Mevrouw Armelo was woedend--letterlijk woedend. Zoo'n onverzettelijk
hoofd als tegenwoordig die man had, daar was geen denkbeeld van te
maken. Bedanken voor zoo'n partij! voor een partij bij den baron
Debecque van _De Poel_. Letterlijk de heele beau-monde van Romphuizen
en omstreken was genoodigd, en daaronder natuurlijk ook de familie
_Van Armeloo_: zelfs _Louise_, "mademoiselle Louise" jawel. En
dan te bedanken! Waarom?--Goeje hemel! "Omdat men eens en vooral
van conversatie, van zulke conversatie heeft afgezien"! Een mooie
grap! als het een partij is die louter voor je eigen vleeschelijken
zoon en dochter wordt gegeven--zooals Eva zelve heeft gezegd!--"Omdat
men zulke menschen niet weerom kan vragen"!--Maar hemelsche goedheid,
_waarom_ niet!--Zal het dan noodig zijn om juist op dezelfde manier uit
te halen? Kan men niet eens eenvoudig een avondje geven: tong, saucis,
komijne, zoetemelksche en een taart....? "Te veel kosten"!--Nu ja,
dat diner in _De Arend_ daar is ook wat tegen geprutteld; maar was
er dan iemand die daarvan nog een cent te pretendeeren had?--"Geen
kleeren? De uniformrok?"--Mevrouw kan niet alles zeggen zonder spreken;
maar als Eva binnenkort, ondanks papa's tegenwerken, zorgt de stukken
van adeldom in haar bezit te krijgen, en alles bewezen is, dan zal
manlief tóch wel aan een zwart pak moeten gelooven. Nota bene, een
graaf zonder een zwart pak!--Maar nu, 't was hemeltergend. En daar
stond je dan als _vrouw_ letterlijk als een kind, als een niets! 't Was
om razend te worden.--Toen de graaf--enfin Armelo--het antwoord aan
den knecht heeft gegeven: dat men zeer vriendelijk voor de beleefde
uitnoodiging liet bedanken, toen heeft zij wel gezegd, dat mijnheer
zich vergiste, want dat hij _aannemen_ meende; maar de graaf--enfin
Armelo--heeft als een gek volgehouden dat hij zeer goed wist wat hij
zeide, en was de knecht--terwijl haar letterlijk de vingers hebben
gejeukt--half lachend heengegaan, natuurlijk lachend om de zotheid dat
men voor zóó iets bedankte.--Wát geld! had haar eigen zoon geen geld
als water! Dat zei niet slechts Eva maar iedereen!--Mevrouw Armelo
is woedend. Geen wonder: heel Romphuizen is in beweging; alles kleedt
zich voor van avond; en.... Ouwe tuinboonen zal ie straks hebben; bij
vergissing met het boonenkruid er onder; dat lust ie volstrekt niet.
"Wat wil jij Van Hake? Moet jij bijgeval ook naar de partij?"
"Nee mevrouw; daar behoor _ik_ niet; tenminste...."
"Natuurlijk; ik wist ook wel beter. Wat wou je?"
"Och mevrouw, onder ons gezegd, ik heb een kleine bestelling voor
juffrouw Louise, maar 't moet dood _dood_ geheim blijven, en daarom
wou ik haar graag heel alleen spreken."
"Is 't weer in _dien_ tijd! Je weet wel Van Hake, dat wij geen menschen
zijn die tegenwoordig voor Jan en alleman zoo maar klaar staan."
"Ja mevrouw, dat weet ik heel best, maar 't is iets, enfin. Mevrouw
Helmond is gauw jarig, niewaar? We hadden zoo'n idee. Eventjes
mevrouw. Is Louise achter?"
"Ja, achter is ze zeker; want of ze het doet om me te plagen, maar
dat zit letterlijk den heelen dag met den neus op haar naald.--Zeg,
heb jelui plan op een comedie misschien?"
"We wilden het liever dan een treurspel!" zegt Thomas snel. Daarop
vliegt hij naar het kamertje waar hij Louise vindt; en, als hij haar
heeft gegroet, dan legt hij zijn vinger op den mond, en draait de
deur op het slot.
