EEN EN DERTIGSTE HOOFDSTUK.

De generaal Van Barneveld bevindt zich in de serre--zijn

lievelingsverblijf.--Hij heeft er nogmaals inspectie gehouden over

de camelia's, azalea's, cactussen en zoo vele andere bloemsoorten,

en zegt nu tot den tuinbaas die de inspectie heeft bijgewoond:

"Jawel baas, alles in orde! Je hebt goed gezorgd."

"En wat zeit menheer wel hiervan?" vraagt de tuinman, terwijl hij een

kleinen pot van de stelling neemt: "Ziet de generaal dat uitbotsel

wel? 't Is aardigheid zeg ik. Ja generaal, als d'r leven is dan is

d'r nog hoop, zeg ik! Je zoudt het anders van zoo'n takje meidoorn

waar blom aanzat en dat al aan 't zuchten was, niet gedacht hebben. De

generaal heeft er eer van."

"Je kunt dat ding nu wel buiten zetten baas."

"Dat zou ik den generaal voor de vaste waarheid niet durven

aanrecommandeeren. We hebben gisteren al een nachtvorstje gehad,

en als het hier blijft, dan....."

"Ik zeg: je zoudt het buiten zetten!"

"Allebeneur, als de generaal het verkiest.--Nog iets van je bevelen

menheer?"

"Niemendal baas. Alleen wil ik je zeggen dat je in mijn afwezigheid

goed hebt opgepast. 't Was je plicht, maar 't zal je toch aangenaam

zijn te hooren dat ik tevreden ben.--Je kunt gaan.--Hé baas, zeg eens:

Jij hebt vroeger bij den Haag gediend, niewaar? Juist, ik meende

het. Dus den tuingrond ken je daar?"

"O generaal als m'n eigen zelf."

"Goed! Je kunt gaan.--Zeg aan Hendrik dat ie na't ontbijt even naar

stad moet met een briefje aan den notaris."

"Best menheer;" zegt de tuinbaas, en dan schoorvoetend, terwijl hij

de pet in zijn handen ronddraait:

"Zou ik den generaal wel een vraag mogen doen?"

"Welnu?"

"Och menheer, je ziet me zoo bleek tegenwoordig. 't Is ons allemaal op

't lijf gevallen toen je thuis kwaamt. Als de generaal toch eens den

dokter--menheer Helmond liet komen, ik geloof...."

"Dankje voor je belangstelling baas. Ik ben heel wèl.--Ga nu!--Hei! je

vergeet dien pot. Je kunt hem wel wegdoen."

Zwijgend zit Van Barneveld nu een geruimen tijd binnen zijn

lievelingsverblijf op een tuinstoel, met den blik, door de openstaande

glazen deuren, over het smalle balkon der serre, in het tintelend

verschiet.

--Wie heeft hem geroepen?

"Ah Coba, ben jij het! Wat is er?"

"Komt u ontbijten lieve papa? 't is al een kwartier over den tijd."

"Hé een kwartier.... Ei!--Geef me den arm kind."

"Waart u weer in gedachten verdiept?"

"Ja Coba, ik dacht daar juist dat het hier toch stil is, _heel stil_

op den duur."

"Maar die stilte vind ik juist zoo heerlijk."

"Ei!"

Na eenige minuten, terwijl men aan de ontbijttafel heeft plaats

genomen, herneemt de generaal met vaste stem, doch afgewend gelaat:

"Ik heb besloten _De Zonsberg_ te verkoopen Coba."

Jacoba ontstelde! Toch kwam liet bericht niet geheel onverwacht. Zij

heeft het gevreesd. Ze zwijgt.

"Spijt je dat Coba?"

"Het antwoord lieve vader, mag ik u schuldig blijven. Er is iets wat

me _meer_ spijt; u weet het."

"Meer spijt....? Wat meen je?"

Jacoba is opgestaan, en, bij den generaal gekomen, vlijt ze haar

bleek gezichtje aan dien zilverwitten schedel: slaat den arm om zijn

schouder, en dan bijna fluisterend zegt ze: "De reden wáárom u het

doen wilt."

"Zwijg daarvan Coba."

"Och papa, kan ik dan zwijgen als ik zie dat uw dierbaar leven

onder dien last moet bezwijken. Zou er dan geen mogelijkheid zijn

om.... August, en Eva voor ons, voor ú te herwinnen?"

