ZEVEN EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Des anderendaags morgens ging Bus, de nieuwbakken huisknecht--die toch

zijn oude functies bleef waarnemen--reeds zeer vroegtijdig naar het

nieuwe doktershuis. Het was tegenwoordig halfvijf wanneer hij aan de

tuinpoort schelde--niet om de meisjes "die katten" te doen opstaan,

maar om ze de rust te gunnen wanneer ze hem maar, inplaats van open

te doen, den sleutel van bovenneer toewierpen.

't Zoldervenster werd eenige oogenblikken later geopend, en de

nachtmuts van Kaatje, waarin een aardig ondeugend gezicht stak,

vertoonde zich in de hoogte, en Kaatje wierp hem den sleutel toe.

"Zoo, ben je daar ouwe palfrenier. Pak aan! Klets.--Da's jammer, 't

was op je neus gemunt. Ons roepen om zes uren hoorje! Een kwartiertje

erover is ook goed. Zorg dat je water voor onze koffie hebt, taaie! En

zie wat er op de lei staat. Bezoer!"

Bus zag wat er op de lei stond:

"Daadelijk die briev in je naamgenoot bezorgen ouwe slaaprok."

--k'Hem!--Bus vond den brief bij de lei liggen. Aan 't adres van

mijnheer Debecque. Ja die moest vroeg bezorgd worden, en hij zal hem

dan maar 't eerst naar zijn "naamgenoot" brengen--k'hem--maar wat er

op die lei staat dát zal nog eerder weg: En Bus veegt de lei schoon.

Toen Kaatje een paar uren later dokter en mevrouw ging "kloppen",

toen was mevrouw reeds bij de hand, want ofschoon zij nog geheel

in nachttoilet was, aanstonds opende zij de deur der slaapkamer,

en gaf Kaatje bevel om het briefje aan mijnheer Debecque, dat dokter

gisterenavond gegeven had, nog niet weg te sturen, maar wel de twee

brieven, die nu op het portaaltafeltje lagen. Kaatje moest goed

toezien, de brief naar Amsterdam moest worden aangeteekend zooals

dokter gezegd had.

Voorts zouden de meiden immers wel _heel, heel_ stil zijn, want dokter

is bijna den ganschen nacht uit geweest, om vier uren thuis gekomen

en nu pas ingeslapen. Mijnheer had ook dit recept voor zich zelf

geschreven; Bus moest er dadelijk mee naar mijnheer Van Hake gaan,

en dan meebrengen 't geen deze hem geven zou. Tegen acht uren zou

hij mede een vigilante bestellen, want dokter moest vroeg naar _De

Schebbelaar_. Maar sust! geen leven, en vooral geen geklop meer.

--Wel heerejee, zegt Kaatje bij zich zelve, nu haar mooie mevrouw de

deur weer dichtdoet: Zukke kinders! wat al complimenten! Wel heerejee,

kun je ook nog meer in één adem een mensch op z'n lijf jagen!--Bon,

best, 't zal allemaal plaats hebben; maar als Bus al die viezevazen

moet doen, dan kan Kaatje messen slijpen en aardappels schillen en

schoenen poetsen. Mersie zeit de Franschman; we kunnen dat luchtje

zelf wel scheppen. De brieven da's één; 'en wandelingetje naar Zoethout

is twee; 'en viselantje is drie, en--Careltje van den bakker da's vier.

"Waar heb jij dat briefje voor Debek Bus?"

"Al bezorgd Kaatje."

"Domme eend; dat moest niet."

"En 't stond op de lei?"

"Nu taaie, wat is 'en lei! Als 't _schrift_ was; maar leischrift kun

je immers uitvlakken."

Bus had Kaatje wel eens eventjes met dien schoenborstel...... maar.....

't Is gelukkig voor Kaatje dat ze er zoo schalks uitziet en zoo'n

mooie rooie kleur heeft, want anders: "'t is een dierazie!"

Kaatje vond de morgenlucht allerverkwikkendst. Met den huissleutel

boven op de beide brieven; een schoonen boezelaar vóór, en een hagelwit

mutsje op, stapt ze zeer langzaam het marktplein over. Wat zou ze

_eerst_ doen?--Dat eind naar de post lag uit den weg. Careltje van den

bakker stond nu zeker met de mooie forsche armen--zoo natuurlijk--in

de bakkerij voor 't open raam aan den wal; niet ver van Zoethout;

niet ver van de vieselantes. Zal ze eerst de brieven bezorgen? Maar

als Careltje dan eens in dien tijd gedaan had.... Ze zal de brieven

't laatst bezorgen, welzeker, da's sekuurder.

"Goeje morgen vrijster! Kaatje van dokter Helmond niewaar? Iets

verloren? Je stondt zoo in gedachten. Toch alles wel thuis?--Zoo

vroeg al op 't pad!"

"Wat meen je menheer?" vraagt Kaatje strak.--'t Was de klok.

"'k Zal 't je zeggen. Juist op weg om even bij jelui

aan te loopen. Gisteren gehoord, dokter niet heel fiksch

was. Watblief? Treurig geval met boer Dirksen niewaar? De heele stad

vol van. Je zult er alles van weten."

Kaatje wist van niets; maar van dien gek met z'n spillebeenen begeert

ze niets te vernemen.--Careltje kwam toch óók overal en wist evengoed

alles.

"Of dokter van nacht al of niet is uitgeweest?" herneemt Kippelaan:

"Watblief? 't Is maar eenvoudig een vraag. Vrouw Sturk, je hebt het

gehoord; treurig afgeloopen niewaar?"

Kaatje brandt van nieuwsgierigheid om al het nieuws te hooren

waarvan ze niets vernam, en waar haar meester zoozeer in betrokken

schijnt. Maar van die klok met z'n gewauwel wil ze niets weten. Ze zal

'em in 't riet sturen, en dan als de wind naar Careltje!

"Om je de waarheid te zeggen menheer Kikkelaan...."

"Kippelaan m'n lieve meid! _Kippelaan_, Jules Janin!"

"Juist, ik wou maar zeggen dat de dokter zoo gezond is als 'en visch;

dat ie den heelen nacht rustig heeft geslapen, en ook nog in lange

geen plan had om op te staan. Nee, in't geheel niet. Nou, als jij,

menheer Kikkelaan, zoo'n jonge vrouw hadt, dan... Atjuusjes!"

"Kaatje, m'n lieve.... à propos?"

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 53 / 85 题