ACHT EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Toen Helmond door zijn Eva, te circa halfacht, met een zoen werd wakker

gemaakt, en ze hem daarna met haar welluidend: goeden morgen! een

geurigen kop thee met beschuit toereikte, toen gevoelde hij slechts

weinig meer van 'tgeen hem, toen hij eindelijk ter ruste ging, voor

slapeloosheid en zeer waarschijnlijk voor een ziekte deed vreezen.--Al

zijn de uren die hij sliep slechts weinig in getal geweest, ze hebben

hem zonderling verkwikt. Neen, ofschoon hij zijn hoofd rechts en

links keert, de pijn is geheel verdwenen. De sombere voorstellingen

die hem door het brein spookten toen hij zich bevend van overspanning

tot slapen heeft gelegd, al die sombere visioenen zijn voorbijgegaan.

--En zie, zijn Eva, de schoone Hebe in haar gracieus morgenkleed, ze

staat daar als een toonbeeld van zorgende liefde.--O goede God! nu

ziet hij eerst hoe innig lief dat prachtige kind hem heeft. Zij is

in zorg geweest, over hém! Ze heeft gevreesd dat hij te vroeg zou

wakker worden. Ja dáárom hield zij de vensterblinden ter halverwege

gesloten ofschoon ze de ramen heeft opengezet, dewijl hij daar zeer

op gesteld is.

En zie, daar kwam ze nu zelve met den verkwikkenden drank:

"Eva!"

"Lieve August, gaat het beter? Waarlijk beter?"

Helmond knikt, maar antwoordt niet. Hij ziet haar slechts in de

schoone oogen; drukt haar fijne hand, en dan haastig den blik van haar

afgekeerd naar de binnenzij van het ledikant, verdringt hij iets,

'twelk hem uit het hart naar het oog is gevloeid. Goede God, was er

voor haar dan niets beters weggelegd dan de vrouw te worden van een

eenvoudigen dokter! Zie, daar is wat hoogers, iets vorstelijks in die

vrouw; en ja, bij al die gaven van schoonheid en talent, toont ze,

in de liefde voor vader en echtgenoot, een engel te zijn.

"Eva!"

"Wat is er dan beste?"

"Ik ben zoo gelukkig Eva."

"Nu lieve man, dat klinkt me waarlijk als muziek in de ooren. Ik

heb van nacht den heelen tijd allerlei gekheden gedroomd, en ook dat

je heel boos op me werdt; en je grijnsde me zoo akelig aan.--Ja ik

weet het zelf niet meer: ik droomde dat we te Parijs waren, en dat we

meespeelden toen ze de Faust gaven. Eerst was jij Faust en toen.... ik

weet niet, toen werdt je eensklaps Mephisto, en, toen schreeuwde

je me zoo akelig toe: "Et Satan conduit le bal," o zoo akelig. Zie,

't is allemaal gekheid, dat weet ik wel; eerstens beduidt het niets,

en tweedens hecht ik niemendal aan droomen; maar zoo'n gezicht blijft

je 's-anderendaags soms zoo bij. Toen je van nacht met hoofdpijn heel

onplezierig thuis kwaamt, toen dacht ik, daar heb je 't al met dien

naren droom; als hij nu maar niet ziek wordt!--Ik heb er je niets

van gezegd, hoewel ik er erg vervuld mee was. Maar mijn lieve man,

nu kun je ook best begrijpen hoe heerlijk ik het vind om je, bij

't wakkerworden 't allereerst te hooren zeggen: Eva, ik ben zoo

gelukkig!--Komaan mon cher monsieur le comte--nu wacht maar, ik geef

den moed nog niet verloren, al was papa er wat tegen,--komaan, we

zullen aan geen akelige droomen meer denken; peuzel jij die beschuitjes

nu maar op, dan zal _ik_ je eens laten kijken hoe heerlijk vandaag het

zonnetje schijnt, 't is een lust!"--Eva opent nu de vensterblinden,

en, aanheffend zingt ze tevens met haar klankvolle stem, zoodat men

zich in den zonneschijn zou wanen al zag men den regen ook stroomen:

"O Sonnenschein, o Sonnenschein,

"Wie scheinst du mir in's Herz hinein.

"Weckst drinnen lauter Liebeslust,

"Dass mir so enge wird die Brust!

"Dass mir so enge wird die Brust!"

Een kwartier later is Helmond gekleed.

Ofschoon hij zich wel iets minder frisch gevoelt dan bij zijn

allereerst ontwaken, toch moet hij bekennen dat het oneindig beter

met hem is dan hij heeft kunnen verwachten. Daar komt zijn lieve

vrouw alweder met een kop thee in het slaapvertrek.

"Eva, mijn eenige schat, mijn zonneschijn!" zegt Helmond en sluit

haar in zijn armen; en dan, dan hoort hij ook van háár een schier

nog welluidender toon dan daareven; want ook zij heeft gezegd: dat

ze nu zoo _recht gelukkig_ is.

En Eva had waarlijk reden om zich gelukkig te gevoelen. Nu ze haar

woning had, en er alles zoo heerlijk was ingericht, nu waren voor

't oogenblik haar liefste wenschen vervuld. De kleine katastrophe

van gisterenavond zou zeker geen gevolgen hebben, en, als zij het

maar eens van de rechte zijde aanpakt, dan zal papa wel meer zwak op

dien adel krijgen. Het voornaamste, waar het op aankwam, bleef toch

het _bewijs_ dat men aanspraak op dien titel had, en dat bewijs was

reeds in handen van den majoor. Welnu, een klein beetje geduld; en

dan, wanneer zij _èn_ Helmond er maar op blijven aandringen en zich

dankbaar betoonen, dan zal de majoor --tegen restitutie van onkosten,

natuurlijk omdat hij aan al die stukken en bewijzen met zooveel moeite

gekomen is,--ze wel aan _hen_ afstaan.

Ja, Eva voelt zich recht gelukkig, want ofschoon het briefje aan

de Debecque's toch al verzonden was--omdat Bus beter hard draven

dan dienen kan--ze heeft nu alle hoop dat August, wanneer hij zich

zooals hij zeide wèl blijft gevoelen, ten genoegen van zijn vrouwtje

nog een tweede briefje zal schrijven om die uitnoodiging tóch maar

aan te nemen.--O die goede August! hij heeft immers voor 't grootste

deel uit zorg voor háár bedankt.