Thomas Van Hake gevoelt zelf iets vreemds nu hij in dit kleine
kamertje, zoo maar zonder verlof is binnengetreden, en, na de deur
te hebben gesloten, tegenover de blonde voormalige schoolkameraad
staat die hem met haar groote blauwe oogen vragend aanziet, terwijl
een blos haar vriendlijk gezichtje heeft gekleurd.
Thom heeft nooit gezien dat Louise zulke mooie oogen had.... Nú
schijnt het echter alsof ze wat veel heeft gewerkt of--geschreid.
"Ja Louise, dat is vrij brutaal om zoo maar binnen te komen en de
deur op 't slot te doen."
"Zeker, wat moet dat beduiden Thomas?"
"Ik wou je alleen spreken."
"Maar dan kan die deur toch wel open blijven?"
"Nee Louise, nee! Ik wil zeker zijn dat niemand ons overvalt. Er is
haast bij 'tgeen ik te zeggen heb."
"Is er iets kwaads Thomas? Je doet me schrikken!"
"Kwaad--nee, tenminste niets om van te schrikken.--Maar
toch.... luister nu even, en laat die naald eens rusten."
"Ja Thomas, maar ik kan wel hooren en werken tegelijk, want deze sortie
heeft ook haast; ze moet over een half uur klaar wezen. Ik maak die
voor mevrouw Lens--natuurlijk in 't geheim, je weet wel--zij moet er
mee naar _De Poel_."
"Maar dat is God geklaagd!" roept Thomas op gedempten toon: "Jij zit
hier je oogen rood te turen, en je zuster...."
"Stil Thomas, stil, niet over háár. Misschien geniet ik zelfs meer
dan Eva, terwijl ik hier rustig zit te werken en zij haar zorgen
heeft voor haar toilet."
"Louise, ik kwam hier om je te verzoeken aanstonds naar je zuster
te gaan."
"_Ik_ Thomas? Zal ik haar moeten helpen; voor asschepoester spelen
misschien? Nee Thom, dat meen je niet."
"Zeker meen ik dat niet.--Je moet haar bewegen _niet_ naar _De Poel_
te gaan. Het mag, het kan niet. Dáárom Louise kwam ik hier."
"Mag Eva niet naar dat feest gaan? En waarom niet?"
"Luister," zegt Thomas; en in weinige oogenblikken heeft hij aan het
meisje den hoofdinhoud zijner vermoedens en bezwaren meegedeeld. Neen,
alles kon hij haar niet zeggen, maar zijn moeder en hij, ze hadden
nu de vaste overtuiging dat dokter werd gekweld door zorgen, die
hij uit overgroote liefde voor zijn vrouw te verbergen zocht. Ja,
vooral dezen middag was het gebleken dat dokter in een zeer gedrukte
stemming verkeerde.
Sedert eenige dagen gebeurde het dikwijls dat dokter na het verrichten
van eenige bezigheden in de apotheek nog eens in een der kamers van het
oude, nu ontmeubelde huis ging, om er eenige oogenblikken te vertoeven,
zonder dat Thomas begreep wat hij er eigenlijk deed. Dezen morgen
nu, had Thom eensklaps in de voormalige huiskamer naast de apotheek,
een slag gehoord alsof er iets van boven neerviel.
"Nee, 't was zoo erg niet;" valt Thomas zich zelven in de rede toen
hij het meisje verbleeken zag: "Ik loop naar de deur," vervolgt nij:
"en onwillekeurig luisterend, hoor ik nu nogmaals dien slag doch met
de woorden er bij: "Dwaas! waarom gezwegen!" Ik begreep nu dat dokter
met den voet op den grond had gestampt zonder aan mijn nabijheid
te denken. Of ik goed deed of niet.... zonder beraad opende ik de
deur, en vroeg of dokter mij riep.--Vreemd, ik zou zeggen met een
bijna angstigen blik zag hij mij aan; maar spoedig zich herstellend,
zeide hij, dat hij in 't geheel niet geroepen en ook niets noodig
had. Maar, vermoedelijk toch vreezend dat ik het woord had verstaan,
'twelk hem in de eenzaamheid was ontvallen, achtte hij het raadzaam
om eenigszins in dienzelfden toon te blijven, en, in de apotheek
terugkomende, hernam hij: "'t Is me hinderlijk Thom, dat ik van middag
naar die partij moet. 't Gebabbel over Dirksen mag wat verminderen,
maar de gevolgen zijn toch grooter dan we ons in 't eerst hadden
voorgesteld. Er kon wéér zoo iets gebeuren. En dan...."--"Wat is er
nog meer dat u bezwaart?" vroeg ik met belangstelling. Toen Louise,
vernam ik dat dokter een paar uur geleden Hendrik van _De Zonsberg_
ontmoet had. De oude generaal die met de juffrouw eergisteren van
_De Godesberg_ was teruggekeerd moest niet heel wel zijn. Hendrik
was naar den notaris geweest om hem te verzoeken nog dezen avond
bij den ouden heer te komen. Ik kon dus wel begrijpen, zei dokter,
dat hij geen trek had om nu naar een partij te gaan."
