_De Zonsberg_, 26 September 18...."
"Afschuwelijk! Afschuwelijk!" barst Eva los met bevende stem:
"Mijn God! welk een toon! Den Mammon dienen! Ha, wie durft daarvan
spreken! Hij, die zelf in dienst van den geldduivel is!"
"_Vrouw! zwijg!_" roept Helmond met krachtige stem: "Als je me
waarachtig liefhebt, vergrijp je dan niet opnieuw aan den man dien ik
vereer en die het goede wil. Zwijg zeg ik je! _Hoor je me niet!_ Ja, 't
is nu genoeg, hij heeft gelijk: wij zijn op een rampzaligen weg!" Met
verheffing van stem en Eva aanziende, zoodat ze hevig ontsteld een
schrede teruggaat: "Ik zeg je Eva, die man heeft waarachtig gelijk; met
dien vervloekten geest, die zucht naar grootheid en verheffing boven
onzen stand, moet gebroken worden!-- Sta daar zoo niet te beven. Mijn
toorn kind, geldt mij zelf in de eerste plaats, ja waarlijk, mij zelf
_geheel alleen_. Eva, _ik_ was krankzinnig, ja waarachtig!"
--O groote God, wat ziet hij haar akelig aan! Wat wil dat zeggen,
_krankzinnig_! Nee nee, dat is hij niet, nee, stil stil. Goddank,
hoor maar, hij spreekt bedaarder; hoor, hij noemt haar weer zijn beste
kind, zijn lieve vrouw, Maar toch, dat gewone punt der tobberij wordt
met een schier aan krankzinnigheid grenzenden angst behandeld.--Men
moest terugkeeren tot den eenvoud waarop de pleegvader zoo gesteld is,
men moest....
"Maar August, zoo waar als ik leef, die brief is geschreven door
iemand die...."
"Die het goede wil, die begrijpt dat ik mijn kind, mijn schat niet
bewaar met de trouw door mij bezworen; door een man die ons verderf
tegemoet ziet, die mij in stilte bij mijn waren naam noemt: een zwak
man tegenover zijn vrouw.--Eva, dat zal eindigen; zoo waarachtig
als ik je liefheb, _zoo waarachtig zal dat eindigen_! Die brief is
kras maar goed. Zachte medicijnmeesters maken stinkende wonden. Dat
ultimatum moet worden nageleefd. De partij _zal_ morgen niet doorgaan!"
Eva moest zich met de beide handen aan de tafel vasthouden. Die
man.... háár man, hij maakte haar werkelijk angstig. Dat is geen taal
van een verstandig man. De partij morgen niet doorgaan!--Zou het dan
ernst zijn, waarachtig ernst?
Helmond haalt een aantal pas geschreven klein gevouwen brieven uit
den jaszak te voorschijn:
"Ziehier Eva, dit zijn de bewijzen dat ik het _goed_ met je meen. Voor
zooveel mogelijk zullen wij deze briefjes nog van avond laten
bezorgen. Als reden geef ik op dat je ongesteld bent geworden. Je
teleurstelling zal die ongesteldheid zijn, want teleurgesteld dát
ben je zeker."
Eva ziet hem aan met angstigen blik, en zegt nu met doodsbleeke lippen:
"August, ik word werkelijk bang.--Je bent toch niet.... zeg lieve
August, je hebt toch geen erge hoofdpijn niewaar?--O, o! die akelige
vrek zal hem krankzinnig maken."
"Nee Eva, oom zal me genezen. We zullen handelen volgens zijn wil,
en dan zul je leeren inzien dat hij het goed met ons meende."
"Je spreekt dus met je volle verstand August! En ik versta je
wel: aan dien onzin zou je gehoor willen geven!? Maar dat is
onmogelijk! Wartaal, waanzin staat daar te lezen. Terugkeeren naar
het oude huis, en dit huis publiek verkoopen, binnen vier weken!--
_Publiek verkoopen_ en _publiek schandaal maken_ is hier volmaakt
hetzelfde. Gesteld eens dat die oom met eenig recht oordeelde dat onze
manier van leven wat te weelderig is, zou een verstandig mensch dan
ooit op het denkbeeld komen om zulk een ultimatum te schrijven. Daar
spreekt haat en wangunst uit dat schrift."
