ZESENDERTIGSTE HOOFDSTUK.

't Was twee dagen na Eva's verjaardag. Er hing een zware

mist.--Uit de oranjezaal die weer in haar gewonen toestand was

teruggebracht--ofschoon eenige fraaie kamerplanten er toch waren in

achtergebleven--kon Eva de huizen aan de overzij van het marktplein

volstrekt niet zien, en zelfs ternauwernood de boomen op een twintig

schreden afstands.

't Was een sombere herfstdag.--Eva tuurde naar buiten.--Nu dat feest

voorbij is, gevoelt zij iets leegs, iets "gedesoeuvreerds." Zij

heeft op digestie-visites gerekend, op uitnoodigingen misschien;

maar de stijve Romphuizers, enfin, ze komen graag als er wat

extra's te genieten valt, maar anders blijven ze waar ze zitten of

staan.--Eigenlijk is Romphuizen onbeschrijfelijk vervelend. Hier op den

druksten stand zag ze nu in een half uur geen enkel rijtuig, ja zelfs

geen kar voorbijkomen.--En dan, zoo'n groot huis, zulke enorme kamers,

zonder menschen! Op den duur is 't ontzettend vervelend. Luchtig,

nu ja, en duizendmaal beter dan zoo'n krot aan den wal, maar zonder

menschen, nee!--En met zoo'n mist en tegen den winter....! Als August

weer wat flinker zal zijn--want zoo heel _heel_ fiksch is hij niet--dan

zal ze er nog eens een balletje over opgooien om in Parijs.... neen

dat zal toch niet lukken--maar om tenminste in een groote stad te

gaan wonen.

--Wanneer het waar is dat zijn praktijk niet toeneemt omdat hij

fortuin heeft, waarom dan hier te blijven! In een andere plaats had

men ook niet die moeielijkheden met het vragen der oude lui, en de

onaardige jaloersche en toch hooghartige buitjes van zusje Louisje,

die papa geheel en al onder haar plak zoekt te brengen.

--O foei, wat een vervelende mist! Verveling is niet goed voor ons

beidjes, denkt Eva voort, terwijl ze zich vluchtig in den spiegel

overtuigt dat nog niets haar geheim verklapte.

--We moesten den lieven "papa" maar eens tegemoet rijden.--Maar

met den mist...." En waar Helmond zich nu bevindt dat weet Eva

niet. Ze zal hem maar liever afwachten.--Gelukkig dat hij zijn

menschlievendheid toch niet zóóver heeft uitgestrekt om _zelf_ dien

vreeselijken majoor mee naar huis te brengen.--Foei, aan die scène

mag zij niet meer denken.--Hoe dankbaar moest ze niet zijn dat haar

beste August als bij intuitie haar op dat oogenblik te hulp kwam. En,

dat die schrikkelijke man nog bovendien zulke beschuldigingen heeft

durven uitspreken tegen dien edelen trouwen August!--Maar ha! August

heeft het _leugen_ genoemd, en zeker leugen moest er wel komen uit

den mond van een, die--gruwel en laagheid--zich reeds in Indië op

zulk een wijze had doen kennen. Nu 't is hem voorgoed verleerd om zijn

logens omtrent dien besten man in 't rond te spuwen. Gisteren toen hij

van den schrik was bekomen, toen heeft die wakkere luitenant het hem

onder vier oogen zeer krachtig gezegd: Wanneer hij de geringste klad

op dokter Helmond of zijn vrouw zou durven werpen, ja zoo het blijken

mocht dat men in Romphuizen over het gebeurde in een anderen zin zou

spreken dan over een--door zijn plotselinge ongesteldheid--mislukte

charade-voorstelling, dat het zwarte boek van Ronner dan blad voor

blad zou worden opgeslagen, en Archibald het EINDE er onder zou

schrijven met bloedroode letters.

--Eva moet dien hartelijken vriend wel dankbaar zijn. Immers, op den

edelsten naam blijft een smet kleven, wanneer het wangunstig gemeen

hem eens door het slijk heeft gesleurd. En dan, al werd het met dien

vreeselijken angst tot duren prijs gekocht, uit den fellen gloed heeft

ze toch haar schat gered. Ja, en 't was haar eigendom wel. Al had

hij ze haar niet geschonken, de _familiepapieren_ der Van Armeloo's

behooren het allerminst aan een verachtelijken gelukzoeker. Voor zijn

moeite kan men het loon hem voor den voet werpen; maar zijn eigendom,

neen waarachtig, zijn eigendom waren die bewijzen nooit.