"De generaal ziek!" valt Louise in: "Nee dan is het wel te
begrijpen. Is hij er niet aanstonds naar toe gegaan?"
"Och Louise, dat is nu het groote punt in quaestie. De generaal zegt
kort en goed, dat je zuster--mevrouw Helmond--de tering niet naar
de nering zet, en wanneer dokter haar daarin blijft stijven, dat hij
dan niets meer van hem weten wil.--Je moet er niet van praten Louise,
maar zieje, dát is de zaak. En nu zul je 't begrijpen, hoe ik om dien
besten dokter in angst zit. Zelf niet heel fiksch tegenwoordig,--nee,
recht gezond is hij niet--onder den druk zijner belasterde praktijk;
in zorg over de gezondheid van dien geliefden pleegvader, die hem
echter niet wil ontvangen; zeer zachtjes; in zorg misschien ook over
die boodschap aan den notaris; ja wie weet als de oude heer zijn
testament eens ten nadeele van dokter veranderen liet....!"
"Zou dat mogelijk zijn? Maar dán nog.... Eva zegt altijd...."
"Dat dokter rijk is niewaar?" valt Thomas fluisterend in: "Nee Louise,
uit te ver gedreven liefde, uit valsche schaamte heeft hij háár, en uit
onbaatzuchtige vriendschap heeft hij moeder en mij in den waan gebracht
dat hij van zich zelven middelen bezat. Maar ik weet 't beter! Onder
de tegenstrijdige praatjes, die er in den laatsten tijd zoo veelvuldig
over mijn weldoener liepen, behoorde ook de verdenking dat hij bij
notaris Zoutenheer diep in de schuld zit, ja zelfs dat andere personen
hem gewillig met eenige duizenden hebben bijgesprongen."
"Heb ik het niet gedacht!" zegt Louise, en dan: "En jij Thom, geloof
jij dat ook?"
"Ja, en 't is daarom voornamelijk dat ik hier kom. Ik geloof, ik
weet bijna zeker Louise, dat mijn brave vriend in de schromelijkste
moeielijkheden zit. Spaar me de bewijzen. Maar geloof me, naar mijn
innige overtuiging zou je aan dokter en zijn vrouw de grootste weldaad
bewijzen, indien je ze bewegen kondt om van avond _niet_ naar _De Poel_
te gaan maar _wel_ naar _De Zonsberg_. En jij Louise"--hij vat in zijn
gejaagden ijver de rappe hand van het meisje: "jij zult wel weten hoe
je het aanleggen moet; je zult je zuster alles aan 't verstand kunnen
brengen. Paai haar desnoods met een rijke erfenis van den generaal,
als je om Godswil mijn besten dokter maar helpt redden. Och lieve
Louise, ik zou je eeuwig erkentelijk zijn."
't Was getooverd, maar zelfs onder dit gesprek door heeft Louise de
laatste hand aan haar sortie kunnen leggen.
"Ei zoo, heb jelui de rollen al verdeeld?" vraagt mevrouw Armelo,
die Louise straks met haar simpel stroohoedje op, en een pakje onder
de eenvoudige mantille verborgen, aan de zij van Thomas de woning
ziet verlaten: "Moeten er nog meer in den arm worden genomen? Als
jelui verlegen bent, je zoudt voor mij op een rol kunnen rekenen."