"Nee NEE! dat is ONMOGELIJK!" zegt de generaal met een kracht die de

teedere Coba doet ontstellen: "Noem mij den naam van dat wijf niet

meer, _nooit, nimmer meer_. De helle veeg die hem dronken maakt;

de lichtekooi die...."

"Stil stil; bedaar beste vader...."

"Vergeef me klein lief meisje, ik dacht er niet aan dat jij hier

waart." Hij strijkt met de hand langs het voorhoofd, en dan: "Jij bent

heel wél niewaar? Tenminste.... je ziet er bepaald.... zeer _zeer_

goed uit."

Jacoba beschouwt haar vader eenige oogenblikken stilzwijgend met

teederen blik.--Neen, hij ziet er _niet_ goed uit, in 't geheel

niet. Zijn oogen staan flets, en in oogenblikken als deze, wanneer

hij zich te veel door zijn smart laat vervoeren, bespeurt Coba zeer

duidelijk dat zijn ademhaling beklemd is. Zie, terwijl hij zich achter

een courant te verbergen zoekt, drukt hij de hand ter plaatse van

het hart.

--Ja, Haar dierbare vader is ziek. Zijn hartzeer heeft mogelijk de

kiem ontwikkeld eener kwaal waaraan zijn moeder, ofschoon in hoogen

ouderdom, bezweken is.

--Indien de kalmte in dat hart mag terugkeeren en de juiste middelen

worden aangewend, ja, dan kan ook die beste vader tot in hoogen

ouderdom voor haar gespaard blijven, Maar anders....! Welnu,

papa en Helmond moeten met elkander verzoend worden, 't

koste wat het wil. August en Eva moeten den lieven vader excuus

vragen.--Waarvoor?--Coba weet het zelf niet recht. Maar excuus moeten

ze vragen, al ware het slechts omdat ze zonder haars vaders toestemming

dat groote huis hebben gekocht. En als alles dan in orde is, dan moet

dokter August papa eens flink onderhanden nemen, en hem weer sterk

maken zooals hij het was voor weinige maanden.

Jacoba heeft haar besluit genomen: Al werd het haar ten strengste

verboden om, op welke wijze dan ook, met Helmond of zijn vrouw in

aanraking te komen, Jacoba meent het eenvoudige en eenige middel

gevonden te hebben om den verbroken band der liefde weer aaneen te

hechten.--Dominee Hoogerberg, den waardigen predikant, zal zij in den

arm nemen. De verstandige leeraar zal, van zijn heerlijk standpunt,

bewerken wat zelfs een eenig kind niet bewerken kan. Ginds zal zijn

liefderijk vermaan tot ootmoed en berouw bewegen; en hier, door zijn

bediening er toe gewettigd, zal hij wijzen op het voorbeeld van den

lijdenden Jezus, die zelfs aan het kruis nog bad voor zijn moordenaren.

Den volgenden morgen was de schemering ternauwernood geweken,

toen Jacoba Van Barneveld zich reeds op weg bevond om dominee

Hoogerberg te gaan bezoeken. Een groot uur later mocht zij met

dankbare zelfvoldoening de pastorie verlaten. De edele predikant,

die wel met luste zich verblijden kon met de blijden, maar wiens

dagelijksch leven inderdaad het waarachtige leven mocht heeten: een

leven tot heil en geluk van anderen; dominee Hoogerberg heeft aan zijn

lieve bezoekster zeer stellig beloofd dat hij hare mededeeling onder

't zegel der diepste geheimhouding zou bewaren, en alles doen wat hem

mogelijk was om de zeer betreurenswaardige verwijdering--waarvan hij

reeds hoorde spreken--ten goede te doen verkeeren.

Dominee Hoogerberg zou doen _wat hem mogelijk was_.--Meer heeft

hij niet gezegd.--Ja zelfs toen hij het zeide vreesde hij meer dan

hij _hoopte_. Hoogerberg wist maar al te goed, dat hij de harten

der menschenkinderen niet vruchtbaar kan maken. Zaaien kon hij,

niets meer! Eva Armelo's karakter meent hij te kennen, reeds van

der jeugd afaan; en de oud-generaal, die haat, wat hij _zonde_

noemt, met een vreeselijken haat, hoe zal men hem doen gevoelen,

dat zijn onverzoenlijk _haten_ een zonde tegen den armen schuldige

wordt! Hoogerberg zou zaaien--zóó heeft hij in stilte besloten--mocht

God den wasdom schenken, zoo mogelijk nog in dit leven!

