ZES EN TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Op zijn studeervertrek gekomen heeft Helmond eenigszins gejaagd het

werk verricht, 't welk hem nog te doen stond. Daarmede gereed, schelde

hij, opdat men alvorens naar bed te gaan, het avondbrood zou wegnemen

'twelk Eva op zijn kamer heeft laten klaarzetten.

De oudste der beide nieuwe dienstboden--op 't stuk der dienstboden

is men in de luttele maanden sedert het huwelijk mede zeer

vooruitgegaan--de oudste dier beide nieuwelingen komt al spoedig

met een paar brieven in de hand de studeerkamer binnen, en 't is wel

aan haar oogen te zien dat ze dokter--die natuurlijk een huissleutel

heeft--straks niet heeft gehoord toen hij in zijn woning terugkwam.

Van de beide brieven is er een zonder postmerk, aan het adres van

Monsieur et Madame Helmond-Armelo, en een met het postmerk Amsterdam,

aan Dr. A. Helmond.

Dat kleine briefje kon Helmond even inzien. 't Droeg wel de sporen

alsof men gepoogd had het open te maken; maar hij verkeerde nu in

geen stemming om dit te onderzoeken, en mocht hij al een oogenblik

't voornemen hebben opgevat om zijn nieuwe dienstboden tegen een

"al te groote belangstelling" te waarschuwen, hij heeft de eenvoudige

waarheid niet gegist dat het briefje der Debecque's waarvan het omslag

slechts weinig had vastgekleefd, gemakkelijk na de lezing door Eva

weder was dichtgemaakt.

En dat schrift bevatte de uitnoodiging tot het bijwonen van een feest.

Op dit oogenblik is er zeker niets, 't welk Helmond meer tegenstaat

dan het denkbeeld om feest te vieren. Hij ziet die treurende weduwe

van _De Schebbelaar_; dien zwager met zijn boosaardig verwijt!--Neen

het kan niet. Bovendien met Eva, in haar omstandigheden, dient men wat

voorzichtig te zijn. Ze heeft een zenuwachtig gestel. Erheen rijden;

feestvieren tot laat in den nacht, en dan zulk een rit terug.....!?--Nu

ja, maar die zorg is toch overdreven. 't Zal zeker een mooi feest

zijn ter eere van Archibald; en Eva zal gaarne.....

--Maar het verstand zegt: blijf rustig thuis! En dan wat al kosten

opnieuw! Voor zulk een avond zal er zeker weer 't een en ander aan

het toilet ontbreken: Allereerst witte handschoenen. Bovendien,

de vigilante--ook terug in den nacht--zal minstens drie gulden

kosten, plus de verschillende fooien!--En dan de praktijk! Nee,

peinst Helmond voort: Eva weet er nu toch niets van; als ik 't maar

aanstonds afschrijf, en later als reden opgeef--bijvoorbeeld vrouw

Sturk, 't geen immers mogelijk is, dan zal alles wel goed zijn. Ja,

Eva kan en mag er niet op aandringen; haar geheim; haar tevredenheid

in het mooie huis.....

--Misschien, ja misschien zal ze toch een heel klein beetje boos zijn!

--Nee, ze zal daar niet over tobben; nee!

Ofschoon Helmond weinig schrijflust gevoelt, hij zet zich toch

aanstonds voor zijn nieuwe zeer fraaie schrijftafel--die door Eva op

zulk een heerlijke studeerkamer volstrekt noodzakelijk was geoordeeld

--en schrijft aan de familie Debecque: dat men door bijzondere

omstandigheden verhinderd is van de zeer beleefde uitnoodiging gebruik

te maken. Aan de dienstmaagd, die straks goeden nacht komt zeggen,

geeft Helmond het briefje, met bevel dat Bus het morgen zoodra

hij komt, voor den vroegbode bezorgen zal. Kaatje zou immers wel

voorzichtig zijn, en het briefje _volstrekt niet kreukelen_!? Den

grooten brief uit Amsterdam waarvan de hand op 't adres hem onbekend

is, besloot Helmond eerst den volgenden morgen te lezen. De hoofdpijn

was wel niet erger, maar in alle geval zal 't beter zijn om nu rustig

naar bed te gaan. Waarom nog meer in 't hoofd te halen dan er nu

reeds in woelde en spookte.--Helmond beziet nog even het adres. De

hand gelijkt iets op die van zijn ouden vriend Woudberg, wien men nog

op de huwelijksreis een bezoek heeft gebracht.--Even wil hij zien of

hij zich niet bedriegt. _Lezen_ zal hij hem in geen geval.