De mist hangt droevig zwaar. 't Scheen tegen den middag een oogenblik

alsof de zon den strijd zou winnen, maar neen, de namiddag spoedt reeds

voort, en nu.... de boomen op 't marktplein zijn geheel onzichtbaar.

Over Eva's gelaat heeft zich weder een glimlach verspreid. Het uur,

dat er nog verloopen moet eer August zal komen, kan ze zich aangenaam

bezighouden.

--Ja ja, mijn heel klein ventje, mijn aardig snoeperig klein graafje

Helmond Van Armeloo, we zullen nog eens eventjes gaan kijken wat er nu

't allereerst en 't allerbest moet gedaan worden. _Er_ is een heeleboel

te lezen.

Toen Eva eenige oogenblikken later op haar boudoir voor haar elegante

schrijftafel in eenige papieren te snuffelen zat, toen werd haar een

briefje gebracht, 'twelk zeer inderhaast scheen geschreven te zijn.

't Was van Helmond. Hij meldde haar, dat zij niet met het eten op

hem wachten moest, aangezien hij ver buiten de stad bij een zieke

was geroepen. 't Kon wel avond worden, zeven acht uren.

"Zeg in de keuken dat we om acht uur zullen dineeren;" beval Eva

iets later, en van haar gelaat was de vroolijke glimlach verdwenen,

terwijl ze verder die papieren doorliep.

En de mist hing buiten zóó dik en zwaar dat Eva al spoedig de letters

niet meer kon onderscheiden. Zij geeuwde.... ze dook achterover in

haar voltaire; en.... Toen werd het eensklaps licht, helder licht

voor haren geest: Een heerlijk schitterend bal masqué werd door haar

in ruime zalen gegeven. Als een sylphide met donzen vleugels, zweefde

zij over een kristallijnen vloer, aan den arm van een Elfenkoning,

stralend van glans. En de breede kolommen der groote zaal weken aan

weerszijden terug, en het dak scheurde van een. En daarboven, zie, daar

troonde in een verblindend licht een grijsaard; en eensklaps--alsof

het een stormwind ware--blies hij met zijn geweldigen adem het licht

uit in die groote feestzaal, en zijn hand nam den Elfenkoning weg

van hare zijde, en....

"O God! August, August!" gilde Eva ontwakend.

Trillend en bevend van den akeligen droom ziet zij naar buiten. De

mist hing als een strak getrokken zwartgrauw kleed voor het venster,

't Was donker, akelig angstwekkend donker in het boudoir. IJlings

vloog ze op, en schelde om licht.

August Helmond stond een paar uur vroeger in de groote woonkamer van

het landhuis _De Zonsberg_. Van het prachtig vergezicht uit de hoogte

over het statig geboomte, met den kronkelenden stroom, was niets te

zien. Ook hier had zich de mist tot aan de vensters vastgepakt.

Met de hand op de tafel gedrukt, den starenden blik voor zich uit,

zóó, onbeweeglijk stond Helmond daar reeds een twintig, ja dertig

seconden misschien.

"Och mijn lieve August, staar toch zoo somber niet; hij heeft het

zoo erg niet bedoeld; hij is zoo goed, zoo braaf, zoo edel...."

Helmond weet niet dat er gesproken wordt; hij weet niet dat Jacoba

hem bij de hand heeft gevat, en dat ze van den ouden man spreekt die

hem zooeven.... O, dat was een ontzettend oogenblik! Zoo iets, neen,

groote God, zoo iets heeft hij niet kunnen verwachten. Een vervloeking

en _zulk_ een vervloeking!

"Beste lieve Helmond, och zie mij dan aan.--Geloof je je zusje dan

niet? Zoo erg heeft hij het niet bedoeld. De arme papa is ziek. Die

telkens terugkeerende benauwdheden maken dat hij soms niet weet wat

hij zegt; hij meende alleen...."