Op haar terugtocht naar _De Zonsberg_ neemt Jacoba, met een kleinen

omweg haar pad langs het achterpoortje der groote kerk.

Nog eer zij het heeft bereikt, staat ze een oogenblik luisterend

stil.--Neen, 't zwijgt alles daarbinnen. Haar hoop is in rook

vervlogen. En zie, ook het poortje is gesloten. Maar stil, stil! Hoor

dan.... Jawel; daar klonken de volle tonen van het orgel weer. Een

huivering van blijdschap doortrilt Jacoba's leden. Neen, daar is

niemand in het straatje, niemand die haar ziet. Ze slaat de hand

aan den zwaren klinkring der kleine poortdeur. Ze was wel toe, maar

niet gesloten....

't Is kil in de kerk. Een sterkere huivering doet Jacoba beven. Starend

voor zich heen, staat ze daar stil en luistert. Vraag haar niet wat

ze zou wenschen in dezen stond. 't Is immers zoo somber en eenzaam

en kil in de ruime holle kerk.... _hier beneden_. En de orgeltonen,

die daar _van boven_ klinken, ze stijgen al hooger en hooger....

Met den arm op de leuning eener kerkbank geleund, bedekt Jacoba

haar bleek gezichtje eenige oogenblikken met beide handen. 't Was

haar eensklaps alsof ze zich in een luchtzee bevond, in een blauw

tintelenden aether--eindeloos, eindeloos ver aan alle zijden. En,

gansch van verre, daar zag ze hem zitten, als een koning, als David,

spelend op de harp, _hem_ den schoonen jongeling, den _dierbare_,

die nooit heeft vermoed dat Jacoba hem zoo liefhad.--Nu is het

voorbij. Dat was een week, een zonderling zwak oogenblik. Wanneer

ze haar lang gekoesterd plan geheel wil volvoeren, dan moet ze nu

krachtig en flink zijn.

Met de grootste verbazing zag Thomas Van Hake Jacoba het orgelkamertje

binnentreden. Ofschoon hij wel gedurig aan Jacoba's wensch heeft

gedacht om het orgel eens te zien; 't was al zoo vele weken geleden

sinds ze dien wensch te kennen gaf, dat hij, althans in dezen stond,

volstrekt niet op hare komst was voorbereid. Thom is in 't geheel niet

verlegen, maar toch, het was hem bij Jacoba's binnentreden alsof het

geheele orgelkamertje in brand stond.

In de eerste dertig seconden weet hij eigenlijk niet wat ze spreken;

alles ziet hij dubbel, totdat hij eindelijk de eerlijke verklaring

aflegt: waarlijk wel een beetje verrast te zijn, juffrouw Van Barneveld

al zoo vroeg hier bij zich te zien.

"Ik stoor u menheer Van Hake; maar 't was onze afspraak dat ik eens in

de vroegte zou komen kijken hoe het er op zoo'n orgel uitziet. Speel

u gerust door. 't Klonk heel mooi. Gerust!"

"Nee, waarlijk niet juffrouw Van Barneveld. 't Is al een heelen tijd

geleden sedert ik hier 't laatst speelde. En.... en...." Thom wist niet

meer wat hij zeggen zou. O ja, hij moet haar 't een en ander uitleggen:

"Ziet u juffrouw, hier zit je nou net precies als voor een piano, en

je speelt er ook precies zoo op, en dan dáár op zij, ziet u, dat zijn

de registers, die kun je uittrekken, allemaal een verschillenden toon;

en daar beneden, daar heb je een klavier voor de voeten; dat is nog

al zwaar, tenminste voor een bink zooals ik. Maar o, als u hier onzen

goeden Donerie gezien hadt, dat ging met een gemak van belang!--Och,

wilt u wel gelooven juffrouw, dat het geen wonder is als ik hier soms

wat van streek raak. Goed is er nooit op dit orgel gespeeld dan door

één, en die ééne was hij."

Nadat Thomas, die zich intusschen geheel herstelde, nog eenige

explicaties had gegeven, moest hij ten laatste voor den wil van die

"bleeke heerlijke engel" bezwijken, en speelde hij den 103den psalm

zóó goed, dat zijn zalige meester, indien hij het had kunnen hooren,

hem een bravo zou hebben toegeroepen.