"Misschien de mère noble Duègne!" roept Thomas.--Mevrouw begreep het
niet recht:
"Best, bestig, ik hou me daaraan!"
August en Eva hebben vroeg en zeer vluchtig gegeten, want Helmond
had nog 't een en ander te doen,--waardoor hij zeker weer zoo
afgetrokken is geweest, denkt Eva--en Eva zelve moest alles nazien
wat haar zooeven uit Utrecht is bezorgd, om zich daarna te kleeden,
't geen ze niet graag zoo overhaast doet.
"Zei je iets August?"
"'t Kwam me voor dat je wat bleek zag Eva. Mij dunkt beter ten halve
gekeerd dan....."
Eva met groote verbazing: "Ten halve gekeerd....? Je bedoelt toch niet
om par exempel nog thuis te blijven? Nee maar lieve beste papa'tje
in spe, nu moet ik toch heusch om je lachen. Wou je me _thuis_ laten?"
"Ik ben waarlijk bang dat je je te veel zult vermoeien. 't Is eigenlijk
een dolle geschiedenis."
"Een dolle geschiedenis!? Maar die jij hebt goedgevonden."
"Ik....? Nee! nee Eva, goedgevonden heb ik het niet."
"August, als je nu in ernst wilt dat de partij me geen kwaad zal
doen, agiteer me dan niet vooraf.--Je bent een beste man, maar je
hebt iets dat niet goed is.--Kijk nu niet boos, 't is zoo heel erg
niet: je bent wat zwaartillend. Stil, ik weet wel dat het nu allemaal
hartelijkheid is, en zorg voor ons popje meteen; maar men moet niet
_overdrijven_. In den beginne toen we zoo zuinigjes, zoo doodeenvoudig
moesten leven--in een hondenhokje--omdat men volstrekt geen middelen
had, toen kon mijn goede man niet van het burgemeestershuis hooren
of er rezen bergen van bezwaren; en,--nu men bewezen heeft dat men
zeer goed over dat alles kan heenkomen, nu...."
"Eva, je spreekt altijd weer alsof ik over schatten te beschikken had,
terwijl .... ja waarachtig, terwijl..."
"In 's-hemelsnaam August, begin nu niet weer van voren afaan. Ik
vergeet niet zoo licht wat je mij eens hebt gezegd. Waarlijk op dat
punt ben ik heel gerust, en, als er toch weer gezwaarmutst wordt, dan
denk ik: dat zal wel slijten mettertijd. Maar manlief, je moet dat
nu niet op een ander terrein overbrengen. Dat je zorg voor me hebt,
dat doet me recht veel plezier, maar _getob_ .... nee! eerst _niet_
goedvinden, dan wel goedvinden, dan weer: we moesten nu tóch maar
thuisblijven.... Hoor eens Evertje Zwaarhoofd, we gaan nu van avond
dol prettigjes naar de Debecque's en dan zal ik stellig niet te veel
dansen, en dan pruttel jij niet meer en je kijkt me niet zoo zwart,
baasje, maar je geeft me nu een fermen zoen.--Ziezoo!"
Nu Eva zich snel heeft verwijderd, valt Helmond als geknakt, in een
der zachte voltaires neer. Hij gevoelt wel dat hij in kracht--in
zedelijke kracht vooral--sinds zijn huwelijk is achteruitgegaan.--Hij
_durft_ niet meer. In den aanvang was hij op den goeden weg. Te Parijs
heeft hij getoond dat hij als man kon handelen, zelfs tegenover die
aangebeden, zoo schoone als talentvolle vrouw.--Maar toen gold het
zijn plicht als dokter; zijn plicht jegens een weldoener en geliefde
pleegzuster. In zulk een geval zou hij immers ook nu nog krachtig zijn,
indien Eva anders wilde dan hij.--Evert Zwaarhoofd! Ha, misschien
heeft zij toch een beetje gelijk. Is die toekomst dan werkelijk
zoo duister? Is een schuld van eenige duizenden guldens dan een
onoverkomelijke....? De praktijk zal zich wel spoedig herstellen:
en dan .... in de toekomst: Oom Van Barneveld!.... Helaas! ja, _oom
Van Barneveld_!
--Maar 't is waar, een groote reden van bezorgdheid om nu feest te
gaan vieren, is juist het bericht dat de generaal niet heel wel is.
