DERTIGSTE HOOFDSTUK.

't Was inderdaad een prachtig feest, 'twelk de Debecque's ter eere

van hun in het moederland teruggekeerden zoon Archibald gaven, en

waarvan die zoon de eer--zooals reeds vernomen werd--recht hoffelijk

op dokter Helmond en zijn vrouw heeft overgedragen.

Van halfzes tot zes uren ongeveer, hebben de koetsen aanhoudend

gerold. Voor 't meerendeel in gala-costuum, zijn de gasten in een

der ruime benedensalons ontvangen. Nadat de genoodigden, op een paar

heeren na, voltallig waren, werd men beleefdelijk verzocht zich mee

naar buiten, naar "de groene kamer" te begeven.

De groene kamer was een groote rotonde, onder zwaar eiken- en

beukenhout, tusschen de stammen dichtgegroeid met acacia- kamperfoelie

en jasmijnstruiken, zoodat men binnen die rotonde--waarheen een

klein slingerpad leidde--geheel in 't groen, en onbespied zat. Een

aantal gemakkelijke tuinbanken--voor deze gelegenheid alle met kussens

bedekt--stonden meerendeels in 't ronde der groene kamer, terwijl aan

de eene zijde een groote tafel was geplaatst, waarop zich een menigte

benoodigdheden van porselein en zilver bevond, zoowel voor de thee,

die hier zal gebruikt worden, als voor de vele versnaperingen die er

mede gereed staan. Echte havanna's en manilla's ontbreken er mede

niet, en--"'t Is zeker een groot voorrecht om in zulk een groene

kamer thee te drinken," zegt Archibald terwijl hij den heeren een

sigaar presenteert: "want juffrouw Natuur heeft hier behoorlijk voor

ventilatie gezorgd."

Niemand, die de schaar der gasten opmerkzaam beschouwt zal, durven

ontkennen dat mevrouw Helmond, zoo niet de jongste dan toch zeker

de schoonste is van de vele oudere en jonge dames, die de groene

kamer binnen haar suizende en geurende wanden vereenigd ziet. Eva

is niet ijdel op haar schoonheid--althans ze gelooft niet dat ze

dááraan ooit voedsel heeft gegeven; maar nu, in haar prachtig blauw

damastzijden kleed, met de witte camelia in de haren; de witte kanten

berthe langs de blanke schouders waarover de zwarte lokken wiegen;

zonder eenig ander versiersel dan het stel kleine diamanten, 'twelk

August haar te Parijs had gekocht; zooals zij daar zit, naast mevrouw

de gravin Van Leeuwen die zeer besproeteld en tamelijk corpulent is,

en naast de burgemeestersvrouw die vijf en veertig jaren telt; nu zij,

schuin tegen haar over, de schichtige gastvrouw ziet, met een heel

mooie muts op de peper-en-zoutkleurige boucles, en twee geagiteerde

kleurtjes op de wangen; nu zij daar, overal verspreid, de leden van

haar sekse opmerkt, in 't rood en 't wit, in 't havanna en korenblauw,

in 't neteldoek en barège--nu ze eindelijk opstaat omdat ze een paar

heeren die haar in beslag hadden genomen, wel kwijt wil wezen, en

zegt dat ze mevrouw Debecque eens even wil toespreken ja--nu zij,

gracelijk knikkend, de gedesoeuvreerde aansprekers voorbijgaande,

in haar ruischend kleed de rotonde, ten aanschouwe van zoo velen,

doorschrijdt, nu gevoelt Eva iets _vorstelijks_, iets 'twelk haar

het hoofd wat fierder doet opheffen, en glimlachen.... enfin zooals

een geboren _gravin Van Armeloo_ zou hebben geglimlacht.

Archibald Hardenborg heeft aan papa Debecque beloofd, te zullen zorgen

dat de partij niet stijf werd. Er is dan ook geen quaestie van. In

de groene kamer heerscht al spoedig een drukte en beweeglijkheid van

plaatsverwisseling--om elkander eens toe te spreken--dat er maar al

te weinig wordt gelet op de waarlijk schoone muziek der *** kapel,

die, aan de buitenzijde der groene kamer geplaatst, haar welluidende

tonen deed hooren.--De echte muziekliefhebbers, of ook de paartjes,

die eens naar een rustiger kout verlangden, zelfs heeren die nog wel

voor 't vallen van den avond een kijkje in de plaats willen nemen, ze

verlieten al van lieverlee de kamer, waarin --zooals dominee Hoogerberg

aan zijn vriend den burgemeester verzekerde: "het zeker overheerlijk

moest wezen, om op een schoonen zomerzondagmorgen nog eens in alle

stilte een preek te kunnen nazien;" en waarin--zooals Piet Lovers,

de bleeke candidaat-notaris, die al acht jaar geëngageerd is, zijn

Marietje toefluistert: "waarin hij 's avonds vooral bij maneschijn,

wel zoo eens heelemaal met haar alleen zou willen zitten." 't Was

een verschrikkelijk vak dat notariaat!--En Marietje nadenkend met

een zucht:

"Zou je niet kunnen uitvinden om bijvoorbeeld papier van boombast te

maken Piet?"