"Eva, je kent mijn pleegvader niet; hij was van mijn jeugd afaan...."
"We weten dat, hij was je _voorzienigheid_, maar nu--nú is hij een
wangunstige vrek die...."
"Zwijg, _zwijg zeg ik je_!"
Er was woede in Helmonds blik. Eva stuift achteruit, en dan in een
vreesachtige houding met haar bevende klankvolle stem:
"Is dat je liefde man!--O God, wie had dat kunnen denken; op den
vooravond van het feest waarop ik mij zoo verheugde, en dat hij
mij eerst zoo hartelijk gunde! O! waarachtige liefde bestaat niet
meer. Vertrouwen nee, vertrouwen kan men den edelste niet.... O God!"
"Schrei niet Eva, kind, schrei niet! Ik zal je toonen dat ik je liever
heb dan ooit; liever dan mijn leven."
"Och August, hoor ik goed? Zul je, ja zul je _zeker_.... dien brief
vol waanzin verbranden en me _gelukkig maken_....?"
--_Gelukkig maken!_
Helmond voelt zich eensklaps het hart als door ijskou versteenen. Neen
hij beseft het volkomen, op den weg dien hij terug moet zal _zij_
nimmermeer zich _gelukkig_ gevoelen! Dat heeft hij bedorven voor
altoos. De kleine woning aan den wal, waaraan ze allengs misschien zou
gewend zijn, en waarin ze waarschijnlijk als jonge moeder gelukkig
zou zijn geworden, nu, indien ze er moest terugkeeren, ze zal haar
zijn als een graf.
"O ik wist het wel," vervolgt Eva met verruiming dewijl ze
Helmonds zwijgen reeds voor toestemmen houdt: "Wat August eens aan
zijn Eva schonk of toezeide, dat neemt hij niet terug. En méér
beloven of schenken dan je doen kondt, dat heb je nooit gedaan;
nee nee August, dát weet ik, dáárop bouw en vertrouw ik als op een
rots. Je eigen woorden zijn me altijd een waarborg geweest, en je
uitstekend verstand.... O, er is maar één knap en verstandig man in
Romphuizen.... Lieve, _lieve_ Helmond!"
--O God, hoe kan hij zich redden met haar, en zonder haar van zich af
te stooten; zonder haar te dooden misschien? Immers zóó kan en mag het
niet langer. In die weinige maanden reeds steekt hij diep in schulden,
en voor een goed deel werd hij ondanks zich zelven, de schuldenaar
van een man voor wien hij vriendschap huichelen moet. Slechts weinige
dagen geleden ontving hij nogmaals van den majoor Kartenglimp een
paar duizend gulden ter leen,--helaas! nu reeds door hem op _rekening
gesteld van ooms nalatenschap_!--En die nalatenschap zou dan voor
hem verloren zijn, voorgoed verloren!--En zonder dat uitzicht zou
hij voortgaan op dezen weg!--O hoe spoedig zal dan het oogenblik der
schande komen. Sinds hij aan die nalatenschap dacht, werd het uitzicht
op eigen gewin al meer en meer beneveld: de verhouding tusschen het
debet en credit was reeds sedert lang geheel verbroken.
--Terug! aarzel niet langer! roept de stem van 't verstand den
jongen dokter toe, en de stem der liefde roept mede: Terug naar het
hart van den pleegvader die, ofschoon hij niet volmaakt is, nu het
treffendst bewijs heeft gegeven zijner liefde door het schrijven van
dien brief. Immers, Helmond alleen kan beseffen wat overwinning hij
op zich zelf heeft moeten behalen om dien regel te schrijven: dat
de pleegvader zou vergeven en vergeten.... ja ook aan Eva vergeven,
dat ze hem schold voor een _trotsch_ en een _gierig_ man!
"August.... waar ga je heen?"
"Ik ga goedmaken wat ik misdeed; ik ga eindelijk voor je welzijn
zorgen kind!"