Ofschoon oom al twee dagen terug was, August heeft geen poging gedaan
om nog eens te beproeven of een afwezigheid van zoo vele weken ook
gunstig heeft gewerkt. Hij heeft er zeer tegen opgezien, en kon er
niet toe besluiten alvorens hij eenig antwoord op zijn brief aan
Jacoba zou hebben ontvangen; immers hij vermoedt dat een verbod om
hem te schrijven oorzaak van haar stilzwijgen is.--Maar ja, indien
hij had geweten dat zijn pleegvader ziek was....!
't Is zonderling! Nu hij dan toch naar _De Zonsberg_ zou willen gaan,
om--na dat treurig bericht--dien ouden man te ontmoeten, en, of hij
wilde of niet, de hand te drukken totdat hem de tranen in de oogen
zouden springen, nu staat hij alweder voor een genot, 'twelk hij Eva
er voor zou moeten ontnemen.
--Maar ook, de generaal heeft immers niets van zich doen hooren;
men vernam _toevallig_ dat hij terug en een weinig ongesteld was. 't
Zal zoo erg niet wezen. Door niet naar _De Poel_ te gaan, stuurde men
bovendien het heele feest in de war; ja zelfs als Eva alleen ging. En,
alleen te gaan; nee, dat zou haar zeker niet bevallen. Enfin! morgen
dan naar _De Zonsberg_, morgen!
"Mevrouw," zegt Kaatje terwijl ze Eva's vriendelijk en keurig
gemeubileerd boudoir is binnengetreden: "mevrouw, daar is de juffrouw
van den kapitein: uw zuster zal ik maar zeggen."
"Hé, wat wil die?--Laat maar wachten in de zaal Kaatje."
Neen, wachten kon Louise niet. Zij klopt aan de deur van Eva's boudoir.
"Binnen!--Hé, kom je tóch boven Louise? Wat heb je kindlief? Is er
onraad dat je zoo'n haast maakt? Je ziet me hierin een ergen boel;
maar dat kleeden voor een partij waarop men zoowat de eerste zal zijn,
is nog al lastig, tenminste zonder kamenier. Hé, zie jij eens eventjes,
valt die berthe van achteren goed? Ja, in zoover kom je me heel van
pas zusjelief. Hangt ze goed? Mooie blauwe japon niewaar? Nog uit
Parijs meegebracht, vin jij 'em te laag? Maar wat heb je anders aan
een tamelijk mooien hals niewaar? Men kan letterlijk niets zien met
zoo'n kleinen spiegel."
"Eva, ik zou je heel graag helpen, maar liever om je weer uit te
kleeden dan je verder toilet te helpen maken."
"Watblief?" zegt Eva verrast.
"Je weet Eva-lief, dat ik je niet te veel met mijn visites lastig
val, sedert ik zeer tegen je zin blijf werken zooals ik meen dat mijn
plicht is...."
"Lieve schepsel, kom me nu niet met de opsomming van al je verdiensten
in de war brengen. Je bent een zeer handig meisje, dat weten we
wel.--Nu kindlief, al dadelijk die waterlanders, foei! Ik zeg het
niet uit boosheid. We waardeeren je immers en...."
"Och dat is niet noodig, volstrekt niet;" zegt Louise half schreiend;
en dan zich spoedig herstellend: "Wij hebben ieder onzen eigen weg
Eva, en ik bedoelde alleen dat ik niet zonder toestemming hier op je
mooie kamer zou gekomen zijn als ik er geen reden voor had."
"Komaan kindlief, wat heb je dan, zeg?"
"Eva, je moet niet naar die partij gaan."
Eva houdt nú eens een witte camelia en dan een takje zeer fijne
vergeet-mij-nietjes tegen haar prachtig zwart glanzend haar.
"Ei, _niet_! En waarom nie.... te.... Louise?"
"Omdat.... omdat je man, de goede dokter er ziek van zal worden."
"Och kom! Hé, hoe weet _jij_ dat zoo, beste kind?--Och kijk nu eens
heel eventjes, wat vin je mooier? Deze witte niewaar?"
"Eva, je denkt dat het geen ernst is...."