--Nu, dat behoefde waarlijk niet, haar hoofdpijn van gisterenavond

heeft niets te beduiden gehad, en August zelf--waarlijk ze is er zoo

blij om--hij voelt zich weer heelemaal fiks. Hoor, hij vraagt haar

zelfs om nog eens dat lied: _Natuur is mild_ te zingen!--Wat ziet

hij haar tevreden aan! Ja als ze het nu wilde doordrijven.... van die

groote partij hier aan huis tegen haar jaardag --ja, ze weet dan zeker

dat hij toe zou stemmen. Maar 't is nog niet noodig; en als men maar

eerst bij de Debecque's is geweest, dan komt die partij op haar jaardag

vanzelf. Ze weet nu immers zeker dat die hooggeprezen zuinigheid

iets is, waar men voortaan maar zonder veel woorden overheen moet

glijden; 't is een zwak dat het mannetje zich graag wat armoedigjes

voordoet. Nu, in zulke scholen maakt men zulke leerlingen. Maar

_gierig_, nee gierig is hij niet. Wat die nachtpraktijk betreft,

daar _moet_ hij van afstappen, dáárdoor alleen is hij met zoo'n dolle

hoofdpijn en zoo laat naar bed gegaan. Mettertijd, als het gelukt met

dat overbrengen van papa's titel op hem--en waarom niet--dan moet hij

de heele praktijk maar neerleggen. Iemand die bezigheid wil hebben kan

ze altijd wel vinden. Men behoeft daarvoor niet de slaaf van iedereen,

ja van je minste plebs te wezen. Hoe heerlijk al, dat men tenminste

hier van die aptheeklucht bevrijd is. Bah! zoo'n aptheek!

O voorzeker, Eva voelt zich nu recht gelukkig; alles, _alles_ lacht

haar weer toe; en zie maar, het allermeest haar lieve August.

Doch Eva weet niet dat Helmonds glimlach, nu hij de vigilante ziet

voorkomen en haar straks een zoen tot afscheid geeft, een zeer

gekunstelde wordt; neen, want hij heeft haar niets gezegd, niets van

zijn val, niets van het gebeurde op _De Schebbelaar_, en niets van

den nacht aleer hij--Goddank, een weinig mocht slapen.--Waartoe haar

onnoodig zijn leed te klagen; immers hij had haar vroeger vermaand

dat de praktijk alleen voor den dokter is.

't Was reeds laat in den voormiddag toen dokter Helmond aan zijn

woning terugkwam.

Eva meende te bemerken dat hij wat somber gestemd was.

Of hij zich weer minder wel gevoelde....?

"Nee Eva, nee; ik heb wat heel veel zieken bezocht, en er zijn er

die van een dokter meer verlangen dan redelijk is."

"'t Is een nare betrekking August, ik heb dat altijd gezegd. Geen

oogenblik ben je zeker van je tijd; dag en nacht altijd voor Jan en

alleman te moeten klaarstaan, en misschien nog heel dikwijls ondank

voor zorg en moeite tot loon te krijgen!"

Er was veel waars in 't geen Eva zeide.

"Ja 't is jammer kindlief, dat het onverstand der menschen ons zoo

dikwijls moet bedroeven. Waarlijk er is geen edeler werkkring dan de

mijne. Maar, als men het onmogelijke eischt...!"

"Heeft men dat nú gedaan August?"

"Och--nú, en alle dagen. Maar wij zetten er ons overheen.... wij...."

"Welzeker," valt Eva in: "in jouw plaats beste man, zou ik nooit naar

eenig praatje van het wauwelig gemeen luisteren, dáárvoor sta je te

hoog èn als dokter én door je.... andere maatschappelijke positie.--Als

ik in je plaats was August, weet je wat ik dan deed?"

"Hé?" vraagt Helmond in gedachten.

En Eva zegt fier:

"Wel, den eerste die mij een woord durfde tegenwerpen of zich

aanmatigen om mij in mijn praktijk de wet te stellen, dien zou ik

_bedanken_ en verzoeken een anderen dokter te nemen."

--Bedanken!--August geeft met een pijnlijk glimlachje een antwoord

'twelk zijn vrouw--evenals dat glimlachje zelf--op rekening van zijn

"eenig gebrek" stelt. Immers: "Waar zou de schoorsteen van rooken,

als wij niet wat geduld oefenden?" heeft hij gezegd terwijl hij zich

gereedmaakte om nu--na het koffiedrinken, --weer zoo spoedig mogelijk

naar die nare aptheek te gaan.

--_Bedanken_! heeft August in zich zelven herhaald, terwijl hij buiten

de kamer en op weg naar het huis aan den wal, een paar malen de hand

aan het hoofd bracht--aan dat hoofd waarin het alweer niet heelemaal

pluis is.

--_Bedanken_!--Neen zulke ruwe scènes heeft hij nooit te voren gehad;

ze moeten eenig zijn in eens dokters praktijk. Op _De Schebbelaar_

gekomen, heeft boer Geurtsen--de aanstaande toeziende voogd der tien

minderjarige kinderen--hem zoo mogelijk nog brutaler dan den vorigen

avond onder de oogen gezien, en gevraagd, of hij niet begrepen had dat

hij op _De Schebbelaar_ had uitgediend, en niet zoo "leep was om te

vatten, dat de heele perementasie van de Dirksens en Geurtsens--over

meer dan achttien hofsteden verdeeld--voortaan d'r eigen wel zou

wachten om 'en dokter te nemen die zijn patiënten aan d'r eigen

zelvers overliet, en onverlet den adem liet uitblazen?"

--_Bedanken_! herhaalt Helmond met dien droeven glimlach. Ha! zoo

moet het maar gaan. Het rijkste deel mijner praktijk te verliezen,

door.... Neen, de oorzaak had evengoed een andere kunnen zijn.--Maar

toch, 't klinkt op dit oogenblik zeker uit _haar_ mond al zonderling:

_bedanken_!--Mijn obstetrische praktijk schijnt door de omstandigheid

bij Sturk nog bovendien een gevoeligen knak te zullen krijgen.

