wat vloekte hem een
oogenblik zoo woest door het hoofd! Wie.... wát is daar? Wie zingt
of schreit er....? Van waar dat luidruchtig rumoer?
--Hoor, een gansche bende nadert. Er klinkt muziek! Een schot knalt
voor het raam.
"O God!" Hij duizelt achterover; de kleine flesch slaat hem uit de
hand en valt aan duizend stukken op den vloer.
Thom en zijn moeder staan hun vriend reeds terzijde. Ze hebben hem
bijgebracht. Hij weet niet wat er met hem is voorgevallen. Maar
ja, nu is het weer beter; zie maar, heelemaal beter.--Zeker, hij
herinnert het zich. Straks was er een heele drukte voor de deur. Ah
juist, in de buurt wordt bruiloft gevierd--bruiloft! Met Huibert en
Geurtje in het midden, gaat men een walletje rond maken. Peters met
de klarinet, en Dirk met de harmonica zijn vooropgegaan; en vlak bij
het apotheekraam heeft een der gasten--zeker Careltje van den bakker,
die 't pistool nooit met rust kan laten--een schot gelost terwijl ze
zingend voorttrokken.
't Was zeer begrijpelijk dat dokter,--in groote onrust over den
treurigen toestand, waarin hij den generaal scheen gevonden te hebben,
nu van dat schot zoo hevig ontsteld is.
"Wat ons in gewone omstandigheden in 't geheel niet zal treffen,"
zegt de weduw: "dat schokt ons in zulke oogenblikken soms op 't
allerhevigst."
Helmond ziet naar Thom, die het gevallene heeft opgenomen, en het
afgewogene, op dokters weifelend bevel, in poeders gereedgemaakt.
"Bovendien," aarzelt de goede vrouw, terwijl de tranen haar in de
oogen springen: "men maakt het u moeilijk, men...."
"Wie?" zegt Helmond snel opziende, nadat hij Thom een wenk had gegeven,
om zich nu met het geneesmiddel zoo haastig mogelijk naar _De Zonsberg_
te spoeden.
"Waarom niet eerlijk met u gesproken!" zegt mevrouw Van Hake, zoodra
Thomas in allerijl is vertrokken: "Als zelfs de _kwade tongen_ zich
roeren, dan mag de _vriendentong_ toch zeker niet zwijgen; nee dan
zal en moet hij troost en raad geven. Dokter, vriend, u hebt je in
schulden gestoken...."
"Wie _wie_ zegt dat? Wie zegt u dat ik schulden heb? Heeft de roos
schuld omdat zij de schoonste bloem is en 't heerlijkst geurt? Heeft
de vogel schuld omdat hij het fijnste kleed draagt en er geen reiner
zang op de wereld is?" Helmond dacht aan Eva's lied.
"Beste dokter, ik zou u ook nú willen sparen, maar het mag en kan
niet. Men schijnt vrij algemeen te hebben vernomen, dat de notaris het
testament van den generaal ten uwen nadeele heeft moeten veranderen
of veranderen zal, en daarom...."
"Wie zegt dat? _Wie_? _Ik_ zeg u dat het _niet_ waar is. En al was
het zoo, wat gaat dit den menschen aan!"
"Dokter u hebt gelijk, wat gaat het den menschen, wat gaat het mij
aan? Maar of het waar is of niet, och dokter, ik heb een dringende
bede; als ge die verhoort dan ga ik dankbaar heen. Ziehier.... Het
zou mogelijk kunnen zijn dat men u eens lastig kwam vallen. Ja
't is wel weinig dokter, maar toch eerlijk gewonnen geld. Vijf
Russische spoorwegstukjes; ik heb niet ledig kunnen zitten terwijl
ik alles om niet genoot.--'t Was voor mijn braven Thom bestemd als
hij ooit.... Maar Thom wil er niets van weten. De goede jongen zegt
dat hij de dingen nog liever verbranden zag dan in de secretaire
liggen terwijl ze ú helpen konden. Och dokter, misschien kunnen
ze u steunen voor 't _oogenblik_, en dan dan... Ja ik moet _toch_
spreken, al zoudt u 't me nooit vergeven: Mijn vriend ik bezweer u,
ga met Eva zoo niet voort. Ik ben er zeker van, _met_ ú zal ze terug
_willen_, liever dan in 't einde _alleen_ te _moeten_. Helmond, zeg
haar alles. O hoor een vrouw van jaren. Verzwijg uw Eva niet dat je
haar, om haar zwakheid, uit liefde bedroogt. En dan.... Och zie mij nu
eens aan, mijn beste brave vriend, troost u en wees sterk. Al moesten
de zwaarste slagen u treffen: de dood van uw pleegvader en het verlies
van 't geen waarop u hebt gerekend,--ik weet het Helmond, slechts in
den laatsten tijd,--keer tot uw eigen eenvoudigheid terug. God zal
u steunen; ik ben er zeker van."