"Je bedoelt....?"
"Ik zal Herman deze briefjes ter bezorging geven, en laten
telegrafeeren naar Amsterdam en Utrecht dat de partij niet kan
doorgaan."
Het wordt Eva alsof er vonken vuurs door de kamer spatten, alsof het
hooge stukadoorwerk naar beneden buigt en wringt.
--Als Helmond niet op den weg is om krankzinnig te worden--o vreeselijk
denkbeeld--dan, dan is hij een tiran, een leugenaar, een.... Neen dát
is niet mogelijk; hij wordt gedreven door den wil van een despoot, die
hem onder zijn ijzeren schepter wil terugbrengen. --Eva beseft dat ze
al haar geestkracht en al haar verstand zal behoeven om haar man, ter
voorkoming van publiek schandaal, van besluit te doen veranderen. Ze
voelt zich nu sterker. Ze zal kalm wezen, dat is het beste.
"Weet jij niet meer August," herneemt Eva: "wat me voornamelijk zoo
gelukkig maakte in den laatsten tijd? 't Was het volle _vertrouwen_
op mijn man. Sinds dien brief van Jacoba, _geloofde ik in je_, August,
geheel en al; want je hebt woord gehouden; en als je wel eens aan
't tobben raakte, waarschijnlijk in navolging van dien ouden heer,
dan sloot ons gesprek toch met de zoete verklaring; dat mijn August
niets deed wat onverstandig was."
Helmond voelt weer dat pijnlijk hoofdkloppen.--Hoe verpletterend
klinken die woorden, en toch op dien zoeten toon. Nu zegt hij:
"Eva, straks zullen we verder spreken en alles behandelen, dan zullen
we elkander geheel verstaan en zeker in 't einde elkander _liever
hebben_ dan ooit.... Nu.... 't is hoog tijd; de telegrammen moeten
vóór zevenen bezorgd zijn...."
Eva houdt zich oogenschijnlijk kalm.
"Wanneer die telegrammen en brieven werkelijk verzonden werden
Helmond, dan zou daaruit blijken dat de man die het deed--zoo hij niet
krankzinnig is--zijn jonge vrouw heeft bedrogen, weken en maanden
lang". Fier en gevoelig: "En dat is _niet_ zoo; zoo waar als er een
God leeft, dat is niet zoo. Nee, hij behoefde zich niet te bekrimpen,
maar zou het nú uit overgroote goedheid willen doen, om.... een
ouden man te believen.--Zeg, zou je dan willen August, dat ik je tóch
voor een zwak en niet te vertrouwen mensch hield!? Hoe! Mijn rots,
mijn rots....!!" Zij vliegt op hem toe en omhelst hem in vervoering:
"Mijn schat in dit leven! Nee _nee_ dat wil je niet!"
--O God, als hem dan door zijn eigen vrouw de dolk op de borst
wordt gezet:
"Ja ja Eva, ik herhaal het, ik _heb_ je bedrogen; reeds weken
lang leefde ik als een dwaas, en stak mij in schulden, terwijl ik
zuinig had moeten zijn en klein en nederig...." Maar Helmond kon niet
voortgaan met spreken. Eva had hem een oogenblik met doodsbleeke lippen
aangehoord, en nu, hoor, nu berst ze in een zonderling lachen uit;
hoor, al sterker en sterker.
"Eva! kind!--bedaar! Lach zoo wonderlijk niet. Eva je maakt je te
zenuwachtig. Eva!--Eva!!"
Maar of Helmond ook poogde haar tot bedaren te brengen, het baatte
hem niet. Vreemder en vreemder werd steeds dat lachen. De schok,
dien Helmond haar heeft toegebracht, was nog grooter geweest dan
hij het zich heeft kunnen voorstellen, en de woorden _zuinig_ en
_klein_ en _nederig_, welke Eva in den laatsten tijd zoo dikwijls al
schertsend had weerlegd, ze hebben, bij het ontvangen van dien schok,
vermoedelijk tot dat akelige lachen aanleiding gegeven.