Jacoba moest zich aan de leuning van de houten orgelbank

vasthouden. Thom zit met den rug naar haar toe. Haar oogen dwalen het

vertrekje rond.--De wanden zijn naakt; een klein wit houten tafeltje

met een ouden matten stoel vormen het geheele ameublement.

--En op dat orgel, op dat klavier speelde hij dien zwanenzang! peinst

Jacoba, terwijl de orgeltonen haar weemoedige stemming nog

verhoogen.--En hier op deze houten bank, hier zat hij dan neer, en

dacht er niet aan dat er ééne was, die de hardste bank en de soberste

bete wel gaarne met hem zou gedeeld hebben haar gansche leven. Ach,

waarom heeft ze door hier te komen de langzaam heelende wond weer

opengereten?--_Waarom?_ Omdat ze geen volkomen rust zou vinden,

aleer ze die zucht had bevredigd om ook dit verblijf te zien, het

kleine Zondagsvertrek, 't welk de dierbare wel eens zijn heiligdom

genoemd heeft.--En is zij dan nú tevreden? Nogmaals ziet ze rond. Zou

er dan werkelijk niets, volstrekt niets zijn, 't welk ze met zich kan

nemen als een herinnering aan dit heiligdom, als een reliek....? Met

haar kleine mes zou ze een spaander van die bank willen snijden. Ze

zal.... Maar die knaap zou het bemerken; en dan.... Hoe! ziet ze

wel? Steekt daar de punt van een blad papier uit de lade der kleine

tafel?

"Volstrekt niet uitscheiden, volstrekt niet menheer Van Hake, ik

vind het zoo heel mooi; 'k wilde maar even op dien stoel gaan zitten;

't voldoet nog meer zoo'n beetje achteruit. U speelt overheerlijk!"

"Och lieve juffrouw, 't is al te veel lof voor mijn broddelwerk;" zegt

Thom, terwijl hij zijn hart voelt kloppen; en al voortspelend denkt

hij: Ben je gek! Je zoudt uit de school van dien Kartenglimp moeten

zijn, als je je zóó iets verbeeldde. Dat fijne lieve kind zou hier

komen om jou! Schaam je wat! en immers--er is een vertelseltje: Daar

was eens een apthekersjongen die geen cent bezat, en die jongen was

een tijd lang een gek. Maar nu, hij is het niet meer.--Forto, Forto!

Thomas speelt inderdaad met kracht en gevoel. Maar Jacoba hoort het

niet. Op den stoel nabij het tafeltje gezeten; gedurig het oog naar

den speler gekeerd, trekt ze snel maar zachtjes de lade open. Van het

piepend knarsen schrikt ze. Gelukkig werd het geluid voor den speler

door het orgel overstemd. Het blad papier 't welk Coba's opmerkzaamheid

had getrokken, bevredigt haar niet. 't Was een verfrommeld, afgescheurd

muziekblad. Maar nu, zie, 't is een oud, geschreven muziekboekje 't

welk ze, steeds dieper tastend, uit de la heeft te voorschijn gehaald.

't Hing zeer uiteen; een menigte aanteekeningen meest met potlood

bevonden zich boven of beneden de notenlijnen.

Eensklaps overdekt een purperrood Jacoba's gelaat. Haar voorgevoel had

haar niet bedrogen. Op de eerste bladzij daar leest ze: "Liedjes van

Herman Donerie voor piano" en dan, met potlood er naast geschreven;

"Prullen van een twaalfjarigen wildzang. Men dient te leeren lezen

voordat men schrijft."

Neen, Jacoba bedriegt zich niet; dit alles is van _zijn_ hand. En

dat onschatbare manuscript lag hier begraven en vergeten in een la

dier kleine tafel!....

--God, daar zwijgt het orgel! Van Hake ziet om, en haar aan. De

gedachte om het boekje weer ijlings in de la te bergen is even spoedig

verworpen als ze gerezen was. Inwendig bevend, tuurt Jacoba er in,

en ofschoon het spreken haar moeite kost, toch zegt ze snel:

"Ik vond hier dit boekje, en dacht dat hetgeen u speelde er in stond,

maar...."

"Hé, in _dat_ boekje? ik ken het niet juffrouw, 't Was een psalm dien

ik speelde."