"Marietje-lief dat is al uitgevonden; 'k las het immers laatst in

de krant."

"Och heer!" zegt Marietje en later: "Maar Piet dan iets anders,

zoo iets in dien geest?"

"Toch niet ernstig die ongesteldheid, dokter?" vraagt de gastheer:

"'t Was een _groote_ teleurstelling dat de generaal liet bedanken. Ja,

onder ons gezegd, indien de partij een nadere kennismaking met

Archibald.... Begrepen!? Allerliefst kind, Jacoba, allerliefst! Wat

scheelt den generaal?"

Helmond is schijnbaar afgetrokken.

"Pardon..... ik zag daar; ik meende..... Die ongesteldheid? Och,

dat beteekent niet veel, tenminste ...."

"'k Dacht het wel! Al te bang voor uitgaan!" Roepend:

"Archibald! --Zieje, 't heeft niets te beteekenen die ongesteldheid."

"Watblief, ongesteldheid? Ben je niet fiks mijn brave Aesculaap? Wat

bedoelt u papa?"

"Ik meen van _De Zonsberg_."

"Ja .... ja, dat is treurig; maar wat er aan te doen! 'k Heb het

plezier gehad haar eens te zien; bleek lief! Ah ja, we spraken van den

generaal; dus niet gevaarlijk? Komaan!--Zeg dokter, in vertrouwen--Papa

_niet_ luisteren--ben je niet in den derden hemel? Mijn goeje deugd,

wat een prachtige vrouw! Als ze van avond geschaakt is, telegrafeer dan

maar op mijn signalement! A propos, is dat die majoor Kartenglimp? Die

man is later gekomen hé? Hij is een intieme van je, niewaar?"

"H'm, intiem!" zegt Helmond.

"O, ik dacht 't, omdat je straks zoo'n heelen tijd met hem

wandelde....?"

"Ja wel, hij is een patiënt van me;" zegt Helmond schijnbaar kalm

doch met inwendige ontroering, want hij had er bij kunnen voegen:

Eigenlijk ben ik er nú een van hem.

"Allemachtig bekend gezicht! Wil je me eens eventjes aan hem

voorstellen?--.... Ha zoo, 't plezier den majoor Kartenglimp te

zien?--Nee majoor, pardon, dat is van middag al meer gebeurd, een

Debecque ben ik niet. Mama heeft me lager bij den weg gehouden. Mijn

vader heette Hardenborg, om je te dienen. U bent ook in Indië geweest

niewaar?"

't Was goed dat op ditzelfde oogenblik een snel voorbijvliegend

dametje--wij gelooven niet uit ondeugd--den majoor zóó tegen den arm

stiet, dat het kopje 'twelk hij in de hand hield op den grond viel,

en de thee over het neteldoeksch kleed van het dametje werd uitgestort.

Ja, dat was een zeer gelukkig intermezzo, want bij Archibalds

meedeeling en vraag, is het Kartenglimp geweest alsof hem "de dood op

den rug sprong". Op gezag van mijnheer Kippelaan,--mijnheer Kippelaan

had het van den horlogemaker, die wekelijks klokken en pendules bij

den baron Debecque ging opwinden, _wie_ kon het dus beter weten--op

gezag van Kippelaan heeft hij in de stellige meening verkeerd, dat de

jonge luitenant: _Debecque_ heette, en zee-officier op non-actief was.

Tusschen het vliegende dametje en den majoor worden nu eenige

verontschuldigingen gewisseld. Aller oogen zijn natuurlijk op het met

thee gekleurde japonnetje gevestigd, en _niet_ op het vuurrood, 'twelk

het gelaat van den majoor had bedekt, maar dat--zoo het al gezien werd,

in alle geval op rekening van het ongeluk moest gesteld worden.

Kartenglimp sprak met een paar dames over uitwasschen en 't

vreeselijke _jammer_ van een dameskleed zoo geheel onwillekeurig te

hebben bezoedeld; terwijl hij intusschen den zoon des huizes geheel

vergeten scheen.

