"Nee, roepen niet. Maar ik zie je den Hoenderveldschen kant opgaan,
terwijl je daar brieven voor de post hebt...."
"O wou _jij_ die voor me bezorgen! Jongens ja, dan zou je 'en
bolletje zijn."
Kippelaan heeft een sterk bewijs van aarzeling gegeven:
"Bezorgen!--_tuterletu! bezorgen!_ Wát zeg je, _deze_
frankeeren!--ei!--Ja maar m'n lieve Kaatje, je begrijpt...."
Eensklaps, nadat hij vlug de adressen had gelezen--waarom 't hem
inderdaad voor 't oogenblik slechts is te doen geweest--neemt hij de
brieven met een merkbare gejaagdheid van Kaatje aan; steekt ze zeer
haastig in den zijzak van zijn jas die hij aanstonds dichtknoopt,
en Kaatje groetend stapt hij haastig voort.
Weinige minuten later bevindt Kippelaan zich met de beide brieven op
zijn slaapkamer, die de achterste is der beide bovenvertrekken welke
hij bewoont, en onder andere dit verschil heeft met de zitkamer, dat
hier slechts twee, en vóór--behalve een kleintje--drie spionnetjes
uithangen.
Kippelaan had het onbeschrijfelijk warm. De gordijn voor het venster
wordt neergelaten. Ontelbare malen heeft hij van dat venster naar de
deur gezien.--Ha! nu was het gevonden! Twee stoelen worden er tegen de
goed gesloten deur gezet, en, dwars over die stoelen ligt al spoedig
het beddetafeltje, beladen met zooveel wit en blauw aardewerk als er
maar voorhanden was en op den zijkant kon geplaatst worden.
In 't sleutelgat der deur zit een watje.
--Phu! Kippelaan krijgt het waarlijk al te benauwd.--Wil hij
kwaad!? Waarachtig niet! 't Is zoo goed als een bestiering. Jawel,
een _bestiering_! Praatjes, allemaal praatjes werden er
rondgewauweld.--Kippelaan kan dat gewauwel niet velen--en een weldaad
zou het voor de familie Helmond en aanverwanten zijn, indien men
uit echte bron aan al die praatjes een eind kon maken. En, _twee_
brieven van den dokter zelf zullen alles bevatten wat men te weten
noodig heeft. Welzeker, familie-omstandigheden zal men vernemen uit
den brief aan juffrouw Van Barneveld--het ideaal enfin,--en financieele
zaken uit een brief met drie lakken naar de groote koopstad.
Ofschoon zedelijk verplicht tot de inzage van brieven, die hem
"zoo ongezocht in de handen werden bestierd", aarzelt Kippelaan
toch, aleer hij tot de voorgenomen operatie besluit, 't Was anders
doodeenvoudig; de spiritusvlam onder de bouilloir brandt fiks, en het
theewater dat alreeds van de kook was geraakt, begint weer te razen
dat het een lust is. En zie, terwijl de brief aan Jacoba, die in
een gom-couvert was gesloten, nu reeds op den geopenden ketel ligt,
steekt Kippelaan ter ontzegeling van den gelakten brief, een mes in
de groote spiritusvlam, meenend dat het hem gemakkelijk zal vallen
door middel van een gloeiend mes, de zegels, zonder de stempels te
beschadigen, wat los te maken.--Er stond hem zoo iets van voor.
Gedurig naar de gebarricadeerde deur, en een paar malen zelfs naar het
donker onder zijn ledikant ziende, heeft Kippelaan nu reeds--ofschoon
met eenigszins bevende vingers--den brief van Jacoba uit het losgelaten
couvert genomen. En.... hij zal smullen:
"Lieve Jacoba, beste zusje!"
--O God wat is dat!? Men klopt op de deur:
"Hé! Watblief? Wie is daar?"
--Heeft hij goed gehoord, zijn ze daar om de brieven!.... O goeje
God!..... Watblief!?"