"O volstrekt niet; nee dat denk ik in 't geheel niet. Als jij me nu
even zegt wat je mooier vindt, wit of blauw, dan zal ik je zeggen hoe
het komt dat ik aanstonds alles begrijp, en me toch kalm kan blijven
kleeden. _Wit hé_?--Nu dan: Dokter heeft een visite bij pa gemaakt,
en gezegd dat hij geen plezier in het feest had, omdat ie bang was
dat ik me wat te veel vermoeien zou. Zie, dat zijn nu zulke kleine
zaakjes daar zusje nog niet van weten mag.--Zeg, heb ik 't mis?--Och
geef eens even dat diamantdoosje aan. Nog uit Parijs meegebracht."
"Eva, je laat me niet uitspreken en hebt misgeraden bovendien. Lieve
zuster, luister nu even: Er is waarlijk geen gekscheren mee.--Och
laat die bloemen en diamanten een oogenblik rusten en hoor wat ik je
ernstig zeggen wil."
Met een wel wat gemaakte belangstelling luistert Eva nu naar de zuster
die de tolk is van de zorgen, waardoor de goede Thomas ten behoeve
van den dierbaren meester werd gekweld.
Een betere keus, meende Thom, had hij niet kunnen doen. Louise zou
met kalmte en verstand haar zuster op de hoogte van den wezenlijken
toestand van zaken brengen. Een andere weg was er niet. Dokter scheen
verblind te zijn, en--maar Thomas zou dit aan niemand, neen zelfs niet
aan zijn moeder durven toevertrouwen--de arme man moest reeds in groote
ongelegenheid verkeeren, ja waarschijnlijk had hij reeds de eerste
schrede op een zeer gevaarlijken weg gezet! Immers, toen Thomas eenige
dagen, nadat hij de beide bankbriefjes van Helmond had ontvangen, er
een van wilde uitgeven, toen heeft het zijn aandacht getroffen, dat het
dezelfde nummers waren, die hij kort te voren aan Helmond had gebracht,
als zijnde de opbrengst der laatste lijst ten behoeve van Doneries
monument.--Ja, ook de stempels van eenige firma's aan de achterzij,
hebben hem overtuigd dat het dezelfde briefjes waren, die Helmond in
een la van zijn schrijftafel had geborgen, met de woorden: "Ziezoo,
dat ligt daar rustig totdat het monument zal zijn afgeleverd."--Van
Hake zou vroeger misschien al spoedig tot het besluit zijn gekomen,
dat dokter die briefjes voor specie of wel tegen ander bankpapier
had ingewisseld, doch nú, sedert de ervaringen der laatste dagen,
moest hij het ergste vreezen. Reeds tot drie malen toe heeft dokter
het geldbakje uit de toonbanklade in zijn porte-monnaie geledigd met
de opmerking, dat hij tegenwoordig telkens gebrek aan klein geld had,
terwijl hij dezen morgen met een zonderlinge ongedwongenheid Thomas om
vijf enkele guldens heeft gevraagd, "aangezien hij thuis niet anders
dan groot bankpapier had, en men de meiden moeielijk om te wisselen
kon uitzenden, dewijl mevrouw ze niet goed missen kon."
Thomas Van Hake gelooft dat hij wel een groote domoor zou moeten zijn,
als hij mis heeft gezien; en vurig hoopt hij dat Louises gang naar
het doktershuis gezegend zal wezen.
"Zoo, is dát nu de zaak Louisje-lief?" zegt Eva met kwalijk bedekten
spijt: "Meenen sommige menschen dat _ik_ den goeden dokter aanzet
om hooger te vliegen dan wij kunnen--ik gebruik je eigen woorden, je
hoort het.--Weet je wat? doe jij dan lieve kind, het compliment aan
die menschen terug, en zeg hun dat Eva Helmond verstandig genoeg is om
te weten wát haar convenieert; maar vooral ook: dat de allerknapste
en allerverstandigste man uit dit heele babbelnesterige Romphuizen,
zeker wel weten zal wát hij doen en wát hij laten moet."
"Maar Eva, 't is immers toch mogelijk dat Helmond om je genoegen
te doen, niet alles zegt; en dewijl hij--zooals je zelve bekend
hebt--telkens bezwaren heeft, inderdaad _veel_ meer uitgeeft dan hij
in redelijkheid zou mogen en kunnen."