--Bedanken! in _mijne_ omstandigheden....? Een pleegvader die zich

misschien reeds heeft voorgenomen om zijn hand voor nu en de toekomst

geheel van ons af te trekken. Een woning te bezitten waarvan geen

steen ons eigendom is; een huis dat aan zijn bewoners steeds grootere

weelde en altijd en altijd meer _geld_ zal vragen. Schulden hier

en schulden daar; niet onoverkomelijk, neen, maar slechts aflosbaar

bij een toenemen van praktijk en inkomsten.--Bovendien een broeder

die gebrek lijdt, en die, ofschoon er hoop op een goede uitkomst

bestaat--bij een weigering van den pleegvader, toch maar alleen van

den broeder hulp kan verwachten.--En dat huis aan den wal 'twelk reeds

tweemaal, doch slechts _in zijn geheel_ is kunnen verhuurd worden,

't blijft nog altijd renteloos, dewijl ik immers mijn woord gaf dat

de arme doktersvrouw het niet zou verlaten, en ook, ja, omdat Eva

gezegd heeft, geen aptheek in haar nieuwe woning te dulden.....

Zoo denkende treedt Helmond de apotheek binnen.

"Al bezig Thom; dat is goed. Ik kwam Bus tegen, en gaf hem de recepten

vast mee.--Je zult gemerkt hebben dat er een vijftal minder is dan

waar ik je gisteren op prepareerde.--Boer Dirksens dood, zal collega

Biermans voortaan weer wat minder rust gunnen. Nu, de man heeft nog

ambitie genoeg, en--een groot gezin. Wat zoek je Thom?"

Thomas, die Helmond bij 't binnenkomen ternauwernood had

kunnen groeten, is "op stikken af". Den lessenaar--terzij van de

toonbank--heeft hij geopend, en terwijl hij deed alsof hij daarbinnen

iets zocht, verborg hij zijn aangezicht voor den blik van zijn meester.

"Wat zoek je toch Thom?" vraagt Helmond nog eens. En dan--dan slaat

de lessenaar neer met een slag, en bedekt Thomas zijn gelaat met beide

handen, en... Nee, 't is hem onmogelijk! hij kan niet spreken. De keel

is hem als toegenepen, en de oogen schieten weer vol tranen.--Och God,

hij had het zoo goed gemeend!

Helmond is zijn jongen vriend nabijgekomen, en legt hem de hand op

den schouder.

"Nu Thomas, wat is er? Zeg, heb je weer 't een en ander moeten hooren

dat je om mijnentwil bedroeft?--Ik zal er je maar ineens doorhelpen

mijn jongen, 't Is niet plezierig, zeker; maar zulke zaken komt men

te boven. Nu ik zelf hier en daar zooveel overdrevens moest hooren,

nu ben ik al meer getroost dan gisteravond. Thom, wat er gebeurd is,

het spijt me, maar mijn geweten zegt me dat ik niet willens een patiënt

heb verzuimd. In een kleine plaats worden zulke zaken schrikkelijk

uitgemeten; in den beginne zal mijn praktijk er een beetje onder

lijden, maar dan..."

"Och dokter!" valt Thomas nu bijna schreiende in: "och, als u eens

wist hoe ik er kapot van ben; zooveel geschimp en geblaas tegen u,

en mede door _mijn_ toedoen, door mijn eigendunkelijk handelen! Och

lieve God! ik meende het toch zoo goed!"

"Thomas, wees verstandig; al kan ik niet goedkeuren wat je hebt gedaan;

dat je trouw hart het je heeft ingegeven daar ben ik zeker van. Komaan

Thom, jij met je prettige natuur, je moest me vandaag wat opfleuren,

maar geen gezicht zetten alsof Polen totaal verloren was."

"Och dokter, hoe zal men lachen als men zich zelf zou willen afranselen

en op water en brood zetten. U, aan wien ik alles ben verschuldigd,

ú heb ik door mijn eigenwijsheid schandelijk benadeeld. Jawel, die

Sturk is een wraakzuchtige vent. Wat boer Geurtsen nog zal zwijgen,

dat strooit hij uit met een helsch pleizier."

"Ho ho, dat kan toch zooveel niet wezen, 't Was zeker veel beter

geweest wanneer ik er aanstonds had kunnen zijn; maar vrouw Spanning

heeft niets bedorven, en de ongelukkige afloop dier bevalling was een

gevolg van omstandigheden, die geen mensch kon voorzien of verhoeden."

"Hij heeft Biermans gehaald, en deze moet hem hebben toegestemd

dat een tijdige en betere hulp haar zeker gered had. O, 't is om te

vertwijfelen dokter!"

"Ik geloof niet Thom, dat Biermans dat gezegd heeft."

"Jawel dokter. Juffrouw Sillemond die zooeven hier was, en haar

dochter, de vrouw van Winkelaar, kwam _afzeggen_--zoo'n feeks,

alsof een dokter een barbier was!--diezelfde tang had Biermans zelf

gesproken, en op haar vragen moet hij met een heel twijfelachtig

gezicht de schouders hebben opgehaald."

"Ei, is juffrouw Sillemond haar dochter komen afzeggen ... ei!" zegt

Helmond terwijl hij even pijnlijk glimlacht; maar aanstonds vervolgt

hij op luchtigen toon: "Ik wou wel eens weten Thom, wat _twijfelachtige

gezichten_ zijn. Bovendien, iemand die twijfelt weet niet, en iemand

die er nog op den koop toe de schouders bij ophaalt, bekent tweemaal

niet te weten.--Zwijg nu hierover Thomas. Gedane zaken nemen geen

keer."

"Nee maar die Biermans, die te hard en te schriel was om mij, toen

vader al begon te sukkelen, een beetje met m'n Latijn en scheikunde

voort te helpen, zoo'n kerel moet ú niet benadeelen door z'n leelijk

gezicht tot een beschuldigend vraagteeken te verwerken."

"Bedaar Thomas. Biermans is altijd heel wel met me geweest."

"Ja, omdat u een engel van goedheid bent; maar ik weet wel waardoor

zijn broodnijd tot broodwraak is geklommen, al zet hij in uw gezelschap

een kermisgezicht. Dat u sedert uw huwelijk, geen avondjes meer

bij hem komt doorbrengen omdat mevrouw er geen lust in heeft, dat

steekt hem. Mevrouw moet eens aan Pietje zijn oudste dochter heel

openhartig hebben gezegd: dat ze den toon bij haar ouders aan huis,

sinds haar verblijf in Den Haag, niet best meer verdragen kon. Daar zit

'em de angel dokter: en dan uw mooie huis! ja, wat hij u benadeelen

kan, dat zal hij niet laten; en och beste _beste_ dokter, dat ik

nu dien plattelandsscharrelaar zulk een venijnig wapen in de hand

moest geven!--Och dokter," barst Thom nu werkelijk in tranen los:

"Och _vergeef_ me,--al ben ik misschien geen wegschoppen waard."