"'t Is ongelooflijk" fluisterde Archibald tot Helmond: "zooals die

majoor op een vent lijkt dien ik eens, drie jaren geleden, in Indië

heb gezien; maar dat was er een die minder verlegen was op 't punt van

damesjaponnen. 't Is vreemd! En vijf jaar is hij in 't land niewaar?"

"De majoor woont ruim twee jaar hier, maar een allervleiendst vaarwel

van zijn mede-officieren, toen hij Indië verliet, 't welk ik lezen

mocht, was gedagteekend: Juni 18.. nu ruim zes jaar geleden."

"Ei 't is zonderling! Men zegt wel eens dat Onze Lieve Heer geen twee

blaadjes eender gemaakt heeft, maar die majoor en de kapitein Ronner,

dat gemeen individu, ze mogen dan voor de blaadjes niets bewijzen,

voor de menschen gooien ze de stelling totaal op straat.--Ah ha! mijn

lieve freules!" vervolgt hij, zich eensklaps terzijde wendend, tot

de dochters van den baron Narwal--een zeer vermogend edelman, wiens

buitengoed omstreeks een uur van _De Poel_ lag: "'t wordt al wat

donker voor de groene kamer niewaar? Nu moeten de dames mij eens het

groote voorrecht gunnen om zóó, ziezoo, bras-dessous bras-dessous, de

vijvers met haar rond te wandelen. Papa had ze voor deze gelegenheid

willen laten droogmalen om ze dan met Rijn-wijn te vullen, maar de

snoeken hebben dat afgestemd, hé!--Ah zie, onze brave lampenisten zijn

al met de verlichting bezig.--Freule Marie,--al geëngageerd voor de

eerste wals..... Freule Rosa,--voor de eerste quadrille....? Welzeker,

't bal zal binnen zijn!--'t Was eerst plan om buiten te dansen, maar,

van een concurrentie met de muggen hebben we afgezien.--Geen eerste

wals meer? O, dat is verschrikkelijk! De galopade....? Ai, dat is

jammer, de eerste galopade heeft mij mevrouw Helmond al toegezegd."

"Ah zoo, dan heeft mijnheer Debecque de mooie doktersvrouw zeker

vooruit gevraagd, want al vroeg hoorde ik haar tot dien majoor zeggen

dat ze geen dans meer open had."

"Abuis schoone freule: menheer _Debecque_ heeft niemand vooruit

gevraagd," zegt Hardenborg, en meent het aardige freuletje, in 't

lila satijn, zóó wel een beetje te mogen foppen: "Een lief gezichtje

die doktersvrouw;" voegt hij er bij, op dien halfvragenden toon,

om--casu quo--niet nóg eens zeer te doen.

"Lief! ik vind haar bepaald prachtig!" zegt freule Marie; "'t Is een

ware beauté."

"Ja ik kan haar niet genoeg aankijken;" zegt Rosa.

"Ze heeft compleet iets vorstelijks," herneemt Marie: "mij dunkt ik

heb nooit zooveel charmes bijeen gezien."

"En naar ik hoor moet ze zoo prachtig zingen. Je kunt je haast niet

begrijpen mijnheer Debecque, dat zoo'n mensch van geen geboorte is. 't

Schijnt wel alsof er altijd iets aan ontbreken moet."

"Fameus jammer!" zegt Hardenborg, die nu vis-à-vis freule _Rosa_

vooreerst maar een _Debecque_ zal blijven.

"O, dat idee heeft me geen oogenblik gehinderd;" valt Marie in: "Nee,

weet u wát me hinderde .... Hé dat is mooi die verlichting à giorno,

mooi in het water;--het choqueerde me geweldig zooals die oude majoor

Katten- of Kartenglimp haar het hof stond te maken. Die man heeft

een leelijk gezicht."

"Hé, vindt u freule?"

"Pardon, 't is misschien een vriend?"

"Foei Marie, je zegt ook maar alles!"

"Ja 't is onverstandig. Ik denk wat al te dikwijls overluid. U neemt

het niet kwalijk luitenant?"

"O volstrekt niet! Om je de waarheid te zeggen freule, ik ben het

volmaakt met je eens; de manier waarop die majoor straks het mooie

vrouwtje courtiseerde 't was...."

"A-bas!" zegt freule Marie.

"Au fond commun;" stemt Rosa.