Eenige seconden later is dat droevige lachen in schreien overgegaan,
en--een soort van bedwelming, die straks door een rustiger inslapen
zal gevolgd worden, heeft haar nu vermeesterd.
Eva ligt op de sofa; kleine snikken ontsnappen aan haar fijngevormde
lippen. August ondersteunt nog altijd het canapé-kussen waarop haar
hoofd rust.
--Stil, zoo aanstonds zal ze inslapen. Hoor! nog een snikje, nóg
een.... een lange zucht en:
"August!" klinkt het zacht.
"Wat is er lieve? Hier ben ik."
"Zoo ben je daar, dat is goed. Waar was je? Morgen, o, _heerlijk,
morgen_!"
Weer volgt er een zucht. Een langgerekt geeuwen klinkt er, en--hoor,
ze slaapt, ja zeker ze slaapt.--Zachtjes trekt Helmond zijn arm onder
het kussen terug, en.... ziet nu om naar de pendule.
't Was--halfacht.
--Te laat!--De telegrammen kunnen niet meer verzonden worden.--En,
morgen reeds met den eersten trein zal men uit Amsterdam komen om
alles voor het soupee te regelen en, voor zooveel noodig, ook hier
gereed te maken. En reeds dezen avond gaan de bloemen en bouquetten
uit Utrecht op weg en....
Helmond staat in gepeins als verloren.
--Maar zou Eva's lichte ongesteldheid--die bovendien niet onnatuurlijk
is in haar omstandigheden--zou ze niet als 't ware een bestiering
zijn geweest? Dáárdoor werd het te laat... !!--Dominee Hoogerberg
heeft gezegd dat oom Van Barneveld niets liever dan een toenadering
wenschte, indien Helmond voortaan wat meer wilde bedenken hoe hij als
dokter in Romphuizen _moest_ en _kon_ leven.--Dat was een gematigde
toon. Die geest was verstandig.--Zóó, indien oom Van Barneveld er goed
over denkt, ja, zóó kon hij terugkeeren. Maar Eva heeft gelijk: zou het
verstandig zijn om op een wijze als in dien brief werd begeerd _publiek
schandaal_ te maken?--Eva heeft het bij den rechten naam genoemd. Hoe
zal men over een dokter spreken, die zóó door zijn eigen pleegvader
wordt aan de kaak gesteld! Zulk een dokter zal men verachten inplaats
van hem te vertrouwen. Die brief, dat ultimatum is _waarachtig_
onzinnig. Een feest ter eere van zijn jonge vrouw moet zonder een
geldige reden eensklaps worden afgezegd, en duizend tongen zullen
in beweging komen en zeker die jonge vrouw niet sparen! En binnen de
vier weken zal men dit huis moeten ontruimen en verkoopen....!
Aan zijn gedurig hoofdlijden moet Helmond het toeschrijven dat hij
oom's ultimatum in den aanvang zoo letterlijk heeft opgenomen--Goddank
daar komt licht! Morgen op Eva's _verjaardag_ zal hij zich zoo vroeg
mogelijk met haar naar _De Zonsberg_ begeven. De oom en pleegvader zal
dien stap waardeeren en de redenen moeten billijken, waarom het feest
voor 't laatst nog moet doorgaan. En dan, het vraagstuk zal worden
opgelost meteen, hoe dokter Helmond zijn nieuwe woning zal kunnen
verlaten zonder zijn goeden naam te bederven, zonder zich belachelijk
te maken in het oog der geheele stad. Hij kan den pleegvader het
voorstel doen om zich elders als dokter te gaan vestigen.
--Welzeker, denkt Helmond voort, zulk een schrijven draagt te vele
blijken van overijling, dan dat de verstandige oom er niet op zou
terugkomen. 't Is waar, wat hij eens heeft gezegd dat blijft in den
regel gezegd; "wat geschreven staat dat staat geschreven," maar toch,
met blijdschap herinnert August zich nu den avond vóór zijn trouwen,
toen de onveranderlijke oom uit eigen beweging een overeenkomst
vernietigde, waarvan hij bekennen moest dat de eischen, zoo niet te
sterk, althans niet helder door hem gesteld waren.