"Nee kind, dat is _niet_ mogelijk. Een jong meisje zooals jij, die
zoowat niets van de wereld heeft gezien,--nee 't is je schuld niet,
maar zoo iemand meet alles naar zich zelve af. Een man zooals de
dokter, is geen Louise Armelo. Wat zulk een man zegt, dat _is_
zoo, en wat hij doet dat moet men in Romphuizen niet blieven te
bevitten of.... te _misgunnen_, voilà le mot! Ik zeg dat niet op
jou, kind.--Maar brisons!--Wie heeft je met al die wijsheid hierheen
gezonden?"
"Eva dat doet er niet toe. Maar als--ik zeg _als_ het nu eens waar
was, en Helmond reeds diep in de schulden zat, _hoe_ zou hij er uit
kunnen raken? Ik zeg: _gesteld eens_!"
"Och kind, je verveelt me. Is dit een moment voor al dat gebeuzel!"
"Eva, ik vraag je: wie zou in zulk een geval de eenige zijn van
wien hij hulp zou kunnen verwachten?--Van wien anders dan van
zijn pleegvader? En--die pleegvader is ziek teruggekomen.--Bij de
verwijdering die er tusschen ulieden moet bestaan--terwijl je die
ongesteldheid had moeten aangrijpen om je te verzoenen door een
spoedig en hartelijk bezoek,--zal de generaal nu straks vernemen dat
gijlieden, op 't prachtigst uitgedost, _De Zonsberg_ voorbijrijdt
zonder je om hem te bekreunen, terwijl je op _De Poel_ een vroolijke
partij gaat bijwonen."
"Waarlijk, ik maak je mijn compliment! Dat is in ons belang allerliefst
door je berekend Louise. Je hebt een speculatieven geest. Uit vrees
voor een mogelijke onterving, moeten we bij dat oude potstuk gaan
opzitten en pootjes geven niewaar? Weet je wat die generaal is? Die
man is een trotsch, een onverdraaglijk hoogmoedig despoot. Wil je
weten wat ik hoop kind? Ik hoop dat menheer de generaal--die mij
schandelijk durfde beleedigen en blijft beleedigen --dat hij zich
straks zóó wel gevoelt dat hij, zonder vrees voor instorten--je ziet
ik wensch den man van harte beterschap--enfin, zóó wel, dat hij voor
't open raam aan den straatweg zal kunnen zitten om ons "zoo prachtig
uitgedost" eens ter dege te kunnen opnemen, wanneer we hem in de mooie
open fourgon uit _De Gouden Arend_, triomfantelijk voorbijrijden!"
Louise moet het uiterste wagen:
"Eva, als ik nu eens zeker, eens _heel_ zeker wist dat je Helmond
op dit oogenblik met niets gelukkiger zoudt kunnen maken dan met het
besluit, om, inplaats van naar _De Poel_, met hem naar _De Zonsberg_
te gaan...."
"Zeg eens, zeer belangstellend zusje, ben je ook soms een _heel klein
beetje_ jaloersch dat Louise Armelo _niet_, en Eva Helmond wél naar
dat feest gaat? Maar stel je gerust, tegen mijn jaardag kindlief,
zullen we het hier eens heldertjes overdoen, en, al bedanken papa en
mama dan óók weer uit een bespottelijke mesquinerie, we zullen zorgen
dat jij er bij komt. Met mijn zijden ruit--nog van Den Haag--zul je
een heele parade maken. Men denk er dan aan zusje: naaistertjes ja
zelfs _naaistertjes in het geheim_, ze wonen op den duur geen feesten
bij in den hoogeren stand."
Louise was te vol, zij kon niet meer spreken. Zij moest het wel opgeven
Eva tot betere gedachten te brengen.--En dan, telkens gegriefd te
worden! O het deed haar zoo zeer. Maar toch, het antwoord op Eva's
laatste woorden, 'twelk zoo voor de hand lag, zij mocht het alleen
_onhoorbaar_ uitspreken: "Maar, naaistertjes in het geheim, ze mogen
wel vijftig zuur verdiende guldens betalen aan een huwelijksdiner,
voor een zuster _uit den hoogeren stand_!"