Helmond waant zich eensklaps zeer sterk.--Wat wil men toch? Is hij
met _haar_ geen millionair? Zijn er geen rijke vrienden die met de
duizenden spelen als kinderen met knikkers? Men schijnt zeer veel
te babbelen over hem en de zijnen.--Ja, zijn oogen werden vochtig
toen de brave vrouw hem daareven die krakende blauwe papieren
in de hand wilde drukken. Groote God! was het dan zóóver met hem
gekomen, dat een arme weduwe die hij sinds jaren onderhield, hem in
stilte haar bijeengegaarden schat als een aalmoes kwam in de hand
stoppen!--Edele ziel, of hij niet gevoelig is voor zooveel goedheid? O
hij zou u omhelzen willen; hij zou schreien kunnen aan uw moederlijke
borst. Maar, als hij bekende? Op wie zou de vloek komen? Op haar, o
God, op Eva, zijn dierbare vrouw!--Weg, weg dan met alle zwakheid. Men
liegt! Wie is er die geen schulden heeft? Maar de schulden _hier_,
zullen betaald worden; dat is genoeg. Blijf krachtig Helmond, nú
vooral.--_Ellendeling!_
--Wie heeft hem dat woord zoo onverwacht in 't oor geblazen? Helmond
beefde. Maar dat duurde slechts een oogenblik.
Nu zegt hij zeer ernstig terwijl hij mevrouw Van Hakes hand aan zijn
lippen drukt:
"De menschen zijn zeer belangstellend; maar niet allen op uwe wijze. Ik
ben u dankbaar trouwe vriendin; maar.... uw vermoeden is ongegrond. Ik
ben.... ik heb.... Wordt daar aan de deur geklopt?"
Mevrouw Van Hake ging naar de deur en opende die. Neen er was niemand.
"Men spreekt onwaarheid!" herneemt Helmond op zonderling geheimzinnigen
toon: "Ik heb 't u vroeger al gezegd: wij hebben een bron van
inkomsten.... Zij, ja _zij_.... Niet ik...." Hij ziet haar zeer strak
in de oogen: "En als hij sterft, dan.... ja!"--Ellendeling! klinkt
liet weder, doch alleen voor hem verstaanbaar. En zich haastig
afwendend zegt Helmond, dat hij nu naar huis moet. 't Was reeds zeven
geslagen. Eva zal wachten en verlangen; ja, zij zal _zeer_ verlangen.
Mevrouw Van Hake staarde nog met bezorgden blik in de richting der
deur, toen de dokter haar reeds verlaten had.
Ja, de uren duurden Eva vreeselijk lang. Ze wist niet dat de zieke,
waarheen August zich zoo ijlings had moeten begeven, de generaal
was, ofschoon ze wél weet dat hij ziek is. Sinds haar verjaardag
werd de naam van "dat heer" op haar uitdrukkelijk verlangen--neen,
op haar dringend verzoek, niet meer genoemd. Ze denkt niet aan hem;
't is haar de moeite niet waard.
Maar aan haar besten August denkt ze. Sedert zij straks naar beneden
ging, moest zij--na dien curieusen droom--den _heelen tijd_ aan hem
denken. Zij heeft somwijlen een gevoel alsof het mooie plafond op haar
zal neerkomen als het bovendeksel van een kist. Aan haar toestand mag
ze het toeschrijven dat ze zulke nare droomen heeft. Straks had ze
ook erg voorover gezeten terwijl ze sliep.--'t Was een mooie scène:
Onze Lieve Heer boven een _bal masqué_! Hoe komt men aan zulke zotte
profane droomen? En de hand, die den Elfenkoning zoo onbarmhartig
wegnam, wat was die hand onbegrijpelijk groot, en toch precies een
gewone hand; ja zelfs, in den vorm, was het de hand van papa....--Papa
heeft haar gisteren zeer zonderling ontvangen, en gezegd.... Nu
ja, maar papa is geen evangelie. Papa is onaangenaam, en Louise is
een malle zottin. Als Eva dan zelve uit goedhartigheid bijna al de
heerlijke overblijfsels van zoo'n feest naar haar ouders huis brengt,
dan is het onaardig dat men iemand tot dank met allerlei onnoodige
predikatiën verveelt, en halsstarrig weigeren blijft om van al die
onbekende heerlijkheden iets te gebruiken.--Bah! wat gaat het _haar_
aan; maar verwijtingen uit jaloezie, uit....
