Op zijn studeervertrek gekomen heeft Helmond eenigszins gejaagd het
werk verricht, 't welk hem nog te doen stond. Daarmede gereed, schelde
hij, opdat men alvorens naar bed te gaan, het avondbrood zou wegnemen
'twelk Eva op zijn kamer heeft laten klaarzetten.
De oudste der beide nieuwe dienstboden--op 't stuk der dienstboden
is men in de luttele maanden sedert het huwelijk mede zeer
vooruitgegaan--de oudste dier beide nieuwelingen komt al spoedig
met een paar brieven in de hand de studeerkamer binnen, en 't is wel
aan haar oogen te zien dat ze dokter--die natuurlijk een huissleutel
heeft--straks niet heeft gehoord toen hij in zijn woning terugkwam.
Van de beide brieven is er een zonder postmerk, aan het adres van
Monsieur et Madame Helmond-Armelo, en een met het postmerk Amsterdam,
aan Dr. A. Helmond.
Dat kleine briefje kon Helmond even inzien. 't Droeg wel de sporen
alsof men gepoogd had het open te maken; maar hij verkeerde nu in
geen stemming om dit te onderzoeken, en mocht hij al een oogenblik
't voornemen hebben opgevat om zijn nieuwe dienstboden tegen een
"al te groote belangstelling" te waarschuwen, hij heeft de eenvoudige
waarheid niet gegist dat het briefje der Debecque's waarvan het omslag
slechts weinig had vastgekleefd, gemakkelijk na de lezing door Eva
weder was dichtgemaakt.
En dat schrift bevatte de uitnoodiging tot het bijwonen van een feest.
Op dit oogenblik is er zeker niets, 't welk Helmond meer tegenstaat
dan het denkbeeld om feest te vieren. Hij ziet die treurende weduwe
van _De Schebbelaar_; dien zwager met zijn boosaardig verwijt!--Neen
het kan niet. Bovendien met Eva, in haar omstandigheden, dient men wat
voorzichtig te zijn. Ze heeft een zenuwachtig gestel. Erheen rijden;
feestvieren tot laat in den nacht, en dan zulk een rit terug.....!?--Nu
ja, maar die zorg is toch overdreven. 't Zal zeker een mooi feest
zijn ter eere van Archibald; en Eva zal gaarne.....
--Maar het verstand zegt: blijf rustig thuis! En dan wat al kosten
opnieuw! Voor zulk een avond zal er zeker weer 't een en ander aan
het toilet ontbreken: Allereerst witte handschoenen. Bovendien,
de vigilante--ook terug in den nacht--zal minstens drie gulden
kosten, plus de verschillende fooien!--En dan de praktijk! Nee,
peinst Helmond voort: Eva weet er nu toch niets van; als ik 't maar
aanstonds afschrijf, en later als reden opgeef--bijvoorbeeld vrouw
Sturk, 't geen immers mogelijk is, dan zal alles wel goed zijn. Ja,
Eva kan en mag er niet op aandringen; haar geheim; haar tevredenheid
in het mooie huis.....
--Misschien, ja misschien zal ze toch een heel klein beetje boos zijn!
--Nee, ze zal daar niet over tobben; nee!
Ofschoon Helmond weinig schrijflust gevoelt, hij zet zich toch
aanstonds voor zijn nieuwe zeer fraaie schrijftafel--die door Eva op
zulk een heerlijke studeerkamer volstrekt noodzakelijk was geoordeeld
--en schrijft aan de familie Debecque: dat men door bijzondere
omstandigheden verhinderd is van de zeer beleefde uitnoodiging gebruik
te maken. Aan de dienstmaagd, die straks goeden nacht komt zeggen,
geeft Helmond het briefje, met bevel dat Bus het morgen zoodra
hij komt, voor den vroegbode bezorgen zal. Kaatje zou immers wel
voorzichtig zijn, en het briefje _volstrekt niet kreukelen_!? Den
grooten brief uit Amsterdam waarvan de hand op 't adres hem onbekend
is, besloot Helmond eerst den volgenden morgen te lezen. De hoofdpijn
was wel niet erger, maar in alle geval zal 't beter zijn om nu rustig
naar bed te gaan. Waarom nog meer in 't hoofd te halen dan er nu
reeds in woelde en spookte.--Helmond beziet nog even het adres. De
hand gelijkt iets op die van zijn ouden vriend Woudberg, wien men nog
op de huwelijksreis een bezoek heeft gebracht.--Even wil hij zien of
hij zich niet bedriegt. _Lezen_ zal hij hem in geen geval.