Hardenborg werd zeer warm van binnen,--Harmonie!--Mooie muziek!--Hij

sloot die beide, hem anders heelemaal onbekende armpjes wat

vaster,--vooral dat armpje links aan de zij van het hart;--niewaar,

't pad werd zoo smal, en.... 't Was nu jammer dat die kleine van _De

Zonsberg_ er niet bij was. Dan--dán kon men misschien ineens besluiten:

voor 't oogenblik: Links, nominatie nummer één!--En avant!

Juist tegenover de plek, waar het vuurwerk zou worden ontstoken,

was een groote cantine geplaatst, waar wijn, limonade en sorbets

benevens allerlei fijne gebakken werden aangeboden.

Reeds een groot aantal gasten bevond zich daar koutend en genietend

bijeen.

"Een allerliefste avond;" zegt een der heeren.

"Wel iets bijzonders voor ons kalme Romphuizen;" antwoordt juffrouw

Lansveld.

"En de feesten zullen elkander zoo spoedig opvolgen," zegt mevrouw

Lens, terwijl zij de keurige met wit dons omzette sortie, door Louise

Armelo gemaakt, een weinig lager laat zakken: "Tenminste ik heb mijn

woord al moeten passeeren aan mevrouw Helmond voor--ik meen den acht

en twintigsten September."

"Ja juist. Ik ben ook gevraagd!" klinkt het hier en daar.

"Allerliefst!"

"Prachtige gelegenheid in 't nieuwe doktershuis!"

"Recht lieve menschen!"

"Puissant rijk!"

"Hé puissant?" Zeer zachtjes: "Ik dacht dat het veel uiterlijk was. De

praktijk verloopt bepaald!"

"O geen wonder menheer: heelemaal liefhebberij."

"Och-kom, dus zoudt u denken dat men bijvoorbeeld zoo'n rekening niet

behoeft te....?"

"Nee quant à cela, heelemaal niet, maar een gracieus cadeau of

cadeautje. U begrijpt--de generaal!--Puissant!"

"Ah zoo juffrouw Van Berge, zult u den acht en twintigsten September

ook van de partij zijn?"

"Om u te dienen notaris. We stonden zoo bij elkaar, en toen heeft

mevrouw Helmond ons, allerliefst, in massa geïnviteerd."

"Vin-jij dat Helmond er vroolijk uitziet?" vraagt de burgemeester

aan den notaris.

"Vroolijk? Jawel; tenminste het tegendeel is me niet opgevallen."

"Hij ziet bleek."

"Wie, ik?" roept Hardenborg, die nu met zijn beide aardige freuletjes

aan het buffet is gekomen, en zorgen zal dat ze op 't vlugst en op 't

allerbeste bediend worden--door het zelf te doen: "Bleek, ja dat komt

van zulk een zachte illuminatie aan weerskanten;" en, de freules Narwal

loslatend, buigt hij galant rechts en links, en ziet meteen dat ze

beiden bepaald allerliefst zijn, maar freule Marie..... ja waarachtig,

freule Marie is lampion nummer één, en krijgt dan ook het eerst een

glas punch à la Romaine en het eerst een roomhoorntje à la vanille.

"Eindelijk zal Eva haar lieven man dan eens te spreken krijgen,"

zegt de jonge vrouw, en neemt den arm van haar vriend, en slaat een

zijpad met hem in, terwijl ze bijna iets zwevends in haar tred heeft,

nu de kapel, Von Weber's geanimeerde _Invitation_ à la _Valse_ doet

ruischen en zwellen.

"Kalm, kalm vrouwtjelief; je hebt al wat te veel kleur. Ik bid je,

dans nu straks niet te druk. Ik moest het je eigenlijk heelemaal

verbieden, maar....."

"Dan zou je zelf geen beurt krijgen niewaar? O beste man, als ik nog

denk dat je me dit avondje bijna ontkaapt hadt. 't Is hier déli,

ik amuseer me dol! En de menschen zijn allemaal even charmant en

lief. De baronesse Doelemeere heeft wel een half uur met me gepraat,

en de familie Narwal van Brouwerscate die fêteert me haast al te

veel. Heb je 't niet gezien?--Guns August, die Kippelaan is toch

een malle vent; ofschoon ik eigenlijk geloof dat hij de gravin Van

Leeuwen even weinig kent als mij, zoo presenteerde hij mij aan haar,

en wel als: Mevrouw Helmond geboren gravin van Armeloo.--O je kunt niet

gelooven wat dat dadelijk een gemakkelijkheid gaf; ik heb toen ook maar

de stoute schoenen aangetrokken en haar op een invitatie voor den acht

en twintigsten geprepareerd. Dadelijk nam zij het zeer gracieus aan."