Een groot uur later waren, inweerwil van Thomas' bewogen

gemoedsstemming, de recepten klaargemaakt, en trok Bus er de stad

mee in.--Bus kreeg dien dag nog meer te slikken dan al het "bocht"

'twelk ie in z'n mand had. Maar Bus kon zwijgen, en als Bus antwoordde

dan zei ie eenvoudig:

"Als Onze Lieve Heer trekt, en dokter trekt, wie zou 'et dan winnen

hé?" Maar ook een anderen keer:

"Weet jij wát je doen moet? Laat je eerst door Biermans verknoeien,

en als je dan "verknooien" en voor de pieren bent, zeg dan aan vader

Abraham: complement van Lange Bus, en dat je 'en gek was!"

Toen Helmond de apotheek wilde verlaten, trad mevrouw Van Hake

juist uit haar huiskamer de gang in, en verzocht op zeer beleefden,

schijnbaar eenigszins kouden toon: of zij dokter even mocht spreken.

Helmond schrok onwillekeurig, 't Was hem--doch slechts een

oogenblik--alsof het weer tikte en klopte in 't hoofd zooals

gisteravond en in den nacht. Immers 't is nu reeds bijna een maand

dat het kwartaal was verschenen. Neen, men zal hem dáárom niet te

spreken vragen, ofschoon het geld hier zeker noodig is, maar uit die

achterlijkheid kon men licht gevolgtrekkingen maken die hij graag

voorkomen zou.

"Mij spreken, met genoegen!" zegt Helmond.

De weduwe laat den dokter voorgaan, en doet dan de deur der huiskamer

zachtjes achter zich toe.

Er was iets bijzonder deftigs, ja schier plechtigs in de wijze waarop

de weduwe haar jongeren vriend ontving. Haar kleed van eenvoudig

zwart merinos was geheel in harmonie met de uitdrukking van haar

gelaat. 't Is te raden dat het haar moeite heeft gekost om tot dit

onderhoud te besluiten. Thomas weet waarover het loopen zal. Moeder

en zoon hadden het afgesproken; ze waren er onherroepelijk vast toe

besloten. Wat er gisteren, wat er in den nacht--mede door Thomas'

schuld zooals hij blijft volhouden--in dokters praktijk gebeurde,

het heeft de schaal geheel naar die zijde doen overslaan.

Mevrouw Van Hake mag niet langer van zooveel goedheid misbruik

maken. Haar wonen in dit huis is een jaarlijksche schade voor Helmond

van minstens driehonderd gulden. De weduwe van een Van Hake mag dat

niet blijven genieten om Godswil, wanneer zij bijna zeker weet dat

haar weldoener zich door wat al te groote toegevendheid, in erger

moeielijkheden bevindt dan hij toonen wil. --O, had zij vooruit geweten

hoe het tusschen den generaal en zijn pleegzoon stond, ze zou den

laatste al vroeger als een moeder hebben gesmeekt, om toch niet toe

te geven aan de steeds hoogere eischen van zijn schoone maar nooit

tevreden vrouw; ze zou hem gewaarschuwd hebben, om geen huis te koopen

waartoe hem de middelen ontbraken, en waardoor hij een reuzentred zou

vooruitgaan op het pad, 'twelk hem moest voeren tot jammer en ellende.

--Neen, ze heeft het toen niet geweten. Zij had mede geloofd dat

dokter toch inderdaad van zichzelf nog al middelen bezat, meer dan

hij gewoonlijk blijken liet. Maar Thom heeft het op _De Zonsberg_

anders vernomen, 't Was toen te laat voor die waarschuwende stem. Doch

nu, wat men herstellen kan, dat _moet_ geschieden Mevrouw Van Hake

zal haar weldoener als vriendin, als moeder toespreken. Raden zal

ze hem--maar met groote bescheidenheid. En dan, ze zal hem haar

_stellige_ voornemen meedeelen, om met Thom deze woning te verlaten,

dewijl ze vast besloten heeft, in een achterstraat zeer goedkoop een

paar tamelijk nette kamers te huren. waarin ze een kleine stramien-

en wolzaak beginnen wil.--Muurvast zal ze bovendien weigeren om langer

voor Thom een honorarium aan te nemen, 'twelk hij waarschijnlijk

nergens in't heele land, en althans niet in een apotheek als deze, ter

assistentie van een zelfhandelend dokter, zou kunnen bedingen. Zóó moet

men tot een zuivere verhouding komen. De omstandigheden gebieden het.

Ofschoon Thomas weet waarover het gesprek moet loopen, zijne moeder

heeft het gepaster gevonden dat hij er niet bij tegenwoordig zou zijn,

vooral na hetgeen er dezen nacht gebeurd is.

Maar hoor, nadat de weduwe zich reeds een geruimen tijd met haar

vriend heeft onderhouden, gaat de deur der huiskamer weer open, en

roept mevrouw Van Hake met een van aandoening trillende stem naar de

zij der apotheek:--"Thom! Thom! kom eens hier?"

Thomas spoedt zich zoo snel als hij kan naar de huiskamer.

"Thomas," zegt mevrouw Van Hake terwijl ze gedurig met groote moeite

haar aandoening bedwingt: "ik ben tegen onzen trouwsten vriend niet

opgewassen. Zeg _jij_ eens jongen, dat we vast, _vast_ besloten

hadden...."

"Ja dokter, 't kan niet anders. Moe is er nu overheen. Niewaar moe?--U

die tegenwoordig zooveel tot uw last hebt, u mogen wij verder niet

bezwaren. Nee dokter, zeker niet!"

Helmond is voor 't uiterlijke kalm. Indien hij niet wat bijzonder

bleek had gezien dan zou men zeggen--zooals hij rustig te luisteren

zit, en nu nog even wacht alvorens te spreken--dat hij daar poseeren

kon voor de type van een krachtig en helderdenkend man:

"Straks Thomas, ben je me haast wat al te nederig en smeekend geweest,

maar nu val je weer wat te kras in een anderen toon;" zegt Helmond;

en dan met gezag: "En mijn antwoord is: Zoolang Thomas, als je bij mij

in betrekking bent, zoolang blijven onze condities onveranderd. Ons

contract loopt van jaar tot jaar, ingaande met de maand Mei. Wil je van

patroon veranderen, dan waarschuw je mij tegen Februari; of, zie je de

gelegenheid schoon om ergens op billijke voorwaarden een apotheek over

te nemen--je weet wat ik vroeger aan je vader beloofde--we spreken

elkander dan nader. Maar tot zóólang geen oproer alsjeblieft; er is

helaas genoeg gehaspel in de wereld."