Als uit een droom ontwakend, ziet Helmond Jacoba aan; en aanstonds

beseffend dat hij het zwakke meisje zijn aandoeningen moet sparen,

zegt hij zoo kalm als hem mogelijk is:

"Ja lieve kind, dat zal wel zijn: ik geloof óók dat je papa...."

"Och papa is waarlijk zoo goed, en hij houdt zoo innerlijk veel van

je, mijn beste trouwe broeder. Maar hij is ziek niewaar? Hij drukte

in den laatsten tijd zoo gedurig de hand op het hart. Ik vleide mij

nog dat het een aanwensel was geworden omdat hij zeer bedroefd was

August, zeer bedroefd...."

"De generaal is nu ziek Jacoba."

"Noem hem niet bij dien titel August. Och ik bid je, maak mijn lieven

vader weer gezond, en hij zal je zegenen inplaats...."

"Inplaats van mij te.... _vervloeken_;" zegt Helmond zacht.

"Hij wist niet wat hij zeide. Niewaar, als men dan ziek is; wanneer

men met een _hartkwaal_ te worstelen heeft!?"

"Ja zeker Jacoba, dan.... dan is het zeer natuurlijk.--Maar nu,"

herneemt Helmond met inspanning, na een korte aarzeling: "nu kan ik

hier toch niet van dienst zijn. Wat ik doen kon dat heb ik gedaan:

hier komen met de beste bedoeling, op je dringend verzoek."

"En als je heengaat zal dan de arme papa zonder hulp moeten

blijven? Zou jij.... jij August, hem aan zijn lot willen

overlaten?--Nee nee, dat _kun je niet_, ik weet het zeker!"

"Er is geen dadelijk gevaar Coba."

"Maar dat sluit in zich, dat er wel degelijk een _naderend_ gevaar

is. Om Godswil August, luister naar de inspraak van je liefhebbend

hart. Al ware het dat mijn arme vader zich al te zeer aan je vergrepen

had, jij zult toch aan de wet der reinste liefde gehoorzamen: "Doe

wél dengenen die u haten." Maar nee August, mijn lieve zieke vader

haat je niet. Schrijf de middelen voor die hem redden kunnen. O ik

bid je _lieve_ August!"

Helmond ziet haar bewogen aan. Groote tranen wellen er op in zijn

oogen. Hij onderdrukt ze met kracht.

"En gaf ik een geneesmiddel Coba, wat zou het baten? Je vader zal

geen medicijnen gebruiken, en het allerminst wanneer _ik_ ze heb

voorgeschreven."

"Maar ik bezweer je August, zóó mag het toch niet blijven; wat zouden

tante en ik beginnen zonder eenige hulp!"

"Ik zal dokter Alsma uit Briesborg laten komen Coba; 't zal niet

geheel onnatuurlijk klinken dat de generaal liever een vreemde tot

dokter heeft."

"Maar die kan eerst morgen hier zijn of van avond laat. O lieve August,

zeg jij ons wat we doen moeten; zend de medicijnen die noodig kunnen

zijn. O zie mij aan, ik zit in duizend angsten voor het leven van

mijn trouwen vader."

"Ik herhaal het Coba, medicijnen zal hij toch niet innemen. Je kent

zijn onwrikbaren aard."

"Ik heb het gevonden!" roept Coba met vuur: "Jawel hij _zal_, hij

_moet_ ze innemen. Poeders, droppels wat maar goed is, ik doe ze hem

bij en in het weinige dat hij gebruiken zal, ongemerkt! O beste trouwe

August, vergeet niet dat hij je altijd zoo liefhad, en ja--zoo waar

als ik leef, dat hij je weer zal liefhebben wanneer je hem--ondanks

zijn hard klinkend woord, door de macht van je kunst voor 't leven

en voor zijn kind hebt behouden."

Toen Helmond in de vestibule trad waar hem de marmeren vloersteenen

als gloeiende kolen onder den voet brandden, toen hing Jacoba hem nog

aan den arm, en liet hem door vleiend smeeken de woorden herhalen,

die hij reeds toestemmend gesproken had.--Ach, August zou haar toch

wel gelooven dat zij geheel dezelfde was gebleven, maar niets voor

den armen Philip heeft kunnen doen, omdat zij er niets van vernomen

heeft. Noch van August zelf, noch van Emma Woudberg had zij een brief

met eenig verzoek ontvangen. En dan, August zou toch gelooven ook

dat zij van nu afaan--indien hij den geliefden vader met Gods hulp

maar redden wilde, geen middel onbeproefd zou laten om dien akeligen

vloek in een zegenbede te doen verkeeren?