"Kan ik er niet in; scheelt er wat aan?" roept men van buiten.
"Nee niemendal.... Een beetje ingeslapen!"--Lieve hemel! Het klamme
zweet parelt hem onder den neus. Jacoba's brief is reeds tot een bal
ineengefrommeld.--Waar blijft hij er mee.....? Ha! In den ketel! Voort,
zóó, het deksel er op!
"Maak 'em open menheer!"
--Openmaken! Nee waarachtig niet! Althans hij heeft geen idee gehad
om er iets uit te nemen.
"Maak de deur dan eens open menheer!"
"De _deur_! Ahzoo. Jaja! Dadelijk hoorje."
--Nee, dien brief met waarde in den ketel te stoppen, dat ging
niet.--In 't bed! onder de matras, tot nader order. Goeje hemel,
hij beeft over al zijn leden.
Kippelaans hospita hield er een looper op na "voor zekere gevallen,
weet u, dat er een sleutel zoek was. Ze heeft dien looper maar even
gebruikt omdat menheer waarschijnlijk iets scheelde. En, terwijl ze nu
met fermeteit de deur opent teneinde te zien wat Kippelaan weerhield
om den brief aan te nemen dien ze hem brengen kwam, geeft de dikke
hospita een gil van ontzetting, want, met een vreeselijken slag,
die haar gansche woning deed dreunen, sloegen honderden scherven van
glas en aardewerk met beddetafel en stoelen voor de voeten van den
rillenden Kippelaan neer.
Intusschen heeft Kaatje, van haar Careltje, die trouwens een groote
Carel is, een heeleboel nieuws vernomen. Ten eerste vernam ze "met
ijzing" 'tgeen er van _De Schebbelaar_ bekend werd, en hoe er over
de handelwijze van haar heer en meester wordt geoordeeld, 't Was God
geklaagd om iemand zoo aan z'n eigen over te laten, en willens en
wetens met een gerust hart de eeuwigheid in te sturen. Als er zóó met
het rijke volk als Dirksen wordt geleefd, zei Careltje, dan kunnen
menschen als wij en ons-gelijken wel op de vingers natellen hoeveel
we zoo'n dokter waard zijn; hij mag dan zoo knap wezen als de neef
van menheer Kippelaan."
"Ja, maar Kippelaan zei al gisterenavond dat ie 't vak voor z'n
pleizier dee;" verzekert de molenaar die mede aan de bakkerij was
gekomen.
"Maar dat is juist het gemeene;" herneemt Careltje, en wrijft met zijn
"natuurlijken arm" een kruimel deeg van de wang: "Als dat dan waar
is--zooals gisterenavond de smid ook al gehoord had--dat ie namelijk
een vondeling en 't kind van een schatrijken graaf zou wezen, dan
zeg _ik_ dat zoo'n man d'r uit moest scheien met tongen te bekijken
en de menschen naar de eeuwigheid te helpen."
"Een graaf!" zegt Kaatje, vuurrood geworden: "Is hij een graaf! Ben
ik bij een.....?"
"Jawel, dat zeggen ze allemaal. 'En mooi ding! 'En graaf met 'en
apetheek. 't Is schande!"
"Voor vier duiten drop!" grinnikt de molenaar.
"Nee maar gekheid is gekheid;" herneemt Careltje die geen
gekheid verstaat: "Ze hebben--niewaar Kaatje--gisterenavond visite
gehad?"--Kaatje knikt--"Zie-je, gesmuld en gebrast! En dan intusschen
iemand te laten doodkrimpen die, zooals ze zeggen, Godsterwereld
niks mankeerde, en dat omdat meseu de dokter z'n eigen liever op zijn
gemak zet."
"Nee Careltje, gemakzuchtig is ie niet, da's niewaar. Ik zie 'em
tegenwoordig dikwijls heen en weer draven naar dien wal dat ie d'r
bleek van wordt. En dat moet ie om die aptheek. Ik zei: as ie 'm in
z'n huis nam; zoo'n kazerne van 'en huis! maar daar heeft mevrouw
geen zin in. Nee gemakzuchtig, nee!"