"Dokter!" valt Thomas in: "op gevaar af dat ik u nog grief op den

koop toe: Ziedaar, ik moet het u zeggen: Moe en ik we kunnen, nee we

_willen_ het brood om Godswil niet langer eten. We willen van iemand

als u, die al werk hebt om zelf rond te komen... ja sinds u een vrouw

hebt die..."

Mevrouw Van Hake schrikt van Thomas' woorden, en heft--alsof ze een

storm wil bezweren--haar beide handen omhoog.

Helmond is opgestaan. Nu is zijn blik zoo gestreng als men dien zelden

of nooit van hem ziet.

"Zwijg Thomas! Niet verder! Als je me waarachtig een hart toedraagt,

zooals je nog straks hebt gezegd, en ik altijd geloofde, dan komen

zulke woorden niet meer over je lippen. _Sinds ik een vrouw heb_

Thom, ben ik voor alle menschen die ik hoogacht en liefheb, zooals

voor je brave moeder en voor een trouwen vriend zooals jij, _dezelfde_

gebleven."

"Och dokter, dokter! Mijn jongen meende dat niet!" smeekt mevrouw

Van Hake.

Thomas ziet strak naar den grond, 't Is nu alles verloren. O God! Hij

is een ezel, een gek! een ellendeling!

"Uw zoon meent het goed, maar hij dient van u nog te leeren mevrouw,

dat men niet alles zeggen kan wat men denkt. Kijk niet meer als een

arme zondaar Thom!--Hier is mijn hand. O! je hebt van oom Van Barneveld

wat al te veel fraais vernomen; ik begrijp het." Met klem: "Maar ik

zeg je, dat diezelfde vrouw mij ten stelligste heeft verboden--ofschoon

het natuurlijk ook mij nooit in de gedachte zou gekomen zijn--ik zeg:

diezelfde vrouw heeft mij _verboden_ om uw lieve moeder, op welke

wijze dan ook, zij het zelfs tegen een ruime vergoeding te bewegen

tot het verlaten van eene woning, waaraan zij zoozeer gehecht is. Die

vrouw, Thomas..."

"Maar dokter, mijn jongen zegt waarlijk niets tot Eva's nadeel; hij

is overtuigd, evenals ik, dat zij het hartelijk meent. Wij hebben er

de bewijzen van. Hij bedoelde alleen dat uw huishouding zooveel meer

kost tegenwoordig; niewaar Thom? dat u zoo _heel_ veel uitgaven hebt,

en dus... Spreek dan Thomas, 't Was goed bedoeld niewaar Thom?"

Van Hake antwoordde niet. Hij stond even strak te kijken, en schimpte

onhoorbaar met een bijna schreiende nijdigheid op zich zelven:

"Gek! Eigenwijs!--Leg een slot op je tong. Kuiken! Ondankbaar

schepsel!"

"Geef mij de hand Thomas, en leer te zwijgen."

Thom staart nog voor zich heen, maar eensklaps den blonden krullebol

opheffend, ziet hij den meester met zijn blauwe--nu droefgetinte oogen

zoo wonderlijk aan, en zegt op een toon waarvan een ijzeren hart wel

aan 't kloppen moest raken:

"Weet u wat ik op dit oogen blik zou wenschen...? Ik zou willen dokter,

dat uw vrouw gerust sliep op 't uiterste randje van een afgrond, en dat

er dan een paar tijgers aan den eenen kant en een paar hyena's aan den

anderen kant tot een sprong gereed stonden. Zie, en dan wou ik dat _ik_

er eens bij was, met een dolk of revolver in de hand! Sakkerloot! tegen

dat wild gespuis zou ik 't willen opnemen voor haar; ik zou..."

Nu speelde er weer een glimlach om Helmonds lippen.--Thom zou het doen:

hij meende het, de goede kerel!

"Genoeg!" valt hij in, terwijl hij den vriend nu bewogen de hand

schudt: "'t Zou Thomas, een vrij kritiek parquet voor je zijn, en

hoe hartelijk 't mag wezen, ik zou er mijn wijfje maar liefst niet

aan wagen. Ze moest onder jou heldenstuk eens verschrikt ontwaken en

van dien rand naar beneden storten. Ziezoo--je sanglante voorstelling

Thom, heeft ons weer een beetje vroolijker gestemd, en daar het al

laat wordt, eindig ik ons onderhoud. Hoor eens mijn beste mevrouw,

weet het nu wel en voor altijd: nooit zullen deze kamers zoolang

als ú leeft--en God spare u lang voor ons allen--_nooit_ zullen ze

door iemand anders dan door u en Thomas bewoond worden. _Uw zilveren

Minerva-beeldje is ons contract geweest._"

Thomas, eensklaps door Helmonds woorden tot de zekerheid gekomen dat

zijn aangebeden moeder--'t mocht gaan zooals het wilde--levenslang

in dit huis zal blijven, voelt een innige blijdschap zijn borst

doorstroomen, en terwijl hij toch aan dat grootste bezwaar denkt,

valt hij met een hartstochtelijkheid uit die wel eenigszins in strijd

was met den raad dien hij ging voordragen:

"Moe zeg, als je hier, _hier_ dan eens een _mutsenwinkel_ gingt doen!"

En ja, nu moest Helmond wel lachen alsof er vooraf niets anders

ware voorgevallen.

"Een mutsenwinkel!" herhaalt hij op eenigszins kluchtigen toon.

"'t Is een grandioos idee van je Thom! Nee voor trotsch m'n vrind,

hou je me zeker niet, maar zie, eer ik dulden zou dat _jouw_ moeder, de

vrouw van dokter Van Hake, _hier_ een mutsen..... Foei foei, we zouden

nog waarlijk aan 't lachen raken.--Basta! Ik moet naar huis.--A propos,

we hebben nog een klein misverstand uit den weg te ruimen....." Helmond

heeft een portefeuille te voorschijn gehaald, maar laat die vallen,

en vervolgt onder 't langzaam oprapen: "Men schijnt dus ook hier wel

eens te denken dat ik _boven_ mijn financieele krachten ga. Ik geloof

dat men zich daarover niet bezorgd hoeft te maken. Tot heden heb ik

nog alles kunnen betalen wat ik schuldig was, en voor 't overige..."