--Goddank! zegt Helmond nog eens in stilte, want voor het oogenblik
is hem niets zoo welkom als de rust die hij zich zelf door zijn
overlegging bezorgde: Onzinnig wreed zou het zijn om nu dat _kind_,
ja wat is zij anders dan een _verrukkelijk kind_! om haar "haar eigen
feest" te ontnemen. Langzaam, zeer langzaam moet hij met haar _terug_
indien ze niet verwelken en verkwijnen zal.--Zooals hij haar straks
heeft geschokt, dat was werkelijk _tirannie_. Welnu dan Helmond,
wees krachtig en wijs voortaan, en waak met verstand, terwijl een
trouwe pleegvader den terugtocht wil dekken; maar sla dan ook niet
tot uitersten over. Ze konden die engel dooden en mét haar, o lieve
God, de teedere spruit, wier eerste kreetjes ook voor haar reeds meer
waarde zullen hebben dan parelen en diamant.
Eva slaapt rustig. Zie, de zachte blos is geheel op die donzen wangen
teruggekeerd. Met den rug van zijn hand glijdt Helmond er zachtkens
langs heen.
--Parelen en diamant, herhaalt hij nu bijna overluid, en drukt de
beide handen vluchtig tegen zijn hoofd, dewijl het daarbinnen toch
gedurig nog zoo vreemd en pijnlijk klopt.--Parelen en diamant! 't Zou
de grootste dwaasheid zijn!--Maar, indien ik ze _aanstonds_ genomen
had, dan zou die dwaasheid reeds zijn geschied.... In alle geval 't
zou op het groote geheel slechts een kleine doorslag wezen. Indien
men dan liefdevol in de armen van den pleegvader terugkeert, dan zal
hij op den laatsten misgreep-- die zoo natuurlijk uit den vroegeren
geboren werd, niet letten. Oom Van Barneveld schreef: Zoo er schulden
mochten zijn, ze zullen zwijgend vereffend worden.--Ach, als hij
haar dan nogeen enkele maal zoo innig gelukkig zal zien.... Nee, nee,
nee! "Weg Satan, weg!" zegt Helmond eensklaps overluid en stampt met
den voet. zóó hard dat Eva er vluchtig van ontwaakt.
"Weg! Weg Satan! Trotsch, schriel! Weg!" zegt ze half wakend,
half droomend.
Helmond ziet haar weer inslapen; maar nochtans zijn onrust komt sterker
terug: Tot nogtoe heeft hij buiten Eva's vijandige gezindheid tegen
dien oom gerekend. Zal zij er toe kunnen besluiten om morgen op haar
jaarfeest tot hém te gaan. Neen neen.... !
Maar zie hoe men tóch denken kan met een steeds sterker bonzend
hoofd.--Ja, zij _zal_ er blij en geheel vrijwillig heengaan! O, die
verzoening zal schoon zijn. Zie, zóó moet het gebeuren: Het fraaiste
stel diamanten zal Eva als een verrassing ontvangen, en August zal
haar doen gelooven dat diezelfde "schriele oom" het haar toegezonden
heeft. Maar natuurlijk, zij mag den generaal dan niet spreken over zijn
geschenk. En, met te dieper gevoel zal zij den grijzen weldoener bij
dat morgenbezoek in de armen snellen, teruggekomen van haar onbillijk
oordeel, en met de stilzwijgende verklaring van dankbare liefde.--O,
en de warmte waarmee zij den oom--en geheel vanzelf--zal tegemoet
ijlen en omhelzen, zij zal weldadiger werken op dat hart dan duizend
verklarende woorden. Het stel diamanten zal zeker nooit door Eva
vergeten worden.....
Zooeven had de huisschel geklonken, en dewijl men nu de kamerdeur
naderde, liep Helmond zachtjes naar de deur, opende haar zonder
gedruisch, en begaf zich al spoedig naar de spreekkamer, waar hem
iemand wachtte, die hem noodzakelijk alleen wilde spreken. Bij de
kleine lamp, die in de spreekkamer was neergezet, stond een aardig
burgermeisje van zestien jaren omtrent.