"Maar ik zeg," valt Careltje in, terwijl hij, om Kaatje niet af te
stooten, haar met den natuurlijken arm om den hals pakt: "ik zeg
dat jij gelijk kunt hebben, maar dat ik gelijk heb ook; of zou je me
willen aanpraten om ooit weer 'en dokter te roepen die, God beter't,
binnen ééne twaalfuur tweemaal naar zich fluiten laat?"
"Tweemaal?"
"Ja waarachtig meid;" valt de molenaar in: "Weet je dát nog
niet? Vrouw Sturk heeft ze van morgen tegen halfdrie ook al genacht
gezeid.--Verknoeid! 't Was niet alles in orde. Van Hake de bediende--je
weet wel--had verteld dat z'n baas ziek was, en geraden om vrouw
Spanning te halen..... Maar jawel, 't is verschrikkelijk! Toen dokter
dan eindelijk toch om 'en uur of twee was komen aansukkelen, toen
had de kuiper juist in woede vrouw Spanning de deur uitgesmeten.
"Heere beware!" zegt Kaatje.
"Ja, en wat het ergste was: van de kunst was er geen heil meer te
wachten. Gekonfiskeerd! 't Mot er toen gerookt hebben van belang,
en ze zeien dat Sturk hem een pak slaag had gegeven, niet gering!"
"Nee, da's gelogen!" valt Careltje in: "Menheer Kippelaan, die voor
een half uurtje hier even aan 't raam was, wist alles precies van Mie
de schoonmaakster: Sturk zou dokter zeker aan 't huis zijn gekomen,
maar menheer Van Hake had hem tegengehouden, en een oogenblik later
gelegenheid gevonden met den dokter door een zijdeur te ontkomen. Van
Hake moet nog een leelijken veeg hebben gekregen. Maar 't was ook
meer dan erg! Zoo'n wurm van een vrouw......!"
"Nee maar 't is gruwelijk! 't is helsch zeg ik," herneemt de molenaar:
"'en leelijken naam hêt ie ook: _Hel-mond_!"
"Ja Dores, daar heb je wel gelijk aan, al 'en heel gemeene!" bevestigt
Careltje.
"Maar als de dokter dan toch ziek was!" zegt een bakkersknechtje,
die met een langen stok waaraan de natte ovendoek zit, het groepje
in de deur der bakkerij was genaderd.
"Ziek! wát ziek!" zegt Careltje: "als je ziek wilt wezen dan moet je
geen anderen willen gezond maken!"
"Maar hij was niet ziek," roept Kaatje, half in den waan dat ze dokter,
met wien ze toch medelij heeft, door die verzekering nog eenigszins
in zijn eer zal herstellen: "Hij is gisterenavond zoowat om half elf
in huis gekomen; heeft--omdat mevrouw al naar bed was--op z'n kantoor
smakelijk een boterham gegeten, en is toen doodbedaard brieven gaan
zitten schrijven, blijkens dat er van morgen _drie_ waren om naar
de post te brengen...." Kaatje heeft bij deze laatste mededeeling
eensklaps een kleur gekregen; maar men bemerkt het niet.
"Wat heb ik gezeid!? wát!" valt Careltje uit: "Zie je wel dat ie niet
ziek was! De meid van Sturk die den dokter om twee uur ging halen
wou het liegen heeten; maar d'r was _licht op 't kantoor_! Menheer
Kippelaan had het van Hent den klepperman zelf gehoord; en _ik_ zeg:
d'r brandt geen licht om twee uur op 'en kantoor of d'r moet iemand
óp zijn!"
"Nee nee," stemt het uit aller mond: "dat spreekt vanzelf; dát is
bewezen! 't Is schandelijk! Wie zou zoo'n dokter vertrouwen!"