"Maar lieve dokter, wij vragen daar immers niet naar. Straks opperde

ik alleen het vermoeden....."

"We komen er nu maar niet op terug lieve mevrouw. Hier Thom zijn

twee briefjes van honderd gulden, hier.--Honderd en twintig moet je

er afhouden voor het verschenen kwartaal. Heb je niet weerom?"

"Ja maar waarachtig dokter, 't is te veel, 't is..."

"Als je me nu boos wilt maken Thomas, volstrekt...? Nu dan: ik

verzoek je mij quitantie van de _tweehonderd gulden ineens_ te

geven, de overblijvende tachtig schrijf ik op het volgende kwartaal.

Ik hoop dat dit je toonen zal dat men de beste vrienden kan zijn

zonder elkander _juist_ te taxeeren."

Thomas hoorde beweging in de gang.--Was de straatdeur open

gebleven?--Nu, dat gebeurt overdag wel meer. Hij ziet de gang

in.--Neen, er was niemand.

Nadat Helmond weinige minuten later vertrokken was, zag hij

Kippelaan op eenigen afstand voor het raam van een komenijwinkel

staan, waarachter echter niets bezienswaardigs was uitgestald. Tot

Helmonds verbazing, heeft Kippelaan zich haastig omgekeerd zoodra hij

den dokter bemerkte, en verdween hij om den hoek van een straatje,

zoo snel als zijn spillebeenen hem vervoeren konden.--Och die brief,

die waarlijk nog ongeopende brief met de drie lakken, hoe brandde hij

hem in den zak. Maar hoe hij 't er mee zou aanleggen!? Och goeje hemel,

hij wist het niet. Misschien zou 't toch maar het beste zijn om eens

eventjes te zien of de inhoud zooveel angsten inderdaad wel waard was.

Toen Helmond Kartenglimps woning voorbijging, zag hij hem juist de

deur uitkomen. Eensklaps gevoelde hij weer dat kloppen in 't hoofd

toen de majoor hem groetend terzij trad.

De majoor sprak van niemendal. Noch van het gebeurde op die conferentie

gisterenmiddag, noch van een der treurige voorvallen die in Romphuizen

een paar weken, of langer misschien, het hoofdgesprek zouden uitmaken,

geïllustreerd met allerlei zeer belangrijke maar meest tegenstrijdige

berichten omtrent dokter Helmond, zijn relaties, zijn fortuin en niet

het minst zijne vrouw. Inderdaad, de majoor was zonder eenige rancune;

zeer beleefd; gepast beleefd. Helmond gevoelt inderdaad eenig leed,

omdat hij dien man misschien niet altijd juist beoordeelt.--'t Is

waarschijnlijk nog steeds een gevolg van dien vroeger ontvangen indruk:

au fond poltron!--Nu ja, maar voor nummer één mogen oud-militairen

toch óók wel respect hebben.

"Salut! plezierige wandeling majoor;" zegt Helmond bij 't afscheid.

"Bonjour... Eh! wat ik zeggen wou! Altijd tot je dienst

hoor!" en Kartenglimp maakt een veelbeteekenend knipoogje:

"_altijd_ tot je dienst, 't Zal wel terecht komen, als eindelijk

de generaal... begrepen!?... Geen complimenten onder vrienden: a 5

percent. Gerust! Adieu!"

Weinige oogenblikken nadat Helmond straks zijn Eva verlaten had, is

Kaatje met een groote doos in de Oranje-zaal gekomen, de boodschap

er bijvoegende, dat de menheer uit Utrecht er was, met _dit_--en nog

een heelen boel meer.

--Ha! hoe heerlijk trof het dat August nú uit is. Hij vond die dingen

zoo licht vervelend. Juist, dit waren najaarsmantels volgens de laatste

Gracieuseplaten.--Een fluweelen mantel voor den winter kon ze nu meteen

bestellen, en dan--wat trof dat heerlijk--kleinigheden voor Woensdag

als men naar de Debecque's zou gaan. --Ja, voor eenige zaakjes in

't belang van 't geheim, daar mag ze ook wel aan denken. O! al ware

August zelfs thuis geweest, als ze maar 't eerst van de benoodigdheden

voor dat _laatste_ gesproken had, dan zou hij de rest _ook_ wel hebben

goedgevonden. 't Was inderdaad zoo'n beste man!

"U zult er dus voor zorgen?--Ja, met kant gegarneerd, eenvoudig

maar rijk."

"Zeer goed mevrouw, ik hou me dan maar aan den fluweelen mantel van

de gouverneursvrouw, die is bepaald rijk en deftig."

"Goed, in dat genre tenminste.--Overmorgen heb ik m'n jacquette

niewaar? We hebben morgen al September."

"We zullen ons best doen mevrouw.--Hoe vindt u dit wit cachemire? Mooi

voor sorties!--We maken ze voor al de eerste dames. Heel nieuwe

modellen."

Eva beziet de stof.--Haar sortie is nog goed; ja, maar met _rood_;

rood is zoo fameus opzichtig; blauw staat veel liever, veel fijner.

"Zou ie _vast stellig_ Dinsdag kunnen thuis zijn?"

"Als 't noodig was morgenavond mevrouw.--Jawel, uw taille _heb_

ik. Dus met _blauw_?"

"Maar als ie er Dinsdag _niet_ is, dan krijg j'em terug."

"Voor onze rekening mevrouw."

"Zijn dat foulards?"

"Och, eenvoudige zijden schortjes mevrouw, meer voor burgermenschen."

"Wacht die twee zal ik nemen; de meiden loopen altijd met zulke

verschrikkelijke tafellakens."

"Ja mevrouw, wij zeggen altijd: duurkoop, goedkoop; als de dienstboden

dat over 't algemeen begrepen dan zouden ze liever wat méér voor hun

goed besteden. Maar...!" De man trekt de schouders op.

"Maak jelui ook manskleeren?"

"In alle soorten mevrouw. We hebben zelfs kamerleden."

"Dus maak je livrei?"

"Zeerzeker mevrouw. Woudt u den knecht....?"

"Ja, dat is te zeggen, hij is nu uit; en 't is toch beter dat je

daar later met mijnheer over spreekt. Stuur Dinsdag modellen mee van

passement, rood met goud. We kunnen knoopen krijgen met.... met ons

wapen er op?"

"Dat is te zeggen, als u ze laat maken, zeerzeker mevrouw."