Nu Helmond den brief geopend en de onderteekening inderdaad

voor die van zijn ouden academievriend heeft herkend, nu zou hij

toch bij zijn besluit zijn gebleven indien niet een paar woorden,

waarop toevallig zijn oog is gevallen, hem aanstonds daarvan hadden

teruggebracht. De woorden "_uw diep ongelukkige broeder_", ze hebben

hem hevig aangegrepen en wel tot lezen gedwongen.--O groote God,

ook dit nog! zegt Helmond bijna hoorbaar:

"..... zoodat er naar men mij verhaalde letterlijk gebrek

werd geleden," leest Helmond voort, terwijl hij den brief als

't ware verslindt: "Voor drie weken ongeveer besloot ik mij

zelf te gaan overtuigen wát er van waar mocht wezen. Ik begaf

mij naar zijn woning. Philip ontving mij tamelijk koel. Hij

vroeg mij aanstonds of ik namens den generaal Van Barneveld

of namens u kwam. Op mijn antwoord dat zulks niet het geval

was, verzocht hij mij plaats te nemen, want, voegde hij mij

toe: Indien gij uit naam van "iets uit Romphuizen" kwaamt,

dan zou ik u verzoeken mij liefst niet op te houden.

"Ik verzwijg u niets Helmond, want het is noodig dat ge weet

_hoe_ ge tegenover uw broeder staat, alvorens gij iets ten

zijnen behoeve zult besluiten.--Toen ik plaats had genomen,

verhaalde ik hem openhartig wat ik van terzijde vernam. In

den aanvang aarzelde hij zulks te bekennen: maar eindelijk

moest hij toestemmen dat hij het bitter ellendig had. Nu,

't was den armen duivel wel aan te zien. Zijn altijd geestige

oogen fonkelden nog wel, maar bijwijlen was er een matheid

in zijn blik, zeer in harmonie met de bleekheid van zijn

broodmager maar altijd toch nobel gelaat.

"'t Was roerend August, toen hij met een bevende stem en een

traan in de oogen, maar tóch met een ruwen uitval bekende,

dat bij zelf wilde honger lijden en zich laten vertrappen als

het wezen moest, maar dat hij krankzinnig zou worden indien hij

zijn vrouw en kind moest zien gebrek lijden en verachten door

een wereld vol bekrompen laagheid. Toen, August, greep ik zijn

hand, en sprak hem van menschen die het goed met hem meenden;

van u en den generaal. Wat hij antwoordde meld ik u niet

omstandig. Genoeg, hij dacht er niet aan om eenige hulp van

u aan te nemen. Liever zou hij--doch waartoe meer. Eensklaps

was hij opgestaan, en vroeg mij op een gansch anderen toon:

wie mij eigenlijk tot hem gezonden had of het recht gegeven om

mij in zijn huiselijke aangelegenheden te komen mengen?--Nu ja,

in den beginne was hij zooals hij zeide, door mijn hartelijken

toon wat zeer vertrouwelijk geweest, maar wanneer ik nu tóch

gedurig van u en den generaal sprak, dan bekroop hem de vrees

dat ik een poging waagde om hem tot een stap te bewegen,

dien hij _laag_ moest noemen; immers liever zou hij zich met

vrouw en kind in het IJ werpen, dan van menschen die zich

voor zijn dierbaarste schaamden, zelfs een groet te willen

ontvangen. Tot mijn leedwezen August, kom ik er reeds toe om

u bijna letterlijk Philips woorden terug te geven, doch het

geschiedt opdat gij levendig gevoelen zoudt, dat de hulp van

uwe zijde zóó zal verleend moeten worden, dat Philip gelooft

van een gansch anderen kant te zijn geholpen. Nadat ik den

armen vriend wat kalmer had gestemd door hem nogmaals te

verzekeren dat ik hem geheel uit eigen beweging was komen

zien, verhaalde hij mij de hoofdoorzaak zijner "voor 't

oogenblik nog al moeielijke omstandigheden." Dewijl hij zich

op zijn bureel, bij 't meesttijds verrichten van armzalig

kopiëerwerk, somwijlen eenige vrijheden had veroorloofd,

ja zelfs een stuk--'t welk hij meende dat toch nooit gelezen

zou worden--in Alexandrijnen had gesteld, was hij door een

"ploert" vervangen, die in gemoede den inktmop kopiëeren zou

wanneer de schrijver er bij ongeluk een had laten vallen.

"Mij te zeggen wat hij al beproefd had om weder eene

fatsoenlijke betrekking, zij het als klerk op een

koopmanskantoor, te bekomen, dat wilde hij niet: het scheen

wel alsof de mededeeling dat hij in de rechten gestudeerd

had--zonder het Mr. voor zijn naam te kunnen plaatsen, en de

daarbij gevoegde omstandigheden dat hij getrouwd was, en op

een bovenkwartier in de Tuinstraat woonde, de deftige heeren

kooplui aanstonds reeds "iemand op 't oog deden hebben, waarmee

ze zoo goed als klaar waren", zoodat hij onverrichterzake

kon aftrekken.--"Maar geen nood," riep Philip bijna woest;

"je moet niet denken Woudberg, dat we gebrek behoeven

te lijden. Waarachtig niet! Een valsch begrip van eer;

het toegeven aan een dwaas vooroordeel in ons kleine land,

maar vooral het besef dat de naam dien ik draag niet mijn

uitsluitend eigendom is, dat alles deed mij dralen om gevolg

te geven aan een plan, 't welk tot uitvoering zal komen,

en waardoor het ons verder aan niets zal ontbreken."