Alvorens de woning voor altijd te verlaten--ja August weet het zeker,

_voor altijd_--blijft hij nog even staan; ziet Coba schijnbaar kalm

in de oogen; vat dan haar bleek gezichtje tusschen zijn beide handen,

zoent haar op het voorhoofd, twee- driemaal achtereen, en daarna....

De voordeur valt met doffen dreun achter hem dicht.

Of Coba ook tuurt door het zeer smalle venster naast de deur, zij

ziet hem niet meer; zelfs de uiterste einden der stoepleuning zijn in

den mist onzichtbaar. Nu tuurt ze niet langer. Een heete tranenstroom

heeft haar het uitzicht geheel benomen.

't Had weinig gescheeld of dokter Helmond ware door den boom van een

rijtuig getroffen. In droeve gedachten verloren, haastig de stoep

aftredend, heeft hij in den valen mist ternauwernood het rijtuig

bemerkt 'twelk juist kwam voorrijden.

"Is de generaal thuis?" klonk een stem uit het rijtuig.

"Ja, maar niet te spreken."

"Ei Helmond, ben jij het! Ik dacht dat het Hendrik was.--Niet te

spreken zeg je? 't Was de afspraak dat ik vandaag zou komen." Zachter:

"De verkoop van _De Zonsberg_ gaat door; hij kwam het mij zeggen op

den avond toen ik van je feest werd geroepen; en 'k ben hard bang

voor andere plannen ook. Ik had je juist een briefje geschreven. Is

ie ziek.... erg ziek?"

Helmond staat nu als wezenloos bij 't geopend portier, tegenover den

nog zittenden notaris. Uit de weinige woorden van Zoutenheer heeft

hij meer verstaan dan hij nu schier dragen kan. Neen, 't was hem

niet vreemd wat hij daar hooren moest; 't was hem de bevestiging

van 'tgeen hij in de laatste uren maar al te zeer heeft gevreesd:

De notaris is door den ouden zieken man ontboden om een verandering

te maken in zijn uitersten wil.

"Je antwoordt niet dokter: is het zóó erg met den ouden heer?"

"Nee.--Ja ja, o ja, 't is op dit oogenblik zeer _zeer_ erg met.... Je

zult hem nu moeielijk kunnen spreken. Wacht, ik zal eens even."

Helmond is haastig de stoep opgegaan. Nu trekt hij behoedzaam aan

de schel.

En, ofschoon hij 't zooeven niet gedacht had--nogmaals trad hij

de woning binnen en stond hij in de huiskamer tegenover de zwakke

Coba. Maar nu--'t was goed dat het zoo'n sombere mistige dag was--er

parelden nu geen tranen in Helmonds trouwe oogen, neen, op zijn

voorhoofd stonden angstparels, want, niewaar: Jacoba zou immers den

notaris wel verzoeken om zijn visite tot later te verschuiven. Haar

vader was, na die treurige scène, natuurlijk zenuwachtig. Indien hij

nu "verkoopzaken" met Zoutenheer bespreken moest, 't zou hem zeker

veel kwaad doen.

't Sprak vanzelf dat Jacoba den notaris, die in de groote zaal wachtte,

ijlings ging verzoeken om zijn visite later te willen hervatten. Den

wenk van Helmond had zij verstaan; zij kleurde den toestand van haar

vader voor 't moment nog wat minder gunstig dan zij dien zelve inzag.

Zoutenheer achtte het zijn plicht om juffrouw Van Barneveld

beleefdelijk te verzoeken, aan mijnheer haar vader te gaan vragen of

hij hem nú of later wenschte te spreken.

"Als dokter kan ik een conferentie moeielijk toestaan;" zegt Helmond

met eenigszins trillende stem.

"Er kunnen redenen zijn Helmond, die een patiënt meer naar den notaris

dan naar zijn dokter doen verlangen.--Ik zeg er _kunnen_ redenen zijn."