"Goud met een dwarsbalk en een kroon erboven;" zegt Eva zacht, en

onwillekeurig vluchtig blozend.

"'t Zal alles volgens mevrouw haar orders geëffectueerd worden."

"Ja maar dáárover dan een volgenden keer.--Denk aan Dinsdag. De sortie

in alle geval!"

Terwijl de reiziger straks, op iets gemeenzamer toon, de dienstmaagden

binnen de strijkkamer tot de bewondering van zijn goederen en

stalen dwingt, doet hij met de verzekering, dat mevrouw het over de

dienstboden geheel met hem eens was--namelijk "dat een meid niet beter

haar fatsoen en eer kan ophouden dan door zich wat degelijk en netjes

te kleeden"--Kaatje besluiten om "dan maar zoo'n fijne lakensche met al

die gitten te nemen--wel ja, ze vroeg toch om opslag als ie 'en graaf

was,--en Jaantje de keukenmeid, om er nog bovendien zoo'n "tierlantijn

in de lendens op te hangen.--Waarom niet; wat maalde Jaantje om 'en

riksdaalder; ze zag immers wel dat ze hier voor 't opscheppen waren."

't Was zonderling, zoo aanstonds heeft Eva aan rijtuig en livrei

gedacht, en zie--daar staat het nu werkelijk voor de deur. 't

Moet van een der buitenplaatsen zijn; een licht gentil rijtuigje,

heerlijk!--Hé! zulk een elegant wagentje met zoo'n paar ranke

paarden....! Al mettertijd; wie weet! Men moet met August niet alles

opeens begeeren.

Een weinig achter de zware meubelgordijn verscholen, kan Eva de

persoon zien die de paarden bestuurde, en nu wacht totdat men den

knecht die schelde zal hebben opengedaan.--'t Is een jonkman met

een zeer gunstig voorkomen, levendige oogen, donkerblonde haren en

een zeer langen lichtblonden knevel. Hij is eenvoudig maar smaakvol

gekleed.--Eva kent hem niet.

Met een snelle wending is de jonge vrouw naar de deur gegaan, en zegt

om den hoek tot Kaatje die ging opendoen:

"Als er iemand is die mijnheer moet spreken, zeg dan dat dokter zoo

aanstonds zal thuis komen."

"Bij u binnenlaten mevrouw?"

"Nee, in de _groote zaal_; en me dan zeggen wie er is."

Eenige oogenblikken later bericht de dienstmeid dat de luitenant

Hardenborg, de zoon van den baron van _De Poel,_ gevraagd had of

_mevrouw_ niet ontving.

"O! de zoon van menheer Debecque. Verzoek mijnheer hier te komen

Kaatje. Als ik schel dan breng je port en fijne glaasjes."

Zeer verdiept in de lectuur van een der prachtwerken, die zij van

een kleine tafel heeft genomen, zit Eva in haar fraaien voltaire bij

't raam, nu Archibald Hardenborg binnentreedt.

--Te droes! denkt de jonge luitenant, nu hij door Eva zeer minzaam maar

toch eenigszins hoog-elegant wordt verwelkomd: te droes, die dokter mag

tevreden zijn. Waarachtig, daar zijn de mooiste Parisiennes niemendal

bij. En jawel, voor een dokter woont dat hier in een aardig stulpje! De

oud-burgemeester sloeg het deksel van z'n kist stuk, louter van plezier

als ie zag hoe prachtig men hier zijn oud foedraal heeft opgeknapt.

"Met schaamte beken ik mevrouw, dat het mij bijzonder lief is u te

mogen ontmoeten;" vangt Archibald aan. Hij zet zich op een stoel dien

Eva hem aanwees, en vervolgt: "Een onverwacht opgekomen uitstapje

naar Parijs, was oorzaak dat ik mijn bezoek--nadat ik u niet thuis

mocht vinden--eerst nu hervatten kan. Haastige vrienden hebben geen

ooren voor afscheidsvisites. En toch had ik dit vóór ons vertrek,

behalve in mijn eigen belang, uit pure dankbaarheid zoo gaarne gedaan,

want, zonder de trouwe zorg van dokter Helmond zou ik zeker 't graf

van Abélard en Héloïse niet gezien hebben--hetgeen me trouwens zeer

zenuwachtig maakte--noch de mooiste vrouw van Europa op één na. Ik

dacht dat keizerin Eugénie de mooiste was."

"Ah ja, u hebt een reisje naar Parijs gemaakt. Helmond heeft me dat

gezegd..... Lieve stad niewaar?"

"Interessant, fameus! De Notre-Dame, 't Café Riche, de Louvre,

Lodewijk XIV op allerlei manieren! De groote Napoleon op de punt van

een naald!--_Lief!?_ Jawel bij avond _heel veel liefs_, maar meest

doré au feu. 't Valt minder in mijn smaak."

Eva vond het heerlijk over haar ideaal te kunnen spreken met iemand

die er pas geweest was, die er zoo vroolijk over kon praten, en van

wien ze mede wist dat hij een degelijk jongmensch was.

"Maar op gevaar af wat indiscreet te worden," zegt Archibald ten

laatste, niet zonder een weinigje ironie: "wanneer mevrouw Helmond

zich waarlijk zoo sterk gevoelt dat ze wel aanstonds opnieuw dat

reisje zou kunnen maken, en dokter, zooals u zegt, gemakkelijk

wanneer hij 't wilde een week of drie kon uitbreken, dan--neem mij

niet kwalijk--dan is het toch wel hard voor de ongelukkige familie

Debecque, om te moeten vernemen dat er bij dokter Helmond en zijn

lieve vrouw zoo weinig sympathie voor haar partij bestaat."

Eva bloosde vluchtig terwijl ze glimlachend inviel:

"Maar menheer Hardenborg, _wie_ heeft u dat verteld?"

Er volgde een ophelderende verklaring, die den luitenant volkomen

bevredigde. Immers aan zooveel vriendelijks als mijnheer Archibald

haar achtereenvolgens heeft gezegd, en voornamelijk over haar lieven

man, had zij geen weerstand kunnen bieden.--Nu ja, dat briefje

was geschreven op een oogenblik toen Helmond nog al hoofdpijn had,

maar als hij wist dat het mede een fête zoowat ter zijner eere was,

ja dan waagde zij niet te veel om mede uit _zijn_ naam alvast de zeer

beleefde uitnoodiging aan te nemen.