"Maar Eva, 't is onverstandig om die menschen al zoo lang vooruit te

vragen; bedenk toch....."

"Bedenk toch, niewaar Evertje z. m., dat we dan _allang dood en

begraven kunnen zijn_. Boe boe! kan het nog somberder?" En dan, half

luide neuriënd, zingt ze de Invitation à la Valse na. Eensklaps houdt

Eva stil: "Weet je August, wat me _alleen_ hindert van avond--als jij

tenminste heel lief en aardig bent--'t is, dat ik eigenlijk vis-à-vis

mevrouw Narwal en vooral tegenover mevrouw Van Leeuwen een bespottelijk

figuur maak. Ja, met m'n doodonschuldige diamantjes.--Zeker, ze zijn

heel lief, en ik vond het alleraardigst van je, toen je ze mij, je weet

wel, voor een vergoeding hebt gekocht; maar heusch, de schapen maken

hier een allerzotste vertooning. Mevrouw Van Leeuwen had letterlijk

geen oog van m'n broche af toen ze met me sprak, en ik kon zoo zien

dat ze me den heelen tijd haar prachtige, o! over-_over_-prachtige

broche wou laten opmerken, want, dan trok ze zoo met dien hals en

zette de borst vooruit, van belang!"

"Mijn hemel Eva, hoe kun jij nu over een broche denken als je bij

zoo'n vijftigjarige, eer leelijke dan mooie vrouw staat. Jij bent,

bij haar vergeleken, _heelemaal_ een diamant."

"Ja mannetjelief, zoo'n discours hebben we geloof ik nog eens gehad,

op een achtermiddag; toen vond je--als ik me wel herinner --geslepen

glas even mooi.--Maar neem me niet kwalijk, een man kan onmogelijk

begrijpen wat het is, als men, enfin, nog al gekleed en dan niet

zoo heelemaal een nul in 't cijfer, tegenover een dame staat die je

letterlijk uitlacht omdat je bespottelijk kleine diamanten aanhebt."

"Heeft mevrouw Van Leeuwen _jou_ uitgelachen Eva?"

"Ja! 't Was nu juist geen gillen, maar ja, ja zeker, ik kon heel goed

zien dat ze--als ze 't gedurfd had--me zou hebben uitgelachen; en ik

herhaal dat ik dat alles behalve plezierig vind. Zeg lieve kereltje,

krijg ik tegen den acht en twintigsten....? Nee, chut! geen overijlde

antwoorden, 't Is ook indiscreet misschien om zoo zelve te vragen;

maar toch.... ik hoop....!"

"Nee _nee_ Eva! _nee_!!!" En in zich zelven: Mijn God, waar moet

dat heen!

"August!" zegt Eva verschrikt: "vraag ik te veel? Och, neem 't me dan

niet kwalijk. Je weet wel dat ik niet 't beste, het allermeeste wil:

wat jij doet en wilt dat is me altijd goed geweest. Was het niet,

lieve beste August? Zeg dan, ben ik niet óvertevreden tegenwoordig? Heb

ik dat niet bijna elken dag, ja nog zooeven gezegd?--August, ben ik

niet je trouwe lieve vrouwtje? Zeg? Spreek dan; ben je boos omdat ik

een beetje op mijn jaardag vooruitliep?"

Eva ziet rond of daar ook iemand wezen mocht; en dan, dan legt ze

haastig haar poezelen arm om zijn hals en----een zoen als uit den

zaligen bruidstijd, steekt Helmond opnieuw het hart in gloed!

Het vuurwerk was voor een particuliere partij inderdaad schitterend. Nu

eens stond het schilderachtig gelegen landgoed met al zijn genoode en

ongenoode gasten, in een tooverachtig rood of blauw of paars licht,

waardoor men zich in een droom verplaatst gevoelde, en dan weer....

"Hé, dat is oorverdoovend!" zegt een der juffrouwtjes Lens, en trekt

"voorzichtigheidshalve" het hoofd wat terug.

"'t Zou niet kwaad zijn menheer Debecque--o, 't is waar, menheer

_Hardenborg_--als er nooit op een andere manier met kruit werd

gewerkt;" zegt freule Marie Narwal, die _toevallig_ weer naast

Archibald stond.

"Dus zoudt u _mij_ met de heele militaire macht zoo maar zonder

complimenten op straat willen zetten? Foei foei freule Marie."