Nu Helmond den brief geopend en de onderteekening inderdaad
voor die van zijn ouden academievriend heeft herkend, nu zou hij
toch bij zijn besluit zijn gebleven indien niet een paar woorden,
waarop toevallig zijn oog is gevallen, hem aanstonds daarvan hadden
teruggebracht. De woorden "_uw diep ongelukkige broeder_", ze hebben
hem hevig aangegrepen en wel tot lezen gedwongen.--O groote God,
ook dit nog! zegt Helmond bijna hoorbaar:
"..... zoodat er naar men mij verhaalde letterlijk gebrek
werd geleden," leest Helmond voort, terwijl hij den brief als
't ware verslindt: "Voor drie weken ongeveer besloot ik mij
zelf te gaan overtuigen wát er van waar mocht wezen. Ik begaf
mij naar zijn woning. Philip ontving mij tamelijk koel. Hij
vroeg mij aanstonds of ik namens den generaal Van Barneveld
of namens u kwam. Op mijn antwoord dat zulks niet het geval
was, verzocht hij mij plaats te nemen, want, voegde hij mij
toe: Indien gij uit naam van "iets uit Romphuizen" kwaamt,
dan zou ik u verzoeken mij liefst niet op te houden.
"Ik verzwijg u niets Helmond, want het is noodig dat ge weet
_hoe_ ge tegenover uw broeder staat, alvorens gij iets ten
zijnen behoeve zult besluiten.--Toen ik plaats had genomen,
verhaalde ik hem openhartig wat ik van terzijde vernam. In
den aanvang aarzelde hij zulks te bekennen: maar eindelijk
moest hij toestemmen dat hij het bitter ellendig had. Nu,
't was den armen duivel wel aan te zien. Zijn altijd geestige
oogen fonkelden nog wel, maar bijwijlen was er een matheid
in zijn blik, zeer in harmonie met de bleekheid van zijn
broodmager maar altijd toch nobel gelaat.
"'t Was roerend August, toen hij met een bevende stem en een
traan in de oogen, maar tóch met een ruwen uitval bekende,
dat bij zelf wilde honger lijden en zich laten vertrappen als
het wezen moest, maar dat hij krankzinnig zou worden indien hij
zijn vrouw en kind moest zien gebrek lijden en verachten door
een wereld vol bekrompen laagheid. Toen, August, greep ik zijn
hand, en sprak hem van menschen die het goed met hem meenden;
van u en den generaal. Wat hij antwoordde meld ik u niet
omstandig. Genoeg, hij dacht er niet aan om eenige hulp van
u aan te nemen. Liever zou hij--doch waartoe meer. Eensklaps
was hij opgestaan, en vroeg mij op een gansch anderen toon:
wie mij eigenlijk tot hem gezonden had of het recht gegeven om
mij in zijn huiselijke aangelegenheden te komen mengen?--Nu ja,
in den beginne was hij zooals hij zeide, door mijn hartelijken
toon wat zeer vertrouwelijk geweest, maar wanneer ik nu tóch
gedurig van u en den generaal sprak, dan bekroop hem de vrees
dat ik een poging waagde om hem tot een stap te bewegen,
dien hij _laag_ moest noemen; immers liever zou hij zich met
vrouw en kind in het IJ werpen, dan van menschen die zich
voor zijn dierbaarste schaamden, zelfs een groet te willen
ontvangen. Tot mijn leedwezen August, kom ik er reeds toe om
u bijna letterlijk Philips woorden terug te geven, doch het
geschiedt opdat gij levendig gevoelen zoudt, dat de hulp van
uwe zijde zóó zal verleend moeten worden, dat Philip gelooft
van een gansch anderen kant te zijn geholpen. Nadat ik den
armen vriend wat kalmer had gestemd door hem nogmaals te
verzekeren dat ik hem geheel uit eigen beweging was komen
zien, verhaalde hij mij de hoofdoorzaak zijner "voor 't
oogenblik nog al moeielijke omstandigheden." Dewijl hij zich
op zijn bureel, bij 't meesttijds verrichten van armzalig
kopiëerwerk, somwijlen eenige vrijheden had veroorloofd,
ja zelfs een stuk--'t welk hij meende dat toch nooit gelezen
zou worden--in Alexandrijnen had gesteld, was hij door een
"ploert" vervangen, die in gemoede den inktmop kopiëeren zou
wanneer de schrijver er bij ongeluk een had laten vallen.
"Mij te zeggen wat hij al beproefd had om weder eene
fatsoenlijke betrekking, zij het als klerk op een
koopmanskantoor, te bekomen, dat wilde hij niet: het scheen
wel alsof de mededeeling dat hij in de rechten gestudeerd
had--zonder het Mr. voor zijn naam te kunnen plaatsen, en de
daarbij gevoegde omstandigheden dat hij getrouwd was, en op
een bovenkwartier in de Tuinstraat woonde, de deftige heeren
kooplui aanstonds reeds "iemand op 't oog deden hebben, waarmee
ze zoo goed als klaar waren", zoodat hij onverrichterzake
kon aftrekken.--"Maar geen nood," riep Philip bijna woest;
"je moet niet denken Woudberg, dat we gebrek behoeven
te lijden. Waarachtig niet! Een valsch begrip van eer;
het toegeven aan een dwaas vooroordeel in ons kleine land,
maar vooral het besef dat de naam dien ik draag niet mijn
uitsluitend eigendom is, dat alles deed mij dralen om gevolg
te geven aan een plan, 't welk tot uitvoering zal komen,
en waardoor het ons verder aan niets zal ontbreken."