Archibald zegt dat hij nu gerust zijn ontslag uit den Nederlandschen

dienst kan nemen, want gelukkiger overwinning dan deze zou er toch

nooit te behalen zijn. Mevrouw moest weten dat hij geadviseerd had

om de heele Romphuizer noblesse--waarmee hij dan later wel eens

perceelswijze kon kennismaken--maar stilletjes thuis te laten en het

feest in de doos te doen, wanneer "de bloemen die men voorop dacht

te zetten er aan moesten ontbreken."

"Ha! ik zie daar Helmond het marktplein opkomen;" zegt Eva, die juist

naar buiten zag dewijl ze vreesde dat de overstelpende zaligheid die

haar borst doorstroomde, en waarvoor ze geen naam had, misschien

wat al te duidelijk op haar gelaat zou te lezen zijn.--De familie

Debecque, de eerste uit den omtrek, gaf een partij aan de noblesse

van Romphuizen, maar ze zouden die partij _niet laten doorgaan indien

dokter Helmond en zijn vrouw daarvoor moesten bedanken_!!!

"Ah juist!" zegt Hardenborg: "'t Doet me recht veel plezier dat ik

hem eens weer de hand zal mogen drukken; 't is een juweel van een

dokter. Natuurlijk, juweelen behooren bij elkaar. Weet u ook mevrouw,

wie de snaak is waar dokter nu afscheid van neemt?"

"Dat is de majoor Kartenglimp;" zegt Eva, terwijl ze opstaat en

schellen gaat.

"Kartenglimp! Kartenglimp!? Onbekend! Maar een gezicht dat men

meer heeft gezien. Hij lijkt wel wat op den beer in De Jagers en

het Melkmeisje, of op den wolf in Roodkapje. Wacht," hij haalt een

zakboekje te voorschijn: "Jawel, juist, papa heeft niemand vergeten:

_de majoor Kartenglimp_!--Prompt we zullen zijn kennis maken."

"Ha, ha, daar is onze dokter!--Wel hoe gaat het mijn brave

clairvoyant. 'k Heb te Parijs alle middagen een extra glaasje op je

gezondheid gedronken, en merk dat het je geen kwaad heeft gedaan. Je

ziet er best uit, tenminste...."

"O ik ben heel wel luitenant, dankje.--Goed geamuseerd?" zegt Helmond

die inmiddels zijn Eva een zoen heeft gegeven.

"Voortreffelijk!" zegt Archibald, en dan: "Nu spijt het me alleen

maar mijn brave dokter, dat ik je ook van een minder mooie zij moest

leeren kennen. Foei, om mij nu het feest te willen ontnemen dat le bon

papa zoo mooi georganiseerd had. Maar 't is mis: Mevrouw heeft me al

heelemaal gerust gesteld. Papa krijgt Woensdag de polonaise; dokter

Helmond de wals; en je onderdanige, als het niet al te indiscreet is,

nummer drie van het programme du bal."

"Ei ei!" zegt Helmond, door den opgewekten toon van den vroolijken

luitenant, met zijn open en eerlijk gezicht, weldadig afgeleid:

"Ei zoo, is dat alles in dien korten tijd al zoo vast bepaald?"

"Menheer Hardenborg anticipeert wel een beetje op onze dans plannen;"

zegt Eva lachend: "Maar wat de partij betreft, ik wist immers dat je

het goedvondt August, 't Was bezorgdheid voor mij, zooals ik u zeide

menheer Hardenborg, en Helmond had ook wat hoofdpijn. Maar nu, niewaar

lieve man, nu zijn we heel wel, en de lust ontbrak mij zeker niet."

"En mijn stelling is zeker zeer weinig gewaagd," zegt de luitenant:

"dat een wensch van mevrouw Helmond, een wet voor haar man is?"

Helmond beviel de wending van het gesprek niet bijzonder. Ofschoon

hij Hardenborg kende, en na alles wat hij van hem vernemen mocht,

zich overtuigd hield dat hij een brave edele jongen was, zoo speet

het hem toch dat een aangeboren courtoisie, waarschijnlijk geprikkeld

door Eva's schoonheid, hem deed voortgaan met Eva's zwakke zij te

streelen. Ongetwijfeld moest zij den jongen Hardenborg reeds een hoog

denkbeeld van hun fortuin hebben doen opvatten, althans op luchtigen

toon--zonder te vermoeden dat hij hier olie in het vuur wierp--ging

Archibald voort om naar aanleiding van zijn laatste uitstapje, of

als een gevolg van het gesprek over zijn nette equipage, die nog voor

de deur wachtte, ten behoeve van de schoone doktersvrouw op Helmonds

schuldenlijst te stellen: een toertje naar Parijs nog vóór den winter,

en dan, een paar makkelijke lieve rijtuigen met een flink span mooie

schimmels.

August had weer hoofdpijn toen de vroolijke prater--met de zekerheid

dat Helmond en zijn prachtig vrouwtje het feest zouden bijwonen--in

gestrekten draf het marktplein over en naar huis reed.

Eva vond het waarlijk een alleraardigst mensch, en August moest nu

ineens niet zoo ijselijk ernstig kijken. Immers dat reisje, ze denkt

er niet aan; nee, ze vindt het nu al heel prettig dat men Woensdag

het feest op _De Poel_ zal bijwonen. En dan, ja.... Helmond moet dat

nu maar goedvinden.... een grandiose partij op haar jaardag moeten

ze geven, een afdoener ineens.--Nee, anders niets!... Als Bus--of

een betere huisknecht, nu maar eerst zoo'n eenvoudig livreipak heeft

niewaar, vóór de partij, dan praten ze ná den jaardag samen wel eens

heel ampeltjes over dat idee van Hardenborg.

"Idee van Hardenborg?"

"Nu, je weet wel....?" En, ijlend naar de piano, brengt ze na een

krachtig accoord, eensklaps haar helder geluid tot de hooge Gis

en zingt:

"Vooruit postiljon, met uw brieschend gespan;

"Laat schallen den hoorn;

"Doe spannen den reep

Door de klappende zweep;

"En voer me in het dons van den zachten karos,

"Langs heuvel en bosch,

"Naar 't heil van mijn leven:

"_Den lieven man_!"

En zie, terwijl zij nu een oogenblik later naar hem terugsnelt, en

den dierbare met haar armen omstrengelt, ja, waarlijk, nu glimlacht

ook Helmond weder; nu glimlachte ook hij, de lieve, de beste, de

_gulle_ vriend.

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 55 / 85 题