"Ik hoop niet dat mijnheer Hardenborg zich, bij gelegenheid, over de

gastvrijheid op Brouwerscate zal te beklagen hebben;" is het antwoord,

't welk schalks wordt gegeven; en dan ernstig; "Maar ja, als ik wist

dat u bijvoorbeeld iemand in den oorlog.... ja, hadt _doodgemaakt_,

dan.... dan zou ik er misschien toe kunnen komen. Ik vind het

afschuwelijk dat menschen elkander zoo koelbloedig vermoorden."

"Wel freule, wat ik vroeger wel eens mijn ongeluk heb genoemd, dat

zou ik nu haast m'n geluk willen heeten: de ondergeteekende, ofschoon

hij flink--ik moet het bekennen--op dat fanatieke Indische goedje

heeft laten inblazen, hij is nooit zelf in de gelegenheid geweest om

er een--althans zooveel hem bekend is--voorgoed de bajonet te doen

afslaan." En dan zich terzij tot Kartenglimp wendend: "Hebt u ook

nog met die vroolijke Bandjareezen kennis gemaakt majoor, als ik u

vragen mag?"

"Nee, toen was ik al in Holland."

"O ja, dat meen ik gehoord te hebben. Ik denk wanneer ik u zie gedurig

aan iemand die wat jonger was, hé, maar anders fameus op u geleek."

"Ei!--Mooi dat rad hé. Vin-je niet mevrouw Helmond? Fameus

mooi!--Magnifique partij niewaar?--Ik geloof dat dat de "bouquet final"

geweest is. Ha zie, nog een vuurpijl, pour la bonne bouche. Mag ik

't genoegen hebben u den arm....?"

"O dank u majoor; ik heb.... ik zoek...."

"Nog altijd een beetje rancune?" vraagt de majoor wat zachter,

terwijl Eva hem toch onwillekeurig terzijde blijft, en men zich langs

een smaller pad, tusschen een bosschage van hulsten en andere fijne

doornheesters, uit den kring van het gezelschap verwijdert.

"Rancune, o nee majoor, maar...."

"'t Is niet onnatuurlijk mevrouw, en de vriendelijke woorden die ik u

straks mocht toespreken zijn niet voldoende geweest. Ik heb schuld; ik

had het al vroeger moeten goedmaken. Waarom ben ik niet bij u geweest

sedert den avond van dat, voor u zoo onaangename misverstand.... 't

Is onvergeeflijk, ik beken het! Maar, een geboren Van Armeloo is

allerminst haatdragend of kleingeestig."-- Stilstaande: "Vergeef me

mevrouw Helmond. Na al de moeite die ik met liefde had gedaan, werd

ik dien avond zoo ge.... ge.... gedesillusioneerd dat ik mij zelf een

oogenblik vergat, en ook naderhand besloot om die papieren altemaal

weg te doen, te verbranden, want.... Nee nee, pardon, verbrand heb ik

ze niet. Ik kwam daarvan terug, en vooral omdat er één stuk bij is,

dat zelfs als curiositeit zeker een aardig sommetje waard zou wezen."

"O dat zal het stuk zijn 'twelk bewijst....?"

"Juist; uw papa hecht er niet aan! Enfin, ieder mensch heeft zijn

eigenaardige begrippen. Uw papa is een zeer verstandig man, en zal

waarschijnlijk zijn goede redenen hebben...."

"Ja dat is zeker; maar u vergist je majoor, als u denkt dat papa

omtrent die papieren _heelemaal onverschillig_ zou zijn. Papa zal

er.... Nee, hij zal er u wel niet om vragen, maar...."

"Ik zou ze hem in geen geval _aanbieden_, mevrouw Helmond, dat kunt

u gemakkelijk begrijpen."

"Nee...." aarzelt Eva, "dat is niet onnatuurlijk." Zich snel in de

rede vallend: "Ik geloof anders majoor, dat--indien de zaak wáár

is--dat dan het bewijs door iedereen gemakkelijk te leveren is."

"Dit laatste komt niet overeen met hetgeen ik u vroeger verzekerde

mevrouw. Als man van eer, als oud-officier, geef ik u de stellige

verklaring, dat het van de duizend menschen er nauwelijks één zal

gelukken om het stuk te bemachtigen 'twelk ik door mijn bemoeiingen

meester werd, en waarvan in deze zaak _alles_ afhangt."

"Dat stuk is....?"

.... "Eenvoudig het document waaruit onwederlegbaar blijkt, dat de

bet-overgrootvader van uw vader, en de zoon van den Hollandschen

graaf Van Armeloo één en dezelfde persoon is geweest."

Een oogenblik bleef het stil. Dan zegt Eva snel:

"U zoudt mij verplichten met mij dat bewijs te.... zenden majoor."