"Om kort te gaan August, wat ik vreesde zal geschieden indien
gij 't niet te voorkomen zoekt. Philip wil zich met zijn
vrouw bij een tooneelgezelschap laten engageeren. Nochtans
hij geloofde niet bij een der grootste theaters te zullen
slagen. Ofschoon zijn vrouw er zeer goed uitziet, haar
talent--ik heb dit vroeger wel eens meer gehoord--moet niet
veel beteekenen. Philip zelf heeft wat gerederijkt, maar
de tooneeldirecteurs geven geen eerste emplooi aan menschen
zonder eenige reputatie.--Dit laatste komt in ons voordeel,
want Philip schijnt bepaald te gelooven dat hij een eerste
viool zal moeten spelen."
"Groote God!" zegt Helmond, en terwijl hij met beide handen zijn
kloppend hoofd ondersteunt leest hij weer voort:
"Beste August, wij behoeven ons zeker niet te verdiepen
in de vragen wat ons Nederlandsch tooneel is, en of de
tooneelwereld inderdaad uit het rechte oogpunt wordt
beschouwd; we staan hier voor het feit dat de naam van
_Helmond_ waarschijnlijk binnenkort zal te vinden zijn op de
tooneelbiljetten--zeer waarschijnlijk van een der allerminste
gezelschappen in ons land. Nu is het de vraag of dit _kan_
en _mag_ geschieden. Zonder u te hooren, heb ik reeds _neen_
geantwoord. Mij dunkt, acteur mag Philip niet worden; en toch
moet hij een kostwinning hebben.--Als uw oudste trouwe vriend,
bied ik u gaarne de hand. Maar, er is geld noodig."
"Geld! ha, geld!" zucht Helmond, en drukt de handen vaster
tegen het kloppende hoofd.
"Recht gelukkig ben ik August, dat ik waarschijnlijk in de
gelegenheid zal zijn om den armen drommel aan een fatsoenlijke
positie te helpen. Twee mijner neven hebben het voornemen
om een nieuwe brandwaarborgmaatschappij op te richten, en
zouden daarin uw broeder tot mede-directeur willen kiezen,
indien hij zich bereid verklaarde om het meerendeel der
werkzaamheden te verrichten, en minstens tien aandeelen a
duizend gulden te nemen of te plaatsen.
"Deze zaak geef ik u alzoo ter overweging. Spoedig hoop ik
te hooren hoe gij er over denkt. Philip die de zaak, om de
tweede conditie, als een onmogelijke aanstonds verwierp, zou
haar gretig aanpakken indien ik hem door mijn _vrienden_--gij
verstaat me--die aandeelen bezorgde.
"'t Is dus een affaire van tien duizend gulden. Mij dunkt,
indien een man als mijnheer Van Barneveld weet dat hij uw
diep ongelukkigen broeder van zulk een stap kan weerhouden, en
bovenal dat hij hem een fatsoenlijke betrekking kan bezorgen,
waardoor zijn toekomst verzekerd wordt, dan zal hij niet
aarzelen om voor een betrekkelijk geringe som aandeelen te
nemen in een assurantie-maatschappij die, door een tal onzer
eerste families ondersteund, bovendien de beste waarborgen
oplevert.
"'t Is dan verder--zooals gij reeds vermoed hebt--mijn
voornemen, om Philip, ofschoon werkelijk door de inschrijving
van uw oom geholpen, tien andere naamlooze aandeelen te toonen,
die reeds door mijn vrienden genomen zijn.
"Bij mijn laatst bezoek, 't welk ik hem gisteren bracht,
liet ik de hoop doorschemeren dat ik hem--natuurlijk
zonder den steun van u of uw oom--zou kunnen helpen. De
arme kerel werd bijna tot tranen geroerd; hij beloofde
mij dat tooneeldenkbeeld nog wat uit het hoofd te zullen
zetten. Maar.... "de oogenblikkelijke moeielijkheden--?" Nu
ja, van mij die zich steeds een oprecht vriend betoonde,
en vooral, zooals hij zeide, die steeds aan zijn vrouw
de eer had gegeven, welke men haar verschuldigd was--'t
is mogelijk dat ik eens bij een ontmoeting op straat, den
hoed voor haar heb afgenomen--van zulk een vriend wilde hij
nog wel het kleine voorschot van honderd gulden aannemen,
't welk ik hem op kiesche wijze had aangeboden.
"En nu mijn vriend, stel mij niet te leur. Ik wilde onzen
braven dolleman er weer zoo gaarne bovenop helpen; hij is
het waard, al ware het alleen omdat hij uw broeder is.
"Houd mijn bemoeiingen voor de bewijzen van mijn
onveranderlijke vriendschap, en schrijf spoedig aan uw vriend