"Ah juist," zegt Jacoba; en zich geweld doende, neuriet ze van het

blad het begin eener melodie uit de "Liedjes van Herman Donerie."

"'t Komt me zoo bekend voor, zoo fameus bekend. 't Boekje is dus niet

van ú mijnheer Van Hake?"

"Nee, pardon juffrouw!"

Jacoba heeft zich geheel hersteld.

Opstaande en hem het boekje toonend, vraagt ze:

"Kunt u ook zien of het hier op 't orgel thuis behoort?"

Van Hake heeft het ingezien, en niet zonder ontroering zegt hij:

"Dat schijnen oude composities van mijn besten vriend te zijn."

"Van....?"

"Van Donerie juffrouw.--Waarschijnlijk hechtte hij er geen waarde

aan en bleef het boekje hier liggen."

"Och-kom.--Men zou het dus wel eens kunnen meenemen? Die ééne melodie

komt me toch zóó bekend voor.... zoo fameus bekend.... dat ik ze graag

eens zou spelen!" Ze legt het boekje op de tafel: "Wat ik zeggen

wilde, u spraakt daar van uw vriend; hebt u nog al satisfactie van

uw bemoeiing....?"

"U bedoelt voor dat monument juffrouw? Ja zeker," vervolgt Thom, en

nadat hij vlug een kort verslag van den loop der zaken, en nog den

meesten lof aan zijn ontslapen leermeester en vriend heeft gegeven,

besluit hij op diep weemoedigen toon:

"Och, als u 't mij vraagt juffrouw, dan geloof ik vast dat ditzelfde

orgelkamertje dien laatsten keer een soort van Gethsemané voor hem

geweest is."

"Hoe zoo ...?"

"Och lieve juffrouw, er was er één die hij liefhad, en.... die

eene...."

"Die _ééne_?" zegt Coba terwijl ze zich afwendt. Maar Thomas antwoordt

niet. Is dan ook de Kippelaansduivel in hém gevaren? Heeft hij alweer

te lang of te veel gebabbeld? Moest hij dan hier dat zwakke lieve

engeltje met zooveel treurigs bezighouden! Zie, ze is weer zoo bleek

als een doode geworden. De herinnering aan dien morgen bij Krul heeft

haar zeker te fel geschokt. Lieve hemel, als ze nu hier weer ongesteld

werd.... indien ze weer een flauwte kreeg....! Maar hoe ... een flauwte

hier!! en haar dan te kunnen opvangen; haar te wiegen in zijn armen,

te klemmen aan zijn hart; haar die lieve zachte oogjes onbespied weer

los te mogen kussen, en....

--En.... een vervloekte struikroover te zijn, een geweldenaar, een

inbreker. Thom, Thom! waar dacht je aan!

--Goddank! juffrouw Van Barneveld krijgt geen flauwte. Goddank,

zijn armen en hulp zullen niet noodig zijn. Maar Thomas is nu

verschrikkelijk de kluts kwijt. Waarom kwam ze dan ook hier! Immers

hij heeft het haar niet verzocht.--Een apthekersjongen, al bezit

hij geen cent, is immers ook niet van steen, maar van vleesch en

bloed. Inderdaad, hij wenschte nu dat ze heenging, of anders zou

het waarachtig nog kunnen gebeuren dat die apthekersjongen tóch een

_gek_ werd.

"O, zeer tot uw dienst juffrouw! 't Was al heel weinig en gebrekkig wat

ik speelde. Als de juffrouw bij gelegenheid nog eens weer.... Maar nee,

nee, dat mag ik niet vergen.--Wel de complimenten als ik verzoeken

mag.--Voorzichtig, de trap is wat steil, voorzichtig!--Ei! wacht

lieve juffrouw, u vergeet dat boekje, wacht!"

Of Jacoba het werkelijk vergeten had?--Ach, haar kloppend hart smeekt

God in stilte om vergeving, dat het bewaren van haar hartsgeheim haar

zoo dikwijls tot veinzen had gedwongen.--_Ha! Er was er dan toch ééne,

die hij heeft liefgehad!_

O! zij heeft niet willen vragen, en _nooit_ zal ze er naar vragen wie

die ééne geweest is. Maar nu, ja gewis: wie zijn nagedachtenis het

innigst vereert, die zal hij uit hooger orden de zijne noemen. O goede

God, en wie vereert die nagedachtenis meer dan zij, de zwakke Jacoba!

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 59 / 85 题