"O, 't is zeker veel eer: veel...." Eensklaps omziende: "Mij dunkt

ik hoor daar roepen: Zoudt ú mij 't genoegen willen doen mij den arm

te geven, schoone mevrouw Helmond?"

Weer vliegt Eva het bloed naar de wangen.--Neen, haar arm krijgt

hij niet!

"O, u neemt niet kwalijk majoor?" zegt ze snel: "'t Is Helmond die daar

roept." IJlings spoedt zij zich nu terug langs het pad, doch.... halt,

nu kon ze niet verder.

Helmond met Archibald, freule Marie Narwal en nog een paar jongelieden,

bevonden zich aan 't eind van het pad.

"Een Absalome!" roept de luitenant, en vliegt naar de plek, waar Eva

eensklaps tot stilstaan werd gedwongen, dewijl ze met haar sortie

aan een nijdig takje bleef haken.

't Was maar een kleine scheur. Eva zei dat het niets te beduiden

had. Maar Archibald hield een korte potsierlijke toespraak tot den

ondeugenden meidoorn, die zich in 't voorjaar met zijn welriekende

bloempjes zoo aardig voordoet, maar nu in 't begin van September zoo

valsch is als een jaloersche kat.

Kartenglimp bleef op den achtergrond.

En ginds aan den arm van dien jongen luitenant zag hij haar

voortzweven.--Welzeker, men wachtte haar in de zaal; de muziek speelde

er reeds een Ouverture de Bal; zij zou er dansen, dansen met iedereen,

maar voor hem--inweerwil van dat prachtige lokaas, 'twelk hij haar

sinds dien avond toch in 't geheel niet meer toonde--voor hém heeft ze

zelfs den arm niet over.... dien blanken welgevormden arm!--Maar ha! al

wordt het tijd, 't is nog vroeg genoeg, welzeker, nog vroeg genoeg!

Een zeer groot aantal waskaarsen op luchters en kronen, verlicht

overvloedig de groote zaal en de twee daaraan grenzende zeer ruime

kamers, die door breede nu geheel weggeschoven battans gemeenschap

hebben.

De groote zaal is delicieus gecireerd, als een spiegel zoo glad! Enkele

paren wandelden daar reeds koutend in 't ronde, doch het meerendeel

bevindt zich nog in het groote vóórsalon, waar men in den middag

ontvangen werd. Dominee Hoogerberg, bekend met de huiselijke

omstandigheden der familie Debecque, brengt er, alvorens de dans zal

beginnen, en nú reeds, dewijl hij om gewichtige redenen vroegtijdig

naar huis moet, een hartelijken maar korten heildronk aan de gastvrouw

die heden verjaart, en aan haar eenigen zoon, die in 't moederland

mocht terugkeeren om een _moeder_ gelukkig te maken.

"Dominee, allerliefst! allercharmantst! Dank je, merci,

aller-_aller_-hartelijkst!" zegt mijnheer Kippelaan, die aanstonds

is vooruitgestoven, en met zijn beide handen de hand van den spreker

vermeesterend, ten aanschouwe van al zijn hoorders, steeds karnend,

de tolk blijft van aller gevoelens!

Archibald ziet het treffende schouwspel een oogenblik met een kwalijk

verborgen glimlach aan, en dan net glas opheffend, zegt hij:

"Terwijl mijn schuld aan onzen hooggeëerden dominee op zoo passende

wijze door de welwillende tusschenkomst van mijnheer.... re.....??"

"_Kippelaan_!" helpt de eigenaar van dien naam, terwijl hij met een

verheerlijkt gelaat naar den spreker omziet.

"Ah juist, _Kippelaan_; uw naam was mij ontschoten...."

"Jules Janin!