"Om kort te gaan August, wat ik vreesde zal geschieden indien

gij 't niet te voorkomen zoekt. Philip wil zich met zijn

vrouw bij een tooneelgezelschap laten engageeren. Nochtans

hij geloofde niet bij een der grootste theaters te zullen

slagen. Ofschoon zijn vrouw er zeer goed uitziet, haar

talent--ik heb dit vroeger wel eens meer gehoord--moet niet

veel beteekenen. Philip zelf heeft wat gerederijkt, maar

de tooneeldirecteurs geven geen eerste emplooi aan menschen

zonder eenige reputatie.--Dit laatste komt in ons voordeel,

want Philip schijnt bepaald te gelooven dat hij een eerste

viool zal moeten spelen."

"Groote God!" zegt Helmond, en terwijl hij met beide handen zijn

kloppend hoofd ondersteunt leest hij weer voort:

"Beste August, wij behoeven ons zeker niet te verdiepen

in de vragen wat ons Nederlandsch tooneel is, en of de

tooneelwereld inderdaad uit het rechte oogpunt wordt

beschouwd; we staan hier voor het feit dat de naam van

_Helmond_ waarschijnlijk binnenkort zal te vinden zijn op de

tooneelbiljetten--zeer waarschijnlijk van een der allerminste

gezelschappen in ons land. Nu is het de vraag of dit _kan_

en _mag_ geschieden. Zonder u te hooren, heb ik reeds _neen_

geantwoord. Mij dunkt, acteur mag Philip niet worden; en toch

moet hij een kostwinning hebben.--Als uw oudste trouwe vriend,

bied ik u gaarne de hand. Maar, er is geld noodig."

"Geld! ha, geld!" zucht Helmond, en drukt de handen vaster

tegen het kloppende hoofd.

"Recht gelukkig ben ik August, dat ik waarschijnlijk in de

gelegenheid zal zijn om den armen drommel aan een fatsoenlijke

positie te helpen. Twee mijner neven hebben het voornemen

om een nieuwe brandwaarborgmaatschappij op te richten, en

zouden daarin uw broeder tot mede-directeur willen kiezen,

indien hij zich bereid verklaarde om het meerendeel der

werkzaamheden te verrichten, en minstens tien aandeelen a

duizend gulden te nemen of te plaatsen.

"Deze zaak geef ik u alzoo ter overweging. Spoedig hoop ik

te hooren hoe gij er over denkt. Philip die de zaak, om de

tweede conditie, als een onmogelijke aanstonds verwierp, zou

haar gretig aanpakken indien ik hem door mijn _vrienden_--gij

verstaat me--die aandeelen bezorgde.

"'t Is dus een affaire van tien duizend gulden. Mij dunkt,

indien een man als mijnheer Van Barneveld weet dat hij uw

diep ongelukkigen broeder van zulk een stap kan weerhouden, en

bovenal dat hij hem een fatsoenlijke betrekking kan bezorgen,

waardoor zijn toekomst verzekerd wordt, dan zal hij niet

aarzelen om voor een betrekkelijk geringe som aandeelen te

nemen in een assurantie-maatschappij die, door een tal onzer

eerste families ondersteund, bovendien de beste waarborgen

oplevert.

"'t Is dan verder--zooals gij reeds vermoed hebt--mijn

voornemen, om Philip, ofschoon werkelijk door de inschrijving

van uw oom geholpen, tien andere naamlooze aandeelen te toonen,

die reeds door mijn vrienden genomen zijn.

"Bij mijn laatst bezoek, 't welk ik hem gisteren bracht,

liet ik de hoop doorschemeren dat ik hem--natuurlijk

zonder den steun van u of uw oom--zou kunnen helpen. De

arme kerel werd bijna tot tranen geroerd; hij beloofde

mij dat tooneeldenkbeeld nog wat uit het hoofd te zullen

zetten. Maar.... "de oogenblikkelijke moeielijkheden--?" Nu

ja, van mij die zich steeds een oprecht vriend betoonde,

en vooral, zooals hij zeide, die steeds aan zijn vrouw

de eer had gegeven, welke men haar verschuldigd was--'t

is mogelijk dat ik eens bij een ontmoeting op straat, den

hoed voor haar heb afgenomen--van zulk een vriend wilde hij

nog wel het kleine voorschot van honderd gulden aannemen,

't welk ik hem op kiesche wijze had aangeboden.

"En nu mijn vriend, stel mij niet te leur. Ik wilde onzen

braven dolleman er weer zoo gaarne bovenop helpen; hij is

het waard, al ware het alleen omdat hij uw broeder is.

"Houd mijn bemoeiingen voor de bewijzen van mijn

onveranderlijke vriendschap, en schrijf spoedig aan uw vriend

Dokter Helmond en zijn vrouw · 第 50 / 85 题