--_Als het waar_ was! Maar het is _niet_ waar. Men kan mij toch niet
opdringen dat wit zwart is....--Zwart!--Waarom heb ik een zwarte
japon aan vandaag? 't Is een doodsche kleur. Ik wil niet in 't zwart
zijn als Helmond thuiskomt. De rose barège ziet hij zoo graag. Ja,
en dan zal ik hem vragen ....
Er wordt geklopt. Eva ontving weder een briefje.
Onder het lezen ervan betrok haar gelaat. Mevrouw Helmond werd
beleefdelijk verzocht om de familie-papieren der graven Van Armeloo,
"die zij zich had toegeëigend", nog dezen avond terug te zenden,
zullende anders de zaak in handen van den kantonrechter worden
gesteld.... Het briefje was met een _K_ onderteekend.
Dat waren _de_ laatste krachtelooze sprongen van een geketend monster.
Van uur tot uur was Ronner-Kartenglimp er sedert dien avond op
bedacht geweest om zich te wreken. De zoete prooi was hem ontgaan,
helaas door eigen schuld!--Waarom is men toch altijd onvoorzichtig
wanneer een doel, waar de wereld niet mee van noode heeft, moet
bereikt worden, al zal men ook dagen en weken lang zijn plan hebben
gewikt en gewogen? Was het geen verregaande roekeloosheid, om haar
op den avond van het feest in dien koepel te lokken? Neen, dronken
van genot en glorie, zoo heeft hij berekend, zal ze het willigst den
prijs betalen voor de grootste eer en de schitterendste toekomst. Ha,
die schoone vrouw! Ha!! Maar alles is voorbij. De begoocheling is nu
verdwenen. Inplaats van de zaligste genietingen, waren zeer benauwde
oogenblikken het loon geworden voor al zijn moeite tot het spannen
van een "zekeren strik", en het oefenen van een geduld, waartoe hij
vroeger onmachtig zou geweest zijn, maar nu, door zijn vurige "liefde"
instaat was gesteld.
--En nu wát wil de "blancbec" die hier ter kwader ure uit Indië
kwam overwaaien? Ronner heeft het wèl verstaan: die melkmuil
zal zijn instructiën vragen. En dan....? Maar tot zóólang kan
niemand hem deren.--Hij beval hem van die ontmoeting in den koepel
te zwijgen.--Nu, dat zou hij doen; 't mocht toch maar ten zijnen
nadeele worden uitgelegd. 't Was een charade; welzeker, een charade;
haha!--Maar die dwang om zich ziek te houden, of althans zich nergens
te vertoonen? Wat vermeet zich die kwajongen, die indringer; om een
_majoor_ daartoe te durven dwingen! Op dat oogenblik in den koepel,
en later hier op zijn eigen kamer, was hij te zeer onder den indruk
van die teleurstelling om zich te kunnen toonen; welzeker! Maar nu,
voor den d.... als hij nú hier was, hij zou hem een anderen toon
leeren aanslaan; hij zou hem, ha! een degen door 't karkas jagen,
en dan uitlachen om al zijn heldenmoed!--Nochtans, dewijl kalmte voor
zijn gestel hoogstnoodzakelijk is, heeft Ronner toch besloten om zich
in den eersten tijd bedaard te houden. Waartoe noodelooze opspraak
te verwekken? Aan Kippelaan en een paar andere bekenden, die hem een
bezoek brachten, heeft hij wel bemerkt dat er niets van die scène
is uitgelekt. Den tijd, dien hij nu beschikbaar heeft, kan hij niet
beter gebruiken dan zich te vermaken met het schrijven van eenige
briefjes; ze zullen dan toch bewerken dat dien edelen braven dokter,
aan de zij van dat prachtige vrouwtje, het angstzweet zal uitbreken,
en dat die weerspannige zelve in 't eind.... hahihaha!