Helmond wischt zich ongemerkt het koude zweet van de slapen:

"De notaris heeft gelijk Coba, er konden redenen zijn."

"Welke redenen, mijn hemel! Zieke menschen gaan zich toch het dak

niet boven hun ledikant verkoopen!"

"Zieke menschen willen soms testament maken, juffrouw Van Barneveld."

Jacoba ontstelde; maar men zag het niet. Zij zal 't haar vader

gaan vragen.

Op de ziekenkamer ligt de grijsaard in zijn ijzeren ledikant op het

varen leger met twee varen kussens onder het sneeuwwitte hoofd. Zijn

ademhaling is benauwd.

"Ben jij daar Coba?"

"Ja lieve pa."

"Ik hoorde een rijtuig. Is de notaris er?"

"De notaris....? Nee, dat geloof ik niet."

"Als hij komt laat hem dadelijk boven."

Jacoba voelt haar knieën knikken. Antwoorden kan zij niet.--Zijn

ademhaling is nog benauwder dan zooeven.

Weer heeft ze de kamer verlaten.

"Notaris, papa is op dit oogenblik zeer benauwd; hij verzoekt u

vriendelijk later eens terug te komen. Als u 't goedvindt zal ik u

nader een boodschap zenden."

"Ik hoor daar weer een rijtuig Coba: zou het nu Zoutenheer zijn?"

"Hé een rijtuig?" Jacoba gaat naar het venster, en dewijl de mist

haar alle uitzicht beneemt, kan ze inderdaad het rijtuig niet zien,

waarmee de notaris weer huiswaarts keert, en mag ze naar waarheid

zeggen: "Ik zie volstrekt niets lieve papa. Misschien is de bierkar

straks naar het achterhuis gereden en nu weer teruggekomen. Maar ik

hoor niets.... hoor maar, niemendal."

Een klein kwartier later bracht Jacoba zelve de boodschap boven dat

de notaris Zoutenheer door plotselinge ongesteldheid was verhinderd

geworden om op _De Zonsberg_ te komen. En terwijl ze het zeide, trilde

de bee haar in 't hart: O God, vergeef mij! Moet ik dan altijd listig

wezen gelijk de slang, terwijl ik oprecht zou willen zijn gelijk

de duive!

--Maar zie, de ademhaling van den dierbare wordt, na dat bericht

toch kalmer. Ha! hij sluit de oogen. 't Is alsof er meer vrede kwam

in zijn gemoed.

"Waar ben-je mijn klein lief meisje?" zegt eensklaps de grijsaard en

strekt de hand naar haar uit.

"Hier beste papa." Met teedere kussen bedekt zij zijn edel

voorhoofd. --Maar stil, nu moet hij slapen.--Zie, hij sluit weer

de oogen.

--Is dat droomen? Wat wil dat zeggen? Hoor, hij herhaalt het nog eens

met hijgende stem:

"Ja ja, ik geloof wel dat ik er Simson zal vinden.--Ha, daar

is hij.... met een kanon op den schouder; en zijn voet op die

vrouw.--Ha! Goddank!"

"Vader, palief! zulke droomen!"

"Ah zoo, was _jij_ daar lief meisje; ik dacht.... ik droomde.... Als

Hendrik naar stad gaat dan moet hij de boodschap bij Zoutenheer

brengen.... dat ik.... wachten zal.... totdat...."

"Totdat u weer beter bent; jawel dat is goed beste pa;" zegt Coba,

en in de tranen die ze schreit mengden zich ook tranen van dank en

van vreugd,

De grijze generaal drukt Coba's hand, en trekt haar nader tot zich.

"Niet schreien.... lief klein bleekneusje. Je moeder schreide ook

nooit.... Stil, daar komt Blücher.... Ha ha ha! nu zal hij neerploffen

van zijn troon; vervloekte eerzucht! Links voorwaarts in batalje! In

galop marsch! Attaqueert.... snelvuur!.... Vuur!"

Met een hevige benauwdheid ontwaakte Van Barneveld weder en hijgend

zegt hij: "Ik geloof dat ik weer droomde.--Nee niet weggaan, mijn

goed lief kind. Niet bang zijn, nee!"

"Tante! tante!!" roept Jacoba: "O tante help, help!"

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 66 / 85 题