--Wat ze verlangde?--Nee, zieken waren er gelukkig niet, maar dokter
moest niet kwalijk nemen; ze was zooveel als Grietje van Wulters
den huisschilder.
"Ah zoo!" Helmond voelde eensklaps iets zeer beklemds: "En.... ?"
"Ja dokter," vervolgt het meisje: "vader was een beetje opzichtig
om u zelvers lastig te vallen, nadat u gezegd hadt van over drie
maanden; en.... Maar ziet u, vader had ook al die inslagen van glas en
behangselpapier moeten doen, en dáárom: en ook omdat vader zoozeer geen
krediet heeft in Amsterdam, ziet u, nou zou vader een wissel krijgen,
en dacht moe dat we maar zoo vrijpostig moesten zijn om u.... ja
ziet u dokter, 't is een heeleboel geld, maar zulke mooie papieren,
en het blommenhuis en al dat dure glas zei vader en.... vader heeft
er ook hard voor moeten werken dokter."
Helmond heeft de kwitantie a zeshonderd en tien gulden, van het
eenigszins bevende Grietje aangenomen en ingezien.
Groote getallen spreekt men zoo gemakkelijk uit. 't Was een slagveld
met tienduizend of--daar wil ik afwezen--van honderdduizend lijken,
zegt iemand, en de hoorder fronst bij beide getallen schier even
zwaar het voorhoofd. Over het kleine verschil van _negentigduizend_
lijken stapt hij gemakkelijk heen.
De betrekkelijk kleine sommen, die telkens en telkens het geld hadden
verslonden, 'twelk de dokter extra heeft moeten opnemen, herinnerden
hem gedurig en ook nu, hoe hij in den laatsten tijd maar zelden
goed heeft doorgedacht, dat, om duizend gulden te kunnen betalen,
men _tienmaal honderd gulden_ moet bezitten.
--Doch waarom nú het arme hoofd daarmee gebroken! Kon hij dan een
oogenblik vergeten dat hij juist morgen.... Goddank! van allen last
zal ontheven zijn? Zal oom niet morgen stilzwijgend zijn schulden
vereffenen....?
"Kindlief, als vader verlegen is dan zal ik hem graag voldoen. Wanneer
zou die wissel vervallen?"
"Vader zei dat ik maar zeggen moet _morgen_ dokter, maar als ik
goed heb gehoord, dan spraken va en moe van Dinsdag, da's overmorgen
dokter. Ziet u, ik wil niet buiten mijn hart spreken dokter."
"Doe jij dat nooit lief kind. Nooit!" zegt Helmond en drukt weer de
hand op het hoofd: "Ga nu naar huis, en zeg aan vader dat hij er vast
op rekenen kan overmorgen zijn geld te zullen krijgen."
"Bestig, alsjeblief dokter.--O, zou ik dat papiertje weer meenemen
dokter.--Och, 't was in goeje handen."
Geen tien minuten later had Helmond een geheel ander bezoek.
't Was Archibald Hardenborg, die met een ongewone bedruktheid op 't
gelaat, kwam informeeren of het waar was 'tgeen hij dezen middag van
den generaal van _De Zonsberg_ meende verstaan te hebben, namelijk
dat de verjaringspartij morgen waarschijnlijk niet doorging?
Nog een oogenblik wacht Helmond en aarzelt een antwoord te geven. Maar
dan:
"Nee amice, daar is geen quaestie van. Oom zal bedoeld hebben dat hij
waarschijnlijk zelf niet komen zou. Oom is dezer dagen niet zoo heel
fiksch.--Hoe.... hoe von-je dat hij er uitzag?"