"Straks hoop ik u mede een handdruk te geven _dominee_," zegt

Archibald, eensklaps van Kippelaan op Hoogerberg ziende: "om u dank

te zeggen voor de goede woorden aan 't adres van mijnheer Kip..... ik

meen aan 't adres van mama en van mij; doch met den dronk die nu

geen uitstel duldt, maar welke twaalf-twaalfde gedeelten der jonge

dames toch hopen dat kort en vooreerst de laatste zal wezen,--omdat

de muzikanten anders ongeduldig zouden worden; niewaar dames?--met

dit glas dan moet ik den vriend gedenken, zonder wiens trouwe hulp ik

misschien--zelfs met den besten wil van de wereld--hier niet als zoon

van den huize had kunnen fungeeren.--Maar, ik zie eenige zakdoeken te

voorschijn komen. Alzoo denkende aan het heden, en herdenkende "om

het half uur een zeer leelijken lepel", maar ook: alle dagen twee-

of driemaal een gezicht waarop een hart stond geteekend van goud,

neen, een hart vol waarachtige belangstelling! denkende aan een trouwen

vriend, die deed wat hij kon om mij voor mijn goede moeder in 't leven

te bewaren, _drink_ ik dit glas--de handdrukken mijnheer Kippelaan,

zullen mogelijke flaters in mijn oratie goedmaken...'" Kippelaan wilde

reeds toesnellen om den zoon van den huize te.... maar hij werd door

een der heeren tegengehouden: "drink ik dit glas," herhaalt Archibald

met verheffing van stem, "op wat mijn braven dokter liever is dan zijn

leven, op haar die hem meer waard moet zijn dan al de schatten dezer,

nog al plezierige wereld: op zijn aangebeden vrouw, _mevrouw Helmond,

geboren Van Armeloo_!"

Het was bij de levendigheid die er nu onder al de aanwezigen ging

heerschen--en waarbij mijnheer Kippelaan letterlijk handen te kort

kwam--een zeer vermeldenswaardige bijzonderheid, dat er onder die

vele dames, en inzonderheid onder die dames van hooge geboorte, geen

enkele te vinden was, bij wie er een gevoel van jaloezie werd opgewekt,

door den toost op mevrouw Helmond door den zoon des huizes uitgebracht.

Eva gevoelde zich.... half bedwelmd, als een veder zoo licht, en

onuitsprekelijk zalig. De tranen stonden haar in de oogen. O! en

toen men haar nu van alle kanten met de liefste woorden overlaadde,

en de baron Narwal haar zeide: "Wij hopen de lieve doktersvrouw recht

veel met haar echtvriend op Brouwerscate te zien;" en de baronesse

Doelemeere haar met zoo'n recht vriendelijk en gemeenzaam knikje de

verzekering van haar belangstelling schonk ja, toen zelfs de gravin Van

Leeuwen naar haar toekwam en zeide: "Ik vereenig me van harte met de

beste wenschen voor uw geluk, lief mevrouwtje,"--toen.... 't was niet

om uit te spreken.... ze moest toen den fijn geborduurden zakdoek voor

de oogen drukken; de weelde van dat oogenblik was schier al te groot!

Nochtans, toen ze zich nóg eens door diezelfde hooggeboren vrouw zoo

innemend hoorde toespreken; en zij tevens uit mevrouw Van Leeuwens

prachtige met parelen bewerkte flacon een weinig eau-de-cologne

moest nemen, toen kwam er een klein, een bijna onmerkbaar wolkje

haar gelaat overtrekken, want, weder waren de oogen der gravin op

haar diamanten broche gericht, en zei de oudere dame met wezenlijke

zorg: "Je aardig speldje is losgegaan lief mevrouwtje. Voorzichtig,

't zou toch wezenlijk jammer zijn, niewaar?"

En de groote diamanten der gravin blonken en fonkelden met duizend

kleuren, en Eva tastend naar "'t speldje", inplaats van het vast

te steken, deed het--'t was niet onnatuurlijk, door het eenigszins

trillen der vingers, als een gevolg van de aandoening waarin de toost

haar gebracht heeft--geheel en al losgaan, zoodat het op den grond

viel. En zie, nadat een galant jongheer het aanstonds had opgeraapt

en haar weergegeven, verdween "dat kinderachtige sieraad" voorgoed

in den zak van haar kleed.

Helmond heeft met een zeer kort maar hartelijk woord, Archibald zijn

dank betuigd, en het welzijn van den gastheer gedronken. Helmond

gevoelde zich nu wat beter dan straks. Misschien hebben een paar

glazen pittigen wijn hem goedgedaan. Een bediende komt reeds voor de

vijfde maal met het blad waarop de geurige Côte d'or en Rudesheimer

worden aangeboden.

"Dankje!--Eh.... ja toch.--Ziezoo kameraad."

Het bal heeft een aanvang genomen.

't Is een kleine misrekening voor Eva geweest: De baron Debecque

heeft niet met háár, maar met mevrouw Van Leeuwen, die nog gaarne

een enkel dansje--zoo'n Polonaise bijvoorbeeld--meedoet, het bal

geopend. Aan den arm van den baron Narwal gevoelde Eva zich echter

spoedig ruimschoots schadeloos gesteld, want mijnheer Narwal was een

man nog in de kracht van 't leven, had wel vijf ridderorden, en was

kamerheer of iets van dien aard; tenminste "ijselijk hoog!"

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 57 / 85 题