Op dit oogenblik verlangde Ronner naar iemand dien hij inderdaad
veracht, ofschoon die persoon hem--onbewust--reeds dikwijls een
dienst heeft bewezen.--En zie, nu men hem hebben wilde, nu kwam
hij niet. Ronner wil weten hoe de zaken staan; welke uitdrukking
er zich op Helmonds gelaat teekende toen Kippelaan hem dat briefje
overhandigde. Hij wil weten hoe het met dien ouden generaal is; of
de notaris er reeds een testament heeft gemaakt; hij wil weten of de
jonge doktersvrouw.... Ha! wat gloeit hem weer eensklaps het hoofd;
hij wil weten of zij nu, ja nú thuis is.... _alleen_. Wat raakt het
hem of hij zijn woord aan dien jongen gaf. Zal een gepensioneerd majoor
zich laten ringelooren door zulk een individu; door een.... die hem de
epaulet.... Stil, dat weet niemand; dat raakt niemand.--O! indien hij
bij die vrouw nog herstellen kon wat hij bedierf. Hij zal haar zeggen
dat hij al de schulden van haar man wil vereffenen; dat hij haar voor
die gewaande vrouweneer de hoogste eer zal doen geworden.--Zou hij
lafhartig zijn en op 't bevel van dien kwajongen nog langer arrest
houden! Hardenborg is toch 's-avonds niet in de stad en niemand weet
van dat,--uit overspanning, maar al te gewillig aanvaard arrest.
--Voort, het brandt hem vanbinnen. Voort!
Terwijl de avond viel was de mist van lieverlede verdwenen. 't Was
guur weer geworden, zeer guur. De Romphuizer straten verkeerden zoo
goed als in volslagen duisternis, want men verwachtte over een half
uur--volgens den almanak--de maan.
En, in den omtrek van het groote doktershuis zwierf onbespied een
zwarte gedaante rond.
--'t Is wel zeker dat ze zich daarbeneden, in die zijkamer, moet
bevinden, denkt hij, terwijl hij onder de boomen van het marktplein
staande, naar een venster tuurt, waarvan de blinden nog niet vast zijn
gesloten, zoodat er in 't midden een groote lichtstreep naar buiten
glanst.--Is ze daar? Alleen?--Ronner doet een paar schreden terzij, en,
schrikt dan geweldig. Onwillekeurig had hij de hand tegen den killen
ijzeren slinger van een stadspomp gestooten.--'t Is niet goed voor
zijn gestel zoo alleen in 't duister. Men kon schrikken; er zou iets
kunnen gebeuren. Maar als zij dan dáár alleen is! Immers die brave
man zal wel weer naar _De Zonsberg_ zijn,--haha, nu het er op aankomt!
--Ja, als zij dan daar werkelijk geheel alleen was....
Ronner staat nu voor het raam, en houdt de hand boven de oogen.--Hij
ziet haar door den kier. Zeker is zij alleen, want ze tuurt en staart
voor zich uit. Wat is ze schoon, wat is ze betooverend schoon! Voort
dan!
Reeds heeft hij de stoep beklommen, en.... Wat hoort hij? Komt er een
rijtuig van de Hoenderveldsche straatzijde? Ja, twee glimmende oogen
grijnzen hem van verre aan: 't zijn de lantarens. Het rijtuig nadert
naar deze zijde. Terug Ronner, wanneer het die Indiër ware. Terug!
Zoo snel 't hem mogelijk is, spoedt hij zich de stoep weer af, en
gaat den hoek van het huis om.--Toch moet hij zien of hij zich niet
bedroog.--Het rijtuig houdt stil voor de stoep. Men schelt. Zie, hij
wipt de wagentree af. Het schijnsel uit de opengaande deur verlicht
voor een oogenblik zijn gelaat. Ja, hij is het. Vervloekt, hij is
het! Zou die blancbec inderdaad bij haar....? Ja, ja, natuurlijk!
--Ha! is _alle_ vrouwendeugd bedrog, dan is het _zeker_ de deugd van
zulk een ijdel wezen! Ah zoo, ze heeft dan voortreffelijk haar rol
in dien koepel gespeeld! Maar ha, nú zal ze het boeten, nú zal hij
zich wreken op die allen tegelijk.--Spoed Ronner, ze zullen nu allen
tezamen boeten. Voort!