Na een uitroep van blijde verruiming vervolgt Archibald:
"Hoe de generaal er uitzag? Ja om je de waarheid te zeggen, ik weet
wel dat ie z'n degen en epauletten niet aanhad, maar voor de rest heb
ik meer naar het fijne popje gekeken. Lief bleekneusje! Verduiveld,
mijn trouwe reparateur, ik ben in de laatste dagen in zoo'n
fragile positie. 'k Stond den dood uit dat je feest niet zou
doorgaan." Geheimzinnig: "_De Zonsberg_--_uit_! finaal, totaal! Bij
dat laatste bezoek dezen middag begon ik waarachtig een oogenblik
sympathie voor _bleek_ te krijgen. Enfin, ik geef het gesprek zoo'n
polsenden draai,--je begrijpt dat--en verneem zoo en passant van
een paar heel bleeke lipjes, dat het, volgens de overtuiging van die
lipjes, groote zonde is wanneer een zwak en dikwijls sukkelend meisje
haar hand schenkt aan.... Enfin, 't kwam er zoo'n beetje gevoileerd
uit, maar 't wou toch zeggen: Als je er ooit aan denken mocht om me
te vragen, reken er op dat je een heel mal figuur zoudt slaan."
"Ik dacht Archibald, dat freule Marie Narwal...."
"Stil stil: papa had een drietal geformeerd, en immers een oogenblik
begon ik bleek nog al interessant te vinden, 't Is in zooverre
niet ongemakkelijk indien candidaten zich terugtrekken.--Vin-je me
pedant? Waarachtig, papa zou het me maken. Maar amice, er is er toch
maar ééne, die ik van het eerste oogenblik afaan.... Zieje, en daarom
werd ik drommels benauwd dat je partij niet zou doorgaan. Begrepen? Ik
droom geregeld van dat engelachtige kind.--Apropos, komt Ronner,
die poesbaard ook op het feest?"
"Wie zeg je, _Ronner_?"
"O sapperloot, ik meen Kattenglimp."
"De majoor Kartenglimp? Jawel."
"Zeg, vin-je dat au fond geen fameus gemeene type?"
"Gemeen!?--Dat is te zeggen, nobel is anders, maar gemeen...."
"Enfin, 't komt zeker door die frappante gelijkenis; 'k had hem maar
eens gezien, op de ree van Batavia toen hij scheep ging; ik spreek
van dien Ronner--maar, als twee droppels water! Grooter schoelje en
poltron heeft er nooit een degen gedragen. Alleen ter wille van zijn
moeder liet men hem loopen.--Maar ik zie het, ik hou je op.... jawel,
je zult nog 't een en ander te bestieren hebben. Je charmant lief
vrouwtje is zeker ook zoo'n beetje in de weer; men kan niet alles
aan de domestieken overlaten. 'k Heb daarom met voordacht alleen naar
mijn cordialen dokter gevraagd. Wat zul je morgen gelukkig wezen! 'k
Zei gisteren aan papa: als Helmond voor zoo'n vrouw folieës deed,
ik zou hem waarachtig de bon coeur mijn compliment maken."
"Helmond, Helmond! waar ben je?!" klinkt het luide in 't
voorhuis. --Verrast den luitenant bij haar echtvriend te vinden,
blijft Eva een oogenblik later op den drempel van het spreekkamertje
staan. Ze was nog wat licht in 't hoofd van de flauwte, die haar
na dien vreeselijken schok bezwijmen deed. Bij 't ontwaken wist ze
in den aanvang niet of ze gewaakt of gedroomd had. Maar toen, toen
moest en zou ze het weten. En nú, o Goddank! hoor maar, 't was alles
_alles_ een droom. August stemt immers dien luitenant zonder eenige
terughouding toe, dat zijn vrouwtje morgen de schoonste feestkoningin
zal zijn, die er ooit op aarde bevelen gaf. Hij ziet er volstrekt geen
bezwaar in dat Hardenborg haar engageert voor een enkelen dans. Hij
spreekt het niet tegen dat hij zijn vrouwtje morgen en haar gansche
leven verwennen zal. Goddank! 't was dus een droom.... of neen, toch
niet: het is een zinsverwarring, een misverstand geweest. Die dwaze
brief van den "uitgedienden generaal" heeft August straks voor een
oogenblik op 't sterkst in zijn gewone tobberij doen vervallen. Neen,
men was niet arm.... Hoor maar, hoor, hij stemt het weer toe: Morgen,
ja zeker, morgen zal het gansche huis één enkele feestbouquet zijn
ter eere van Helmonds "engelachtig vrouwtje".