Ronner heeft zijn plan in hetzelfde oogenblik gevormd: Twee regels
zal hij schrijven aan dien goedaardigen echtgenoot. Twee regels: "Ga
naar huis en vind uw geliefde in de armen van een dapperen huichelaar!"
Dát, en niets meer; maar 't zal genoeg zijn. Voor een paar kwartjes
is Hannes de harddraver die aan den wal woont, zeker gemakkelijk te
vinden om den dokter, binnen een kwartier--'t zij aan de apotheek
waar hij moet geweest zijn, 't zij op _De Zonsberg_--het bericht in
handen te spelen. Hannes kon zwijgen; Hannes is iemand op wien men
vertrouwen kan. Ronner weet het bij ondervinding.
Met het voornemen om dat briefje ter bespoediging maar even in
Hannes' woning te schrijven, spoedt de majoor zich nu haastig naar
den wal. Hannes woonde daar niet ver van de Hoenderveldsche Poort of
brug, en zijn woning lag, evenals het oude doktershuis, een weinig
in de diepte.
Het kleine huisje is wel te vinden. Ronner kent het. Op den wal was
het toch iets lichter dan onder de boomen op de markt. En, ofschoon
de wind onaangenaam koud is en de duisternis hem weinig bevalt,
Ronner heeft weldra het eind der straat bereikt.--Zoo, dezen hoek om;
nu de glooiing op. Dit is de wal; rechts en links zijn boomen. Daar,
in dat huisje, waar nog licht brandt, moet hij wezen.
--Wat is dat?--Welk woest rumoer en getier nadert van gindsche
zijde? Wat wil men? Heeft die luitenant hem gezocht misschien--op
zijn kamers, bij Helmond, overal, en niet gevonden? Komt hij nu met
een ganschen drom....?
--Nee, stil; vrees is kinderachtig. 't Zijn vroolijke menschen. Hoor,
zij zingen.--Ze maken muziek.--Maar toch, zij komen naar dezen
kant. Dat volk is dikwijls dronken; men kan niet weten....! Als ze
hem hier in de duisternis zoo alleen zien, dan zullen ze denken
dat hij iets kwaads in 't zin had. Ze zouden hem in hun overmoed
of dolle dronkenschap een onheil kunnen toebrengen. Hij wil hen uit
den weg gaan. Als hij zich achter dien dikken lindeboom verschuilt,
dan gaat de troep hem voorbij zonder hem te bemerken....
Hij klemt zich vast aan den boom, want de walkant is glibberig
nat.--Hoor, ze komen al nader. Hoor, ze zingen:
"Nooit geen nood,
Nooit geen nood.
Zoetelief trouw, tot in den dood."
En de dansende stoet kwam al nader:
"Daar niet van,
Daar niet van,
Allevrouw pakt 'er eigen man.
"Nooit geen rouw,
Nooit geen rouw,
Alleman zoent z'n eigen vrouw."
Ze komen al nader. Ze zullen hem zien; en als ze hem zien, hier achter
dien boom, dan zal men nog eerder denken dat hij iets kwaads in 't
zin had. Maar toch, hij durft niet zoo eensklaps van achter den boom
te voorschijn komen.
En al dichterbij klinkt het:
"Nooit geen nood,
Nooit geen nood,
Werken trouw voor 't daaglijksch brood.
"Hop hop hop,
Hop hop hop,
Schelmen trappen ze op den kop;
Schelmen smijten ze uit de deur;
Albeneur,
Albeneur!"
De stoet, is op een paar schreden afstands, den boom genaderd. De
majoor Ronner trilt over al zijn leden. Hij duikt een weinig naar
omlaag. Maar zie, een vurige tong vloog op hem af. Een vreeselijke
knal dreunde hem in 't oor; en....
--O God wat is dat! Wat kreet heeft zich daar met het pistoolschot van
Careltje, en een blij hoezee der bruiloftsgasten vermengd? Wat plofte
daar van den tamelijk steilen wal in de nauwe half droge gracht? Wat
zou het wezen?
"Kom, niemendal; een dood stuk hout," riep er een.
"Wat raakt het ons!" zei een ander. En opdat de feestvreugde niet zou
verstoord worden, blaast Peter luider en scheller op de klarinet, en
roert Dirk de harmonica nog sterker, en op een paar enkelen na die hier
't ergste vreezen, trekt de feeststoet verder, weer zingend met klem:
"Hop hop hop,
Hop hop hop,
Schelmen trappen ze op den kop."